Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Valse aangifte (uit wraakgevoelens wegens vermeende ontrouw) van moeder tegen vader leidde tot ondertoezichtstelling,

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
Hof Den Haag 8 mei 2013
"Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts worden verleend indien de wettelijke gronden daarvoor aanwezig zijn. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen ten tijde van het wijzen van de bestreden beschikking noodzakelijk was om de bedreigde ontwikkeling van de minderjarigen af te wenden. Die noodzaak was erin gelegen dat sprake was van een aangifte van huiselijk geweld, melding van alcohol- en drugsmisbruik en het weigeren van hulpverlening in een vrijwillig kader. Mitsdien waren er zorgen over de zeer jonge minderjarige [naam] en de toen nog ongeboren [naam]. De ondertoezichtstelling is dan ook terecht uitgesproken. De moeder volhardt in haar stelling dat zij op valse gronden aangifte jegens de vader heeft gedaan en de vader is inmiddels op 19 maart 2013 vrijgesproken ter zake het huiselijke geweld. Er is geen hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld, zodat de vrijspraak inmiddels onherroepelijk is geworden. Zowel Jeugdzorg als de raad zijn van mening dat thans sprake is van een stabiele thuissituatie waarin de minderjarigen zich goed ontwikkelen. Onder de huidige omstandigheden zijn er dan ook geen gronden aanwezig om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen nog te laten voortduren. Het feit dat de zittingsaantekeningen van de strafzitting nog niet voorhanden zijn, acht het hof daartoe onvoldoende. Gelet hierop zal het hof de ondertoezichtstelling dan ook met ingang van heden opheffen."


Ga terug