Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Al 10 jaar OTS, GI doet niets

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt

bedreigd, omdat:

  • -

    [minderjarige] aan narcolepsie en kataplexie lijdt. Zij heeft hiervoor behandeling nodig, maar die komt niet van de grond. Zij heeft al heel lang geen medische zorg hiervoor en er is daarom geen zicht op de gezondheid van [minderjarige] ;

  • -

    [minderjarige] al geruime tijd niet of nauwelijks naar school gaat. Kennelijk lukt het niemand om [minderjarige] hiervoor te motiveren. Uit de stukken blijkt dat zij de nodige capaciteiten heeft en meer aankan dan zij tot op heden laat zien, maar dat zij vanwege ernstig schoolverzuim waarschijnlijk haar diploma niet haalt en volgend schooljaar op een nog lager niveau, namelijk MBO entree, moet starten.

  • -

    [minderjarige] regelmatig wiet gebruikt. Zij heeft, kennelijk via haar broer, contacten met dealers die bij haar thuis aan de deur komen.

  • -

    [minderjarige] bekrast zichzelf.

Vast staat dat de ouders niet op eigen kracht en zelfstandig de noodzakelijke hulp voor [minderjarige] kunnen organiseren. Dat zou betekenen dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

Echter, de kinderrechter overweegt het volgende:

Uit de stukken blijkt dat de GI en de raad van mening zijn dat wonen bij de ouders niet haalbaar is. Gebleken is ook dat door de GI niet wordt ingezet op thuisplaatsing. Daarom is de verwachting niet gerechtvaardigd dat de gezaghebbende ouders van [minderjarige] in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.

Daarmee wordt dus niet voldaan aan artikel 1:255, lid 1 en onder b BW.

Het belang van [minderjarige] verzet zich op dit moment echter tegen een

beƫindiging van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter overweegt dat het dringend noodzakelijk is dat door de GI op zeer korte termijn stappen worden gezet om de nodige medische hulp in te schakelen. Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt dat [minderjarige] het afgelopen jaar geen medische zorg heeft gehad. In de beschikking van 4 maart 2020 valt te lezen dat een afspraak nodig is bij onderzoekscentrum Kempenhaeghe te Heeze en dat medicatie nodig is zodat [minderjarige] kan functioneren en niet in slaap valt, maar daarvan is niets terecht gekomen. Sterker nog, de GI heeft in dat kader niets gedaan.

Daarnaast is gebleken dat de in voormelde beschikking door de GI benoemde zorgen over de schoolprestaties en schoolgang van [minderjarige] flink zijn toegenomen. Het lijkt erop dat de GI niet doortastend handelt en accepteert dat [minderjarige] naar een lager niveau wordt gezet, terwijl zij zeker capaciteiten heeft.

Onduidelijk is gebleven wat de GI nu werkelijk heeft ondernomen in het kader van de tenuitvoerlegging van de ondertoezichtstelling om te komen tot verbetering van de situatie van [minderjarige] , zulks terwijl de begeleidster van Columbus toch duidelijk aan de bel heeft getrokken en bij de GI erop heeft aangedrongen ook psychologische hulp voor [minderjarige] in te schakelen.

Dit leidt tot het oordeel dat verlenging van de ondertoezichtstelling nu noodzakelijk is.

De vraag is echter voor welke termijn:

  • -

    de kinderrechter wil de vinger aan de pols houden en erop toezien dat de GI haast maakt met het inzetten van noodzakelijke medische en psychologische hulp voor [minderjarige] en met het bevorderen van de schoolgang van [minderjarige] ;

  • -

    de ondertoezichtstelling van [minderjarige] duurt, vanaf 2007 met een onderbreking van een jaar, al meer dan twaalf jaar en het is de vraag of een ondertoezichtstelling nog recht doet aan de situatie van [minderjarige] en aan haar behoeften of dat een verderstrekkende maatregel noodzakelijk is.

Dit alles leidt ertoe dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal verlengen voor een periode van zes maanden, onder aanhouding van de beslissing ten aanzien van de resterende termijn.

In deze periode dient de GI in de eerste plaats voormelde hulp voor [minderjarige] in te schakelen en het nodige te doen ter bevordering van de schoolgang van [minderjarige] .

Op de tweede plaats dient de GI voortvarend stappen te ondernemen in het beoordelen van de vraag of een verder strekkende maatregel noodzakelijk is.

Machtiging uithuisplaatsing

Op grond van artikel 1 :265b BW kan de kinderrechter de GI die belast is met de uitvoering

van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en

nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en

opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke

gesteldheid.

Gelet op de hiervoor vermelde ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige] is de kinderrechter

van oordeel dat een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang

van de verzorging en opvoeding nu zij niet meer bij de oma woont en duidelijk is dat haar

verblijf bij de moeder niet in haar belang is.

De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van de beslissing ten aanzien van de resterende termijn.

Er zal binnen voormelde termijn een nieuwe mondelinge behandeling worden bepaald, waarvoor de belanghebbenden zullen worden opgeroepen. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij een schriftelijk verslag van de voortgang van de hulp aan [minderjarige] overlegt uiterlijk twee weken voor deze mondelinge behandeling.


Ga terug