Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

OTS niet meer nodig voor baby; gezag over drie oudere kinderen kwijt

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

 

5.5.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de gronden voor ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en of deze ook thans nog aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5.6.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De moeder heeft een belast verleden, waarin sprake was van onder meer zwerven en drugsgebruik. Ook was sprake van financiële problemen en een groot aantal conflicten tussen de moeder en derden. In het verleden zijn er veel zorgen geweest over haar drie oudere kinderen die niet bij haar opgroeien en die onder voogdij staan van de GI. Tijdens de zwangerschap van de moeder en ook daarna bestonden, mede gelet op deze voorgeschiedenis, zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Er was sprake van persoonlijke problematiek bij de moeder en de moeder kon verbaal agressief gedrag vertonen. Tevens was nog sprake van schuldenproblematiek en waren er zorgen over de stabiliteit van de relatie tussen de ouders. Op 7 april 2017 heeft de GI een zorgmelding van Veilig Thuis ontvangen in verband met een huiselijke twist tussen de ouders op 5 april 2017 naar aanleiding waarvan de vader de politie heeft gebeld. [de minderjarige] was toen eveneens aanwezig in de woning.

Het hof acht voorts voldoende aannemelijk geworden dat de moeder slechts minimaal meewerkte met de GI. De moeder heeft in dit verband onvoldoende weersproken dat zij geen contactgegevens van de GI aan de verpleging wenste te verstrekken, dat zij niet wilde dat haar verloskundige informatie met de GI zou delen en dat zij de GI evenmin toestemming wilde geven om informatie bij haar verloskundige en het consultatiebureau op te vragen. Daarnaast blijkt uit een e‑mailbericht van de kinderarts aan de GI van 20 april 2017 dat deze zich op dat moment zorgen maakte, omdat zij geen goede arts-patiëntrelatie met de moeder kon krijgen en de moeder geen informatie aan haar wilde verstrekken.

Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen de kwetsbaarheid van de nog zeer jonge [de minderjarige] , is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . Onvoldoende duidelijk was of de ouders in staat waren [de minderjarige] een veilige opvoedingsomgeving te bieden. Voorts bestond onvoldoende zicht op [de minderjarige] , omdat de moeder geen openheid van zaken wenste te geven en een argwanende houding had ten aanzien van verscheidene hulpverleners. De kinderrechter heeft dan ook terecht overwogen dat het noodzakelijk was dat de ontwikkeling van [de minderjarige] zou worden gevolgd en zijn veiligheid zou worden geborgd. Ten tijde van de bestreden beschikking waren de gronden voor ondertoezichtstelling van [de minderjarige] derhalve aanwezig.

5.7.

Inmiddels is gebleken dat het goed gaat met [de minderjarige] en dat er vanuit het consultatiebureau geen zorgen om hem bestaan. Ook blijkens het Eindverslag Ambulante Spoedhulp van Kenter van 8 mei 2017 waren er geen grote zorgen rondom de verzorging van [de minderjarige] . Volgens Kenter ontwikkelde [de minderjarige] zich goed, gingen de ouders liefdevol en zorgzaam met hem om en zorgden zij adequaat voor hem met veel oog voor de zogenoemde drie R’s (rust, regelmaat en reinheid). Kenter heeft geen spanningen tussen de ouders en geen signalen van onveiligheid geconstateerd. De ouders hebben volgens Kenter een meewerkende houding gehad.

Het hof constateert dat deze positieve lijn zich heeft doorgezet. Aansluitend aan de ambulante spoedhulp van Kenter is ambulante hulpverlening door SIG ingezet, zoals ook door Kenter is geadviseerd. Deze zorg is gericht op de ontwikkeling van [de minderjarige] . SIG komt wekelijks bij de ouders thuis. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de moeder niet dan wel onvoldoende meewerkt met de door SIG geboden hulpverlening. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder een rapportage van het SIG, gedateerd 24 oktober 2017, voorgelezen. Uit die rapportage blijkt onder meer dat de ouders op de geplande afspraken naar het consultatiebureau gaan en zich ook overigens aan de afspraken houden. Tevens blijkt uit die rapportage dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt en dat de ouders [de minderjarige] regelmaat bieden, adequaat op hem reageren en liefdevol met hem omgaan. Wanneer de ouders vragen hebben, stellen zij deze aan hun netwerk (grootmoeder van moederszijde of tantes van vaderszijde). Het SIG heeft geen veiligheidsrisico’s geconstateerd en volgens het SIG bestaat voldoende zicht op [de minderjarige] . Naast deze hulpverlening ontvangt de moeder voor zichzelf nog steeds hulpverlening van De Linde, die zij op eigen initiatief heeft ingeschakeld. De zorgcoach van de moeder bij De Linde ervaart de moeder blijkens het (concept) gezinsplan van de GI van 1 mei 2017 en het raadsrapport van 22 februari 2017 als leerbaar. Gebleken is dat de ouders goed samenwerken met de hulpverlening door De Linde en hierin ook veel vertrouwen hebben. De kinderarts tot slot heeft zich in haar e‑mailbericht aan de GI van 4 juli 2017 op het standpunt gesteld dat [de minderjarige] zich normaal ontwikkelt en dat poliklinische controle van [de minderjarige] niet langer nodig is. Bovendien blijkt uit dit e‑mailbericht dat de moeder, ondanks het moeizaam verlopen eerdere consult, is verschenen voor poliklinische controle van [de minderjarige] en dat de kinderarts de eerder door haar geuite zorgen ten aanzien van het delen van informatie heeft besproken met de moeder.

In het licht van voornoemde constateringen van de verschillende hulpverleners acht het hof niet aannemelijk dat de moeder alle hulpverlening zal beëindigen zodra het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling ontbreekt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de moeder blijkens het raadsrapport van 22 februari 2017 eveneens op eigen initiatief hulpverlening door een psycholoog heeft ingeschakeld teneinde te werken aan de verwerking van haar belaste verleden.

Het hof acht voorts aannemelijk geworden dat het leven van de ouders thans voldoende stabiel is. Ter zitting in hoger beroep hebben beide ouders verklaard dat de huiselijke twist in april 2017 een eenmalig incident betrof, dat het goed gaat tussen hen en dat zij weinig conflicten hebben. Feiten en/of omstandigheden die meebrengen dat niet van de juistheid van deze verklaring kan worden uitgegaan, zijn het hof niet gebleken. De moeder heeft verder verklaard dat zij op korte termijn een afspraak zal hebben met haar bewindvoerder en dat zij en haar (financieel) begeleider doende zijn een (nieuwe) aanvraag in het kader van de WSNP in te dienen. Verder is gebleken dat de verhuizing van de ouders naar hun woning in [woonplaats] voorspoedig is verlopen, dat de moeder erg gemotiveerd is om haar online thuisopleiding patroontekenen te gaan volgen en dat de vader inmiddels werk heeft gevonden als logistiek medewerker.

Op grond van al het vorenstaande is het hof van oordeel dat thans geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] en dat de zorgen die er – mede gezien de belaste voorgeschiedenis van de moeder en haar drie oudere kinderen – nog zijn, vanuit de nog betrokken hulpverlening kunnen worden gemonitord. Naar het oordeel van het hof wordt dan ook niet langer voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 lid 1 BW.

5.8.

De slotsom van het voorgaande is dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd voor zover [de minderjarige] daarbij onder toezicht is gesteld voor de periode met ingang van 9 juni 2017 tot heden, en zal worden vernietigd voor zover het de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van heden betreft. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van heden eindigt.


Ga terug