Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Uit huis plaatsing bij wie??! en rechten kind bij gesloten plaatsing

Nuttig om te weten >>

Residentiële jeugdhulp
Wet- en regelgeving
Ouders zijn hoofdverantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Maar als het in het belang van het kind noodzakelijk is, kan de overheid het kind een passend alternatief verblijf toewijzen. In het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind is een rangorde van alternatieven vastgelegd. Eerst moet gekeken worden naar familie in bredere zin, dan naar een ander gezin, pas als laatste naar residentiële plaatsing. Uit de Jeugdwet blijkt ook dat het inzetten van residentiële jeugdhulp voorbehouden is aan uiterste gevallen

Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
De verantwoordelijkheid om een kind op te voeden ligt primair bij de ouders (artikel 18 IVRK). De rol van de ouders in de opvoeding van hun kinderen dient dan ook door de staat gerespecteerd te worden (artikel 5 IVRK). Een kind heeft het recht op te groeien bij zijn ouders en mag niet tegen zijn wil van hen gescheiden worden, tenzij dit niet in het belang van het kind is (artikel 9 IVRK).

Het bieden van de juiste ondersteuning aan ouders als primair verantwoordelijken voor de verzorging en opvoeding van hun kind komt overeen met de opdracht die het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind geeft aan staten (zie artikel 3 lid 2, artikel 5 en artikel 18 IVRK). Het accent ligt nadrukkelijk op het ondersteunen van de ouders in de gezinssituatie. Pas in het uiterste geval, wanneer hiertoe noodzaak bestaat in het belang van het kind, komt de mogelijkheid van een uithuisplaatsing in beeld (artikel 9 IVRK).

Uithuisplaatsing gebeurt met een machtiging uithuisplaatsing. De gang van zaken bij gedwongen uithuisplaatsing is vastgelegd in juridische procedures om de rechten van de betrokkenen te waarborgen.

Residentiële instelling is uiterste middel
Wanneer ouders en het kind niet instemmen met een opname in een residentiële instelling kunnen bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van een rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en procedures, beslissen dat een scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind (artikel 9 lid 1 IVRK). Uit de formulering van artikel 9 IVRK volgt dat het scheiden van kinderen van hun ouders een uiterste maatregel betreft. Ook in de internationale Richtlijnen voor alternatieve zorg voor kinderen geldt dit als het basisbeginsel. Een kind kan ook met toestemming van hemzelf en/of zijn ouders in het vrijwillige kader opgenomen worden in een residentiële instelling.

Wanneer de overheid zich mengt in het gezinsleven van haar burgers en een jongere in het gedwongen kader laat opnemen in een residentiële instelling dient zij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in acht te nemen. Lid 2 van dat artikel stelt dat aan de vereisten van subsidiariteit (is inmenging noodzakelijk?) en proportionaliteit (is dit de lichtste vorm van inmenging die mogelijk is?) moet zijn voldaan.

Het gedwongen plaatsen van jongeren in een residentiële setting is een zwaar middel dat zeer terughoudend moet worden toegepast. Hieraan gaat een zorgvuldige afweging vooraf. Een kind scheiden van zijn ouders mag alleen wanneer het noodzakelijk is en in het belang van het kind.

De internationale Richtlijnen voor alternatieve zorg voor kinderen laten in relatie tot het recht van kinderen om gehoord te worden (artikel 12 IVRK) weten dat aan het besluit een kind uit huis te plaatsen een participatief proces vooraf dient te gaan, 'waarin het kind en zijn ouders zorgvuldig worden betrokken' (artikel 9 lid 1, artikel 3 lid 1 en 2, artikel 12 IVRK). Dit sluit aan bij de Q4C-Kwaliteitsstandaarden (standaarden 1, 2, 3, 5). Lees ook de Richtlijnen voor alternatieve zorg voor kinderen van de Verenigde Naties.

Gezinsvervangende zorg heeft voorkeur
Een kind dat tijdelijk of blijvend uit zijn gezin wordt gehaald, heeft recht op bijzondere bescherming en bijstand van de staat (artikel 20 IVRK). In het kader van een uithuisplaatsing dient de staat zorg te dragen voor een passend alternatief verblijf voor het kind. Hierbij moet rekening worden gehouden met de achtergrond en speciale behoeften van het kind.

Wanneer het in het belang van het kind is dat hij gescheiden moet worden van zijn ouders (artikel 9 IVRK) dan bestaat er een rangorde in de alternatieven van opvang. Zo moet eerst gekeken worden of de jongere terecht kan bij andere leden van de familie in ruimere zin (zie artikel 5 IVRK), dan of een vervangend gezin een mogelijkheid is en pas in laatste instantie, als het echt niet anders kan, een passende residentiële instelling (artikelen 23 en 24 IVKR). Deze rangorde blijkt ook uit de formulering van artikel 20 lid 3 IVRK waarin staat 'indien noodzakelijk plaatsing in geschikte instelling voor kinderzorg'.

Gezinsvervangende zorg heeft de voorkeur. Ook uit de internationale 'Richtlijnen voor alternatieve zorg voor kinderen' blijkt in artikel 21 een duidelijke voorkeur voor plaatsing in een vervangende gezinssituatie. In artikel 21 wordt gesteld dat 'het gebruik van residentiële zorg beperkt moet blijven tot gevallen waarin een dergelijke omgeving specifiek wenselijk en noodzakelijk is voor, en bijdraagt aan het betreffende individuele kind en zijn of haar belang dient'.

In artikel 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind staat dat een kind dat tijdelijk of blijvend niet in het eigen gezin kan opgroeien, recht heeft op bijzondere bescherming. De overheid zorgt voor alternatieve opvang, zoals een pleeggezin of indien nodig een kindertehuis. Dat kinderrecht is speciaal voor kinderen die niet thuis wonen bij hun moeder of vader. Ieder kind heeft het recht om in een liefdevol gezin op te groeien of in een gezinsvervangende situatie.

Artikel 25 van het IVRK stelt dat een kind dat uit huis is geplaatst voor zorg, bescherming of behandeling van zijn of haar geestelijke of lichamelijke gezondheid, recht heeft op een regelmatige evaluatie van zijn of haar behandeling en of de uithuisplaatsing nog nodig is. Tijdens de uithuisplaatsing hebben kinderen het recht om contact te hebben met hun ouders, tenminste als dat niet schadelijk voor ze is. Als er in een gezin zulke ernstige opvoedproblemen voorkomen dat de ontwikkeling wordt geschaad, dan kan de rechter een kind onder toezicht stellen. Meer informatie: Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Gesloten jeugdhulp

Voor jongeren die geplaatst worden in een instelling voor gesloten jeugdhulp geldt dat dit zeer ingrijpende middel met grote terughoudendheid moet worden ingezet. De jongere wordt (tijdelijk) gescheiden van zijn ouders en wordt in zijn vrijheid beperkt. Daarom moeten de jongeren in een gesloten jeugdhulpinstelling (in overeenstemming met onder meer de Havana Rules) weten wat zij kunnen verwachten wat betreft maatregelen die kunnen worden getroffen (bijvoorbeeld de 'time out', regel 1046) en sancties die kunnen worden opgelegd. Ook moeten zij weten waar zij met klachten terechtkunnen. Het is van groot belang dat hun rechten en plichten bekend zijn bij de jongeren zelf maar ook bij de professionals die met hen werken.

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van gesloten jeugdhulp (voorheen JeugdzorgPlus) is per 1 januari 2015 overgegaan van het Rijk naar de gemeenten. Er is voor gemeenten een 'leveringsplicht' zodra de rechter een machtiging heeft afgegeven. Gemeenten kunnen dan gesloten jeugdhulp inkopen bij hiertoe gecertificeerde instellingen.

Bronnen


Ga terug