Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Waarom zou er nu een ots nodig zijn, aldus het Hof in Den Bosch

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – aan dat geen sprake (meer) is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De kinderen zijn eind 2014 geconfronteerd met de relatiebreuk tussen de ouders waardoor zij enige tijd uit hun normale doen zijn geweest. Zij zijn inmiddels gewend aan de huidige situatie. [minderjarige 1] heeft zich goed herpakt en heeft verbetering in de klas laten zien. Hij is overgegaan naar groep 2. Voor [minderjarige 2] heeft de vader hulp ingeschakeld van specialisten binnen het St. Anna Ziekenhuis te [plaats] . Wat betreft [minderjarige 3] waren er nauwelijks zorgen.

De vader stelt voorts, gedurende het gehele proces op eigen initiatief hulpverleners te hebben betrokken naar aanleiding van allerlei zorgen die via de GI naar voren kwamen. De kinderen hebben bij de vader de hoogste prioriteit; hij stelt open en transparant te zijn en te blijven richting alle betrokken hulverleners. De ouders werken thans in het kader van het familiegroepsplan samen met Wij [vestigingsnaam] . Het familiegroepsplan is een werkwijze van de ouders waarin zij samenwerken met hulpverlenende instanties. Het groepsplan is in ontwikkeling; daarbij worden directe familie, vrienden en buren betrokken en het staat los van een ondertoezichtstelling, zodat de huidige ondertoezichtstelling daarvoor niet gehandhaafd hoeft te worden.

De ouders gaan goed met elkaar om. Zij maken reeds maandenlang samen afspraken over de zorgregeling en de kinderen hebben regelmatig en onbelast contact met de moeder.

Subsidiair stelt de vader dat niet is gebleken dat de ouders onvoldoende hulp accepteren, dat de ingezette hulpverlening mogelijk niet passend zou zijn of dat coördinatie door de GI nodig zou zijn in een gedwongen kader. De vader stelt in staat te zijn om de benodigde hulpverlening zelf in te schakelen en te accepteren.


Het hof is echter van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de huidige situatie zo is dat de ontwikkelingsbedreigingen niet in het vrijwillige kader kunnen worden weggenomen. Het hof acht een ondertoezichtstelling op dit moment daarom niet (meer) noodzakelijk. Het hof overweegt voorts dat voldoende is gebleken dat de vader momenteel hulp accepteert; de vader heeft onbestreden gesteld dat de ouders samenwerken met Wij [vestigingsnaam] en overige hulpverlenende instanties en dat hij thans een open en transparante houding aanneemt ten opzichte van de hulpverlening.

De vader toont inzet en neemt initiatieven om de door hem gewenste – en voor de kinderen noodzakelijke – hulpverlening in te schakelen en om het familiegroepsplan van de grond te krijgen. De vader wordt hierin begeleid door Familiegroepsplan.nl.

Het hof gaat ervan uit dat de vader de noodzakelijke hulpverlening verder gestalte zal geven en zal accepteren. Indien dit niet het geval zou blijken en/of de ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen zal alsnog hulpverlening in een gedwongen kader aan de orde zijn. Voor nu is onvoldoende komen vast te staan dat de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen noodzakelijk is voor de kinderen en de ouders door de ouders niet of onvoldoende zal worden geaccepteerd.


Ga terug