Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Interessant
<< vorige pagina   
print pagina
 

Verkort artikel van Nico Mul

Interessant >>

De Jeugdwet

art. 2.1, 2.2 en 2.3 van de Jeugdwet:

  https://wetten.overheid.nl/BWBR0034925/2020-01-01

Hoofdstuk 2. Gemeente          

Artikel 2.1          

Het gemeentelijke beleid inzake preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering is gericht op:

a.het voorkomen en de vroege signalering van en vroege interventie bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

b.het versterken van het opvoedkundige klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang;

c.het bevorderen van de opvoedvaardigheden van de ouders, opdat zij in staat zijn hun verantwoordelijkheid te dragen voor de opvoeding en het opgroeien van jeugdigen;

d.het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren, waarbij voor zover mogelijk wordt uitgegaan van hun eigen inbreng;

e.het bevorderen van de veiligheid van de jeugdige in de opvoedsituatie waarin hij opgroeit;

f.integrale hulp aan de jeugdige en zijn ouders, indien sprake is van multiproblematiek, en

g.het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen, ter uitvoering van artikel 4.1.2 en indien sprake is van vroege signalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.

Artikel 2.2        

1 De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast dat richting geeft aan de door de gemeenteraad en het college te nemen beslissingen betreffende preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

2 Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende preventie, jeugdhulp, de uitvoering van de

kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en geeft daarbij in ieder geval aan:

  1. wat de gemeentelijke visie en doelstellingen zijn van dit beleid;

b.hoe dit beleid zal worden uitgevoerd in samenhang met de verantwoordelijkheid van het college inzake het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling en welke acties in de door het plan bestreken periode zullen worden ondernomen;

c.welke resultaten de gemeente in de door het plan bestreken periode wenst te behalen, hoe gemeten zal worden of deze resultaten zijn behaald en welke outcomecriteria gehanteerd worden ten aanzien van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen;

d.hoe het college uitvoering zal geven aan artikel 2.7, tweede lid, en hoe wordt gewaarborgd dat de jeugdhulpaanbieder voldoet aan de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling, gesteld bij of krachtens artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.5, eerste lid;

e.op welke wijze de gemeenteraad en het college zich hebben vergewist van de behoeften van kleine doelgroepen, en

f.hoe het college uitvoering zal geven aan het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169).

3 Het plan wordt, voor zover het de afstemming van en effectieve samenwerking met het onderwijs betreft, niet vastgesteld dan nadat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden met het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het overleg met deze

samenwerkingsverbanden vindt plaats overeenkomstig een procedure, vastgesteld door het samenwerkingsverband en het college van de gemeente of gemeenten. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen.

Artikel 2.3   

1 Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a.gezond en veilig op te groeien;

b.te groeien naar zelfstandigheid, en

c.voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

2 Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.

3 Indien een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, aangewezen is op permanent toezicht en die jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1, onder 2° of 3°, of verpleging als bedoeld bij of krachtens artikel 11 van de Zorgverzekeringswet ontvangt, treft het college indien naar zijn oordeel noodzakelijk, voorzieningen die de ouders in staat stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen.

4 Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met:

a.behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en

b.de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

5 Voor zover redelijkerwijs mogelijk, wordt de jeugdige en zijn ouders keuzevrijheid geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp.

6 Het college draagt er zorg voor dat de jeugdige in het geval van een uithuisplaatsing, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige.

Alleen al deze 3 wetsartikelen overziend vraagt men zich af: ZIEN gemeentebestuurders wel wat er gebeurt en wat de wettelijke verplichtingen zijn?
Art. 2.1

f.  Integrale hulp’: UITSTEKEND, maar waar is de diagnostiek? Als men nu eens éérst begon met onderzoek door een échte deskundige voor men begint met het inzetten van welk hulptraject dan ook.  De HBO-ers van de GI hebben géén onderzoeksbevoegdheid, die is alleen bij BIG-geregistreerde GZ- psychologen en ortopedagogen-generalisten en verder niemand op dit gebied!

Art. 2.2

lid 1:

Welke gemeenten hebben een dergelijk plan?

lid 2: sub a.en b: als er geen plan is, wat is dan het beleid?

sub. c: Vragen gemeenten dan aan de Jz-instellingen hoeveel kinderen er weer thuis geplaatst werden in een bepaald jaar?  Vragen zij bij hoeveel kinderen de jeugdzorg SUCCESVOL is afgesloten?  (Dus niet doordat een kind 18 werd of verhuisde!)

sub d.

Artikel 4.1.1. 1e en 2 lid verplichten de jeugdzorg-aanbieders en GI om samen met OUDERS een groepsplan te maken en indien dit er niet is hulp in te stellen in overleg met ouders. Er staat ook de verplichting om adequate hulp in te stellen samen met cliëntenorganisaties.  Heeft iemand ooit gehoord dat GI dit doen?

sub e.

Veel gemeenten hebben al geen plan, toch dient er geschreven te worden op welke wijze de gemeenteraad en College van B&W zich hebben vergewist van de behoeften van doelgroepen. 

sub f.

De zorg voor mensen met een handicap is ook een taak in de zin van de WMO. In die zin dienen gemeenten aan ouders met een geestelijke handicap hulp en ondersteuning in de thuissituatie te bieden, in plaats van de GI de vrijbrief te geven om deze mensen hun kinderen te ontnemen en die onder te brengen in ‘gezinshuizen’ en jeugdzorg-instellingen.


 

Art. 2.3

lid 1:

Opvallend zijn hier de woorden: ‘deskundige toeleiding naar’... Hoe kan men deskundig naar jeugdhulp leiden, zónder enige onderzoek van een deskundige, sterker nog, op aanwijzing van ‘meldingen’, ‘indrukken’ en ‘onderbuikgevoelens’, waarbij ieder deskundig onderzoek door een arts, GZ-psycholoog of orthopedagoog-generalist ONTBREEKT?  Hoe verhoudt dit zich tot art. 24 IVRK: ‘... een kind heeft recht op de hoogste mate van zorg’

lid 3:

Hier is een grote discrepantie tussen theorie (deze wet) en de praktijk: WAAROM worden als hun kinderen in jeugdhulp terecht komen ouders uitgesloten, wordt grotendeels over ouders gesproken in plaats van mét, worden kinderen sociaal geïsoleerd, contact tussen ouders en kinderen geminimaliseerd, zelfs tot 30 minuten per 3 maanden, kinderen hun telefoons ontnomen en uitgesloten van sociale media, om het contact tussen kind met ouders en familie te bemoeilijken? Ouders die klagen vinden bij gemeenten géén gehoor….

lid 4:

Ook hier weer een groot verschil tussen de wet en de praktijk:

Als gemeenten dit artikel serieus zouden nemen, dan kwamen er gewoonweg géén uit huis plaatsingen voor, juist omwille van het ontbreken van ieder wetenschappelijk bewijs van deze ‘behandeling’, en werd er alles aan gedaan om de juiste hulp in de thuissituatie te bewerkstelligen.

lid 6:

Hier valt vooral de volgende zinsnede op: ‘tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige’.

Een uithuisplaatsing dient een zeldzaamheid te zijn: zie de wetenschap, zie de schade die het aanricht op de lange duur, zie de stukken van Prof. R. Vermeire (Leiden), Prof. J. Hermanns en vele anderen.  Zie de uitspraak 306-2019 ECHR 10-09-2019 (UHP = schending mensenrecht én KINDERMISHANDELING, althans voor Noorse kinderen!). …


Ar
tikel 3.3

“De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.”

Ouders hebben vóór 2015 gepleit voor dit artikel.

In de praktijk werd het artikel echter anders gelezen dan ouders hadden verwacht.

De rechters lazen dit artikel anders: ‘De GI / kinderbescherming zegt iets, en dat is waar, dat zegt de wet’... Zodoende veranderde niets, sterker nog: de rapporten werden ‘dank zij’ dit wetsartikel automatisch waarheid…

Ouders hebben vaak geen verweer: een échte deskundige inschakelen is voor hen te duur, bewijsstukken die ouders wél vaak hebben, worden genegeerd, omdat de GI die bewijsstukken ook vaak negeren!

Vraag: waarom vergoeden gemeenten niet de kosten van een onafhankelijke GZ-psycholoog, die wél goed onderzoek doet naar opvoedvaardigheden en problematiek bij ouders en / of kinderen?  Zo’n onderzoek kost ca. 3000 €, een OTS kost de gemeente ca. 8000 € per kind per jaar.

https://richtlijnenjeugdhulp.nl/uithuisplaatsing/informatie-voor-ouders/

Weer pure theorie is als u het vergelijkt met de signalen van ouders, de Nationale Ombudsman (rapport ‘Is de zorg gegrond?‘) en de uitingen van ouders op sites als FaceBook dan wel bij ouder-organisaties.

 

Over de ‘diagnostiek’

De vergelijking met het handelen van een arts.

Als u bij een arts komt, dan begint die eerst met vragen naar uw klachten, de ‘anamnese’.  Daarna volgt het ‘onderzoek’: eerst door kijken, luisteren, dan door kloppen en voelen, naar de regel ‘Inspectie, auscultatie, percussie en palpatie’, zo begint ongeveer de eerste practicum-middag op weg naar het artsexamen. Na het onderzoek volgt een diagnose: is die volkomen duidelijk voor de arts, dan komt een advies of een recept dan wel een doorverwijzing: het is immers een plicht door te verwijzen naar een deskundiger specialist als je er zelf niet uit komt, ‘doormodderen’ is een ernstige kunstfout!

En nu ‘jeugdzorg’

Men begint bij ‘meldingen’, men gaat er van uit dat jeugdzorg onderzoek doet door verhalen en indrukken van anderen te inventariseren, men gooit dit in de groep bij bijvoorbeeld een ‘wijkteam’.  Niemand doet enig onderzoek, de deskundige GZ-psycholoog of andere echte gedragsdeskundige zit op kantoor, onderzoekt niets en spreekt geen ouders of kind… en dan heeft men een rapport, dat heel erg vaak concludeert tot ‘er moet een ondertoezichtstelling komen’ of ‘raadsonderzoek moet er komen’.  Komt dat laatste, dan volgt meestal een overschrijf-sessie: de ‘indrukken’ en ‘onderbuikgevoelens’ worden overgeschreven en heten dan een ‘raadsonderzoek’.  Ook hier blijft de gedragsdeskundige in principe op kantoor….Het ene na het andere ‘jeugdhulptraject’ wordt ingezet (het ‘doormodderen’, hetgeen bij artsen streng verboden is!). De conclusie blijft ongeveer hetzelfde: er moet een OTS komen al dan niet gevolgd met een uit huis plaatsing, wegens allerlei ‘zorgen’ die NIEMAND adequaat onderzocht heeft, althans géén deskundige waar een kind krachtens art. 24 IVRK recht op heeft… Hoe rijmt dit zich met ‘het belang van het kind?

Waarom wordt hier ALLE WETENSCHAP inzake de schadelijkheid van UHP genegeerd?

Goede ‘hulp’ dient te beginnen met GOEDE DIAGNOSTIEK door daarvoor gekwalificeerde deskundigen als GZ-psycholoog of orthopedagoog-generalist!

Certificeringseisen

Certificering van de jeugdzorg-instanties gebeurt door het Keurmerkinstituut. De richtlijn hiertoe vindt u in dit document:

https://keurmerk.nl/media/cms_page_media/89/Certificatieschema_JB-JR_v2.0.pdf

Opvallend detail: Bijna alles wordt overgelaten aan de richtlijnen van de instelling zelf. 
De organisatie zet professionals in die handelen op basis van de door de organisatie vastgestelde en gehanteerde methode(n). Wat hieraan opvalt: dus NIET door wetenschappelijke richtlijnen en er staat in het hele document géén enkele eis om te beginnen met éérst adequaat onderzoek door een BIG-geregistreerde GZ- psycholoog dan wel een orthopedagoog-generalist die wél adequaat onderzoek doen naar opvoedingsvaardigheden, risico’s in de thuissituatie en problematiek bij kind dan wel interactie ouders-kind…. Toch zijn er rapporten van die GI’s vol met allerlei ‘zorgen’ en ‘risico’s en dat zonder enig adequaat onderzoek

Over het effect van uit huis plaatsen en vooral seksueel misbruik zie het Rapport Samson.

Idee, speciaal voor GEMEENTEBESTUURDERS

Laat de ‘jeugdzorg uitvoeren door een instantie waarbij u de EISEN stelt:

  1. RESPECT voor ouders
  2. Bij ‘zorgen’ éérst onderzoek door een GZ-psycholoog of orthopedagoog-generalist, uitgevoerd volgens de regels van de beroepsgroep.
  3. Noodzakelijke zorg in het eigen gezin, aan de hand van de conclusies van het onderzoek.
  4. Bij onmogelijkheid van behandeling thuis, alleen voor behandeling kinderen naar een jeugdzorg-instelling, waarbij het contact tussen ouders en kind NIET belemmerd wordt en zo veel mogelijk contact met ouders én familie / vrienden!

Heeft u zo’n instelling gevonden dan wel zelf samengesteld, draag die dan voor voor ‘certificering’ als u dat nog noodzakelijk zou vinden!


Ga terug