Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

OTS en vrijwillige hulpverlening en buitenland

Nuttig om te weten >>

Er kan sprake zijn van een ‘kale’ ondertoezichtstelling, waarbij verdere gezagsbeperkingen, zoals een schriftelijke aanwijzing en/of machtiging uithuisplaatsing, ontbreken.
Er kan zich een ondertoezichtstelling met schriftelijke aanwijzing voordoen. De schriftelijke aanwijzing moet hierbij betrekking hebben gehad op de gewone verblijfplaats
van de minderjarige. Of het kan gaan om een ondertoezichtstelling met machtiging uithuisplaatsing. Het beleid en de regelgeving omtrent de ‘vluchtende’ gezinnen loopt per
verschillende ondertoezichtstellingen uiteen.

De ondertoezichtstelling vormt slechts een beperking op het gezagsrecht van de ouders. Op basis van het gezagsrecht hebben ouders bevoegdheden inzake de opvoeding en zijn zij onder andere gerechtigd om de verblijfplaats van de minderjarige te bepalen. Daarbij is de jurisprudentie niet eenduidig omdat hierin een duidelijke tegenstelling tussen het burgerlijk recht en het strafrecht bestaat. In het burgerlijk recht wordt vastgehouden aan een arrest van de Hoge Raad van 14 april 2000, waarin wordt gesteld dat een ondertoezichtstelling geen invloed heeft op het recht van de ouders om de woon- en verblijfplaats van het kind te bepalen. Ook zou er uit de ondertoezichtstelling geen verplichting voor de ouders volgen om de gezinsvoogd omtrent de verhuizing te consulteren. Het is bij deze uitvoering van de ondertoezichtstelling dus toegestaan om gedurende een ondertoezichtstelling naar het buitenland te verhuizen.

Daarentegen lijkt het in het strafrecht voor ouders ongeoorloofd om gedurende een kale ondertoezichtstelling met hun kind te verhuizen naar het buitenland. Dit blijkt onder meer uit de invulling en toepassing van artikel 279 Sr. Uit jurisprudentie wordt duidelijk dat het door artikel 279 Sr genoemde ‘bevoegd opzicht’ door de gecertificeerde instelling al wordt ingevuld indien sprake is van een ‘kale’ ondertoezichtstelling. In gevolge artikel 279 Sr kan een ouder mét wettelijk gezag derhalve veroordeeld worden voor het onttrekken van een minderjarige aan het wettig
over de minderjarige gesteld opzicht van de gecertificeerde instelling, indien zij het kind gedurende de ondertoezichtstelling mee nemen naar het buitenland. Dit wordt bevestigd door een drietal uitspraken. Een uitzondering hierop is een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 26 februari 2013.10 In deze uitspraak wordt vastgehouden aan de opvatting zoals die in het burgerlijk recht existeert.

Afgezien van deze laatste zaak, lijkt men in het burgerlijk recht en in het strafrecht niet op de hoogte van elkaars tegengestelde opvatting. Indien ouders zich namelijk in strafzaken zouden beroepen op de opvatting zoals die in het burgerlijk recht wordt gehanteerd, lijkt een veroordeling voor artikel 279 Sr onwaarschijnlijk omdat de voorwaarde voor strafbaarheid, te weten opzet, op deze wijze onvoldoende aannemelijk gemaakt kan worden. Ouders onttrekken het kind dan immers niet ‘opzettelijk’ aan de gecertificeerde instelling omdat zij in de veronderstelling zouden verkeren dat ze de woon- en verblijfplaats van het kind zelf mogen bepalen.
Het is voor ouders ongeoorloofd om met hun kind naar het buitenland te verhuizen als door de gecertificeerde instelling een schriftelijke aanwijzing omtrent de verblijfplaats van de minderjarige is gegeven.

Uit Jeugdrecht in de Praktijk, februari 2017.
 

8. Vaststaat dat de moeder op 24 februari 2016 met de minderjarige naar België is vertrokken. Daarmee heeft de moeder wijziging gebracht in de (feitelijke) verblijfplaats van de minderjarige. De vraag die voorligt, is echter of daarmee ook de “gewone verblijfplaats” van de minderjarige in de zin van artikel 8 Brussel II-bis is gewijzigd. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen. De minderjarige heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft vanaf zijn geboorte tot 24 februari 2016 in Nederland gewoond. Hij ging daar naar school en had in Nederland zijn sociale leven. Zijn familie, waaronder zijn grootouders bij wie hij veel verbleef en verblijft, waren en zijn in Nederland woonachtig. In Nederland stond de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling en ontving hij hulpverlening. Ook de behandelaars van de moeder zijn gevestigd in Nederland. Ook thans in hoger beroep is de moeder nog steeds bij hen in behandeling. In Nederland verliep onder begeleiding een contactregeling tussen de minderjarige en de vader. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het plotselinge en onverwachte vertrek van de moeder is ingegeven door de mogelijke uithuisplaatsing. Immers, zij is zeer kort voor haar vertrek naar België door de gecertificeerde instelling op de hoogte gesteld van een mogelijke uithuisplaatsing. De moeder heeft aan haar hulpverleners en die van de minderjarige, zijn basisschool en de gecertificeerde instelling niet op de hoogte gesteld van de aanstaande verhuizing. Ook de minderjarige zelf was niet op de hoogte van de ophanden zijnde verhuizing naar België. Het vertrek van de minderjarige van zijn basisschool is dan ook zeer abrupt geweest en heeft op zijn klasgenoten impact gehad. Het hof sluit niet uit dat dit ook voor de minderjarige geldt. De moeder bezit ook nog haar woning in Nederland. De omstandigheden dat de moeder op 9 februari 2016 een woning heeft gehuurd in [plaats] voor de duur van negen jaren, zich inmiddels met de minderjarige had ingeschreven in België in de daartoe bestemde administratie, de minderjarige gedurende één week naar school is gegaan in België voor de uithuisplaatsing en de moeder telefonisch contact heeft opgenomen met het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Antwerpen, heeft het hof meegenomen in zijn afweging van de belangen, maar niet van doorslaggevend belang geacht, gelet op het feit dat het hof van oordeel is dat het zwaartepunt van de sociale en familiale omstandigheden van de minderjarige zich nog steeds in Nederland bevond ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift op 8 maart 2016.




googelt u GHDHA 2016 2092

Vertrek naar het buitenland om UHP te voorkomen heeft alleen kans van slagen, als echt helemaal niemand weet naar welk land u toe gaat. De Nederlandse politie zoekt actief in Belgie, en waarschijnlijk ook in andere landen. U moet zich wel uitschrijven bij uw gemeente, anders komt u op de internationale opsporingslijst van de politie. Dan bent u een vermist persoon. Als u zich uitschrijft kunt u volstaan met een land te noemen, u kunt het verder vaag houden. Ik ga mij nog orienteren o.i.d..

14. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat de gronden voor de uithuisplaatsing aanwezig zijn. Ook thans in hoger beroep zijn die nog aanwezig. Niet ter discussie staat dat sprake is van psychische problematiek van de moeder waarvoor zij al enige jaren wordt behandeld. Hoewel de minderjarige wel enkele medische problemen heeft, zijn er sterke aanwijzingen dat de moeder zich meer dan overbezorgd opstelt ten opzichte hem. Zij heeft de afgelopen jaren veel bezoeken afgelegd bij artsen en huisartsen. Ook heeft zij op school meerdere uitlatingen gedaan over de medische problematiek van de minderjarige, terwijl daarvan geen of slechts ten dele sprake is. Dit acht het hof belastend voor de minderjarige. Zo heeft zij op school vertelt dat hij tijdens de gym op een stoel moet zitten vanwege zijn fysieke beperkingen. Dit terwijl in het pleeggezin en op zijn huidige school blijkt dat dit absoluut niet noodzakelijk is en de minderjarige gewoon leeftijdsconform aansluit bij zijn klasgenoten. Ten opzichte van de hulpverlening stelt zij zich dwingend op en het lijkt er daarbij op dat zij zich dan impulsief gedraagt en afkeert van de betreffende instantie indien er een andere mening wordt gehuldigd. Zo is zij de afgelopen jaren vaak gewisseld van huisarts. Ook is zij meerdere keren gewisseld van kinderdagverblijf. Verder geeft de moeder tijdens diverse onderzoeken bij diverse instanties te kennen dat de minderjarige zeer intelligent is, terwijl de school van de minderjarige een gemiddelde leerling ziet. De moeder lijkt (te) hoge verwachtingen van de minderjarige te hebben. Daarnaast wordt er al jarenlang getracht door de hulpverlening om een goede en rustige contactregeling tot stand te brengen tussen de vader en de minderjarige. Tot op heden is dat nog steeds niet gelukt. De minderjarige lijkt van zijn moeder geen onbelast contact met de minderjarige te mogen hebben. Voor de uithuisplaatsing noemde de minderjarige zijn vader bij de naam en na elk begeleid contact nam de moeder contact op met de hulpverlenende instanties over alles wat er niet goed was gegaan. Dit heeft er toe geleid dat op een bepaald moment een contactmoment niet is doorgegaan omdat het als te belastend werd gezien voor de minderjarige. Dit heeft er bij de moeder voor gezorgd dat zij met de minderjarige in haar auto achter de vader aan is gegaan om toch te zorgen dat het contact tot stand zou komen. Thans noemt de minderjarige zijn vader “papa” tijdens de contactmomenten. De contacten vinden sinds de uithuisplaatsing minder belast plaats. Ook het impulsieve vertrek van de moeder met de minderjarige naar België, zonder de minderjarige op de verhuizing voor te bereiden, zonder hem afscheid te laten nemen van zijn klasgenoten en de komst op een school waar hij de taal niet van sprak, acht het hof zorgwekkend.

15. Gezien alle vorenstaande omstandigheden in samenhang bezien, is het hof met de gecertificeerde instelling van oordeel dat het opvoedklimaat bij de moeder - ondanks haar grote betrokkenheid op de minderjarige - op dit moment zeer belastend is voor de minderjarige. De minderjarige krijgt naar het oordeel van het hof onvoldoende ruimte om zijn eigen identiteit te ontwikkelen. De ondertoezichtstelling heeft tot op heden niet geleid tot veranderingen daarin. Het hof acht de uithuisplaatsing van de minderjarige dan ook noodzakelijk.


Ga terug