Alleen maar in het buiitenland wonen, maakt nog geen eind aan Nederlandse bemoeienis

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

3.8.4.

Beslissend voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, is derhalve het antwoord op de vraag of [minderjarige] op 27 mei 2014, de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift, zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.

De Verordening Brussel II-bis bevat geen definitie van het begrip “gewone verblijfplaats”. Volgens vaste rechtspraak is de “gewone verblijfplaats” de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De rechter dient bij het invullen van het begrip “gewone verblijfplaats” rekening te houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie.

Het begrip “gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 8, lid 1 van de Verordening Brussel II-bis dient aldus te worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 02-04-2009 LJN BI0835) . Aldus zijn de feitelijke omstandigheden in de concrete situatie bepalend voor de bepaling van de rechtsmacht

3.8.5.

Ten aanzien van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] neemt het hof het volgende in aanmerking.

Vast staat dat [minderjarige] sinds maart 2007 onder toezicht van de stichting staat en door middel van een machtiging uit huis is geplaatst, waarbij [minderjarige] sinds maart 2010 bij zijn grootmoeder en haar partner verblijft. De hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling is aldus ingezet in Nederland. Deze maatregelen blijven van kracht zolang de autoriteiten van het nieuwe gewone verblijf (België) deze niet hebben opgeheven of vervangen (artikel 5 lid 1 HKV; het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen van 1961). Het hof is van oordeel dat de Nederlandse kinderbeschermingsmaatregelen met betrekking tot [minderjarige] de zaak met de rechtssfeer in Nederland verbinden. Dat deze zaak niet is overgedragen aan de Belgische autoriteiten heeft ook alles te maken met het feit dat [minderjarige] met de Nederlandse rechtssfeer verbonden is gebleven. [minderjarige] is in het kader van de netwerkplaatsing bij zijn (Nederlandse) grootmoeder in België geplaatst. Hij woont met zijn pleegouders op 50 meter afstand van de Nederlandse grens. Hij gaat in Nederland naar school en zijn verdere sociale leven met sport, familie en vriendjes speelt zich ook grotendeels af in Nederland. [minderjarige] heeft voorts de Nederlandse nationaliteit en staat bij de moeder ingeschreven in het GBA te [plaats].

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [minderjarige] ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Derhalve is het hof met de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.


Ga terug