Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Verlenging ots met maar 1 maand: teveel misgegaan

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

[minderjarige] , ouders en pleegouders zijn het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij hebben niets aan de jeugdbeschermer en de ondertoezichtstelling levert hen enkel frustratie op.
 

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is duidelijk geworden dat [minderjarige] , ouders en pleegouders geen ondertoezichtstelling meer willen. [minderjarige] heeft verklaard bij haar pleegouders te willen blijven wonen. Sinds januari 2018 gaat het een stuk beter met [minderjarige] . ...  [minderjarige] , ouders en pleegouders zijn bijzonder ontevreden over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Ze hebben zich door de GI in de steek gelaten gevoeld. In zeven maanden tijd hadden ze te maken met vier verschillende jeugdbeschermers. Hierdoor was er geen opbouw in het contact. Wellicht door de vele wisselingen werd ook de belofte van de ene jeugdbeschermer door de andere niet nagekomen. Alle betrokkenen hebben het gevoel zich prima te kunnen redden zonder jeugdbeschermer. De afgelopen periode hebben ze ook alles zelf moeten regelen. Het contact met de jeugdbeschermer wordt als last beschouwd. Moeder met gezag heeft bijna twee jaar geen contact gehad met de jeugdbeschermer. Ze werd van informatie over haar dochter voorzien door de pleegmoeder, maar niet door de jeugdbeschermer. Een ondertoezichtstelling heeft voor de belanghebbenden geen toegevoegde waarde.

Mr. Flokstra heeft ter zitting gesteld dat de huidige woonplek van [minderjarige] het meest geschikt voor haar is. Ze ondervindt daar geborgenheid, veiligheid en stabiliteit en wil daar blijven wonen. De ondertoezichtstelling heeft alleen maar frustratie opgeleverd. Pleegvader heeft zijn visspullen moeten verkopen ter financiering van een slaapkamerinrichting voor [minderjarige] . Volgens afspraak zou de GI die kosten voor haar rekening nemen, maar de opvolgende jeugdbeschermer wist van niets. Ouders, pleegouders en [minderjarige] hebben zich altijd meewerkend opgesteld. Er is geen reden tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Er is niet langer sprake van ontwikkelingsbedreigingen.

...

De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] volgens de belanghebbenden op de juiste plek zit. Ze wil en mag daar blijven wonen. Pleegouders en [minderjarige] hebben goed contact met de pleegzorgwerker. Dit gegeven maakt, dat [minderjarige] terug kan vallen op een aantal mensen om zich heen die zich sterk betrokken voelen bij haar wel en wee en die er te allen tijde voor haar zijn. Voor professionele hulp kan ze in ieder geval terugvallen op de pleegzorgwerker. Hoewel de jeugdbeschermer de komende periode zou willen benutten om de samenwerking te verbeteren en om de basis stabiel te krijgen, denkt de kinderrechter dat er binnen de ondertoezichtstelling de afgelopen periode teveel mis is gegaan. Er is geen basis meer voor samenwerking. Er is te weinig vertrouwen om nu nog een verbetering van de samenwerking te kunnen bewerkstelligen. De thans aanwezige basis lijkt redelijk stabiel. De kinderrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat [minderjarige] , ouders en pleegouders zich ook staande kunnen houden zonder ondertoezichtstelling. Ze hebben de afgelopen periode getoond zelf de problemen aan te pakken en op te kunnen lossen, ook zonder hulp van de jeugdbeschermer. De kinderrechter verlengt de maatregelen daarom nog voor slechts een korte periode, zodat de jeugdbeschermer de tijd heeft om het gezin over te dragen aan de wijkcoach of aan de gemeente.

De kinderrechter merkt nog op dat hetgeen hiervoor is overwogen over de situatie geen verwijt is aan het adres van de huidige jeugdbeschermer of aan de belanghebbenden. Feit is dat door teveel wisselingen in korte tijd mensen ongemotiveerd raken voor hulpverlening door een GI.

Uit voorgaande volgt dat het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nog aanwezig wordt geacht voor korte duur.

De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een maand. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding voor de duur van een maand (artikel 1:265c, tweede lid, BW).


Ga terug