Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

RvdK ook in hoger beroep geen ondertoezichtstelling

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
 

Raad onderbouwt het verzoek tot ondertoezichtstelling onvoldoende gelet op de reeds ingezette en geaccepteerde hulpverlening. Verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen.

5.2

Er is sprake van langdurige problematiek rondom de schoolgang van [de minderjarige] . Niet in geschil is dat [de minderjarige] daardoor zodanig opgroeit dat hij ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling.

5.3

Ter beoordeling aan het hof ligt de vraag voor of de zorg die noodzakelijk is in verband met het wegnemen van de bedreiging, voldoende wordt geaccepteerd door de moeder.

5.4

Verschillende professionele hulpverleners, die gespecialiseerd zijn in schooluitval en bovendien al langere tijd betrokken zijn bij [de minderjarige] en de moeder, hebben gezamenlijk een passend onderwijs-/zorgplan opgesteld dat specifiek op [de minderjarige] is afgestemd. In dit plan is onder meer de hulpverlening opgenomen die de hulpverleners noodzakelijk en passend achten voor [de minderjarige] .

Het hof is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende is gebleken dat de door deze professionele hulpverleners noodzakelijk geachte hulpverlening ook daadwerkelijk wordt ingezet en voldoende door de moeder wordt geaccepteerd en benut, ook zodanig dat het gewenste effect wordt bereikt. Er is sprake van een goede samenwerking tussen de moeder en de betrokken professionele hulpverleners. Ook houdt de moeder zich aan de gemaakte afspraken. Wanneer er wordt afgeweken van het gemaakte onderwijs-/zorgplan is dat omdat dit in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is en niet omdat de moeder weigert mee te werken. Verder is gebleken dat het onderwijs gegeven door [D] passend is voor [de minderjarige] , dat [de minderjarige] steeds meer schooluren volgt en dat hij zich positief ontwikkelt.

5.5

Naar het oordeel van het hof heeft de raad onvoldoende onderbouwd dat voornoemde hulpverlening niet geschikt, toereikend en/of passend is, dan wel onvoldoende door de moeder zou worden geaccepteerd en benut.

Het hof deelt niet de indruk van de raad dat slechts vanuit één visie, die van

[E] (verder te noemen: [E] ) en de moeder is bepaald welke hulp moet worden ingezet. Uit de stukken is immers naar voren gekomen dat er diverse hulpverleners en instanties betrokken zijn, zoals [F] , [D] , de leerplichtambtenaar en de leerkrachten van [de minderjarige] .

Voor zover de raad stelt dat het [G] en [H] een afwijkende mening hebben over de in te zetten noodzakelijke hulpverlening, merkt het hof op dat deze instanties, doordat zij meer op afstand staan, minder zicht hebben op de situatie dan de hulpverleners die al jaren nauw betrokken zijn bij [de minderjarige] en de moeder zodat dit geen ander oordeel rechtvaardigt.

5.6

Met betrekking tot de stelling van de raad dat een gedwongen kader noodzakelijk is, omdat er al sinds 2011 hulpverlening betrokken is bij [de minderjarige] , maar dat dit tot op heden niet heeft geleid tot een afwending van of noemenswaardige vermindering in de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , overweegt het hof, naast hetgeen hiervoor onder 5.4 al is overwogen, als volgt. De moeder heeft, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, uitgebreid, met schriftelijke stukken onderbouwd, uitgelegd wat er sinds 2011 is gebeurd. Er is eenmaal, in 2015, een stagnering in de hulpverlening geweest, maar dat was niet te wijten aan het handelen van de moeder. De oorzaak was gelegen in het feit dat de indicatie door de gemeente werd gewijzigd, waardoor de hulpverlening van [E] wegviel. Van deze hulpverlening had en heeft [de minderjarige] veel baat. Het hof stelt vast dat de moeder praktisch altijd heeft meegewerkt aan de geadviseerde en ingezette hulpverlening. Zij heeft eenmaal, in 2017, niet meegewerkt aan het advies van [H] om hulpverlening van [I] in te schakelen. Het hof acht dit echter begrijpelijk nu de onderwijsconsulent, een gespecialiseerde hulpverlener, heeft verklaard dat het door [H] beoogde hulpverleningstraject van [I] niet passend en realiseerbaar is voor [de minderjarige] .

5.7

Het hof neemt verder in aanmerking dat [de minderjarige] een zeer kwetsbare jongen is met ernstige, chronische persoonlijke problematiek, die nu juist gewend is aan de huidige situatie en vertrouwd is geraakt met de betrokken hulpverleners. Het hof acht de kans groot dat een wijziging in deze situatie, waaronder een ondertoezichtstelling, de huidige prille positieve ontwikkeling eerder zal doorbreken en een schadelijk effect zal hebben dan dat het een toegevoegde waarde zal hebben en/of de positieve ontwikkeling van [de minderjarige] zal versnellen. Dit wordt bevestigd door de - door de moeder overgelegde - verklaringen van de betrokken hulpverleners. Weliswaar gaat de ontwikkeling slechts in kleine stapjes, maar dat acht het hof in deze specifieke situatie, gelet op de problematiek van [de minderjarige] , ook het maximaal haalbare.

5.8

Voor zover de raad heeft aangevoerd dat de hulpverlening tot op heden niet of onvoldoende oog heeft gehad voor het gezinssysteem en vooral gericht is geweest op de schoolgang van [de minderjarige] , volgt het hof de raad niet in dit standpunt. Gebleken is dat de hulpverlening van [E] ook aandacht heeft voor het systeem en dat dit tijdens de gesprekken met [de minderjarige] en de moeder ook besproken wordt.

5.9

Met betrekking tot de zorgen van de raad dat [de minderjarige] geen contact en/of omgang met de vader heeft, overweegt het hof als volgt. Gebleken is dat er al gedurende ongeveer tien jaar geen of nauwelijks contact tussen de vader en [de minderjarige] heeft plaatsgevonden. Het hof heeft uit de stukken en wat tijdens de zitting naar voren is gekomen de indruk dat de vader, in ieder geval op dit moment, geen contact wil, althans geen initiatief hiertoe toont, en dat het niet aan de moeder te wijten is dat er geen contact en/of omgang is. Het hof is dan ook van oordeel dat het feit dat er geen omgang is tussen de vader en [de minderjarige] , op zichzelf geen grond vormt voor een ondertoezichtstelling, ook niet tezamen met de problematiek rondom de schoolgang.

5.10

Op grond van het bovenstaande is het hof, evenals de kinderrechter, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de ingezette hulpverlening onvoldoende omvattend is of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook overigens is het hof niet gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] kunnen rechtvaardigen, Nu niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255, eerste lid, BW, is het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] terecht afgewezen.


Ga terug