Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Dossier Anja van Brussel
<< vorige pagina   
print pagina
 

Onderstaande tekst valt onder het auteursrecht. Wie er iets anders mee wil doen dan uitprinten voor eigen gebruik, moet contact opnemen met kog@upcmail.nl .

Dit dossier is op 6 november 2004 bekort. "Anja van Brussel" had aanvankelijk haar toestemming gegeven voor de tekst zoals hij oorspronkelijk op de website heeft gestaan, maar heeft daar spijt van gekregen.
Wij hebben nu het deel weggelaten waaruit veel is op te maken over haar eigen doen en laten.
Tenslotte zijn wij ook alleen geïnteresseerd in de instanties.

 

 

Dossier Anja van Brussel


Wat is de bedoeling van dit dossier en voor wie is het bestemd?
Over brandweermannen en hertjes
Dit dossier is bedoeld als leermateriaal voor instanties en als “schandpaal”, het is tegelijkertijd een waarschuwing voor gezinnen.

Wij menen een schandpaal te mogen oprichten omdat er omgesprongen is met de levens van Anja van Brussel en haar gezin op een manier die, hoewel zeer gangbaar, bijna niet ondeskundiger en moreel verwerpelijker kan. Wij hebben de betrokken functionarissen met name genoemd, met op hun verzoek twee uitzonderingen.

Waarom die namen? Wij blijven ervan overtuigd dat veel mensen die werkzaam zijn in jeugdhulpverlening en -bescherming aan dat werk begonnen zijn uit idealisme, en zich dagelijks inspannen om resultaten te leveren die zij als de optimale beschouwen. Die mensen verdienen het niet, het geknoei van collega’s aangewreven te krijgen.

Veel mensen hebben een brandweerman in zich. Een vlammetje? Blussen, gauw!

Mensen willen niet alleen branden blussen, zij willen in het algemeen helpen en redden.

Speciaal jonge levende wezens wekken het reddersinstinct. Een aantal jaren geleden waren er nogal eens berichten in de kranten over zeer jonge hertjes die zonder moeder door wandelaars waren aangetroffen. De wandelaars probeerden ze aan te halen en te voeren. En de boodschap van de berichten was: daarmee zijn die hertjes ten dode opgeschreven. Wandelaars, blijf eraf!

Veel jeugdhulpverleners en -beschermers zijn helaas ook gemankeerde brandweerlieden.

Een vlammetje? Blussen, gauw! En waar rook is, is vuur. Spuiten maar.

Het getuigt echter van professionaliteit in de ware zin (dus ‘vakmanschap’, niet alleen maar ‘zijn brood verdienen met’) als iemand die in de jeugdbescherming werkt zich in alle gevallen waarin een kind niet onmiddellijk bedreigd wordt, eerst bezint op de situatie en probeert zicht te krijgen op de FEITEN. Ook als er een melding gedaan is door een andere ‘professional’, moet men altijd zijn verantwoordelijkheid nemen en kennis nemen van de FEITEN.

Helaas is men soms uitgesproken afkerig van feitenonderzoek (“wij zijn geen politie”, “het gaat om de beleving”).

De veldwerkers, de professionals, verkeren in feite in een onmogelijke positie: zij zijn vaak van nature “brandweermannen”, hertjesredders zelfs, hun opleiding schiet tekort, en zij werken bovendien in een cultuur waarin mensen niet gauw teruggefloten worden als zij gespoten hebben terwijl er geen vuur was. Een cultuur waarin het ongebruikelijk is om te zeggen: wij hebben het niet goed gedaan, wij hebben het verkeerd ingeschat, en vervolgens corrigerende actie te ondernemen.

Hun opleiding, in het beste geval HBO (dus breed maar niet zeer diepgravend), heeft hen niet kritisch gemaakt t.o.v. zichzelf en hun drijfveren.
De interne opleiding voor gezinsvoogden, voor zover die er al is, kan niet al te zeer uit de pas lopen met ‘De (gezins)voogd als jongleur, een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk’ (2001, ISBN 90 313 3634 3).

Dit boek moedigt aan om de privacy te schenden, andere beroepsbeoefenaren over te halen hun beroepsgeheim te schenden ook als er geen sprake is van een conflict van plichten, de eigen mogelijkheden te overschatten, en ouders en kinderrechter (!) te manipuleren.

Het wakkert bovendien een sterk wij- en zij-gevoel aan.

Aan de ene kant staan ‘zij’: de zwakke en hulpafhankelijke kinderen (en hun familie) die beschermd moeten worden. En aan de andere kant staan ‘wij’: de sterke en onafhankelijke professionals, die het beter weten.

Citaat uit ‘De jongleur’: “Cultuurverschillen tussen de gezinsvoogd en het cliëntsysteem zijn overigens bijna altijd aan de orde; het gaat dan ook om verschillen in milieu.” (pag. 140)

Waar zou dan de veldwerker de houding vandaan moeten halen (en die behouden in de jaren van zijn arbeidzame leven) die een facet is van het werkelijk professional zijn, die hem verheft boven het niveau van de goedbedoelende buurvrouw? De professional krijgt van zijn organisatie niet voldoende hulp bij het ontwikkelen en behouden van die houding, maar is wel degene over wie geklaagd wordt. Behalve uiteraard in de eerste plaats kinderen en hun gezinnen, zijn ook de veldwerkers slachtoffers van het systeem waarin een boek als ‘De (gezins)voogd als jongleur’ geschreven kon worden.

Niet alle reacties die wij op de eerdere versie van dit dossier hebben ontvangen (zie achterin) stemmen ons optimistisch t.o.v. het inzicht bij leidinggevenden “dat een klacht het beste instrument is om de kwaliteit te verbeteren” (J. Buisman, namens cliënten lid van de werkgroep die binnen de stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorg en Welzijn de ISO-normen vertaalde naar de werkvloer).

Toch hopen en verwachten wij dat dit dossier ook gebruikt zal worden voor verbetering van de kwaliteit. Zoals het met Anja van Brussel gegaan is, moet het duidelijk niet.

Iedere te respecteren organisatie vraagt zich in zo’n geval af wat haar rol geweest is in het geheel, en of die wellicht anders had moeten zijn.

Een “klacht” als het beste instrument om de kwaliteit te verbeteren!



Een Staatsopvoeding voor Anja van Brussel

Dit dossier bestaat in hoofdzaak uit twee delen:

het verhaal van het contact van Anja van Brussel met “de instanties” van haar 14e tot haar 18e jaar, en
nogmaals dat verhaal aan de hand van citaten uit stukken die de instanties in die periode geproduceerd hebben.
Aan de betrokken instanties is om commentaar gevraagd. Dit is in fotokopie weergegeven.

De namen van ‘Anja van Brussel’, haar ouders en haar zus zijn niet de ware namen;

alle andere namen en adressen kloppen: in de uitoefening van zijn functie kan iemand geen beroep doen op privacy. Voor twee functionarissen is op hun verzoek een uitzondering gemaakt, zij worden aangeduid met X en Y.


DE CASUS

Anja van Brussel is 14 jaar. Zij is in de puberteit. Haar ouders maken zich zorgen om de belangstelling die zij geniet van te oude en te vrijgevochten vrienden. De leerkrachten van school maken gewag ervan dat Anja fantaseert en manipuleert.

De ouders willen vasthouden aan de structuur in haar dagelijkse leven. School en thuis behoort volgens hen voorlopig nog centraal te staan.

Anja ontdekt een manier om aan de regels thuis te ontsnappen: als zij praat met de naïeve vertrouwensdocent, blijkt deze gevoelig voor verhalen over “ruzies thuis”. Anja doet er een schepje boven op en praat over “geslagen worden”.

In plaats van contact op te nemen met de ouders om te zien wat er van waar is en wat hij kan betekenen om problemen op te lossen, arrangeert hij in samenwerking met de directeur een wegloopactie met behulp van de Stichting Jeugdzorg Brabant-West. Dan is het hek van de dam.

Er ontvouwt zich met medewerking van kinderrechter en gezinsvoogdij, onder het mom van hulpverlening en behandeling, een scenario van weglopen, oppakken, weer weglopen, drank, drugs, sex, een afgebroken schoolcarrière en tenslotte opsluiting.

De ouders zijn buitenspel gezet. Reflectie op het effect van het bureaucratisch proces ontbreekt bij de instanties, ondanks de groeiende stapel rapportages en hulpverleningsplannen (“periodieke evaluatie van de behandeling”, zoals bedoeld in art. 25 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, IVRK).

De ouders wilden hun dochter behoeden voor afglijden. De autoriteiten hebben de ouders de voet dwars gezet en er zelf een potje van gemaakt.

- Wie beschermt ouders, in de uitoefening van hun verantwoordelijkheden voor hun kinderen, tegen de kinderbeschermers?
- Wie toetst het optreden van de kinderbeschermers aan de wet?

- Wie verleent het gezin de nodige bescherming en, zonodig, bijstand, opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap volledig kan dragen(IVRKPreambule)?
Het in casu gevoerde beleid is regel, geen uitzondering.


CHRONOLOGIE

1998: 18 maart Anja (14) onder schooltijd op geheim gehouden geheim adres ondergebracht

...................................................

4 mei Zitting Kinderrechter: OTS en UHP

7 augustus Rapport PAR

.......................................................

1999: 9 juli Gezinsvoogd deelt ouders mede dat hij machtiging voor gesloten plaatsing heeft.
Anja belt haar ouders vanuit Den Bosch, waar vader haar ophaalt. Bij thuiskomst blijkt gezinsvoogd geen machtiging te hebben.
Gezinsvoogd gaat op vakantie, Anja blijft bij ouders thuis

15 juli Zitting Kinderrechter: machtiging plaatsing gesloten instelling voor ½ jaar
In afwachting gevangenhouding blijft Anja thuis

23 september Tenuitvoerlegging beschikking 15 juli 1999: plaatsing in gesloten inrichting (jeugdgevangenis) Harreveld, sector Alexandra te Almelo

2000: 7 februari Zonder overleg met Anja stemt haar toegevoegde advocaat in met verlenging gevangenhouding

2001: 23 april Vrij

15 juli Anja 18 jaar



Gebruikte afkortingen en wettelijke regelingen
OTS: Ondertoezichtstelling
Art. 1:254 Burgerlijk Wetboek:

- 1. Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 1989, 360).

- 2. Hij kan dit doen op verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de raad voor de kinderbescherming, dan wel op vordering van het openbaar ministerie.

- 3. Bij de toepassing van het eerste lid let de kinderrechter op de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van de minderjarige en van het gezin waartoe deze behoort.

- 4. Op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere. De raad voor de kinderbescherming is bevoegd het in de vorige volzin bedoelde verzoek in te dienen, indien de raad van oordeel blijft dat de uithuisplaatsing niet op de voet van artikel 263, eerste lid, dient te worden beëindigd.

(Art. 263 lid 1: Een uithuisplaatsing kan worden beëindigd door de gezinsvoogdij-instelling. Deze doet hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.)

Art. 257. Taak van de gezinsvoogd
- 1. De gezinsvoogdij-instelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en aan de met het gezag belaste ouder hulp en steun wordt geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.

- 2. Deze hulp en steun zijn erop gericht de met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden.

- 3. Indien het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten daartoe noodzaken, zijn hulp en steun, meer dan op het vergroten van de mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden, gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige.

- 4. De gezinsvoogdij-instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige.

VOTS: Voorlopige ondertoezichtstelling
Art. 255:
De kinderrechter kan hangende het onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Hij bepaalt de duur van dit voorlopige toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.

UHP: Uithuisplaatsing

Art. 261:

- 1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Bij het verzoek wordt vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.

- 2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op vordering van het openbaar ministerie. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

- 3. Voor plaatsing in een gesloten inrichting is een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist. Deze machtiging wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige. Zodra een verzoek tot zulk een machtiging of tot verlenging daarvan bij de kinderrechter is ingediend, geeft deze aan het bureau rechtsbijstandvoorziening ambtshalve last een raadsman aan de minderjarige toe te voegen.

- 4. Onze Minister van Justitie wijst aan welke inrichtingen als gesloten in de zin van dit artikel worden aangemerkt. Deze aanwijzing wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

- 5. Bij het verlenen en tenuitvoerleggen van de machtiging letten de kinderrechter en gezinsvoogdij-instelling op de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van de minderjarige en van het gezin, waartoe de minderjarige behoort.

- 6. ….




Wettelijke instanties:
-RvdK: Raad voor de Kinderbescherming
-GVI: Gezinsvoogdij-instelling
(vanaf 1 januari 2005 ? als onderdeel van Bureau Jeugdzorg)
-Bureau Jeugdzorg

Overige instanties:
-PAR: Psychiatrisch Psychologisch Pedagogisch Adviesbureau Randstad
Het PAR is in 2001 opgegaan in onderzoeksbureau FORA. FORA wordt door veel kinderrechters beschouwd als HET betrouwbare, gespecialiseerde onderzoeksbureau.

Dit is een misvatting. De werknemers van FORA beschikken niet over deskundigheden die men buiten FORA niet vindt. In 2003 zijn nu reeds enkele medewerkers van FORA berispt door het NIP, de beroepsvereniging voor psychologen. De algemeen directeur van de raad voor de kinderbescherming verbindt daar geen consequenties aan. Ouders moeten dus zelf maar verstandig zijn, en onderzoek van hun kinderen of zichzelf door FORA weigeren.

Zij worden gesteund in hun wens inspraak te hebben in de keuze van een “externe deskundige” door de ‘Richtlijnen voor het (laten) verrichten van extern onderzoek’

(opgenomen in Normen 2000 voor de Raad voor de Kinderbescherming), Ministerie van Justitie, maart 1996. Pag. 8:

“In overleg met de cliënt, die moet instemmen met het extern onderzoek, wordt bepaald welk(e) extern deskundige(nbureau) wordt ingeschakeld om het onderzoek uit te voeren.”

-JIP: Jongeren Informatie Punt



I Voorbeschouwing


1. Hoe kan dit gebeuren en hoe kan het beter?

Sommige professionals lijken ongehinderd door kennis van zaken gebruik te maken van hun positie. Hun opleidingsniveau is wellicht af te lezen aan hun schrijfstijl. In het citatendeel van dit boekje hebben wij uiteraard niets veranderd.

Veel professionals hebben waarschijnlijk zelf niet in de gaten hoezeer zij blunderen en aan welke risico’s zij een kind en haar familie blootstellen.

In ieder geval een maal wordt er door een functionaris glashard gelogen. (De gezinsvoogd zegt, in strijd met de waarheid, dat hij een machtiging uithuisplaatsing heeft verkregen). Daarnaast zijn er vele voorbeelden van misleidende formuleringen.

Wij hebben daar een verklaring voor gezocht en menen die gevonden te hebben in het zogenaamde ‘belang van het kind’.

‘Het belang van het kind’ is voor sommige hulpverleners zo’n hoog doel om te dienen dat zij dat uitsluitend zelf menen te kunnen behartigen: je kunt het niet aan ouders toevertrouwen. Dat doel is zo hoog dat het alle middelen heiligt.

Volgens deze redenatie moet er soms beslist een ondertoezichtstelling komen.

De enige manier om die ondertoezichtstelling veilig te stellen is ervoor zorgen dat de ouders tijdens de rechtszitting niet protesteren tegen de OTS, en dat de rechter een zodanige beschrijving krijgt van het gezin dat hij de OTS toewijst.

Want je kunt het ook niet aan de rechter toevertrouwen: als hij op de hoogte zou zijn van de werkelijke situatie, zou hij misschien een OTS niet nodig oordelen!

Vanuit een gebrek aan vertrouwen in anderen (de wetgever, de rechter, de ouders) kunnen mensen er toe komen verkeerde informatie te verschaffen en eigen verzinsels in officiële stukken te zetten onder het motto ‘het doel heiligt de middelen’.

De combinatie van onvoldoende opleiding (samen met onvoldoende levenservaring) en gebrek aan vertrouwen in anderen (de wetgever, de rechter, de ouders) is misschien de verklaring voor veel rampen, veroorzaakt door kinderbescherming.

Deze gevaarlijke situatie zou te verbeteren zijn door beteugeling van de willekeur van de overheid, en wel door een wettelijke regeling waarin onder meer de volgende beginselen verankerd zijn:

Omvorming van het familierecht van een systeem van belangenbehartiging tot een systeem van rechtsverwerkelijking:

- Afschaffing van het ‘belang van het kind’ als beslissingsgrond.

- Concrete regeling van de gronden voor overheidsingrijpen inzake kinderbescherming.

Invoering van het legaliteitsbeginsel in het familierecht:
- Strikte regeling voor het ontstaan van verdenking.

- Strikte regeling voor de bevoegdheden van de opsporingsorganen en de toepassing van dwangmiddelen.

- Strikte regeling van de termijnen gedurende welke en voorwaarden waaronder een kind van zijn vrijheid mag worden beroofd.

- Strikte regeling van de wijze waarop de kinderrechter tot zijn beslissing komt.

- Een strikt bewijsrecht waarin de onschuldpresumptie is vastgelegd.

Bewijsconstructie voorgeschreven in uitspraken van de kinderrechter.

- Recht op tegenbewijs voor de ouders, onder meer door getuigen.

- Recht op contra-expertise.

Overige harmonisatie van het familierecht met rechtsstaatbeginselen:

- Scheiding tussen rechter en Raad c.q. gezinsvoogdij.

- Afschaffing van de adviserende taak van de Raad.

- Openbaarheid van het proces en de uitspraak.

- Verplichting de ouders te waarschuwen dat wat zij zeggen tegen hen gebruikt kan worden.

(voor deze pagina is gebruik gemaakt van mr. ir. P.J.A. Prinsen; Een rechtsstaat voor het kind)


2. Analyse: Wat is er verkeerd gegaan in de bemoeienis van de instanties?

1 Een medewerkster van Stichting Jeugdzorg Brabant-West gaat zonder onderzoek over tot ontvoering van een 14-jarig meisje vanuit school, onder schooltijd. Zij wordt op een voor de ouders geheimgehouden adres ondergebracht. Het schijnt vast te staan dat het meisje tegen haar ouders moet worden beschermd. De aantijging ‘mishandeling’ wordt niet onderzocht: de bewering is genoeg.

Gebrek aan onderzoek.

2 Een tweede aantijging wordt hieraan toegevoegd op nog dubieuzere grond: zelfs geen bewering van het meisje, alleen een vermoeden van de ontvoerster.

3 De ouders wordt voorgespiegeld dat het eigenzinnige gedrag van hun dochter wat betreft verblijfplaats te keren zal zijn met een VOTS; de ouders stemmen dus in met de VOTS en merken daarna dat het geen verschil maakt.

4 De ouders worden de OTS met UHP “ingelokt” door de Raad voor de Kinderbescherming Breda: zogenaamde voorlichting en instemming (in contactjournaal vermeld maar volgens de ouders niet gegeven) en valse voorlichting voor de zitting.

Zoals het de ouders eerder ontbrak aan voorlichting over (gevolgen van) VOTS en OTS met UHP, is er vervolgens gebrek aan voorlichting over rechten (inzage- en wijzigingsrecht, opneming eigen visie in verslagen en plannen, klachtmogelijkheden).

Instemming Raad met beëindiging UHP door valse voorlichting over reeds verkregen
machtiging tot gesloten plaatsing (gevolg: minderjarige op straat).

Gebrek aan correcte voorlichting van ouders en instanties.

5 Het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming verdient niet de naam onderzoek: gesubsidieerde roddel van de ontvoerster.

Gebrek aan onafhankelijheid.

6 Als PAR-onderzoek aantoont dat bij de rechter aangevoerde gronden voor OTS met UHP nooit bestaan hebben, heeft dat geen consequenties.

De UHP wordt niet gebruikt om het eigenzinnige gedrag wat betreft verblijfplaats te keren, integendeel zelfs: kind mag zijn waar het zijn wil, tegen uitdrukkelijke wens van de ouders.

Niet het kind, maar de ouders moeten zich voegen.

De UHP wordt niet gebruikt om het eigenzinnige gedrag wat betreft gezelschap en gebruik van alcohol en drugs te keren, integendeel zelfs: kind krijgt als premie op wangedrag volledige vrijheid gedurende twee weken tegen uitdrukkelijke wens van de ouders.

Niet het kind, maar de ouders moeten zich voegen.

Gebrek aan reflectie.

7 Als de UHP niets oplevert voor gedragsverandering (eigenmachtige wijziging verblijfplaats, uithuizigheid, gebruik van alcohol en drugs), moddert men met ongewijzigd beleid door van april 1998 tot juli 1999.

Gebrek aan evaluatie.



3. Wat te doen als uw kind wegloopt?

Wij hebben het hier uitdrukkelijk over wegloopkinderen die niet zijn mishandeld of misbruikt, maar die zich niet willen neerleggen bij de regels die hun ouders stellen.

Nu wij weten hoe “de instanties” zich gedragen als een kind wegloopt, geven wij het advies: DOE HELEMAAL NIETS.

Als u eenmaal weet dat het kind niet weg is als gevolg van een ongeluk of misdrijf, maar “weggelopen” is, bent u totaal machteloos zolang u geen adres weet.

Als u wel een adres weet, HAAL UW KIND DAAR DAN ZO SNEL MOGELIJK WEG. Hoe jonger het kind, hoe groter de kans dat dit lukt. Probeer anders uw kind bij school op te halen, of waar u hem maar kunt treffen. Als uw kind bij particulieren is, probeer dan die mensen te spreken en uit te leggen dat ze verkeerd bezig zijn. Schakel hier iedereen bij in die u kunt bedenken. Als dit niet lukt, kunt u naar de politie gaan en verzoeken het kind terug te brengen. De kans dat de politie dat inderdaad doet, is klein. Als de politie niets wil doet u verder ook niets, behalve proberen contact met uw kind te krijgen.

En nu loert er een gevaar: mensen gaan zich soms gedragen alsof hun kind alle reden heeft gehad om weg te lopen, zij schamen zich. Ouders die zich schamen moeten zich realiseren dat kinderen nu opgroeien in een maatschappij waarin groepen er belang bij hebben (want daar- mee hun brood verdienen) als er onenigheid is tussen ouders en hun kinderen. Met name het “schoolmaatschappelijk werk” doet veel kwaad op dit terrein. (Waarmee we niet gezegd hebben dat het niet ook goed doet, daar weten we eenvoudig niets van.) Soms worden kinderen weken- en zelfs maandenlang naar weglopen “toegepraat”. Het is interessant, makkelijker dan je huiswerk laten overhoren, en als je eenmaal bijvoorbeeld gezegd hebt dat je “niks mag”, kun je voor je gevoel niet meer terug.

Schaam u niet, maar roep het van de daken: mijn kind is weggelopen en zit nu daar en daar.

Misschien helpt het, en komt er uit een onverwachte hoek hulp. Als u weet dat de school de aanstoker is, waarschuw dan de andere ouders.

Waarschijnlijk gaat een of andere instantie contact met u opnemen. Ga er niet op in.

Ga onder geen voorwaarde zelf naar een instantie toe (behalve naar de politie dus).

Alle instanties, met name de raad voor de kinderbescherming, doen niets anders dan uw kind TEGEN U beschermen. Dat er buiten het gezin iets zou kunnen zijn waartegen beschermd moet worden: het komt in hun wereldbeeld niet voor (of het behoort niet tot hun takenpakket). Als u wel zelf naar een instantie toegaat of ingaat op een uitnodiging, zegt u uiteraard iets. En ALLES wat u zegt zal zo gedraaid worden, dat het tegen u pleit als ouder.

U bent niet verplicht iemand binnen te laten, of post te beantwoorden, of ergens te gaan praten, of u zelfs aan een psychologisch onderzoek te onderwerpen.

Doe aan het hele circus niet mee, want het zal nooit iets goeds opleveren voor uw kind en u.

Neem wel contact op met een advocaat. Er komt een rechtszitting over een ondertoezicht- stelling met uithuisplaatsing. Laat uw advocaat erheen gaan, ga eventueel zelf mee, en verzet u tegen de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Dat zal waarschijnlijk niet baten.

Vanaf dat moment moet u een bedrag per maand betalen. Gewoon betalen, het heeft geen nut u daartegen te verzetten. Maar dat is dan ook alles wat u moet, verder moet u helemaal niets. Geen verzekeringspapieren afgeven, geen kleren of andere zaken afleveren, niet schrijven, niet praten met wie dan ook: helemaal niets. U doet dus alleen wat u zelf wilt doen. Helemaal nergens op reageren, en u niet laten intimideren.

U praat met de rechter en verder met niemand, want het werkt altijd in uw nadeel.

En blijf steeds proberen in contact te komen met uw kind. Weglopers worden soms bang gemaakt, krijgen te horen dat hun ouders zo kwaad zijn dat ze niet meer terug mogen komen:
PROBEER ALTIJD CONTACT TE KRIJGEN EN TE HOUDEN.

“Al degenen, die zich met het weglopen bemoeien, hebben zelf een financieel belang bij het bevorderen van het weglopen. … Dit is helemaal geen pleidooi voor “Verelendung” van het weglopen. Het is slechts een nuchtere konstatering en een pleidooi voor het intact laten van natuurlijke reguleringsmechanismen. Wij moeten inzien dat de overheid zich zal vertillen as hij zich tot taak stelt elke burger gelukkig te maken en te behoeden voor groeipijnen. …

Natuurlijk bestaan er vaak spanningen tussen adolescenten en hun ouders, ook zonder dat die adolescent met de zedelijke of lichamelijke ondergang bedreigd wordt. Niet valt in te zien dat de overheid zich de rol van heelmeester zou moeten aantrekken bij de, meest natuurlijke, spanningen in intermenselijke relaties die niet de wettelijke grens van de “dreigende zedelijke of lichamelijke ondergang” overschreden hebben. …

Met name wordt de ernst van de kritiek pas zichtbaar, indien we beseffen dat het kan gaan om 13-jarige weglopers die zich onttrekken aan ieder verder toezicht en dan ook niet zelden in het drugscircuit of andere, niet-leeftijdsadequate, situaties terecht komen. Indien dan de ouders om steun vragen bij het opsporen en terugleiden van hun kind mag het toch kritiekwaardig genoemd worden indien de Raden niet in aktie komen, doch blind varen op de melding van de alternatieve hulpverlener, terwijl de bezorgde ouders genegeerd worden. …

De kritiek van ouders komt erop neer, dat de puberteitsproblematiek van hun kinderen schaamteloos wordt geëxploiteerd door een scala van hulpverleners, in een vloeiende overgang van extreem alternatief naar uiterst professioneel. Het bindend element in dat scala is het feit dat men wars is van enige inbreng van ouders. Om te voldoen aan het wettelijk vereiste, bewijzen alle hulpverleners lippendienst aan het beginsel dat de inmenging primair op relatieherstel gericht dient te zijn. Van dat beginsel is in de praktijk helaas zelden iets terug te vinden.

Vanzelfsprekend is hiermee niet gezegd, dat alle wegloopgevallen ook tot een definitieve breuk tussen ouders en kind leiden. Maar als de breuk hersteld wordt, dan is toch de overheersende overtuiging dat dat niet dankzij, maar ondanks de hulpverleners is. En zeer zeker houden relatief veel ouders en ex-weglopers aan het avontuur een psychische (en financiële!) kater over. Ernstiger zijn de gevallen waarin het wel op een definitieve breuk, of zelfs op ongelukken uitdraait. Ouders worden in al deze gevallen systematisch buiten spel gezet, en het voortouw wordt daarin genomen door de Raden voor de Kinderbescherming. …

De functie van de onderzoeksrapporten lijkt: ouders, in het idee dat ze nog enige invloed zouden kunnen uitoefenen, laten wennen aan de feitelijke situatie. Uiteindelijk blijkt echter dat alles al was voorgestoofd en dat de ouders geen enkele invloed hebben kunnen uitoefenen. Slechts de schijn is opgehouden. Juridisch is de zaak dan geregeld, maar ouders voelen zich in de maling genomen.”

Mr. Ir. P.J.A. Prinsen; Een rechtsstaat voor het kind; 3e gewijzigde uitgave, pag. 32-39.



II De instanties beschermen Anja tegen haar ouders


1. Hoe het kon gebeuren
Het drama in de familie van Brussel heeft zich afgespeeld door de combinatie van

1 een vroeg en verschrikkelijk puberend kind,

2 een leraar op school die samen met een maatschappelijk werkster een heuse ontvoering organiseerde,

3 een jonge psychologe die haar interpretatie van gedrag van de ouders als feiten noteerde,

4 ouders die geen ervaring hadden met de kinderbeschermingswereld, zich lieten overdonderen, en er te laat achter kwamen dat de verantwoordelijkheid voor hun oudste dochtertje hun ontfutseld was.

Toen zij niet meer in de gelegenheid waren voor hun kind te zorgen, moesten zij merken dat niemand die verantwoordelijkheid had overgenomen.

De verantwoordelijkheid van de instanties was een papieren verantwoordelijkheid:
Een 14-jarig meisje een hele nacht weg? Er moet een papier ingevuld worden!
Dat kind onder de drugs? Wij zetten op papier dat wij met haar hebben afgesproken dat het niet weer gebeurt!

Vader en moeder Van Brussel hadden beter dan de Jeugdzorg Anja veilig door de jaren tussen de 14 en de 18 heen kunnen loodsen. Er was dan thuis wel heel veel ruzie en herrie geweest, iedere keer als zij te laat thuiskwam, iedere keer als zij beweerde dat zij zelf wel zou uitmaken met wie zij omging. Maar de instanties die de ouders aan de kant schoven en de opvoeding overnamen bakten er in ieder geval helemaal niets van.

“Terugplaatsing in de thuissituatie wordt afgeraden, omdat beide ouders Anja, gezien de ernst van de problematiek, en hun beperkingen en onwil niet kunnen bieden wat zij nodig heeft voor een verdere harmonieuze uitgroei.”



2. 18 maart 1998

Dat Anja van Brussel een buitengewoon lastig exemplaar was, blijkt uit de Overgangsrapportage van de 1e naar de 2e klas van het voortgezet onderwijs.Op de basisschool is zij veel gepest, ook in het vervolgonderwijs werd zij gepest en maakte zij ook zelf andere kinderen het leven zuur. Thuis lag zij voortdurend overhoop met haar ouders, vooral met moeder die veel minder buitenshuis werkte en dus meer thuis was dan vader.

De enige met wie alles koek en ei was, was haar vier jaar jongere zusje. Beide meisjes brachten veel tijd in elkaars gezelschap door. Anja dacht dat ze wel dierenarts-assistente wilde worden.

In verband met het pesten en treiteren kwamen beide ouders toen zij in de 2e zat nogal eens op school. Op 17 maart spraken zij met de klasseleraar. Anja was werkelijk bang van een oud-leerling van de school die er veel rondhing, schold en ook schopte en sloeg. Vader ging na het gesprek op school naar de moeder van die leerling. Beide ouders bespraken het geval, en de moeder zegde toe er aan te zullen doen wat in haar vermogen lag. Dat zou Anja opluchten!

En dat deed het ook.

De volgende morgen fietste zij samen met haar vriendin welgemoed en vrolijk weg.

Maar voor de schooltijd erop zat, kwam er een telefoontje. Het was een onbekende vrouw die zich voorstelde als Paula Vlaminckx, vrijwilligster bij Stichting Jeugdzorg West-Brabant.

Zij had iets mee te delen!

Wat deze Paula Vlaminckx, maatschappelijk werkster bij Stichting Jeugdzorg West-Brabant
(Wilhelminapark 17, 4818 SL Breda) mee had te delen was totaal ongeloofwaardig:
Anja was door leraar X direct toen ze op school aankwam doorgestuurd naar Jeugdzorg en door Jeugdzorg overgebracht naar een geheim adres. De afspraak was gemaakt door de heer Y, directeur van de school, vertelde Anja later.

Wat??! Ja, Anja werd thuis geslagen. Om haar veiligheid te waarborgen mochten de ouders dus niet weten waar zij was. Zij zouden zich aan de regels moeten houden, anders werd de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld. Dan zou Paula Vaminckx de Raad wel eens eventjes vertellen dat deze ouders elke hulpverlening en medewerking weigerden! Ze ging trouwens aan de Raad doorgeven dat zij Anja uit huis had gehaald.

De verbijstering is groot. Ook Joke, de zus van Anja, is hevig onder de indruk. Maar dat komt natuurlijk toch wel goed? De eerste de beste kan toch niet zomaar doen en laten wat hij wil met andermans kind?

De ouders vragen deze X waar hun dochter nu is. Hij is in een positie waarin hij niets kan en wil zeggen, zoals hijzelf dat januari 2003 geformuleerd heeft.

Later komen de ouders er achter dat Anja de vorige dag in gesprek is geweest met de heer X, leraar-vertrouwenspersoon, zoals die functie genoemd wordt. En dat was niet de eerste keer. Precies die vorige dag zijn de ouders ook op school geweest i.v.m. het pesten.

Er is met geen woord tegen ze gerept over mishandeling of ander kwalijk gedrag van hen als ouders, er is alleen over het gedrag van Anja gepraat. Nooit heeft iemand van de school één piep gegeven.

De volgende dag gaan de ouders naar de Raad voor de Kinderbescherming, de naam zegt het immers al: die beschermt kinderen. En hier viel duidelijk iets te beschermen.

Wat zij niet wisten is dat de Raad voor de Kinderbescherming kinderen alleen beschermt tegen hun ouders: dat is de opdracht van de Raad.

Zij zullen een oproep krijgen voor een vervolggesprek.

De dag daarop gaan zij ook naar een advocaat. Deze begint maar eens met het dossier van Anja op te vragen bij Jeugdzorg West-Brabant. Dat blijkt niet te bestaan, er is alleen een kladblokvelletje met aantekeningen. Merkwaardig, want op 25 maart zal mw Vlaminckx aan de Raad voor de Kinderbescherming schrijven dat Anja “al langer bij ons bekend” is.

Op 23 maart staat mw Vlaminckx voor de deur. Zij komt het een en ander voor Anja ophalen: kleding en ook de ziekenfondspapieren. Zij zegt tegen de ouders dat zij onmiddellijk aan de Sociale Verzekeringsbank moeten melden dat Anja niet meer thuis woont. Zij hebben geen recht meer op kinderbijslag voor Anja. Op geen enkele vraag die de ouders stellen, krijgen zij een begrijpelijk antwoord.

De ouders zijn in 2002 nog steeds verbaasd, dat zij zich zo hebben laten overbluffen.

Op 27 maart moet Anja’s vader naar de dokter: hij vliegt bijna tegen de muren op.

Waar is Anja? Wat is dit voor nachtmerrie? Hoe kon de Raad voor de Kinderbescherming zo nuchter reageren, alsof het heel gewoon was. Ze zouden wel een oproep krijgen! Maar ze zitten niet te wachten op een oproep, ze willen hun kind!

De huisarts schrijft hem kalmerende medicijnen voor en wijst er met nadruk op dat hij met dat spul in zijn lijf niet zijn gewone werk mag doen (in hoogspanningsmasten).

Er komt inderdaad een oproep van de Raad: op 30 maart voeren zij daar een gesprek in aanwezigheid van Anja en mw. Vlaminckx. In de beide gesprekken op de Raad geven de ouders antwoord op elke vraag die gesteld wordt. Zij hebben er geen vermoeden van dat alles wat ze zeggen tegen hen als ouders gebruikt zal worden. Veel te veel problemen!

“Kenmerkend voor de gezinnen waarmee de gezinsvoogden te maken krijgen is dikwijls een opeenstapeling van sociale, psychische, interrationele en gezondheidsproblemen. Hermanns (1999) wijst erop dat bij vier of meer stressoren of risicofactoren de kans op kindermishandeling, verwaarlozing en seksueel misbruik aanzienlijk toeneemt.” (De (gezins)voogd als jongleur, een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk,2001, ISBN 90-313-3634-3 pag. 188/189; zie ook de reactie daarop van het Platform SCJF: Jongleur over de schreef; zie map Publicaties)

Hermanns schrijft dat de kans op mishandeling en misbruik toeneemt, niet dat mishandeling en misbruik onder bepaalde omstandigheden automatisch een feit zijn en er dus niets onderzocht hoeft te worden! Maar veel werkers in de kinderbescherming schijnen gewoon af te vinken op hun lijstje: probleem, probleem, nog een probleem, DUS mishandeling. In feite worden mensen als ouder bij het grof vuil gezet op grond van een soort daderprofiel.

De vader is dus beschuldigd door mw Vlaminckx van mishandeling van Anja. Anja praat daar niet over, huilt alleen maar, en “ze mag niks”, en “ze is steeds zo bang”.

De ouders, met name de vader, zijn beschuldigd van mishandeling.
Ze hadden minstens een politie-onderzoek verwacht, maar dat kwam niet.
Er kwam trouwens helemaal geen onderzoek.
Wel kwam er iets anders: een nieuwe beschuldiging.

Anja heeft later verteld hoe dat gegaan was: mw Vlaminckx vroeg haar of haar vader wel eens dingen deed die zij niet wilde. Zij begreep de bedoeling en zei: dat doet mijn vader niet, doe normaal zeg. Ik wil daar niet over praten.

Dat was genoeg voor mw Vlaminckx. Op 1 april schrijft zij aan de Raad voor de Kinder- bescherming, zoals de ouders later lezen, “Uit het gesprek is gebleken dat de relatie tussen Anja en haar ouders verstoord is.

Er was moeilijk tot een normaal gesprek te komen met de ouders, … en er werd fel gereageerd, vooral door vader. Anja heeft duidelijk aangegeven dat ze thuis geslagen wordt …Vader heeft een internaatsverleden en komt uit een gewelddadig gezin …Sexueel misbruik is niet uitgesloten …”

En zo kwam het gezin in de mallemolen van “hulpverlening”, kinderbescherming, gezinsvoogdij, psychologen enzovoort.



3. De gevolgen van “je roept maar wat”
Anja zit sinds 18 maart in een pleeggezin en zal daar 6 weken blijven. Na de 6 weken zou er weer een gesprek plaatsvinden met de ouders. Maar dat is niet gebeurd.

De Raad voor de Kinderbescherming dient een verzoekschrift tot uithuisplaatsing in waarbij een “Verslag van bevindingen” gevoegd wordt. In dat verslag, gebaseerd op wat mw Vlaminckx gemeld had, wordt een rampgezin geschilderd. Natuurlijk, een kind uit zo’n gezin moet uit huis geplaatst worden! Voor alle zekerheid heeft mw Vlaminckx, naar de ouders ons verzekeren, erbij verzonnen dat moeder gemeld zou hebben dat zij een incest-verleden had.

Volgens mevrouw Vlaminckx spelen er meerdere problemen in het gezin:

Zo zou vader een kinderbeschermingsverleden hebben en
moeder zou incestslachtoffer zijn.
Vader zou lijden aan hartklachten en
dreigt overspannen te geraken.
Vrij recent speelden er relatieproblemen tussen beide ouders.
De beide ouders hebben nog een 10-jarige dochter thuis die zwaar astma patiënt is.
De relatie tussen de moeder en stiefvader van vader en het gezin “ligt uitermate gevoelig”.
Seksueel misbruik lijkt niet uitgesloten gezien de signalen.
De ouders horen de gelegenheid te krijgen hun inzichten aan het verslag toe te voegen.

Maar dat is niet gebeurd.

Mw Vlaminckx belt 21 april op, vertelt dat Anja is weggelopen uit het pleeggezin, dat zij niets kan doen omdat het vrijwillige hulpverlening is, en dat zij geen idee heeft waar Anja is. (Maar Anja schijnt met haar besproken te hebben waar ze heen zou gaan, zie verderop.)

Later horen zij dat niet alleen X en Vlaminckx, maar zelfs het opvanggezin wist waar Anja heen was. Ook horen zij dat de grootouders wisten wat het adres van het opvanggezin was. Twee zaken die de ouders niet mochten weten.

De raadsmedewerker vertelt dat de Raad alleen iets kan doen als er een voorlopige ondertoezichtstelling is (VOTS). De ouders krijgen de indruk dat een VOTS zal opleveren dat er iemand aangesteld wordt die zijn gezag gaat aanwenden om de ouders te steunen. Zij gaan dan ook volmondig akkoord.

De VOTS met machtiging uithuisplaatsing (UHP) wordt deze 22e april telefonisch gevraagd en verkregen van kinderrechter Warnaar.

Het lijkt te worden wat het wezen moet: op 24 april gaat Anja naar Crisisopvang De Zuidwester (Kortedijkse 70, Roosendaal).

Diezelfde dag bevestigt praktijkleider P.S. van Gennip schriftelijk, dat de Raad de kinderrechter verzocht heeft om een voorlopige ondertoezichtstelling. In dezelfde envelop zit het verslag van het dus wel buitengewoon snel verrichte “onderzoek”. Het heet onderzoek, maar het is bijna niet anders dan navertellen wat mw Vlaminckx met de dikke duim beweert.

Op 4 mei is er een zitting bij kinderrechter Cohen-Koningveld. De ouders gaan daar heen en vragen aan D. Venetiaan, praktijkleider van de Raad, wat er eigenlijk gaat gebeuren.

Zij vertellen ons dat Venetiaan gezegd heeft dat het eigenlijk maar een formaliteit is omdat de VOTS telefonisch geregeld is; na de zitting heet het dan OTS (ondertoezichtstelling). Tijdens de zitting verzoekt hij de kinderrechter om de VOTS om te zetten in ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing (OTS met UHP).

Als gezinsvoogdij-instelling wordt benoemd Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant te Breda.

De ouders gaan pas later begrijpen wat voor geweldige loer de Raad ze gedraaid heeft.

Zij willen dan klachtprocedures voeren en vinden de heer J. Hop te Ermelo om hen daarbij te helpen. Van hem horen zij dat er een contactjournaal bestaat. Zij vragen dit op en ontvangen het op 16 december 1999. Het blijkt heel interessante lectuur! (Ook al begint het op 2 april 1998 i.p.v. op 19 maart.)

Raadsonderzoeker J.B.A.M. Schipper heeft geschreven bij de datum 29 april: “(thuis bij betrokkenen) Vandaag de ouders bezocht nadat ik Anja opgezocht had. E.e.a. om na te gaan of zij akkoord gaan met het omzetten van de VOTS in de OTS ter zitting en de uithuisplaatsing. De ouders geven aan hiermee akkoord te gaan.” en “(op buro andere instelling): Vandaag Anja opgezocht. Allereerst om haar uit te leggen wat een OTS inhoudt en wat de uithuisplaatsing betekend. Zij wist dit niet meer. Anja was ontzettend onzeker. Zij had zelf nog geen contact gehad met Mimount (gezinsvoogdes). Deze zal op zijn vroegst op 13 mei pas met haar een afspraak kunnen maken.” en “Met Dennis Venetiaan, praktijkleider. Zaak inhoudelijk met Dennis besproken en besloten n.a.v. gesprek en akkoord van ouders en Anja a.s. maandag ter zitting meteen een OTS met UHP te verzoeken.” Verder zit er in het dossier een stuk van dezelfde datum waar Dennis bovenstaat: “Volgens Anja is ze bij het pleeggezin weggegaan in overleg met Paula. DENNIS: OUDERS EN ANJA ZIJN HET EENS MET DE ondertoezichtstelling EN UITHUISPLAATSING IN EEN OPEN VOORZIENING VOORZIENING VOOR VERZORGING EN OPVOEDING.”

Zo heeft raadsonderzoeker Schipper de familie Van Brussel zonder verzet de OTS met UHP ingelokt.

Hij vult het contactjournaal in met een bezoek bij de ouders thuis waarbij hij ze op de hoogte gebracht zou hebben van de inhoud van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing. Maar volgens de ouders is er nooit iemand van de Raad bij de familie Van Brussel thuis geweest, is er hun ook nooit door de Raad iets uitgelegd over het verschil tussen een VOTS en een OTS en wat de consequenties zijn van een ots met uhp. Bijvoorbeeld dat je niet meer het recht hebt te beslissen waar je kind woont. Zij vertellen ons dat Schipper dat in een telefoongesprek ook heeft toegegeven.



4. Je gaat die ouders toch niet alles vertellen!

Op 24 april was Anja dus naar De Zuidwester in Roosendaal gebracht, op 4 mei was de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing uitgesproken.

Op 25 juni vindt er toch een onderzoek plaats, bij het PAR, Tivolistraat 24, 5017 HR Tilburg. Anja vertelt nu precies wat haar ouders ook gezegd hadden:
“Anja zegt van huis te zijn weggelopen, omdat haar ouders voortdurend ruzie maakten. Anja’s gedrag was vaak het onderwerp van de ruzies. Haar ouders gaven haar geen vrijheid en waren veel te streng volgens Anja. Zo moest zij na school meteen naar huis komen en mocht ze “niks”. Haar ouders waren het er niet mee eens dat ze met bepaalde jongens optrok. Ze vonden hen te oud voor haar en beschouwden hen als criminelen en drugverslaafden. Anja vindt dat haar ouders niet voor haar hoeven te beslissen met wie ze wel en niet om mag gaan. Ze gaat toch haar eigen gang. … De groep waarmee ze omging rookte wel af en toe een joint. Ze deed daar aan mee, maar volgens Anja kan dat geen kwaad. …Voor seksueel misbruik worden geen aanwijzingen gevonden.”

Beide beschuldigingen (slaan en sexueel misbruik) zijn dus van tafel.

Maar dat komen de ouders niet te weten, want die krijgen het rapport niet te zien.

Noch het PAR, noch de gezinsvoogdij-instelling als opdrachtgever tot het onderzoek laten de ouders daar een letter van lezen, geheel tegen de regels in die daarvoor gelden.

De ouders kunnen dus niet op het idee komen dat hier misschien iets mee te doen valt.

En de uithuisplaatsing terugdraaien omdat de beide gronden daarvoor immers onzin zijn?

De gezinsvoogdij-instelling piekert er niet over!

Bovendien heeft de psychologe die het PAR-rapport heeft opgesteld, drs C.G.A.M. Tullemans, na twee “onderzoeken”, op 25 juni en 7 juli, een nieuwe “grond” geleverd: “De ouders zijn geneigd tegenstrijdige en dubbele boodschappen te geven, bij voorbeeld met betrekking tot hun houding ten aanzien van Anja en hun houding ten aanzien van het PAR-onderzoek. … In het gesprek stelt mevrouw zich strijdbaar op, waarbij zij soms fel uit de hoek kan komen. Meneer toont zijn boosheid over bepaalde zaken op een meer ingehouden wijze. In het eerste gesprek laat hij soms merken geïrriteerd te zijn door zijn vrouw. Met name meneer lijkt te lijden onder de huidige problematische situatie, waardoor hij ernstige spanningsklachten ervaart. Meneer en mevrouw laten duidelijk blijken zich slachtoffer van de situatie te voelen. Zij zijn geneigd te externaliseren, waardoor hun eigen aandeel in het ontstaan van de problematiek onderbelicht blijft. Uit de ontwikkelingsanamnese komt naar voren dat de hechtingsrelatie tussen de ouders en Anja in het verleden niet goed tot stand gekomen is. Nu geven zij blijk van een overwegend negatieve betrokkenheid op Anja. Zij lijken zich door haar gekwetst en afgewezen te voelen. … Ten aanzien van Anja laten zij zich negatief uit en hun betrokkenheid op haar is gering. In pedagogisch opzicht kunnen zij haar momenteel onvoldoende sturing en ondersteuning bieden. Ook zijn de ouders onvoldoende in staat de grenzen te bewaken en respecteren en scheppen zij verwarring en verwijdering bij Anja door hun inconsistente manier van communiceren. … Terugplaatsing in de thuissituatie wordt afgeraden, omdat beide ouders Anja, gezien de ernst van de problematiek, en hun beperkingen en onwil niet kunnen bieden wat zij nodig heeft voor een verdere harmonieuze uitgroei. …”

Het PAR heeft geen (concept-)rapportage verstrekt,

St. Jeugdzorg Noord-Brabant heeft het PAR-rapport niet verstrekt of besproken,

Harreveld waar Anja later opgesloten wordt heeft inzage geweigerd,

de Commissie van Toezicht bij Jongerenhuis Harreveld vond een klacht daarover ongegrond,

pas het College voor advies voor de justitiële kinderbescherming sprak als zijn oordeel uit dat de ouders recht hadden op een kopie van het rapport.

Zo konden de ouders medio april 2000 eindelijk in het op 7 augustus 1998 gereed gekomen rapport lezen dat Anja bij de PAR-psychologe alleen gezegd had dat ze naar haar smaak thuis niet genoeg vrijheid had. Dat Anja dat vond, was de ouders bekend!

Maar het was wel heel andere koek dan mishandeling, en zeker dan sexueel misbruik.

En geen grond voor uithuisplaatsing.



5. Weggelopen en opgepakt, weggelopen en opgepakt, weggelopen en
… hoezo nou dit kan zo toch niet doorgaan?
Medio april 2000 lezen de ouders dus, dat in 1998 in het PAR-onderzoek al duidelijk was geworden dat de beide gronden voor ots met uhp van tafel waren.

Geen mishandeling, geen sexueel misbruik.

Intussen zijn de ouders wel door manipulaties van de Raad voor de Kinderbescherming aan een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing geholpen, en had het PAR een nieuwe grond gevonden. Na twee gesprekken met de ouders wist de psychologe het: deze ouders konden dit kind niet bieden wat zij nu nodig had.

“Terugplaatsing in de thuissituatie wordt afgeraden, omdat beide ouders Anja, gezien de ernst van de problematiek, en hun beperkingen en onwil niet kunnen bieden wat zij nodig heeft voor een verdere harmonieuze uitgroei.”

Dit was meer iets voor de instanties.

En die bleven hun best doen!

Door de kinderbeschermingsmaatregel kreeg Anja de mogelijkheid om precies die dingen te doen waar de conflicten thuis over gingen, dingen die haar ouders niet goed voor haar en niet in overeenstemming met haar leeftijd vonden.

Op 5 februari wordt er genoteerd dat zij nog steeds niet naar school gaat.

Zij gaat nu om het weekend naar huis; “Vader, moeder en Anja opteren momenteel voor thuisplaatsing, de streefdatum zou ergens in de zomervakantie zijn (1999).”

Op 15 maart gaat Anja zowaar, na een jaar, weer naar school. Het is een combinatie van schoollessen en een stage in een peuterspeelzaal.

Op 8 april wordt er al genoteerd dat ze veel verzuimt; dat kan kennelijk.

Op 16 april tijdens de bespreking van het Behandelplan zeggen de ouders dat zij opzien tegen de terugkomst van Anja in de zomer. Zij vinden het te vroeg, gezien Anja’s gedrag.

Zij deelt mee dat ze niet in Oosterpoort wil blijven. Deze vijftienjarige wil gaan samenwonen met haar drugsdealende, verslaafde vriend die zij al twee weken kent.

(In Stevensbeek wordt altijd meegeluisterd naar de telefoongesprekken: de speaker gaat aan. Bovendien moeten ouders melden wanneer precies zij met hun kind gaan bellen. Maar deze vriend, Gijs, kan volgens Anja onder een valse naam net zoveel met haar bellen als hij wil.)

Op 2 juni komt Anja terug. Als reden voor het weglopen geeft zij dat ze op 16 april heel erg geraakt is door de mededeling dat haar ouders haar gedrag nog steeds zo vonden, dat zij met de zomervakantie nog niet welkom was thuis. Zij wil noch telefonisch noch schriftelijk noch anderszins contact met haar ouders. Wel vindt zij het goed dat de ouders verteld wordt hoe het met haar gaat als zij opbellen. Verder wenden zij zich maar tot de gezinsvoogd.

Oosterpoort zet op papier dat ze mag blijven mits ze o.a. geen drugs meer gebruikt en niet meer weg loopt. Ja hoor, simpel.

Op 9 juni geeft gezinsvoogd Karel Kammerman weer een staaltje opvoeding weg.

Waarom zou je ouders serieus nemen? Dat deden we toch ook niet i.v.m. de vakantie met Gijs? Hij vraagt aan 15-jarige Anja of het verslag van het gesprek naar haar ouders moet (!). Ze besluiten dat die een “geschoonde versie” zullen krijgen. Beide versies zijn nu in het bezit van de ouders.

Blijkens een verslag van 21 juni van groepsleidster Gerrie van Roosmalen komt Gijs ’s nachts door haar raam op bezoek. Dat kan kennelijk, en is ook geen reden om haar van kamer te laten veranderen. Voorts heeft de school gezegd dat ze kan ophoepelen.

Een behandelplanbespreking op 25 juni op het kantoor van Buro Jeugdzorg te Bergen op Zoom slaat alles wat minachting voor ouders betreft. Aanwezig waren de ouders, Anja, Karel Kammerman, Gerry van Roosmalen, Cees van Extel (maatschappelijk werker/interntrajectbegeleider).

Het verslag lijkt als twee druppels water op al dit soort verslagen, maar de ouders hebben ons gemeld dat een opzienbarende gebeurtenis in het verslag ontbreekt: zij zijn voor de ogen van hun vijftienjarige dochter de deur uitgegooid. Zij hadden kritiek op de verslaafde drugsdealer die op Karel Kammerman “een solide indruk” had gemaakt, of liever op het gebrek aan belangstelling van hun dochter voor iets anders dan voor deze Gijs. Zij schrijven ons: “Het enige waar Anja zich mee bezig hield tijdens deze bespreking was haar verlof weekend, zij kwam hier constant op terug. Toen wij hier een opmerking over maakten, we zeiden dat er nog wel meer aan de hand was dan alleen een weekend met “Gijsje”, werden wij door de voogd buiten gezet. We zaten nog aan de koffie en sigaret, hup zo naar buiten. Alsof we een paar kleine kinderen waren die je even op de gang zet. Anja ging helemaal over de rooie en wilde ons achterna. Zij gilde ‘zoiets doe je niet; ik wil met mijn vader en moeder praten,’ maar ze werd tegengehouden en vastgehouden.”

Kammerman: “Er volgde weer een stafbespreking. Deze is uiterst moeizaam verlopen. Hij duurde twee en een half uur en was m.n. confronterend en belastend voor Anja en haar ouders. Daarna is het alleen maar berg afwaarts gegaan. De instelling heeft geconcludeerd dat zij niet meer borg kunnen staan voor de veiligheid van Anja, haar medebewoners en van het personeel.
d.d. 5 juli werd de gezinsvoogd door de instelling geïnformeerd over het besluit dat Anja niet langer kon blijven.”

En dan worden de ouders op 7 juli gebeld door de gezinsvoogd: Anja moet onmiddellijk weg.

Alles wat wij niet goed vonden gebeurde daar.”

De gezinsvoogd had net gemeld dat hij een machtiging voor een gesloten plaatsing had gekregen, maar dat Anja wel eerst gevonden moest worden. Met dit gegeven is haar vader haar gaan ophalen in Den Bosch.

De ouders belden de gezinsvoogd, en toen plotseling was er helemaal nog geen machtiging! En hij kon haar absoluut nergens plaatsen.

Hij raadde Ilona en John aan om haar de straat op te gooien, of op het politiebureau af te zetten.

Hij ging op vakantie, het was vrijdag 9 juli 1999.


Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant had het PAR-rapport niet met de ouders besproken.

Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant had de ouders geen afschrift gezonden van het verzoekschrift om Anja gesloten te plaatsen.

Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant had de ouders geen afschrift gezonden van de rapportage, behorende bij dit verzoekschrift.

De ouders ontvangen geen oproep voor de zitting bij de kinderrechter i.v.m. deze plaatsing.

Tja, terugplaatsing in de thuissituatie was afgeraden, omdat beide ouders Anja, gezien de ernst van de problematiek, en hun beperkingen en onwil niet konden bieden wat zij nodig had voor een verdere harmonieuze uitgroei.



6. Machtiging gevraagd, machtiging gekregen, wat is het verschil
Vanaf 9 juli is Anja dus bij haar ouders.

Op 14 juli krijgt de Raad een melding van C. Stoof, unitleider bij St. Jeugdzorg Noord-Brabant, dat Anja vanwege haar problematische gedrag niet langer welkom was in Oosterpoort. “Ze is inmiddels geïndiceerd voor een gesloten setting, waarvoor reeds een beschikking is afgegeven.”

De Raad schrijft dan ook op 16 juli akkoord te gaan met de beëindiging uithuisplaatsing.

De ouders waren dus niet de enigen tegen wie door Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant gelogen was over een afgegeven beschikking.

Alles was kennelijk goed als iedereen maar dacht dat Anja geen seconde meer het recht had om in Oosterpoort te zijn. In haar kielzog zou allerlei gevaarlijk geteisem dan ook wel verdwijnen.

Op 14 juli brengt haar vader haar naar haar advocaat: op Anja’s 16e verjaardag, 15 juli, zou de zitting zijn over de gesloten plaatsing. Op 16 juli belt hij op: Kinderrechter Warnaar heeft nu echt een machtiging gegeven voor een gesloten instelling tot 16 januari 2000.

............................................................

De volgende dag, 10 augustus, kwam gezinsvoogd Kammerman terug van vakantie: hij kon gelijk aan de slag, want hij moest Anja ophalen uit Lentehof.

(Kammerman: “In de eerste week van augustus is zij tot tweemaal toe opgenomen in de crisisopvang van de Lentehof. Daar kon zij niet blijven gezien haar problematiek en de indicatie gesloten plaatsing. Er werden nog meer instellingen verzocht haar op te nemen tot plaatsing in Alexandra mogelijk is. Op grond van haar levensverhaal werd Anja steeds niet geaccepteerd. Bij de ouders kan en mag zij niet zijn, ook de hulpverlening liet haar buiten staan.
Ondergetekende heeft nog wel aangeboden te willen plaatsen op contractbasis dus met duidelijke genormeerde afspraken, maar helaas de deuren bleven gesloten. Dinsdag 10-08 haalde ik haar op bij Lentehof, de crisisplaats was al enkele uren verstreken. Met Anja had ik een onderhoud op ons bureau te Breda met de vraag: “Hoe nu verder?”
Anja had een kennis, zij noemt dat een vriend, welke haar aan een tijdelijke woning kon helpen te Eindhoven. Na een verifiërend telefoontje door ondergetekende gingen we op pad. Het aanbod bleek minder solide dan verwacht. De reis werd tevergeefs gemaakt. ’s-Avonds om 7 uur bleek dat we tevergeefs hadden gewacht op de persoon die ons een sleutel zou overhandigen. Direct heb ik contact gelegd met de Stichting Troje te Eindhoven voor een krisisplaatsing in ieder geval voor de nacht. We waren, tot onze grote opluchting, welkom. We werden meer dan gastvrij ontvangen.”)

Vanaf 9 juli tot 10 augustus hadden wij geprobeerd de verantwoordelijkheid voor Anja te dragen omdat de instanties die het beslist van ons over moesten nemen haar met smoezen op straat hadden gezet toen het allemaal een beetje bedreigend voor henzelf werd.

Op 18 maart 1998 was een alleen maar lastige en eigenzinnige dochter tot groot verdriet van ons en haar zusje ontvoerd, in de zomer van 1999 zaten wij met een 16-jarige die niet te harden was en ons en vooral haar zusje vreselijk van streek maakte.

En wat doet Kammerman?

Dat heeft Anja ons later verteld: hij haalt haar op uit Lentehof en verbiedt haar contact met ons! Maar hij zegt dat hij haar niet kwijt kan.

Dan vertelt Anja Kammerman over een vage kennis in Eindhoven, een kermisklant, die wel een kamer voor haar zou hebben. En de gezinsvoogd vindt dat solide genoeg! Anja belt en er wordt een afspraak gemaakt.

In de Edisonstraat in Eindhoven, in de hoerenbuurt, wachten Anja en haar gezinsvoogd bijna 3 uur in café Den Guust op iemand met een witte Mercedesbus die de sleutel zou komen brengen! Als de witte Mercedes komt, gaat de bestuurder met de gezinsvoogd een steeg in. Dan komt Kammerman met een rood hoofd terug en zegt tegen Anja dat het niet door kan gaan.

Hij voert nu één telefoongesprekje en dan blijkt Anja onmiddellijk terecht te kunnen in Stichting Troje, Hoogstraat 301c in Eindhoven. Logisch toch dat hij dat niet eerder gedaan had? Onbekende kermisklanten, witte Mercedessen: Anja hield toch van “kicks”?

Vanuit Troje belt Anja ons regelmatig, hoewel de gezinsvoogd dat verboden had.”

Maar op 26 augustus blijft Anja een hele nacht weg, weigert daar uitleg over te geven, en staat weer op straat. Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant meldt 27 augustus aan de Raad:
“Anja is weggelopen van Troje in Eindhoven en wil en mag niet meer terug komen.
Zij verblijft nu waarschijnlijk in het criminele circuit.”

Anja belt haar ouders, omdat gezinsvoogd Kammerman tegen haar gezegd had dat hij niet meer wist wat hij met haar aan moest, dat ze maar eens een keer goed in de spiegel moest kijken naar zichzelf. Als ze wist wat ze wilde dan kon ze hem terugbellen, want hij wist het niet meer.

Kammerman: “Ook in de crisisopvang te Eindhoven hield Anja het maar kort uit. Bij de eerste gelegenheid dat zij daar zonder begeleiding buiten mocht maakte zij misbruik van het vertrouwen. Zij bleef een nacht weg en bij terugkomst de volgende dag wilde zij niet praten over haar absentie. Wat haar nog meer aangerekend werd was het gegeven dat zij in haar kielzog een 13jarig meisje had meegenomen. Na ampele overwegingen besloot men haar niet langer in het project te handhaven. Wederom begon er een periode van “zwerven”. Uiteindelijk trok een familie te Helmond zich het lot van Anja aan en nam haar in huis."

(Op 6 september had Anja haar ouders opgebeld: zij is met toestemming van Jeugdzorg in huis bij een onbekende familie in Helmond. Anja vertelt later dat dit een crimineel gezin was waar in flinke hoeveelheden drugs en alcohol gebruikt werden.
Alles was prima natuurlijk, als ze maar geen contact met die ouders had.)

Aanvankelijk ging het goed, maar in de loop van de tweede week ging ook daar het gedrag van Anja achteruit. Met name haar omgang met jongens baarde veel zorgen en wekte veel irritaties. Ook dit gezin besloot haar niet langer te handhaven. Achter de schermen was ondergetekende reeds druk bezig de plaatsing in “Alexandra te bespoedigen”. Op de dag dat Anja niet meer mocht blijven in het Helmondse gezin werd in de namiddag duidelijk dat Anja de volgende dag welkom was in Alexandra. Mijn collega vervoerde haar die middag naar Breda, naar oma, en 23 september werd zij door ondergetekende naar Almelo gebracht.”

Harreveld, sector Alexandra, in Almelo.

En dit alles was gebeurd omdat terugplaatsing in de thuissituatie was afgeraden, omdat beide ouders Anja, gezien de ernst van de problematiek, en hun beperkingen en onwil niet konden bieden wat zij nodig had voor een verdere harmonieuze uitgroei.



7. Harreveld, eigenlijk alleen maar een gevangenis
Harreveld zou een behandeling bieden. Dat viel lelijk tegen.

Heel goed was dat Anja er niet uit kon: zij kon geen drugs gebruiken, zij kon niet zwerven en daardoor in gevaarlijke situaties terecht komen. Wel werd er in Harreveld op kamp alcohol gebruikt.

Het waren in sector Alexandra allemaal jonge meisjes en soms ontstond er een zeer gezellige sfeer tussen pupillen en leiding. Een collega van Anja diende op een gegeven moment een klacht in tegen een groepsleider die handtastelijk was geweest in de groep van Harreveld. Anja werd ook gehoord maar zij verklaarde dat haar niets was overkomen en dat zij ook niets gezien had. Toen zij dit aan haar ouders vertelde voegde zij toe dat er wel degelijk iets gebeurd was (“nou ja, alleen een beetje gerommel in je bloes”), maar dat zij er niet over piekerde om dat te zeggen: morgen zit ik toch weer met die vent!

Als er geen alcoholische avondjes waren vond Anja het er vreselijk.

Op 3 januari 2000 verzocht zij daarom schorsing van de machtiging uithuisplaatsing.

Zij werd echter niet-ontvankelijk verklaard.

Harreveld was buitengewoon laks met het verstrekken van informatie, aan Anja, en helemaal aan de ouders.

Op 12 januari werd de machtiging, die op 16 januari zou verlopen, verlengd tot 14 februari.

De rechter beval de stichting tijdig voor de zitting van 7 februari alle schriftelijke informatie aan alle belanghebbenden te verstrekken.

Op 7 februari stemde Anja’s advocaat, die zij niet had kunnen spreken voor de zitting, in met het verzoek van Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant: verlenging met 1 jaar.

Anja was woedend en verzocht een andere raadsman. Die heeft zij nooit gekregen.

De rechter verlengde de UHP van 14 februari 2000 tot 23 april 2001 (!), ondanks het verzet van Anja en haar ouders.

De gezinsvoogd schrijft op 22 februari in het hulpverleningsplan, dat de ouders het ermee eens zijn dat Anja gesloten geplaatst is, maar de mening zijn toegedaan dat er sprake is van onvoldoende behandeling. Zij hebben hierover geklaagd bij Alexandra en bij de gezinsvoogdij-instelling.

Hijzelf ziet dat niet zo somber in, en neemt het de ouders kwalijk dat zij een officiële klacht tegen hem hebben ingediend over dit punt.

“De houding van de ouders jegens de gezinsvoogdij-instelling (formeel gebruik gemaakt van de klachten commissie) hebben dat contact doen onderbreken. Ik spreek de wens uit in overleg met elkaar te blijven.”

Ja zeg, nou zit ze gesloten en nu hebben ze weer wat!

Op 30 maart wordt, ondanks het verzet van Anja en haar ouders, de OTS verlengd met ingang van 23 april 2000 tot 23 april 2001.

De Arbo-arts schrijft op 24 mei 2000 aan Anja’s vader:
“Bij deze verklaar ik, dat voor een belangrijk deel veroorzaakt door de situatie rond zijn dochter, de heer J.F.C. van Brussel, geb. 23-5-1958, de afgelopen jaren vaak en ook langdurig zijn eigen werk niet heeft kunnen doen.”

De ouders geven het op nog langer contact te onderhouden met de gezinsvoogdij-instelling of medewerkers van Harreveld. Op 8 september ontvangen zij een briefje van de gezinsvoogdij-instelling dat zij dan ook geen informatie meer krijgen “betreffende de ontwikkelingen en voortgang van uw dochter Anja.”

Kammerman: “Het verzoek tot gesloten plaatsing is gedaan d.d. 07-07-1999. Op 15 juli ging de kinderrechter akkoord, terwijl ook het Ministerie positief besluit nam. Een turbulente tijd volgde voordat de plaatsing op 23 september jl. gerealiseerd kon worden. Opgemerkt kan worden dan Anja met opgeheven hoofd zich heeft laten plaatsen in de gesloten instelling. Kort samengevat gaf zij ondergetekende te kennen dat zij steeds geweten heeft wat uiteindelijk de consequenties zouden zijn van haar destructieve gedrag. “Alexandra” richt zich in principe op een behandelingsduur van een tot anderhalf jaar. Anja onderhoudt contact met haar ouders en zusje per telefoon. De ouders reizen eenmaal per 14 dagen naar Almelo voor een bezoek van twee uur.
Vervolg t.m. 22 februari 2000
Het verblijf verloopt met ups en downs. In de begin periode deed Anja enorm haar best. Wellicht te veel. Later kwam de twijfel over de noodzaak van verblijf aldaar en ook het verzet tegen het “gesloten” zijn. Er zijn zorgen en moeilijkheden in de omgang met haar groepsgenoten v.v.. Ook is het gaan naar de interne school voor Anja een zware opgave.
Dit heeft te maken met zowel externe als interne factoren. Anja is zeker leergierig en heeft ook talenten en ambities, de zorg ligt meer verborgen in haar vermogen om te gaan met, complexe, situaties in de communicatie. Anja is het lang niet altijd eens met de manier waarop de groepsleiding en de overige medewerkers van de instelling met haar omgaan.
Met andere woorden: zij wil meer en andersoortige aandacht dan zij ontmoet. In deze kritische, met verdriet verwarring en onmacht gevulde, houding (uiteindelijk altijd weer constructief) weet Anja zich gesteund door haar ouders. De ouders staan op dit moment zeer sceptisch tegenover de hulpverlening en klagen daar ook over. Dat heeft invloed op de motivatie om zich over te geven aan het verblijf aldaar en hard te werken aan verbetering. Wat Anja zegt, doet en voelt is zonder meer voorstelbaar en legitiem, zo ook de belevingswereld van de ouders en hun handelingen. Hun verzet moet echter los staan van de trieste oorzaak van verblijf van Anja in een huis als Alexandra.”

Gesloten geplaatst worden is uiteraard geen pretje, maar Anja had het er dan ook wel naar gemaakt. Zij ging na enige tijd voor het weekend naar huis, kon dan vrijelijk in haar eentje met de trein reizen, en werd bij terugkomst onmiddellijk door een Harreveld-medewerker met plastic handschoentjes aan in alle holtes die een vrouw heeft doorzocht op drugs.

Dit vooruitzicht bedierf het weekend.

De ouders hebben zich ernstig gestoord aan de manier waarop Anja bij terugkomst behandeld werd. Zij begrepen het nut van het onderzoek op drugs, maar begrepen niet waarom er niet even behoorlijk afscheid genomen kon worden.

Ook waren zij verontwaardigd over de manier waarop zij zelf werden tegemoet getreden. Een “snotneus” volgens Anja’s moeder vroeg bijvoorbeeld aan haar: Jij ook koffie? U voor jou! gaf zij ten antwoord, maar zij had niet de indruk dat de boodschap overkwam.

Hoewel de bewoonsters na enige tijd dus vrijelijk naar huis konden reizen, moesten zij voor een zitting in een “boevenbusje” vervoerd worden, en werden zij in een cel gezet om te wachten tot zij aan de beurt waren, wat soms letterlijk uren duurde. Het waren geen regels die Harreveld zelf gemaakt had, maar het was moeilijk dat steeds voor ogen te houden.

Heel slecht voor het gevoel van eigenwaarde allemaal, de weinige behandeling die er was bepaald niet ondersteunend, niet helpend voor de toekomst.

Kammerman: “Opmerkelijke wijziging in de laatste periode is dat Anja ook weekenden naar huis gaat en dan zelf naar huis per trein reist. De ouders verzorgen de reis terug met de auto, mede omdat Anja aangeeft bang is onderweg uit te stappen en weer de verkeerde weg in zal slaan.
Ik hoop voor de komende periode op meer overgave, zowel bij Anja als bij de ouders, zodat de behandeling (Anja’s moeder heeft in de kantlijn geschreven: welke behandeling?) meer haar vruchten zal kunnen gaan afwerpen. Het komende jaar zal goed gebruikt moeten worden om Anja verder te kunnen prepareren om haar tijd van meerderjarige. Ondergetekende volgt overigens het hulpaanbod van Alexandra zorgvuldig en is daar ook positief over te spreken, zichzelf realiserende dat het systeem aldaar ook haar beperkingen kent en dat het “mensenwerk” blijft.
Als de behandeling van Anja aanslaat dan is ondergetekende optimistisch, kijkende naar de vermogens van zowel Anja als haar ouders, dat het komende jaar rijke vruchten zal afwerpen.”

Drie maanden voor haar 18e verjaardag kwam Anja vrij.

Van 14 tot 18, allemaal omdat terugplaatsing in de thuissituatie was afgeraden, omdat beide ouders Anja, gezien de ernst van de problematiek, en hun beperkingen en onwil niet konden bieden wat zij nodig had voor een verdere harmonieuze uitgroei.



III NABESCHOUWING
“De scholen hebben dagelijks contact met de kinderen en het gezin, in een gestructureerde verhouding. Op de scholen worden de signalen opgepakt van kinderen die extra zorg en hulp nodig hebben. Wanneer de jeugdzorg met het onderwijs samenwerkt hebben we de kans om preventief te werken en zo vroeg mogelijk hulp te bieden. De aansluiting op de jeugdzorg vanuit leerlingenzorg op de scholen was een aantal jaren terug het ontbrekende deel van de keten. In Brabant zijn we bezig de keten compleet te maken.” (Gedeputeerde Lambert van Nistelrooy, geciteerd in ‘Nieuwsbrief Onderwijs en Jeugdzorg’ nummer 7, april 2003, uitgave van Landelijk Centrum Onderwijs en Jeugdzorg/NIZW Jeugd)

De schakels in de keten:

Eerste schakel. De school.

Deze vertrouwenspersoon was niet tegen zijn taak opgewassen en werkte binnen een verkeerde schoolcultuur. Zoals hij zelf schrijft: “de toen geldende mores: geloof eerst het kind, geef door wat je hoort aan instanties die een verdere afhandeling van de zaak op zich nemen.”

Wantrouw dus de ouders. Anja stond op school bekend als een meisje dat loog en manipuleerde, maar dat weerhield de vertrouwenspersoon er niet van om niet alleen met het kind te praten, maar haar verhalen voor zoete koek te slikken en zonder meer de volgende stap te zetten: haar in het geheim, onder schooltijd, naar de “hulpverlening” te sturen.

Het is misschien teveel gezegd om te beweren dat hij heeft gelogen, maar hij heeft in ieder geval de ouders misleid.

Het aanbod creëert de vraag: leerlingen worden uitgelokt door het loutere bestaan van de functie om te praten over niet-schoolse zaken. Dat kan soms goed zijn, maar dat wordt door leerlingen ook wel gedaan omdat praten vaak makkelijker is dan gewoon je schoolwerk doen. Anderzijds moeten vertrouwenspersonen hun functie waarmaken, problemen signaleren, willen zij de taakuren als vertrouwenspersoon houden. Daarmee is niet gezegd dat deze vertrouwenspersoon niet integer geweest is, maar men vindt nu eenmaal wat men zoekt. Problemen signaleren is in het geval van Anja het begin van problemen creëren geweest.

Vertrouwenspersoon-zijn is ook een veer in iemands hoed: kinderen komen praten over zaken waar ze naar hun zeggen bij hun ouders niet mee terecht kunnen. Deze vertrouwenspersoon had de vrijheid om over de hoofden van de ouders heen te handelen. Die ouders zijn immers (onbetrouwbare) amateurs, hijzelf staat op het voetstuk van de integere professional.

Zijn handelwijze beschuldigde de ouders: het belang van dit kind kun je niet aan de ouders toevertrouwen, dat is meer iets voor instanties. Het vergt veel van iemand om te doorzien of later toe te geven dat hij voor jan joker gebruikt is en anderen de gelegenheid heeft gegeven om een ravage aan te richten. Meer voor de hand liggend is, dat iemand later schrijft: “Wat u mij niet kunt verwijten is gebrek aan betrokkenheid, integriteit en professionaliteit.”

De betrokkenheid en integriteit nemen wij aan, soms doen mensen te goeder trouw de domste dingen, maar de professionaliteit missen wij pijnlijk: de vertrouwenspersoon stelt zich kritiekloos op als doorgeefluik voor kennelijk elke leerling.

(In een folder van GGD Zuidoost-Brabant lezen wij over een Spreekuur Infopunt Opvoeding op basisscholen “Ook leerkrachten en leerlingen kunnen gebruik maken van het Infopunt Opvoeding.” Mijn pop wil niet eten? Beer is brutaal? Of denkt u wat wij denken?)

Tweede schakel. De vrijwillige hulpverlening.

Deze medewerkster was niet tegen haar taak opgewassen en stond eveneens met een veer in de hoed op het professionalvoetstuk: zij ging een kind redden! Zij slikte de verhalen voor zoete koek, zij bracht zonder onderzoek het kind op een geheim adres, de ouders moesten dit en moesten dat, en zij moesten zich aan de regels houden, anders zou zij de raad voor de kinderbescherming vertellen dat deze ouders elke hulpverlening en medewerking weigerden. Deze formulering wordt wel gebruikt om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. Kennelijk lag deze haar in de mond bestorven. Het was duidelijk dat liegen haar niet deerde, zoals ook later enkele malen bleek. Een gesprek inspireerde tot de volgende stap: insinuerende rapportage aan de raad voor de kinderbescherming.

Zij beschuldigde de ouders van mishandeling en sexueel misbruik. Haar verzinsels moesten kennelijk het onderduiken rechtvaardigen.

Onprofessioneler kan het niet. Hier is geen excuus mogelijk: hulpverlening is haar beroep.

Derde schakel. De raad voor de kinderbescherming.

De raadsonderzoeker was niet tegen zijn taak opgewassen en werkte in de raadscultuur: wij doen niet aan waarheidsvinding, wij zijn geen politie.

De raadsonderzoeker zette het patroon voort: niet onderzoeken, voor zoete koek slikken, de volgende stap zetten, nl. een verzoekschrift tot ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing (een beschuldiging dus: dit kind moet bij deze ouders weg), de betekenis van dit alles voor de ouders onduidelijk of geheim houdend tot het te laat was. Ook hier weer onwaarheid en misleiding.

De raad verzocht de rechter te beslissen wat voor de ouders het tegenovergestelde was van wat zij begrepen hadden: niet een gezinsvoogd die zijn gezag ging aanwenden om hen te steunen, maar de staat die hun kind weggriste.

Onderzoekers die niet onderzoeken maar eenvoudig andermans berichten overnemen: onprofessioneler kan het niet. Ook hier is geen excuus mogelijk: de raad presenteert zich en wordt door rechters beschouwd als de professionele instantie.

Het handelen van deze mensen bevatte dezelfde ingrediënten:

voor waar aannemen wat je aangereikt krijgt en

zonder onderzoek

soms met misleiding en onwaarheden

de volgende stap zetten, je tot de volgende schakel in de keten wenden,

en de ouders bij deze instantie beschuldigen.

Vierde schakel. de kinderrechter.
Kinderrechters doen niet altijd het werk dat zij behoren te doen: rechtspreken.

Zij voelen zich niet altijd rechter. Kinderrechter mevrouw Quik-Schuijt schrijft: “Laat de kennis die we over kinderen hebben maar neerdalen in het veld. Dan kunnen wij ze gaan helpen.” (Perspectief, februari 2003)

Het is misschien ditzelfde wij-gevoel met “het veld” dat haar tot overleg buiten de zittingzaal brengt met één van de partijen: “Als kinderrechter pleeg ik regelmatig overleg met de Raad voor de Kinderbescherming en de Gezinsvoogdij-instellingen. We hebben eens in de maand een zogenaamd tripartite-overleg, zonder notulen en zonder agenda. Twee keer per jaar hebben we een grote vergadering. Daar bespreken we altijd een bepaald beleidspunt.” (Trema, mei 1999)

Op het verzoek raadsmedewerkers te verbieden deel te nemen aan dit “triparte-overleg”, liet het Hoofdkantoor van de Raad voor de Kinderbescherming weten daar geen aanleiding toe te zien, omdat al deze overleggen over beleid zouden gaan!

Doordat iedereen zich een schakel in de keten weet, voelt niemand zich verantwoordelijk voor het eindresultaat. Men kent dat eindresultaat ook niet.

- De leraar denkt misschien “dat kind komt hier toch niet voor niets” en stuurt door.

- De hulpverleenster denkt misschien “dat doet hij toch niet voor niets” en legt het verhaal, gegarneerd en opgeklopt tot een zwaar probleem, bij de raad voor de kinderbescherming.

- De raadsonderzoeker denkt misschien “dat gebeurt toch niet voor niets” en gebruikt deze derdehands lariekoek voor een verzoekschrift aan de rechter.

- De rechter krijgt een verzoekschrift van een overheidsorgaan, denkt misschien “dat is toch niet voor niets”, leest een rapportage waarin een rampgezin getekend wordt en neemt een verkeerde beslissing.

De eerste drie schakels kunnen later zeggen: een en ander is getoetst door de rechter.

In werkelijkheid heeft niemand onderzocht of getoetst. De vier toetsmomenten zijn ongebruikt voorbijgegaan. “De rechter wijst in beginsel het verzoek van de raad voor de kinderbescherming toe. … De rechter volgt dus in principe de deskundigheid van het verzoekende overheidsorgaan. In beginsel wordt de eindbeslissing van de rechter gebaseerd op een inhoudsloze standaardmotivering.”
(B. van den Berg; Deskundigheid in het geding; proefschrift 1999, ISBN 90 5454 107 5, pag. 215)

Er is steeds verzuimd onderzoek in te stellen. De beide keren dat er een rapport is opgesteld, is naar een conclusie toegeschreven, desnoods met eigen verzinsels.

“De gegevens worden zo geordend, dat zij een consistent geheel vormen.”
(Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming, 2000, ISBN 90 8060 152 7, pag. 79)

“De ruime formuleringen bieden de overheid een soepel instrument om in verschillende situaties waar de minderjarige bescherming behoeft in te grijpen binnen het gezin. De kans op valse negatieven (als ten onrechte niet wordt ingegrepen) wordt op deze manier verkleind, maar de kans op valse positieven (als ten onrechte wel wordt ingegrepen) wordt vergroot. … Bij overheidsingrijpen in privé-verhoudingen, bijvoorbeeld in het strafrecht en bestuursrecht maar ook in het kinderbeschermingsrecht, geeft het gebruik van open normen de overheid meer ruimte tot ingrijpen en het individu minder rechtsbescherming tegen het overheidsoptreden.”
(M.R. Bruning; Rechtvaardiging van kinderbescherming; proefschrift 2001, ISBN 90 2683 863 8, pag.190)

Vijfde en laatste schakel. de gezinsvoogdij-instelling.
De gvi verschijnt pas op het toneel als de kinderrechter uitspraak heeft gedaan, heeft dus niets te maken met het traject tot de ots. Daarna is de gvi echter de instantie die een uithuisplaatsing kan beëindigen (met mededeling aan de raad voor de kinderbescherming), die kan besluiten al dan niet verlenging ots aan de kinderrechter te verzoeken. De gvi heeft vele toetsmomenten, minstens wanneer besloten wordt al dan niet verlenging te verzoeken.

Een echt onderzoek!
Nadat Anja dus al uit het gezin gehaald was, liet de gvi het PAR een onderzoek verrichten. Tijdens dit onderzoek zei Anja wat haar ouders de hele tijd gezegd hadden: zij vond alleen maar dat haar ouders haar niet genoeg vrijheid gaven.

Beide gronden voor de ots met uhp (slaan en sexueel misbruik) waren dus verdwenen.

Maar PAR en St. Jeugdzorg Noord-Brabant lieten de ouders het rapport niet lezen, en de gvi verbond ook geen consequenties aan het onderzoek.

Het PAR voorzag bovendien zijn opdrachtgever van een nieuw argument om de gevangen vis niet weg te laten zwemmen: “Terugplaatsing in de thuissituatie wordt afgeraden, omdat beide ouders Anja, gezien de ernst van de problematiek, en hun beperkingen en onwil niet kunnen bieden wat zij nodig heeft voor een verdere harmonieuze uitgroei.”

School en behandeling
Na haar verdwijning, 18 maart 1998, gaat Anja een vol jaar niet naar school. Toen zij nog thuis woonde kwam schoolverzuim niet in haar op. Als zij in maart 1999 (zij wordt in juli 16) weer een klaslokaal betreden heeft, wordt er al na 3 weken gemeld dat zij veel verzuimt.

(In de praktijk een van de invullingen van de “ernstige gedragsproblemen” die aanleiding kunnen zijn voor plaatsing in een gesloten inrichting, art. 1:261, 3 !)

Vanaf eind juni 1999 wil de school haar niet meer hebben. En daarmee hebben de instanties kennelijk voldaan aan hun verplichtingen i.v.m. de leerplichtwet.

Op 16 april 1999 wordt genoteerd: “Anja is gestopt met deelname aan de cursus ‘sociale vaardigheden’; een essentieel middel in haar behandeling. Geen deelname aan deze cursus betekent dat je je onttrekt aan de behandeling en dat is onacceptabel.”

Anja gaat niet naar school en niet naar de behandeling. Als zij later opgesloten is in Harreveld, ontbreekt behandeling.

Ouders, soms toch handig
In oktober 1998 noteert de gezinsvoogd: “Opvallend was ook de indruk dat zij haar ouders en zusje erg miste.”

Terwijl de instanties dus bezig zijn Anja te bieden wat zij nodig had voor een verdere harmonieuze uitgroei (daar hoort een schoolopleiding kennelijk niet bij), komt en gaat Anja in de verschillende tehuizen naar believen. Zij gaat zich te buiten aan o.a. drugs en verkeert in een crimineel milieu. Als lieden uit dit milieu door Oosterpoort als bedreigend ervaren worden, moet Anja op 7 juli 1999 weg. De gezinsvoogd meldt dit aan de ouders, en liegt tegen zowel ouders als raad voor de kinderbescherming dat hij een machtiging voor een gesloten plaatsing heeft. Anja is net weggelopen en dat komt goed uit, maar als zij opduikt is er dus nergens plaats voor haar.

Van 9 juli tot 10 augustus zorgen daarom haar ouders voor haar. Ho ho, die mochten dat niet! Dat kind was niet voor niets uit huis geplaatst! Dan komt de gezinsvoogd terug van vakantie en trekt deze misstand onmiddellijk recht: hij verbiedt haar alle contact met haar ouders, ook telefonisch. Na enige strubbelingen volgt er voor Anja een periode van zwerven en met zijn medeweten een verblijf in een gezin dat drugs en alcohol gebruikt. Maar ze was tenminste niet bij die ouders!

Op 23 september 1999 gaat zij achter slot en grendel in Harreveld. Voor de verdere harmonieuze uitgroei.



Gevolgen van de kinderbeschermingsmaatregel

In september 2001 verscheen ‘De gezinsvoogd als jongleur’. In september 2002 liet het Platform SCJF hier een reactie op verschijnen, ‘Jongleur over de schreef’.
Hoofdstuk 6 hiervan handelt over verbeteringen die tegelijk besparingen zijn:
A Niet uithuisplaatsen,
B Een deel van het werk laten verrichten door vrijwilligers, gekozen door de ouders, en
C “Grote besparingen zijn ook te behalen in verband met wegloopkinderen. Het Platform SCJF heeft op 14 april 2002 geschreven in de ‘Inbreng Platform SCJF t.a.v. concept Wet op de Jeugdzorg van 30 maart 2002’: Wordt het zelfbeschikkingsrecht van minderjarigen aangetast, dan kan een machtsmiddel van de staat nodig zijn. Als een kind door zijn ouders wordt mishandeld wordt zijn zelfbeschikkingsrecht aangetast, en moet de staat de vrijheid van het kind beschermen. Als daarentegen de ouders van een veertienjarige een “liefde” verbieden, moeten zij erop kunnen rekenen dat de staat hun vrijheid om het kind naar hun normen en waarden op te voeden respecteert. Wanneer het kind wegloopt, mogen de ouders verwachten dat de staat de vrijheid van het kind om zich naar eigen inzicht te gedragen niet door het weglopen te financieren, laat prevaleren boven de vrijheid van de ouders om naar eigen inzicht op te voeden.

Er wordt veel gesproken over Bureau Jeugdzorg: DE toegang tot de jeugdzorg.
Het doel is dat dit bureau dezelfde rol krijgt als de huisarts in de gezondheidszorg: diagnose stellen, indien mogelijk hulp verlenen en zo nodig doorverwijzen naar een specialist.

Het Platform SCJF vindt dit doel op zich niet verwerpelijk, maar constateert dat de jeugdzorg geen juist beeld heeft van de gevolgen en effecten van de eigen werkwijze.

Een arts heeft een universitaire studie en jaren stage achter de rug.
Bij fouten kan hij door het medisch tuchtcollege op de vingers getikt worden.
In Bureau Jeugdzorg werken (…) veel mensen met een opleiding op het niveau van een doktersassistente.
Enige vorm van tuchtrecht is niet op hen van toepassing.
We zouden het niet accepteren dat een doktersassistente tot een gedwongen opname in een ziekenhuis zou kunnen besluiten. Een gezinsvoogd besluit echter wel tot een uithuisplaatsing.
Er is altijd toestemming van de patiënt nodig voor onderzoek en behandeling.
In de jeugdzorg leidt verschil van mening over behandeling vaak tot gedwongen behandeling. Ouders wordt dan de zeggenschap ontnomen.
Officieel kan de gezinsvoogd alleen besluiten tot een verzoekschrift aan de kinderrechter.
In de rechterlijke motivering is de voortgangsrapportage van de gezinsvoogd echter vaak het enige argument. (“De voornaamste doelstelling van de gewijzigde OTS-regeling, namelijk een scheiding der machten tussen kinderrechter en GVI waarbij het versterken van de rechtspositie van ouders en minderjarige uitgangspunt was, blijkt niet in alle opzichten te zijn bereikt.” Bruning pag. 315)

Er is structureel overleg met de cliëntenorganisaties nodig om de blinde vlekken van de jeugdzorg in te vullen.”

Eveneens in 2002 verscheen de 2e versie van het VU-rapport van W. Slot en A. Theunissen ‘909 zorgen, een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling’. “Daarnaast is duidelijk geworden dat 70 % niet verbetert waaronder ruim 30% die achteruitgaat. Wij kunnen onmogelijk beweren dat de maatregel in zijn algemeenheid doelmatig is.” (pag. 77)

Anja behoort duidelijk tot die 30%.

Een kind dat toen zij nog thuis was altijd keurig naar school ging, gaat op enkele weken na helemaal niet meer naar school vanaf het moment dat zij in de bescherming verdwijnt.

Zij wordt vanaf het moment dat de staat haar ouders verhindert haar nog langer op te voeden onderdeel van de groep ‘schoolverlaters zonder startkwalificatie’ waar diezelfde overheid zich bezorgd over maakt.

Een kind dat thuis over allerlei fantaseerde en van alles wou waar zij in ieder geval te jong voor was, kon al dat fraais vrijelijk in praktijk brengen toen zij eenmaal tegen haar ouders beschermd werd.

En toetsen? Nee, gewoon doormodderen.

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant
Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant is sinds 1 januari 2003 de rechtsopvolger van Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant, de gvi van Anja.
Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant en Bureau Jeugdzorg West-Brabant (dat Anja via de raad voor de kinderbescherming en de kinderrechter aangeleverd had) hebben nu een gezamenlijke directeur. Deze heeft op 27 januari 2003 gereageerd namens alle werkers in beide instellingen die in dit dossier genoemd zijn (zie pag. 56).

Deze brief maakt ons misschien nog wel bezorgder dan alles wat in dit dossier staat.

Hoewel dit nauwelijks toelichting behoeft, toch een enkele opmerking:
Nadat de instelling Anja en haar gezin enkele afschuwelijke en gevaarlijke jaren heeft bezorgd, is de reactie van de directie (namens de medewerkers) niet een reactie van schrik bij de confrontatie met wat de directie uiteraard niet wist, maar een reactie van boosheid. Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant is niet blij met “allerlei beledigende en insinuerende opmerkingen”.

Deze reactie doet vrezen dat er sinds 2001 niets veranderd is, dat er niet gewerkt wordt aan verbetering.



IV Citaten uit de stukken
1998

Op 25 maart 1998 schrijft mw P. Vlaminckx (Stichting Jeugdzorg Brabant-West) aan de Raad voor de Kinderbescherming, t.a.v. de heer K. van Gorkum:
“Naar aanleiding van ons telefoongesprek van 25 maart 1998 wil ik het volgende schriftelijk bevestigen. Op 18 maart j.l. was Bureau Jeugdzorg genoodzaakt (1)Anja van Brussel uithuis te plaatsen. Zij gaf aan niet meer terug naar huis te willen, omdat ze regelmatig werd geslagen door haar vader (2). Ook is er veel verbaal geweld thuis en Anja voelt zich niet meer veilig. Anja heeft al eerder (3) signalen gegeven dat het niet goed gaat. Zij is al langer bij ons bekend (4), ook op school zijn ze op de hoogte van haar problemen (5). Aangezien wij inschatten (6) dat er ernstige problemen spelen binnen het gezin, hebben wij besloten de plaatsing (7) voor de ouders geheim (8) te houden. Na met alle betrokkenen contact te hebben gehad, hebben we sterke vermoedens dat er inderdaad forse problemen spelen binnen het gezin. Wij twijfelen of er vrijwillige hulpverlening mogelijk is. Mocht u nadere informatie willen kunt u terecht bij ondergetekende.”

Dat sprake was van ‘noodzaak’ moet geheel voor rekening van mw.Vlaminckx en de 14-jarige Anja blijven.
Onwaar en op geen enkele manier gecontroleerd.
Onwaar, nimmer besproken met de ouders.
Onwaar, nimmer besproken met de ouders.
Niet dat Anja geslagen zou worden, maar dat Anja fantaseert en steeds mensen zo tegen elkaar uitspeelt.
“Inschatten” veronderstelt onderzoek en expertise.
Eufemisme voor “hulp bij weglopen”. “Plaatsing” veronderstelt een wettelijke grondslag.
Zelfs al zouden er “ernstige problemen” spelen, waarom geheimhouding omtrent het wegloopadres
Uit de “Melding, Ontvangstdatum: 30-03-98 Inhoud: Probleembeleving en actualiteit” van raadsmedewerker Van Gorkum: “Anja is weggelopen naar aanleiding dat haar vader haar geslagen zou hebben. Dit heeft Anja in een gesprek d.d. 30-03 kenbaar gemaakt. De ouders waren al eerder bij de Raad geweest op verwijzing van het JIP.(De ouders deelden mede dat zij nooit contact hebben gehad met het JIP.) Toen vertelden zij dat Anja veel leugens vertelt aan iedereen in haar omgeving, met verkeerde vrienden omgaat, zich niet aan afspraken houdt. … Anja vertelt dat zij bang is als haar ouders ruzie maken. Dan wordt er met dingen gegooid, verbaal geweld gebruikt. Zij wordt dan bang. De ruzies tussen de ouders gaan vaak over Anja. … Voor de ouders zijn opa en oma (vz) een zeer gevoelig onderwerp. Vader is blijkbaar door oma (vz) als kind uithuis geplaatst, hij heeft veel ervaring met de Raad, tehuizen, etc. Hij hoopte dat zijn kinderen niet onder invloed van zijn moeder zouden komen. Hij heeft wel contact toegestaan maar nu Anja is weggelopen, is hij flink geïrriteerd omdat zijn moeder hem voorgehouden heeft er alles aan te doen om hem en zijn vrouw uit elkaar te drijven. … Gedurende het gesprek zit Anja te huilen, … . Er viel geen compromis te bereiken in zoverre dat de ouders alle medewerking willen verlenen, Anja ook niet lastig zullen vallen maar als enige voorwaarde stellen dat Anja geen contact met oma zoekt. Anja zegt dat wel te doen. ….
Gezinssituatie: … Er ligt een groot familieconflict onder het geheel … (intaker)
Verwachting van de melder: Onderzoek”

“Besluitenlijst Intake” d.d. 31 maart 1998, bij vraag 1:
Vraag: “Is de opvoedingssituatie zeer bedreigend voor het kind? (B.v. ernstige mishandeling / verwaarlozing, sexueel misbruik?)”.

Aangekruist: NEE

Op 1 april 1998 schrijft mw. Vlaminckx aan de Raad:
“… Uit het gesprek is gebleken dat de relatie tussen Anja en haar ouders verstoord is (1).
Er was moeilijk tot een normaal gesprek te komen met de ouders, … en er werd fel gereageerd, vooral door vader.
Anja heeft duidelijk aangeven dat ze thuis geslagen wordt … Vader heeft een internaatsverleden en komt uit een gewelddadig gezin. … Sexueel misbruik is niet uitgesloten. …”(2)

Wat is het aandeel van de wegloophelpers in deze verstoorde relatie?
Volstrekt ongefundeerde insinuatie. Anja had zelfs, toen mevrouw Vlaminickx viste naar incest, dit verontwaardigd van de hand gewezen. Zoals verderop blijkt gaat deze insinuatie een eigen leven leiden
Verslag van bevindingen betreffende Anja van Brussel geb. 15 juli 1983:
“Op 30 maart 1998 kwam er bij de Raad een melding binnen van mevrouw Vlaminckx, … . Volgens mevrouw Vlaminckx spelen er meerdere problemen in het gezin. Zo zou vader een kinderbeschermingsverleden hebben en moeder zou incestslachtoffer zijn1. Vader zou lijden aan hartklachten en dreigt overspannen te geraken. Vrij recent speelden er relatieproblemen tussen beide ouders. … De beide ouders …hebben nog een 10-jarige dochter thuis die zwaar astma patiënt is. De relatie tussen de ouders van vader2 en het gezin ligt uitermate gevoelig. Zij zijn er direct oorzaak van dat vader op jonge leeftijd in een internaat zijn geplaatst. … Volgens de ouders hebben de grootouders gedreigd er alles aan te zullen doen de beide ouders uit elkaar te drijven. … Anja zou ook allerlei verhalen vertellen tegen deze en gene over allerlei thema’s. Volgens mevrouw Vlaminckx is ze hierbij niet meer in staat fantasie en werkelijkheid van elkaar te onderscheiden. …(3)
Seksueel misbruik lijkt niet uitgesloten gezien de signalen (4).
Huidige situatie:
… Op maandag 20 april is Anja niet meer teruggekeerd naar het kortverblijfgezin. Zij wilde bij haar opa en oma v.z. gaan wonen. Door mevrouw Vlaminckx werd dit voorstel afgewezen daar dit olie op het vuur zou zijn voor de ouders van Anja die haar en de vrijwillige hulpverlening alle ruimte wilden geven om Anja te helpen.”

Een verzinsel van mevr. Vlaminckx.
Moet zijn: vaders moeder en zijn stiefvader.
Dus mevr. Vlaminckx en de Raad waren zich bewust van Anja’s ongeloofwaardigheid en toch gaan zij er op in!
En ja hoor, de eerder genoemde insinuatie blijkt effect te hebben. Er worden zelfs “signalen” aan toegevoegd.
Beschikking VOTS 22 april 1998 (Anja is dan al meer dan een maand door mevr. Vlaminckx onttrokken aan het gezag van de ouders. Zij gaat niet naar school.)

29 april 1998, contactjournaal van raadsonderzoeker J.B.A.M. Schipper:
“(thuis bij betrokkenen) Vandaag de ouders bezocht nadat ik Anja opgezocht had.
E.e.a. om na te gaan of zij akkoord gaan met het omzetten van de VOTS in de OTS ter zitting en de uithuisplaatsing. De ouders geven aan hiermee akkoord te gaan." (De ouders was voorgespiegeld dat zij met een OTS ondersteund zouden worden in hun beleid. Achter de façade van de OTS gingen Raad en Jeugdzorg geheel hun eigen gang.)

eveneens 29 april 1998 in dit contactjournaal:
“(op buro andere instelling): Vandaag Anja opgezocht. Allereerst om haar uit te leggen wat een OTS inhoudt en wat de uithuisplaatsing betekend. … Zij had zelf nog geen contact gehad met Mimount (gezinsvoogdes). Deze zal op zijn vroegst op 13 mei pas met haar een afspraak kunnen maken.”

weer bij dezelfde datum:
“Met Dennis Venetiaan, praktijkleider. Zaak inhoudelijk met Dennis besproken en besloten n.a.v. gesprek en akkoord van ouders en Anja a.s. maandag ter zitting meteen een OTS met UHP te verzoeken.”

In een stuk van dezelfde datum waar Dennis boven staat:
“… Tevens wilde ik nagaan in hoeverre ze het eens is met het feit dat de Raad een ondertoezichtstelling vraagt i.p.v. een VOTS. … Volgens Anja is ze bij het pleeggezin weggegaan in overleg met Paula. … Anja is het eens met een definitieve ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing.
DENNIS: OUDERS EN ANJA ZIJN HET EENS MET DE ondertoezichtstelling EN UITHUISPLAATSING IN EEN OPEN VOORZIENING VOORZIENING VOOR VERZORGING EN OPVOEDING.”

Beschikking 4 mei 1998
OTS met UHP

13 mei Anja loopt weg uit De Zuidwester, Lentehof enzovoort, tenslotte bij grootouders

Op 24 juli 1998 schrijft raadsmedewerker M. van Hoof:
“Melding 15-07-98
Probleembeleving en actualiteit: beschikking einde uithuisplaatsing zonder hulpverlenings- plan. Anja is weggelopen uit een opvang van de Zuidwester. Verdere opvang aldaar is niet meer mogelijk. …
Besluit over kind datum 24-07-98 Geen verdere bemoeienis.
Het weglopen van Anja maakt dat de plaats voor haar in de opvang is opgeheven. …”

Uit het PAR-rapport (7 augustus 1998):
“… Wanneer in het kader van het PAR-onderzoek op 18 juni contact wordt opgenomen met de “Zuidwester”, blijkt dat Anja ongeveer een week daarvoor weggelopen is. … Na navraag bij de gezinsvoogdes, mevrouw Ghannani, wordt duidelijk dat Anja wederom bij haar groot- ouders (vaderszijde) verblijft. Deze plaats wordt door de St. Jeugdzorg gedoogd, omdat gevreesd wordt dat Anja weer zal weglopen, wanneer zij elders ondergebracht wordt. … Eind maart kregen de ouders een telefoontje dat Anja thuis weggelopen was. Toen bleek dat ze al een half jaar lang via school contact had met een maatschappelijk werkster.
De ouders kunnen geen directe aanleiding geven voor het weglopen. Zij laten zich vervolgens boos uit over de hulpverlenende instanties waarmee zij te maken hebben gekregen, zoals de Stichting Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming. … Door de hulpverlening is hun gezin uiteindelijk uit elkaar gedreven en is er een kloof ontstaan tussen hen en hun dochter. … Mevrouw … heeft gehoord dat Anja al viermaal een zwangerschapstest heeft gedaan …
Ten aanzien van Anja menen de ouders dat alles waarvoor ze haar hebben willen behoeden nu toch gebeurt. Met enig sarcasme geven zij aan dat ze haar anders hadden moeten opvoeden: ze hadden alles goed moeten vinden. Dan waren ze in de ogen van de gemeenschap wel goede ouders geweest. Als je je kind dingen verbiedt en het beste met haar voor hebt, word je als slechte ouder afgeschilderd, aldus meneer en mevrouw.

Toekomst
Mevrouw zegt dat zij aan het onderhavige onderzoek meewerkt omdat zij denkt dat het goed is dat Anja onderzocht wordt. Zij hoopt dat Anja in een gesloten internaat geplaatst zal worden, ter bescherming van zichzelf: haar gedrag moet een halt toegeroepen worden.…

Gesprek met mevrouw A. de Loos, mentrix van Anja op de “Zuidwester”, op 13 juli 1998:
Anja heeft van 24 april t/m 13 mei en van 18 mei t/m 16 juni op de jeugdcrisisopvang de “Zuidwester” gezeten. …
Zij had met name verdriet om de strijd tussen haar ouders en grootouders. …
Toen Anja ongeveer drie weken in de groep verbleef, nodigde ze een groepsgenoot uit op haar kamer, waarmee ze de nacht doorbracht. … Zo spijbelde zij bijvoorbeeld van school, …
Uiteindelijk is Anja op 16 juni weggelopen van de “Zuidwester”.

Psychologisch onderzoek van Anja van Brussel, …, kalenderleeftijd 14:11 jaar, … .

Thuissituatie
Nadat Anja weggelopen was, heeft zij een aantal weken in een pleeggezin gewoond. … Zij wilde liever naar oma toe, maar dat mocht niet. Anja ging in overleg met haar begeleidster toch naar haar grootouders, waarna ze in het crisisopvangcentrum de “Zuidwester” geplaatst werd. Uiteindelijk is ze daar ook weggelopen. Nu mag ze bij haar grootouders blijven tot het PAR-onderzoek afgerond is. …
Anja zegt van huis te zijn weggelopen, omdat haar ouders voortdurend ruzie maakten. Anja’s gedrag was vaak het onderwerp van de ruzies. Haar ouders gaven haar geen vrijheid en waren veel te streng volgens Anja. Zo moest zij na school meteen naar huis komen en mocht ze “niks”. Haar ouders waren het er niet mee eens dat ze met bepaalde jongens optrok.
Ze vonden hen te oud voor haar en beschouwden hen als criminelen en drugverslaafden. Anja vindt dat haar ouders niet voor haar hoeven te beslissen met wie ze wel en niet om mag gaan. Ze gaat toch haar eigen gang. … De groep waarmee ze omging rookte wel af en toe een joint. Zij deed daar aan mee, maar volgens Anja kan dat geen kwaad. …
Haar behoefte om nieuwe ervaringen op te doen door middel van minder gewenste vormen van stimulatie (bijvoorbeeld alcohol en drugs) is zeer hoog. …

Voor seksueel misbruik worden geen aanwijzingen gevonden. …
Wat heeft Anja gezien bovenstaand nodig aan hulpverlening c.q. begeleiding?

… Terugplaatsing in de thuissituatie wordt afgeraden, omdat beide ouders Anja, gezien de ernst van de problematiek, en hun beperkingen en onwil niet kunnen bieden wat zij nodig heeft voor een verdere harmonieuze uitgroei.

Anja heeft een veilige, overzichtelijke en ondersteunende leefomgeving nodig, met duidelijke regels en een duidelijke structuur, waar aandacht is voor haar verdere opleiding. Rekening houdend met de vormen van hulpverlening die recent reeds hebben plaatsgevonden en niet haalbaar zijn gebleken, wordt plaatsing in een orthopedagogische setting geadviseerd.

Wellicht is het noodzakelijk gezien eerdere ervaringen om, bij voorkeur voor een korte periode, te beginnen met een besloten plaatsing.”

18 september 1998
crisisopvanggezin

21 oktober 1998
De Brink (na fusie Oosterpoort)

Op 25 november 1998 bespreking van het concept behandelplan.
Aanwezig zijn de ouders, Anja, gezinsvoogd Karel Kammerman van Jeugdzorg Noord-Brabant, Mieke de Keyzer (orthopedagoge), Rianne Rutten (intern trajectbegeleider).

“…Het behandelteam bestaat uit: ouders, Anja, Karel Kammerman en Rianne Rutten. Hierbij wordt nogmaals benadrukt dat het gehele behandelteam gezamenlijk verantwoordelijkheid draagt voor het verblijf van Anja op De Brink. … In de weekenden is Anja 2x een weekend naar een pleeggezin in Raamsdonk geweest. Het eerste weekend was wel leuk, maar het tweede niet en vervolgens is ze van daaruit weggelopen naar Tilburg. … In Tilburg is Anja in uiterst zorgelijke en risicovolle situaties terecht gekomen. … Anja vertelt dat ze een weekendgezin weet waar ze naar toe kan, … alles mag! …
Hoe denken ouders zelf over weekenden? Vader en moeder hebben het samen al besproken: Anja is welkom, maar over uitgaan is geen discussie mogelijk.”

1999

Uit het groepsverslag van De Brink (Oosterpoort) van 28 januari 1999:
“Voor Anja is er deze periode zowel op locatie Stevensbeek als in haar thuissituatie erg veel veranderd. Met de kerstvakantie is Anja twee weken thuis geweest. Deze vakantie is goed verlopen. Doch zowel Anja als ouders geven aan dat er nog veel te leren is. …
Tot op heden is het nog niet gelukt Anja te plaatsen op een school in de regio. …
Ze heeft ook contact met Novadic …Anja heeft zelf het initiatief genomen om met Novadic en Mieke de Keyzer in gesprek te gaan. …”

En 5 februari 1999:
“Het is verschrikkelijk slecht dat er nog steeds geen concrete invulling/dagbesteding voor Anja is en het is nog slechter te konstateren dat ze momenteel geen school/onderwijs geniet. … Momenteel gaat Anja 1 x 14 dgs. op weekend bij ouders … Daarnaast zijn er telefonische kontaktafspraken. In de voorbije kerstvakantie was Anja tien dagen thuis waarover iedereen tevreden was. Kontakt met thuis/achterban is groeiende, de tevredenheid stijgt …
Vader, moeder en Anja opteren momenteel voor thuisplaatsing, de streefdatum zou ergens in de zomervakantie zijn (1999). … “

8 april 1999, groepsverslag van Gerry van Roosmalen, groepsleidster en “schaduw interntraject begeleidster”, “namens team paviljoen 3”:
“… we hebben een enorme ontwikkeling gezien … Ze heeft weinig moeite om zich aan de regels te houden en b.v. haar taken te doen. … Ze komt vaak op het kantoor zitten voor een sigaretje te roken … Het naar school gaan verloopt niet erg soepel; ze verzuimt veel onder het mom van ziek, zwak en misselijk zijn. …
Module sociale vaardigheden
… Belangrijke leerdoelen voor haar blijven: nee leren zeggen, niet alles maar doen om erbij te willen horen en aangeven van grenzen wat betreft sexualiteit. …
Het verdient zeker vermeld te worden dat het goed is dan Anja wel naar Novadic gaat; een worsteling voor haar om “nee” te kunnen zeggen tegen drugs want het verlangen ernaar is groot. …”

Verslag van de Behandelplanbespreking van 16 april 1999:
“…M.b.t. het onderwerp ‘school’ heeft Anja een dik compliment verdiend. Hoewel nog niet soepel gaat ze wel naar school en lijkt ze er soms best plezier aan te beleven. Met name over het onderdeel ‘stage’ is Anja erg enthousiast. … Het meer constant naar school gaan verdient echter aandacht. … Het doel is: sterk verminderen van haar verzuim op school. …
Tijdens het bespreken van het onderwerp ‘contact ouders’ komen ouders zelf naar voren met de opmerking dat ze het als erg beklemmend ervaren zich te realiseren dat Anja al in de zomervakantie definitief naar huis komt (…). Ouders vinden dit te vroeg, hoewel het doel thuisplaatsing wel als uitgangspunt gehandhaafd blijft. Dit idee wordt ondersteund door de gezinsvoogd.
Tijdens weekends en andere kontakten ervaren ouders wel een vooruitgang in hun contact met Anja. Zo begint er wel wat meer vertrouwen te groeien (ouders durven Anja wat meer alleen thuis te laten; Anja vertelt wat meer dingen vanuit zichzelf) maar tevens wordt aangegeven dat een en ander (nog) wat wankel is. Het vertrouwen in Anja groeit ook mede door het feit dat Anja in de leefgroep zich positiever gaat ontwikkelen. De vertrouwensbasis onderling dient verder versterkt te worden. …
Anja is gestopt met deelname aan de cursus ‘sociale vaardigheden’; een essentieel middel in haar behandeling. … Geen deelname aan deze cursus betekent dat je je onttrekt aan de behandeling en dat is onacceptabel. …”

v.a. 29 april 1999 loopt Anja vele malen weg

Cees van Extel, intern trajectbegeleider, schrijft 12 mei 1999 aan het behandelteam:
“Ik vertel niks nieuws als ik aangeef dat de situatie rondom Anja zeer zorgelijk is. … Een andere vraag is: hoe kun je deze negatieve tendens (weglopen, wegblijven, niet naar school, onder invloed van drugs(gebruik), terug in de groep, weer weglopen, etc.) stoppen en keren? …
Daarnaast blijft staan –na overleg tussen de gezinsvoogd en ondergetekende- dat als Anja’s funktioneren/gedrag zodanig zwaar over grenzen gaat (bv. ten aanzien van zichzelf (veiligheid, sfeer, klimaat, ontwikkeling) en van andere aanwezige pupillen, groepsleiding, van het instituut ‘De Brink’ zelf) dat dan ingegrepen dient te worden. …
…wanneer zij vanuit de leefgroep is weggelopen en zich dus -ongeoorloofd- elders bevindt. In die situatie kan ‘De Brink’/’Stg.Oosterpoort’ daarin geen verantwoordelijkheid dragen.
Ik heb dat nog eens benadrukt in mijn telefonisch kontakt van heden met de dienstdoende funktionaris van Buro Jeugdzorg NB/Bergen op Zoom (de gezinsvoogd was onbereikbaar i.v.m. vakantie). …”

19 mei 1999 komt zij terug; dan mag zij 2 weken zijn waar zij wil

19 mei 1999: Extra behandelplanbespreking:
“…Wat is wijs om aan te grijpen om de bestaande impasse te kunnen doorbreken?
Anja maakt ondubbelzinnig kenbaar NIET in locatie Stevensbeek te willen zijn, terwijl locatie Stevensbeek (vooral ingegeven door de gunstige ontwikkeling van Anja in de periode voor 19-4-’99) in principe wel verder te willen, maar momenteel niet kunnen.
Haar idee om te gaan (samen)wonen bij/met haar vriend (zij kent hem twee weken) en om te bewijzen hoe goed zij zichzelf vindt te hebben ontwikkeld. …
Ouders hebben een ander standpunt ten aanzien van de vraag: hoe nu verder? Zij geven aan: Anja dient gesloten.
Inventariserend liggen er verschillende alternatieven op tafel, waarop vervolgens iedereen reageert:
1. Een verblijf (bijv. in Frankrijk) binnen het kader van een projekt ervaringsleren,
bij voorkeur langdurig, denkend aan 4-6 maanden; … en de vraag in hoeverre Anja daartoe enig motief voelt.
2. Opname in een psychiatrisch centrum … Ook hier geldt; Anja’s motivatie zal te minimaal zijn.
3. Er is gesproken over een gezinsopname. … Er is onvoldoende basis om daartoe over te gaan.
Het probleem lijkt nu alleen Anja te zijn.
4. Acute plaatsing en behandeling in een gesloten setting.
Dat verdient de voorkeur, maar HET probleem is dat dat à la minute NIET verwezenlijkt kan worden.
5. Het aanbod van locatie Stevensbeek: een time-out voor maximaal twee weken waarna Anja kan/mag terugkomen wetend dat iedereen (vooral inclusief Anja) ervan overtuigd is dat er voldoende motivatie dient te zijn en dat gehouden wordt aan strikte voorwaarden (…). Ouders hebben hierbij ernstige twijfels. Sowieso zijn de voorwaarden best realistisch, echter wel ‘scherp’.

Na afweging van de verschillende mogelijkheden resteert een zgn. ‘armoede-aanbod’, de minst slechte zou je kunnen zeggen. Overigens -en begrijpelijk- tot groot verdriet van de ouders.

Anja krijgt maximaal twee weken de tijd en gelegenheid om zichzelf onder kantoortijd te melden bij een van de leden van het behandelteam (…) om aan te geven dat ze terug wil komen/zijn op locatie Stevensbeek en dat ze akkoord gaat met een soort terugkomgesprek met het behandelteam. In dit gesprek zal zij moeten aangeven hoe haar motivatie daartoe is en dat zij (en het behandelteam) akkoord gaat met de opgestelde voorwaarden.

Sowieso dient (z.s.m. en liever eerder) duidelijk te zijn in hoeverre Anja wel/niet zwanger is. Is Anja (blijkt ze) zwanger (te zijn) dan is terugkeer op locatie Stevensbeek onmogelijk onder die omstandigheden.

De gezinsvoogd onderneemt ondertussen aktie om Anja aan te melden in/bij een gesloten setting. Meldt Anja zich niet na genoemde veertien dagen dan laat hij haar oppakken. …”

2 juni 1999 komt Anja terug

Verslag “terugkomgesprek” op 2 juni 1999:
“Als reden voor haar weglopen geeft Anja aan dat ze tijdens de laatste behandelplan- bespreking (op 16 april) heel erg geraakt is door de mededeling van ouders dat zij niet met de zomervakantie thuis kan gaan wonen. … Momenteel kiest Anja er voor om toe te werken naar zelfstandig wonen, ziet ze thuis geen perspectief voor haar. …
Verwachtingen vanuit locatie Stevensbeek naar Anja toe, met het oog op continuering van verblijf: …
Anja gebruikt geen drugs, heeft ze niet in bezit en handelt hier ook niet in. …
Anja loopt niet meer weg…..
Er worden voorlopig afspraken gemaakt rond contact met Gijs, …in overleg met groepsleiding kan op 2 dagdelen per week een bezoek worden afgesproken. … Anja gaat voorlopig alleen onder begeleiding van groepsleiding naar buiten, behalve wanneer het schoolbezoek of stage betreft. Op zo kort mogelijke termijn moet duidelijk worden of Anja al dan niet zwanger is. Bij zwangerschap stopt haar verblijf op deze locatie.
Anja kiest er op dit moment voor om noch telefonisch noch schriftelijk contact te hebben met ouders en zusje. Ze wil ook niet bij hen op bezoek of bezoek ontvangen. Wanneer ouders naar de leefgroep bellen dan mag groepsleiding wat Anja betreft hen meedelen hoe het met haar gaat. Als ouders hier roblemen mee krijgen, dan worden zij doorverwezen naar de gezinsvoogd.”

Op 9 juni 1999, gesprek bij de gezinsvoogd (Karel Kammerman) op kantoor:
“Anja voelt zich buiten het gezin staan. Daarop heeft Anja een reactie gegeven. …
Moet het verslag naar ouders? Anja vind van niet. Ze wil voor de volgende evaluatieve behandelingsbespreking ouders vertellen dat ze niet meer thuis komen.

Het verslag gaat geschoond naar ouders. …

Anja wil eigenlijk hier niet zijn maar bij Gijs. Dus wij zitten met een probleem. We moeten nu reel zijn. Het houd hier op. … Gijs maakt op Karel een solide indruk … Als Anja vertrekt dan laat Karel haar opsporen. …”

Op 21 juni 1999 schrijft Gerrie van Roosmalen, groepsleidster:
“Vanaf 29 april j.l. -de dag dat Anja wegliep naar vrienden- gaat het niet goed met Anja. … Dit was voor haar een reden om het hele weekeinde weg te blijven. Ze is in dat weekeinde nog wel een keer door de politie terug gebracht, maar was erg snel weer verdwenen. Tijdens dat weekeinde heeft ze flink gefeest, zegt ze zelf. Dit houdt in dat ze veel gedronken heeft en drugs gebruikt heeft. …
Ook Novadic maakte zich ernstige zorgen over het drank- en drugsgebruik van Anja. … Groepsleiding heeft nauwelijks zicht op welke adressen Anja verbleven heeft, tijdens haar weglooppartijen. …
De voorwaarden die met Anja zijn afgesproken waaraan ze moet voldoen om haar verblijf te kunnen continueren zijn: … 3. Er mag absoluut op geen enkele wijze spraken zijn van drugsgebruik, -bezit, of zelfs daar een vermoeden daartoe bestaan. Het is voor groepsleiding niet duidelijk of haar regelmatig ziek zijn te maken kan hebben met drugsgebruik.
…Ze vindt Gijs momenteel het belangrijkste wat er is. … Gijs is eenmaal volgens afspraak, in de leefgroep geweest, en kwam prompt ook ’s nachts weer op bezoek. …
… vertoonde ze zodanig ongemotiveerd gedrag dat school heeft gezegd dat ze niet meer welkom was. …
Anja heeft toen 4 dagen de tijd gekregen om een daginvulling te realiseren. Zij moest haar motivatie hierin bij groepsleiding halen, omdat voor haar nog steeds zonneklaar was dat zij zou gaan samenwonen. …
Daarnaast bestaat bij groepsleiding sterk het vermoeden dat Anja ’s avonds regelmatig bezoek aan haar raam krijgt, wat vooraf afgesproken is.
Het gedrag dat Anja laat zien, haar opstelling c.q. ongemotiveerdheid ten aanzien van haar verblijf op deze locatie, en met name het slechts moeizaam contact kunnen krijgen met haar, doet bij groepsleiding twijfels bestaan over zinvolheid van continuering van Anja’s verblijf op locatie Stevensbeek.

Namens team paviljoen 3, Gerrie van Roosmalen, Groepsleidster”

Fax van 4 juli 1999 van R. Kuhlmann, coördinator, aan gezinsvoogd (St. Jeugdzorg N.Br.):
“Vooruitlopend op ons telefonisch onderhoud van deze morgen, wil ik U bij deze informeren inzake de ontwikkelingen rond Anja van Brussel, zie bijlage. Zoals u uit de bijlage kunt opmaken is wat ons betreft “de maat vol”. De plaatsing dient zo spoedig mogelijk beëindigd te worden.”

De bijlage:
“De gebeurtenissen in het weekend van 3,4 juli rond Anja van Brussel
In dit weekend is een aantal feiten voorgevallen te weten:
· Anja is ontslagen bij haar werk, omdat zij verscheidene malen niet is op komen dagen en daarnaast de werkgever aangeeft dat Anja jongens, met wie zij kennelijk contact, heeft aantrekt die hij gezien hun negatieve houding en uitstraling liever niet met de friettent associeert
· Zij houdt zich niet aan tijdsafspraken.
· Zij heeft contacten met een aantal jongens, waarbij zij zelf aangeeft dat een van deze jongens heeft gedreigd haar in de prostitutie te werk te zullen stellen. … deze jongen is een bekende van de politie (hij staat bekend als drugdealer), …
· De in het vorige punt genoemde jongen is samen met een aantal andere jongens onverwachts, ‘s nachts op de binnenplaats van paviljoen 1 verschenen. Er ging een dermate dreiging van deze groep uit dat de groepsleiding de politie heeft moeten bellen.

Naar aanleiding van deze feiten kom ik als coördinator van Stevensbeek tot de volgende conclusies:
· …
· De veiligheid van Anja kan niet worden gegarandeerd.
· De veiligheid van de overige pupillen komt ernstig in gevaar.
· De veiligheid van de werkers is ernstig in het geding.
… Anja vraagt om een ander orthopedagogisch milieu. …”

Op 14 juli 1999 geeft unitleider bij St. Jeugdzorg Noord-Brabant C. Stoof deze melding door aan de Raad: Anja is vanwege haar problematische gedrag niet langer welkom in Oosterpoort:
“Ze is inmiddels geïndiceerd voor een gesloten setting, waarvoor reeds een beschikking is afgegeven.”

De Raad schrijft op 16 juli 1999 akkoord te gaan met de beëindiging plaatsing.

De ouders worden op 7 juli 1999 gebeld door de gezinsvoogd met de mededeling dat Anja op straat gezet is. Grootouders, weglopen, ouders (advies haar op straat te gooien), enzovoort.

10 augustus 1999 plaatsing in Stichting Troje.

Op 26 augustus 1999 brengt Anja de nacht elders door dan in Stichting Troje.

Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant meldt 27 augustus 1999 aan de Raad:
‘Anja is weggelopen van Troje te Eindhoven en wil en mag niet meer terug komen.
Zij verblijft nu waarschijnlijk in het criminele circuit.’

Op 23 september 1999 wordt Anja daadwerkelijk gesloten geplaatst

Basisrapport van Harreveld, sector Alexandra:
“ … Over de thuissituatie vertelt Anja tijdens het afgenomen interview niet zo veel. Ze zegt dat er veel strijd met haar ouders was, omdat zij haar eigen gang wilde gaan, de dingen wilde doen die zij zelf leuk vond. Daarnaast voelde ze zich achtergesteld bij haar zusje.

Opvallend is dat zij niets zegt over de miscommunicatie thuis en de onderlinge strijd tussen haar ouders, terwijl het PAR-onderzoek dit als een van de belangrijkste problemen benoemt,

Anja herkent dat ze extreme reacties kan vertonen in haar gedrag. Dit heeft haar voor de nodige problemen gesteld, waaronder ernstig middelenmisbruik, waarvoor ze een afkick- programma heeft moeten volgen. Voor zover bij ons bekend is Anja seksueel misbruikt terwijl ze onder invloed was van coke en wellicht ook op een andere manier is gedrogeerd. Anja herinnert zich af en toe momenten en dit beangstigt haar. Het gevaar van prostitutie was reëel. Anja zegt dat ze het afgelopen halfjaar geen middelen meer heeft gebruikt. …”

Groepsverslag ‘Amazones 2’ over de periode van 23-09-1999 t/m 16-12-1999:
“…Wij adviseren dan ook een voortzetting van de behandeling in het huidige gesloten kader met inachtneming van de punten in het behandelplan.”

2000

Karel Kammerman, de gezinsvoogd, schrijft op 22 februari 2000 in het hulpverleningsplan:
“Hulpvraag ouders. (t.m. heden)
Onze dochter heeft op dit moment een gesloten plaats nodig. Echter wij zijn de mening toegedaan, dat er sprake is van onvoldoende behandeling van onze dochter. Wij dringen zeer aan op intensivering van de behandeling.
Hiervoor hebben wij inmiddels ook actie ondernomen via de bestaande klachtencommissie bij zowel Alexandra als bij de gezinsvoogdij instelling.

Mening van de gezinsvoogd
… Zo zijn er mogelijkheden om vanuit het gesloten verblijven en behandeld worden, bij voldoende groei, te vervolgen met een besloten verblijf, een open verblijf en een vorm van zelfstandig wonen met begeleiding. Dat is de inzet.

Contactfrequentie
…Met de ouders zal de komend tijd een gesprek moeten plaatsvinden om het contact te herijken. Tot voor kort was er regelmatig contact met een wederzijds karakter. De houding van de ouders jegens de gezinsvoogdij-instelling (formeel gebruik gemaakt van de klachten commissie) hebben dat contact doen onderbreken. Ik spreek de wens uit in overleg met elkaar te blijven. ..”

Beslissing d.d. 15 februari 2000 Commissie van Toezicht bij het Jongerenhuis Harreveld op door de ouders ingediende klachten.

“De instelling heeft ten onrechte geweigerd een kopie van het behandelplan aan de ouders te geven. Het is de commissie niet gebleken dat door de instelling aan de (16-jarige jeugdige toestemming is gevraagd voor afgifte van het definitieve behandelplan aan de ouders. …

De commissie acht deze klachten in zoverre wel gegrond dat de ouders niet in de gelegenheid zijn geweest het concept van het voorlopige behandelplan voor en tijdens de ouderbespreking in te zien en zich op die wijze goed voor te bereiden op de ouderbespreking. De commissie adviseert de directie een beleid te ontwikkelen dat inhoudt dat die inzage mogelijk is, … . De ouders hadden verder naar het oordeel van de commissie de gelegenheid moeten krijgen hun eigen inzichten over de inhoud van het behandelplan in het definitieve behandelplan te doen vermelden. … De commissie adviseert de directie de ouders daartoe alsnog de gelegenheid te geven.

Tenslotte merkt de commissie op dat het ter zitting naar voren gekomen bezwaar van de ouders dat in het voorlopige en definitieve behandelplan niet steeds (duidelijk) is aangegeven welke gegevens afkomstig zijn van derden en welke door de opstellers van het rapport zelf zijn geconstateerd, haar juist voorkomt.”

Beslissing College van Advies voor de Justitiële Kinderbescherming d.d. 21 april 2000 op het beroepschrift van de ouders:
o “Nu de klachtencommissie uit de commissie van toezicht conform het in de inrichting vigerende rechtspositiereglement, dat dus niet in overeenstemming is met artikel 47, tweede lid, WJH, …
o Vast is komen te staan dat de inrichting de ouders heeft geweigerd het PAR-rapport in te zien, dan wel een afschrift ervan te verstrekken. Gebleken is dat het voor klaagsters opname opgemaakte PAR-rapport deel uitmaakt van haar dossier en mede ten grondslag heeft gelegen aan de opstelling van het (voorlopig) behandelplan. Op grond van het vorenstaande is de beroepscommissie van oordeel dat de … weigering in strijd is met het in hoofdstuk VIII van de WJH bepaalde, waarbij zij ervan uitgaat dat klaagster toestemt in inzage in het PAR-rapport door/het verstrekken van een afschrift van het PAR-rapport aan haar ouders.
o Aannemelijk geworden is dat de ouders door de inrichting niet zijn betrokken bij de totstandkoming van het voorlopig behandelplan en dat zij na de opstelling ervan zijn uitgenodigd tot bespreking ervan, zonder dat zij tevoren waren geïnformeerd over de inhoud van het plan en zij tijdens de bespreking erover konden beschikken Gebleken is dat voor de visie van de ouders en het overige door de ouders ingebrachte geen enkele plaats is ingeruimd in het (voorlopig) behandelplan en dat zij zich niet kunnen verenigen met de behandeldoelen. …
o Voorts is gebleken dat in het plan een aantal beweringen als feitelijkheden is opgenomen zonder de bronnen ervan te vermelden en deze te waarderen.

Een en ander leidt ertoe dat naar het oordeel van de beroepscommissie het (voorlopig) behandelplan onvoldoende zorgvuldig en in strijd met artikel 35 van het Besluit tot stand is gekomen. … De beroepscommissie zal bepalen dat de directeur met inachtneming van het vorenstaande dient over te gaan tot het vaststellen van een behandelplan voor klaagster.”

De beroepscommissie bestond uit mr J.A.C. Bartels, mr. Dr. A.J. van Montfoort en mr. F.G.A. ten Siethoff.

De huisarts van de ouders van Anja schrijft aan de vader op 24 mei 2000:
“Ivm de problematiek rondom de uithuisplaatsing van uw dochter klopt het dat ik ivm deze problemen op 27 / 03 / 98 voor het eerst hierover met u heb gesproken.
Ik heb u toen oa geadviseerd ivm uw werk in hoogspanningsmasten, de spanningen en de door mij voorgeschreven medicatie naar de ARBO-arts te gaan.”

De Arbo-arts schrijft op dezelfde datum:
“Bij deze verklaar ik dat, voor een belangrijk deel veroorzaakt door de situatie rond zijn dochter, de heer J.F.C. van Brussel, geb. 23-5-1958, de afgelopen jaren vaak en ook langdurig zijn eigen werk niet heeft kunnen doen.”

Op 24 juli 2000 beslist de Commissie van Toezicht bij Jongerenhuis Harreveld op nieuwe klachten:
“De commissie van toezicht doet de aanbeveling dat dit conceptbehandelplan voor 31 juli 2000 door de ouders ontvangen dient te zijn. …
Met betrekking tot de resterende onderdelen van de klacht is de commissie van oordeel dat de inrichting met inachtneming van de beslissing van de commissie van toezicht d.d. 14 februari 2000 en van het beroepscollege d.d. 21 april 2000 uitvoering dient te geven aan de gegrond verklaarde klachten.

8 september 2000 schrijft N. van der Velde, “gezinsvoogdijwerker” aan de ouders:
“Ik betreur het ten zeerste dat u met mij, door voor mij onduidelijke redenen, geen contact wilt. … Door uw houding en opstelling van het geen contact meer te willen, voel ik mij niet langer genoodzaakt om u te informeren betreffende de ontwikkelingen en voortgang van uw dochter Anja. Ook al betreur ik deze situatie ten zeerste, maar ik kan niet anders. …”

2001

13 februari 2001 (op 15 juli wordt zij dus meerderjarig) komt er een “Vervolg gezinsvoogdijplan”:
“Anja zit nu ongeveer 1 ½ jaar in de gesloten opvang van Alexandra. Zij is nu zover dat zij kan doorstromen naar kamertraining en daar opvolgend begeleid wonen. … Ouders hebben alle banden met hun dochter verbroken.
Ook willen zij geen contact meer met de hulpverlening in het kader van de ondertoezicht- stelling. Hier heeft Anja veel last van, nu ook, mogelijk onder dwang, haar zus heeft laten weten geen contact meer te willen.

Akkoord namens hulpplanteam A.M. Janssen”



Het IVRK: Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
Uit de Preambule:
… Ervan overtuigd dat aan het gezin, als de kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap volledig kan dragen.

Erkennende dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezin, in een sfeer van geluk, liefde en begrip,

Overwegende dat het kind volledig dient te worden voorbereid op het leiden van een zelfstandig leven in de samenleving en dient te worden opgevoed in de geest van de in het Handvest der Verenigde Naties verkondigde idealen, en in het bijzonder in de geest van vrede, waardigheid, verdraagzaamheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit,

Enz.

In deze kleine letter wordt geciteerd uit het proefschrift van S.L. Detrick:
S.L. Detrick; A Commentary on the United Nations Convention on the Rights of the Child; proefschrift 1999, ISBN 90 4111 229 4, Nederlandse samenvatting, pag. 791 – 809.
“Algemene inleiding

Het Verdrag inzake de rechten van het kind werd aanvaard door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) op 20 November 1989. Het trad in werking op 2 september 1990. In vergelijking met andere mensenrechtenverdragen aanvaard binnen het kader van de VN is het Verdrag vrij snel in werking getreden. Hiertoe waren twintig bekrachtigingen of toetredingen vereist (artikel 49). Bovendien waren per 1 juli 1997 al 191 Staten partij geworden bij het Verdrag. Alleen Somalië en de Verenigde Staten waren nog geen partij.

Het Verdrag inzake de rechten van het kind is derhalve het eerste VN mensenrechtenverdrag waarbij bijna alle landen ter wereld partij zijn. …

Artikel 3 – Het belang van het kind

1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

Artikel 3 lid 2 verplicht de Staten die partij zijn om het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn. Op grond van artikel 3 lid 3 moeten de Staten die partij zijn er zorg voor dragen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen ook daadwerkelijk voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht. …

Artikel 5 – De rol van ouders

De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind. …

Artikel 5 is voor de uitleg en tenuitvoerlegging van het gehele Verdrag van belang.

Het behelst de principe dat de Staten die partij zijn de verantwoordelijkheid moeten respecteren van ouders …die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind om het kind te leiden en begeleiden bij de uitoefening door het kind van de in het Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind. …

Artikel 9 – Scheiding van het kind van de ouders

De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.
In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.
De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.
Indien een dergelijke scheiding voortvloeit uit een maatregel genomen door een Staat die partij is, zoals de inhechtenisneming, gevangenneming, verbanning, deportatie, of uit een maatregel het overlijden ten gevolge hebbend (met inbegrip van overlijden, door welke oorzaak ook, terwijl de betrokkene door de Staat in bewaring wordt gehouden) van een ouder of beide ouders of van het kind, verstrekt de Staat, op verzoek, aan de ouders, aan het kind of, indien van toepassing, aan een ander familielid van het kind de noodzakelijke inlichtingen over waar het afwezige lid van het gezin zich bevindt of waar de afwezige leden van het gezin zich bevinden, tenzij het verstrekken van die inlichtingen het welzijn van het kind zou schaden. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijk verzoek op zich geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene(n).

Artikel 9 lid 1 bevat het voorschrift dat een kind niet van zijn of haar ouder(s) gescheiden mag worden tegen hun wil, tenzij scheiding NOODZAKELIJK is in het belang van het kind (…), bijvoorbeeld bij bedreiging met zedelijke of lichamelijke ondergang en bij misbruik of verwaarlozing van een kind door de ouders, … .Zo’n maatregel mag alleen door de daartoe bevoegde autoriteiten genomen worden als het NOODZAKELIJK is in het belang van het kind (…); onder voorbehoud van rechterlijke toetsing; … .

Artikel 18 – Verantwoordelijkheid van ouders

In artikel 18 lid 1 is vastgelegd dat ouders … de eerste verantwoordelijkheid hebben voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Volgens …is hiermee bedoeld aan te geven dat de Staten die partij zijn ouders moeten beschermen tegen te zwaar ingrijpen door de Staat … . Het tweede lid van artikel 18 verplicht de Staten die partij zijn passende bijstand aan ouders en wettige voogden te verlenen bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden die de opvoeding van het kind betreffen … .

Artikel 19 – Kindermishandeling

Artikel 19 lid 1 verplicht de Staten die partij zijn alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied te nemen om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.

Artikel 25 – Periodieke toetsing van uithuisplaatsing

De Staten die partij zijn, erkennen het recht van een kind dat door de bevoegde autoriteiten uit huis is geplaatst ter verzorging, bescherming of behandeling in verband met zijn of haar lichamelijke of geestelijke gezondheid, op een periodieke evaluatie van de behandeling die het kind krijgt en van alle andere omstandigheden die verband houden met zijn of haar plaatsing.

Het recht beschreven in artikel 25 is van toepassing op een kind dat door de bevoegde autoriteiten uit huis is geplaatst ter verzorging, bescherming of behandeling in verband met zijn of haar lichamelijke of geestelijke gezondheid. Zo’n kind heeft het recht op een periodieke evaluatie van de behandeling die hij of zij krijgt en van alle andere omstandigheden die verband houden met zijn of haar plaatsing. …

Artikel 33 – Bescherming tegen drugs

Artikel 33 legt de Staten die partij zijn de verplichting op alle passende maatregelen, met inbegrip van wettelijke, bestuurlijke en sociale maatregelen en maatregelen op onderwijsterrein, te nemen om kinderen te beschermen tegen het illegale gebruik van verdovende middelen en psychotrope stoffen zoals omschreven in de desbetreffende internationale verdragen. …”



Dat Nederland tekort schiet, is duidelijk. Zondigt Nederland met dit soort uithuisplaatsingen wellicht ook nog tegen artikel 36 van het Verdrag?

Artikel 36 – Andere vormen van exploitatie.

Artikelen 32 tot en met 35 hebben betrekking op specifieke vormen van exploitatie van kinderen. Artikel 36 legt de Staten die partij zijn de verplichting op het kind te beschermen tegen alle andere vormen van exploitatie die schadelijk zijn voor enig aspect van het welzijn van het kind. (pag. 810)

E.S.P. Oudejans zei als directeur van st. Jeugd en Gezin Noord-Holland op de themadag in de VU ‘Hulpverlenen of straffen?’ in oktober 1998:
“Wij leven met de werkelijkheid dat veel jeugdigen om economische redenen uit huis worden geplaatst omdat we nu eenmaal geacht worden iets te doen.”

Idem; Een reus moet leren bukken, leiding geven aan gezinnen als jeugdbeschermingsmethodiek; 2002,
ISBN 90 6665 451 1, pag. 149:
“En dan kunnen er ook nog institutionele belangen een rol spelen, want instituties hebben nu eenmaal voldoende kinderen nodig om hun diensten in stand te kunnen houden.”

En Oudejans wist waar hij het over had, want in het werkplan van st. Jeugd en Gezin Noord-Holland voor het jaar 2003 schreef hij op pag. 27/28: “De kwaliteitsontwikkeling komt geleidelijk onder druk te staan door een trendmatige terugloop van het aantal OTS-pupillen en de daarmee samenhangende afkalving van het materiële draagvlak van de instelling. Deze terugloop is een gevolg van een combinatie van factoren. De toestroom is afgenomen sinds de Raad voor de Kinderbescherming met haar screeningsfunctie in het voorportaal van de regionale bureaus jeugdzorg is gepositioneerd. Niet zelden wordt geen gevolg gegeven aan het advies van de kant van de vrijwillige jeugdhulpverlening in de bureaus jeugdzorg, maatregelonderzoek te starten. Er bestaat weinig inzicht in de basis voor dit beleid van de Raad voor de Kinderbescherming. Daarnaast zijn rechters tegenwoordig aanzienlijk terughoudender met het verlengen van maatregelen. Derhalve vindt van twee kanten druk op het aantal pupillen plaats. Zowel van de kant van de vrijwillige jeugdzorg als van de kant van de uitvoerende (gezins)voogden die tot raadsbemoeienis c/q maatregelverlenging adviseren, worden vraagtekens gezet bij de juistheid van het beleid van zowel Raad voor de Kinderbescherming als rechters aangezien de kans groot is dat cliënten die wel degelijk de ondersteuning van een jeugdbeschermingsmaatregel behoeven, tussen wal en schip terechtkomen. Het is zeer moeilijk de keten van de jeugdzorg gesloten te houden indien belangrijke spelers op dit terrein steeds weer gaten laten vallen. Overleg daarover met rechters is moeilijk, zo niet onmogelijk gezien hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Gericht overleg met de Raad voor de Kinderbescherming vanuit het komende Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, moet worden overwogen.”



V Correspondentie met de genoemde functionarissen
Aan de heer X Leraar aan het Agrarisch Opleidings Centrum (AOC) Vestiging Princentuin Postbus9251 4801 LG Breda

Betreft: dossier …..

Haarlem, 27 december 2002


Geachte Heer,

Uit de documenten die wij van mw. ….. hebben ontvangen, hebben wij een dossier samengesteld, waarvan wij u de eerste 11 pagina’s toezenden. Op het blad achter de titelpagina kunt u lezen wat er de bedoeling van is.

U komt ter sprake op pag. 8, 9 en 11.

Wilt u ons uw eventuele commentaar doen toekomen voor 1 februari 2003, zodat wij de tekst kunnen aanpassen dan wel uw commentaar kunnen toevoegen?

Hoogachtend,


In kopie aan de heer Y, directeur van het AOC



Vergelijkbare brieven als aan leraar X zijn verstuurd aan:

De heer Y

Directeur van het Agrarisch Opleidings Centrum (AOC)
Vestiging Princentuin
Postbus 9251
4801 LG Breda

------------------------------

Mw. P. Vlaminckx
Stichting Jeugdzorg West-Brabant
Emmastraat 12
4811 AG Breda

De envelop komt terug met daarop geschreven: verhuisd; de post wordt daarna gestuurd naar
Erasmusweg 34
4834 AA Breda

----------------------------

De Directie van stichting Jeugdzorg West-Brabant
Erasmusweg 34
4834 AA Breda

----------------------------------

De heer J.B.A.M. Schipper
Raadsonderzoeker Raad voor de Kinderbescherming vestiging Breda

---------------

De heer P.S. van Gennip
Praktijkleider bij de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Breda

------------------------

De heer D. Venetiaan
Praktijkleider bij de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Breda

-------------------

De heer mr. J.B.E.M. van Gent
Directeur ressort zuid van de Raad voor de Kinderbescherming
Postbus 2355
5600 CJ Eindhoven



De Locatiemanager van de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Breda
Allen: Meerten Verhoffstraat 18
4811 AS Breda


Aan de heer G.C.M. Heijnen, Vestigingsmanager Breda van de Raad voor de Kinderbescherming

Haarlem, 2 april 2003

Geachte Heer,

Tot heden heb ik van u geen reactie ontvangen (zie uw brief d.d. 13 januari 2003) op het dossier ‘Anja van Brussel’. Mocht deze reactie nog volgen, dan zullen wij hem toevoegen.

Inmiddels zend ik u het dossier

Hoogachtend,

------------------------------------

Aan de Weledelgestrenge Heer Mr. J.B.E.M. van Gent, Raad voor de Kinderbescherming Directie Zuid

Haarlem, 9 april 2003

Geachte Heer,

Tot heden hebben wij geen reactie van de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Breda ontvangen. Wellicht wilt u pogen e.e.a. te bespoedigen?

Met vriendelijke groet,



Aan de heer G.C.M. Heijnen, Manager vestiging Breda van de Raad voor de Kinderbescherming

Haarlem, 21 september 2003

Geachte heer Heijnen,

Uw brief van 8 juli hebben wij in goede orde ontvangen. U eindigt deze brief met de woorden: “… en nodig u van harte uit, mocht u daartoe de behoefte voelen, op dit schrijven te reageren.” Ik zal dan ook puntsgewijs op uw brief reageren, al liet de behoefte daaraan zich door de hoge temperaturen deze zomer pas na weken voelen!

‘Pagina 1:
De laatste alinea van de bladzijde 1 luidt als volgt: “de combinatie van onvoldoende opleiding (samen met onvoldoende levenservaring) en gebrek aan vertrouwen in anderen (…) is misschien de verklaring voor vele rampen, veroorzaakt door de Raad voor de Kinderbescherming”.’

Ik nodig u uit deze alinea nog eens te lezen. Er staat: “veroorzaakt door kinderbescherming”. Onze bedoeling met de term “kinderbescherming” is het geheel:

vrijwillige hulpverlening, raad voor de kinderbescherming, uitvoerders van maatregelen van kinderbescherming.

‘Pag. 3.4:
… Natuurlijk kan het wel zo zijn dat op het moment dat er voorlichting gegeven is, deze niet voldoende is gehoord en dat dit door de medewerkers van de Raad niet voldoende is nagevraagd. De conclusie van valse voorlichting en gebrek aan correcte voorlichting gaat mij daarmee iets te ver.’

Wij zijn een groot voorstander van schriftelijke voorlichting, in combinatie met mondelinge voorlichting. Als mensen voorlichting ook op schrift hebben, kunnen zij, mocht gegeven voorlichting inderdaad niet voldoende zijn gehoord, op een later tijdstip deze voorlichting alsnog “horen”.

Kinderen – Ouders-– Grootouders zal graag eventueel nieuw te ontwikkelen materiaal kritisch lezen met het oog op volledigheid en begrijpelijkheid voor buitenstaanders.

‘Pag. 3.5:
In punt 5 verwijt u de Raad voor de Kinderbescherming gebrek aan onafhankelijkheid. Ik neem daarbij aan dat u daarmee bedoelt dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doet naar aanleiding van een melding, …’

Dat is niet de bedoeling geweest van “gebrek aan onafhankelijkheid”.

Ons verwijt betreft de omstandigheid, dat de Raad voor de Kinderbescherming nu juist geen eigen onderzoek heeft gedaan.

‘Pag. 3.6:
ü Het P.A.R. kan niet aantonen dat de bij de rechter aangevoerde gronden voor OTS met UHP nooit bestaan hebben.’

De reden voor OTS met UHP waren de woorden van de dochter. Tijdens het PAR-onderzoek heeft zij deze woorden teruggenomen.

* ‘Ook als het P.A.R.-onderzoek de conclusie zou opleveren dat de beweringen c.q. gedragspatronen van een cliënt niet overeenkomen met de situatie, dan nog dient geconcludeerd te worden dat er “iets” aan de hand is met een kind.’

U bedoelt hier toch niet dat alle kinderen met wie “iets” aan de hand is, uit huis geplaatst moeten worden of blijven? Wij zien een nadere, andere, uitleg graag tegemoet.

* ‘…op het moment dat wij een melding krijgen waarin een kind beweringen doet over de thuissituatie, zullen deze beweringen in eerste instantie te allen tijde serieus genomen worden. Daarna zal ons onderzoek moeten uitwijzen of deze beweringen kloppen en zoniet waardoor deze beweringen veroorzaakt zouden kunnen worden.’

Ons bezwaar is, dat het bovenstaande een ideale (normale?) situatie weergeeft.

In de praktijk echter is geen sprake geweest van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Het opschrift ‘onderzoek’ maakt van een stuk nog geen verslag van een onderzoek.

‘Pag. 8:
De Raad voor de Kinderbescherming beschermt, …, kinderen. Deze bescherming is nooit gericht tegen iets, maar altijd voor iets … .’

Bescherming, alle bescherming, is TEGEN. ‘Bescherming tegen’ heeft een positief doel. Bescherming TEGEN tuberculose is bedoeld VOOR gezondheid, maar is geen bescherming voor gezondheid, maar bescherming tegen tuberculose. De Raad voor de Kinderbescherming beschermt kinderen tegen hun ouders, tegen hun gezinssituatie.

‘Pag. 10: laatste alinea’
U legt een verschil uit tussen een voorlopige ondertoezichtstelling en een ondertoezichtstelling. Wij hebben geschreven, dat de ouders van Anja de indruk hadden “dat een VOTS zal opleveren dat er iemand aangesteld wordt die zijn gezag gaat aanwenden om de ouders te steunen.”

Als deze ouders hadden geweten wat een OTS, ook een VOTS, inhoudt, waren zij niet akkoord gegaan.

Wij verwijzen naar onze opmerking over schriftelijk informatiemateriaal hierboven.

‘Pag. 11: 3de en 4de alinea
Gezien het gegeven dat de informatie die de heer D. Venetiaan (praktijkleider van de Raad) had, aangaf dat beide ouders het eens waren met de ondertoezichtstelling heeft de heer Venetiaan in alle oprechtheid de ouders duidelijk gemaakt dat de zitting een formaliteit was. Deze uitspraak was gebaseerd op de informatie dat beide ouders het eens waren met de maatregel.’

Op dit punt hebben wij een fout gemaakt. Het is inderdaad mogelijk dat de heer Venetiaan op grond van de aantekeningen in het contactjournaal en de bespreking op 29 april met de heer Schipper in de veronderstelling was, dat de ouders het eens waren met ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en wisten wat dat inhield.

De heer Venetiaan zal een excuusbrief ontvangen. De tekst wordt aangepast.

Kinderen-Ouders-Grootouders is een voorstander van door gesprekspartners geparafeerde aantekeningen in het contactjournaal. Hierdoor worden ook nietes-welles-klachtprocedures voorkomen.

· ‘Pag. 11 laatste alinea

Ten aanzien van het bezoek van de heer Schipper bij de beide ouders thuis, heb ik geen enkele reden om te veronderstellen dat de heer Schipper daar niet is geweest c.q. de feiten verdraait.’

Wij zien die reden wel, namelijk de mededeling van de ouders dat er nooit enige raadsmedewerker bij hen thuis geweest is, en dat de heer Schipper in een telefonisch onderhoud met hen ook toegegeven heeft dat hij niet bij hen thuis was geweest.

Na enig gezoek in papieren zou hij gezegd hebben dat hij bij de grootouders thuis was geweest (waar Anja tot 24 april verbleef).

Wilt u de heer Schipper toestemming vragen om ons zijn reactie op het dossier door te sturen?

Voorts schrijft u op pag. 4 van uw brief: “Dit noopt ertoe mij af te vragen hoe het kan dat gaandeweg een onderzoek en het vervolg daarop er blijkbaar zo weinig signalen ontvangen zijn dat de situatie op geen enkele wijze duidelijk was voor de ouders.

… blijft het gegeven van een niet heldere en duidelijke communicatie overeind.

Ik heb gezien de kennis en ervaring van de beide raadsmedewerkers geen enkele reden om aan hun integriteit en deskundigheid te twijfelen.

Aan de andere kant heb ik ook geen reden om te twijfelen aan de lezing c.q. de beleving van de ouders zoals die is weergegeven in het dossier. Daarmee lijkt de enige juiste conclusie dat er indertijd sprake was van een niet synchroon lopen van de communicatie. De signalen die de ouders daarover wel of niet hebben afgegeven zijn in ieder geval niet door de raadsmedewerkers opgepakt en gesignaleerd als onduidelijkheden voor de ouders.

Hoe het ook zij dit blijft een achteraf-conclusie. Achteraf concluderen heeft enkel waarde om ervan te leren maar kan de eenmaal gemaakte fouten c.q. vermeende fouten niet wegnemen.

Dit levert voor mij de schrale conclusie op dat hoewel de Raad voor de Kinderbescherming de afgelopen jaren veel heeft geïnvesteerd in opleiding en andere vormen van deskundigheidsbevordering, deze opleiding en deskundigheidsbevordering zal moeten blijven voortbestaan ten einde dit soort situaties volledig tegen te gaan, in ieder geval tot een minimum te beperken.”

Kinderen - Ouders - Grootouders is graag bereid een bijdrage te leveren aan scholing en bijscholing van raadsmedewerkers. Op uw verzoek zullen wij u een korte inhoud sturen van ons aanbod.

Hoogachtend,

---------------------------------

Aan de heer D. Venetiaan, Praktijkleider bij de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Breda

Haarlem, 21 september 2003

Geachte Heer,

Met deze brief bied ik u n.a.v. een brief van de heer Heijnen d.d. 8 juli 2003 mijn verontschuldigingen aan voor formuleringen u betreffende in het dossier Anja van Brussel.

Het is, zoals de heer Heijnen schrijft, mogelijk dat u op grond van de aantekeningen in het contactjournaal van de heer Schipper en uw overleg met hem op 29 april 1998 in de veronderstelling was dat de ouders het eens waren met ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en begrepen wat dit inhield.

In dat geval is “De ouders gaan pas later begrijpen wat voor geweldige loer Venetiaan ze gedraaid heeft” en “Zo hebben Schipper en Venetiaan in eendrachtige samenwerking de familie Van Brussel zonder verzet de OTS met UHP ingelokt. Venetiaan licht ze vals voor op de dag van de zitting, …” volstrekt misplaatst.

Wij zullen de tekst aanpassen en er in ieder geval voor zorgen dat iedereen die een vorige tekst heeft ontvangen de nieuwe versie krijgt.

Hoogachtend,

-------------------------

De heer C. Stoof
Unitleider bij stichting Jeugdzorg Noord-Brabant

-------------------------

De Directie van stichting Jeugdzorg Noord-Brabant

--------------------------

De heer K. Kammerman
Gezinsvoogd bij stichting Jeugdzorg Noord-Brabant
Allen: Zuid-Oostsingel 45
4611 BC Bergen op Zoom



Aan de heer X, AOC Breda vmbo

Haarlem, 2 februari 2003

Geachte Heer,

Op 1 februari ontving ik uw op 7 januari gedateerde en door de school op 28 januari afgestempelde brief, vandaar deze late reactie.

Ik zal uw brief van 7 januari en dit antwoord toevoegen, beide ontdaan van uw naam.
Ook zal ik in het dossier ‘verschrikkelijk’ weglaten, en uw naam.
Uw suggestie: voeg een lijst met afkortingen toe, zal ik volgen.
Verder heb ik het volgende veranderd:
* I onder 2 is veranderd in: ‘een leraar op school die samen met een maatschappelijk werkster een heuse ontvoering organiseerde,’
* II 2e pag. 4e alinea wordt: ‘De ouders vragen deze leraar waar hun dochter nu is. Hij is in een positie waarin hij niets kan en wil zeggen, zoals hijzelf dat januari 2003 geformuleerd heeft. Later komen John en Ilona erachter dat Anja de vorige dag in gesprek is geweest met de heer X, leraar-vertrouwenspersoon, zoals die functie genoemd wordt. En dat was niet de eerste keer. Precies die vorige dag zijn de ouders ook op school geweest i.v.m. het pesten. Er is met geen woord tegen ze gerept over mishandeling of ander kwalijk gedrag van hen als ouders, er is alleen over het gedrag van Anja gepraat. Nooit heeft iemand van de school één piep gegeven.
* III 1e pag. 7e alinea wordt: ‘De ouders komen erachter dat X weet waar Anja is, maar het niet wil vertellen, “waarmee hij zich bedient van de wettelijk geregelde geheimhoudingsplicht van een vertrouwenspersoon in het onderwijs”, zoals hij in januari 2003 heeft toegevoegd. Zij bellen naar het kantoor van mw Vlaminckx die afwezig heet te zijn, maar worden teruggebeld met de mededeling dat Anja bij haar grootouders is.
Later horen zij dat niet alleen X en Vlaminckx, maar zelfs het opvanggezin wist waar Anja heen was. Ook horen zij dat de grootouders wisten wat het adres van het opvanggezin was. Twee zaken die de ouders niet mochten weten.’

Onderaan pag. 1 van uw brief schrijft u: “die … te werk ging volgens de toen geldende mores: geloof eerst het kind, geef door wat je hoort aan instanties die een verdere afhandeling van de zaak op zich nemen”.
Uw directeur bevestigt dit in zijn brief van 28 januari: “Ik hecht er waarde aan u te melden dat deze collega steeds in alle eer en geweten en conform het schoolbeleid heeft gehandeld. De schooldirectie staat volledig achter deze collega.”
Waarschijnlijk zijn dus de toen geldende mores ook de nu nog geldende mores.

Dit dossier is mede bedoeld om te laten zien waar die mores toe kunnen leiden, wanneer er één zwakke schakel in de keten is. Beweringen worden allengs feiten, met alle gevolgen van dien.
Wanneer het dossier voltooid is, zal ik u een volledig exemplaar toesturen.
Hoogachtend,

In kopie aan de directeur van AOC Breda vmbo



Aan de heer Y, Directeur van AOC Breda vmbo

Haarlem, 6 februari 2003

Geachte Heer,

Uw brief d.d. 28 januari 2003 heb ik in goede orde ontvangen.

Uw vragen:
1) Landelijke Ouderorganisatie Kinderen - Ouders – Grootouders stelt een dossier samen, dat bij voldoende belangstelling de vorm van een boekje zal krijgen.
2) Ik ben niet op de hoogte van tijdstip en plaats van gesprekken en van de bij de gesprekken aanwezige personen, noch van de eventuele afspraken die in die gesprekken zijn vastgelegd.

Ik zal de namen van de bij uw school betrokken functionarissen weglaten.

Hoogachtend,



Na ontvangst van de brief van de Directeur Inhoudelijk Beleid van Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant d.d. 27 januari 2003 (blijkens deze brief m.i.v. 1 januari 2003 de rechtsopvolger van stichting Jeugdzorg Noord-Brabant) op 6 februari gezonden aan zijn vermoedelijke huisadres met het verzoek voor 1 maart 2003 te reageren.

------------------------------

Aan de heer K. Kammerman, Voormalig gezinsvoogd bij Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant

Haarlem, 6 februari 2003

Geachte heer,

In een brief d.d. 27 januari heb ik van mevrouw Drs M. Koning, directie Inhoudelijk Beleid van Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant te Eindhoven, “sinds 1 januari 2003 rechtsopvolger van Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant”, vernomen dat het aan u gerichte dossier niet doorgestuurd is “vanwege onbekendheid met zijn huidige adres.”

Ik stuur u daarom nogmaals de post die ik u op 27 december gestuurd had, met het verzoek uiterlijk 1 maart te reageren.

Hoogachtend,



Aan de weledelgeleerde vrouwe drs M. Koning, Directeur van St. Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant en ......

Haarlem, 1 mei 2003

Geachte Mevrouw,

Uw brief d.d. 27 januari 2003 hebben wij in goede orde ontvangen. Het verheugt ons, dat u zorgvuldig omgaat met privacy-gevoelige gegevens. Wij verzoeken u dan ook, uw commentaar op het dossier ‘Anja van Brussel’ namens alle ontvangers van dit dossier te zenden aan mw. …

Hoogachtend,

----------------------------------------

Aan de Inspecteur Jeugdhulpverlening / Jeugdbescherming Zuid

Haarlem, 28 november 2003

Geachte Heer/Mevrouw,

In deze envelop vindt u toelichting op de statuten van KOG en een exemplaar van het door KOG samengestelde dossier Anja van Brussel.

Heel verontrustend vinden wij de reactie van de directeur van st. Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant. Wij vrezen dat van haar niet veel initiatief tot evaluatie van de eigen organisatie te verwachten is.

Met vriendelijke groet,

---------------------------------------

Aan de weledelgeleerde vrouwe drs J.F. de Vries, Hoofdinspecteur Jeugdhulpverlening / Jeugdbescherming

Haarlem, 28 november 2003

Geachte Mevrouw,

In deze envelop vindt u toelichting op de statuten van Kinderen - Ouders – Grootouders en een exemplaar van het dossier Anja van Brussel dat KOG heeft samengesteld.

De reactie van stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant maakt ons zeer ongerust over de bereidheid kritisch te kijken naar het functioneren van de eigen organisatie.

Hoogachtend,



Vergelijkbare brieven als aan leraar X zijn ook verstuurd aan:

Mw. drs. C.G.A.M. Tullemans
Onderzoekster bij het PAR

-------------------------

De Directie van het voormalige PAR, thans FORA
Locatie Tilburg
Beiden: Tivolistraat 24
5017 HR Tilburg

Beide enveloppen komen retour, daarna verzonden naar: FORA Maassluisstraat 256,1026 GL Amsterdam

----------------------------

Mw. G. van Roosmalen
Groepsleidster van De Brink, stichting Oosterpoort

-------------------------------

Mw. R. Rutten
Intern Trajectbegeleider van De Brink, stichting Oosterpoort



De heer C. van Extel
Maatschappelijk werker/intern trajectbegeleider van De Brink, stichting Oosterpoort

-----------------------------------

Mw. drs. M. de Keyzer
Orthopedagoge in De Brink, stichting Oosterpoort

--------------------------------

De Directie van De Oosterpoort
Allen: Boterweg 7
5213 GG ’s-Hertogenbosch

----------------------------

De Directie van Harreveld
Sector Alexandra
Postbus 7
7135 ZG Harreveld

---------------------------

Aan de Hoogedelgestrenge Heer drs R.H. Augusteijn, Lid van het College van Gedeputeerde Staten, Den Bosch

Haarlem, 28 november 2003

Geachte Heer,

In deze envelop vindt u een exemplaar van het door stichting KOG samengestelde dossier Anja van Brussel en toelichting op de statuten van KOG.

Ik vestig speciaal uw aandacht op de pagina’s 34 en 39 in kaft 1, en de pagina’s 56 en 57 in kaft 2 in het licht van artikel 4 van de Wet op de jeugdzorg.

Brabant loopt misschien wel voorop op het terrein van de jeugdzorg wat omvang en bereik betreft; als de kwaliteit en de wil tot verbetering echter achterblijven bij de kwantiteit is dit vooroplopen voor ouders en kinderen eerder een na- dan een voordeel.

Wij bevelen de ontwikkeling van instrumenten om de kwaliteit te toetsen en verbeteren dan ook van harte in uw aandacht aan. Wij zijn bereid hieraan een bijdrage te leveren wanneer ons dat gevraagd wordt.

Hoogachtend,