RBMNE:2026:4684
De beoordeling
5.1.
De kinderrechter wijst het verzoek tot het verlenen van een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af en legt hierna uit waarom zij dat doet.
5.2.
Voor een ondertoezichtstelling moet sprake zijn van ernstige ontwikkelingsbedreigingen voor de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd dat daarvan nu sprake is, mede gelet op het verhaal van de ouders. Dit betekent niet dat er niets aan de hand is: de beide scholen van de kinderen, de huisarts en de hulpverlening vanuit De Schoor hebben allemaal wel hun zorgen geuit, onder meer over spanningen tussen de vader en de moeder, de financiële en individuele problematiek van de ouders en over de achterstanden van de kinderen op school. Hier komt bij dat niemand precies zicht op de thuissituatie lijkt te kunnen krijgen. Tegelijkertijd hebben de vader en de moeder op de zitting naar voren gebracht dat zij, nu zij na de scheiding in rustiger vaarwater komen, op één lijn zitten wat betreft de opvoeding. Ook hebben zij verteld dat het inmiddels beter gaat met de kinderen op school en zij bezig zijn met het inhalen van hun achterstanden. Tot slot hebben de vader en de moeder los van elkaar dezelfde verklaring gegeven voor de meldingen van het huiselijk geweld. Dit alles maakt dat er naar het oordeel van de kinderrechter nu wel vaststaat dat er zorgen zijn, maar niet dat die zorgen ook ernstige ontwikkelingsbedreigingen vormen. Dat is wel vereist voor een ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling. Hoewel de kinderrechter wel de zorg van de Raad deelt dat er weinig zicht is op de thuissituatie, is een ondertoezichtstelling ook niet bedoeld als middel om dat zicht te verkrijgen. Er is dus niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verleden van een ondertoezichtstelling, waardoor het verzoek zal worden afgewezen.