Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Perspectiefbesluit

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Perspectiefbesluit

5.1

De grieven van de ouders richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] bij pleegouders ligt. Dat oordeel is niet vervat in het dictum, maar in de overwegingen. Tegen een dergelijk oordeel van de rechtbank in de overwegingen is echter geen hoger beroep mogelijk, zodat de grieven van de ouders niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kunnen leiden. Wel merkt het hof het volgende op.

5.2

De beantwoording door de rechter van de vraag waar het opgroeiperspectief van een kind ligt, komt in het (huidige) systeem van de wet voor het eerst aan de orde in het kader van een verzoek om het gezag van de ouders te beëindigen. Van belang is dat in het onderzoek van de raad naar een dergelijke verderstrekkende maatregel het perspectief van het kind en het verschaffen van duidelijkheid daarover een belangrijke rol speelt. Door in het kader van een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing naar aanleiding van een genomen perspectiefbesluit van de GI dat besluit te toetsen en vervolgens te overwegen en (in de overwegingen) te beslissen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet bij haar ouders ligt, zoals in deze zaak door de rechtbank in de bestreden beschikking gedaan, spreekt de rechtbank voor haar beurt en komt de rechtsbescherming van de ouders in het geding.

Een zogenaamd perspectiefbesluit van de GI heeft geen wettelijke basis zodat de ouders van dat besluit en van een daarop betrekking hebbende instemmende overweging van de rechtbank niet in hoger beroep kunnen komen, terwijl het wel als een beslissing van de rechtbank over het perspectief wordt begrepen, niet alleen door de ouders en de GI, maar ook door de rechtbank zelf. Zo overweegt en beslist de rechtbank Midden-Nederland in onderhavige zaak in haar laatste, meest recente verlengingsbeschikking van 20 april 2022:

“De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt dat zij vinden dat

zij een tweede kans verdienen om aan te tonen dat zij wel degelijk in staat zijn om voor

[de minderjarige] te zorgen. De rechtbank heeft echter in de beschikking van 18 januari jl. (toevoeging hof: de bestreden beslissing) al beslist dat [de minderjarige] niet hij de ouders zal opgroeien en dat de GI met de ouders moet gaan kijken op elke manier de ouders een rol als ouder op afstand kunnen innemen. In dat kader ziet de kinderrechter geen aanleiding om de termijn van de machtiging te bekorten om de perspectiefbepaling en de mogelijkheden voor een terugplaatsing nogmaals te beoordelen. Dat de ouders dit in de hoger beroepsprocedure aan de orde stellen is hun goed recht, maar dat maakt de beoordeling zoals de kinderrechter die op dit moment maakt niet anders.”

5.3

Verder geldt dat de rechtbank met haar oordeel voorbijgaat aan het doel van een ondertoezichtstelling met een machtiging uithuisplaatsing. Dit doel is immers om ervoor te zorgen dat de ouders de verzorging en opvoeding voor de kinderen op termijn weer zelf kunnen dragen. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dat er moet worden gewerkt aan thuisplaatsing.

De maatregelen kunnen naar het oordeel van het hof wel worden benut om de periode van een onderzoek naar en een beslissing over een eventuele verderstrekkende maatregel te overbruggen. In dat geval is gelet op de aanvaardbare termijn voortvarendheid geboden. Van voortvarend handelen is echter in onderhavige zaak volgens het hof geen sprake geweest.

5.4

Het hof merkt nog op dat ter zitting met de GI is besproken dat het wenselijk is na een genomen perspectiefbesluit dit besluit zo snel mogelijk door de raad te laten toetsen in het kader van een verzoek aan de raad om onderzoek te doen naar een verderstrekkende maatregel.

Machtiging uithuisplaatsing

5.5

De ouders hebben geen grief aangevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, zodat het hof die beslissing niet inhoudelijk behoeft te beoordelen en daarom het beroep zal verwerpen.


Ga terug