Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

OTS i.v.m. omgang vader; vader overleden; we verzinnen weer iets anders

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

De moeder stelt dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling ontbreken en voert daartoe onder meer het volgende aan. De rechtbank heeft het standpunt van de GI gevolgd dat nog altijd sprake is van strijd tussen de ouders en dat het doel van de ondertoezichtstelling is om [de minderjarige] te begeleiden in het contact met de vader. De kinderrechter heeft geoordeeld dat, gelet op de situatie tussen de ouders in combinatie met de geestelijke en lichamelijke situatie van de vader, [de minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De vader van [de minderjarige] is echter overleden, hetgeen een essentiële wijziging van omstandigheden is die meebrengt dat ondertoezichtstelling niet langer geïndiceerd is. Zoals de kinderrechter in de bestreden beschikking ook heeft overwogen, is in de thuissituatie bij de moeder meer rust en is sprake van een positieve ontwikkeling. De moeder kan in het vrijwillig kader hulpverlening voor [de minderjarige] organiseren en heeft dat ook gedaan. Het is niet in het belang van [de minderjarige] indien de ondertoezichtstelling zou blijven voortduren; [de minderjarige] heeft juist rust en ruimte nodig om het overlijden van haar vader te kunnen gaan verwerken, aldus de moeder.


5.3.

De GI betwist het standpunt van de moeder en voert daartoe onder meer het volgende aan. Er is nog geen sprake van een stabiele situatie voor [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft moeite met regels in huis en het is noodzakelijk dat zij een consequente opvoeding krijgt, omdat anders het risico bestaat op het ontwikkelen van een oppositionele gedragsstoornis. De moeder doet haar best, echter de belasting voor de moeder is zwaar en een meeleef- dan wel logeergezin voor [de minderjarige] is noodzakelijk voor de moeder om het vol te houden. Het meeleefgezin voor [de minderjarige] van Esdégé Reigersdaal is echter gestopt per juni 2016 en de vraag is of het de moeder wel zal lukken om, zonder de ondertoezichtstelling, zelf een nieuw logeergezin voor [de minderjarige] te organiseren.

Ook heeft de moeder de steun die haar werd geboden door Actiezorg beëindigd, in verband met fricties tussen haar en de begeleider van Actiezorg rondom de begrafenis van de vader. Het feit dat de hulpverlening is gestopt is zorgelijk, zeker nu [de minderjarige] de ondersteuning hard nodig heeft in verband met het overlijden van haar vader.

Het is eveneens zorgelijk dat [de minderjarige] door de moeder bij de ruzies met de familie van de vader is betrokken en dat [de minderjarige] op deze wijze wordt betrokken bij volwassenen problematiek. Dat is in het verleden al regelmatig een punt van zorg en aandacht geweest.

De GI is voornemens om de ondertoezichtstelling op termijn af te sluiten, daarvoor is echter wel van belang dat de ondersteuning wordt voortgezet en dat de zorg aan [de minderjarige] gewaarborgd blijft door zorgvuldige overdracht aan het gebiedsteam van de gemeente, voordat de termijn van de ondertoezichtstelling op 10 maart 2017 afloopt.


5.4.

...


5.5.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de kinderrechter terecht en op goede gronden de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] heeft verlengd en of de gronden hiervoor nog steeds aanwezig zijn.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Doel van de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking was om [de minderjarige] goed te begeleiden in het contact met de vader, die kampte met psychiatrische problematiek en lichamelijke gezondheidsklachten, terwijl ook de ouders er niet in slaagden om samen afspraken te maken met betrekking tot [de minderjarige] en het contact met haar vader. [de minderjarige] dreigde daardoor in een loyaliteitsconflict te geraken en werd derhalve in haar ontwikkeling bedreigd. Gelet daarop is aannemelijk geworden dat de gronden voor ondertoezichtstelling, die nauw samenhingen met de situatie tussen [de minderjarige] en de vader en tussen de ouders onderling, ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren.

Naar het oordeel van het hof is echter niet gebleken dat de gronden voor ondertoezichtstelling thans nog aanwezig zijn. Na het overlijden van de vader is van de instabiele situatie die de ontwikkeling van [de minderjarige] bedreigde, zoals hierboven omschreven, geen sprake meer. Van andere omstandigheden, die [de minderjarige] in haar ontwikkeling ernstig zouden kunnen bedreigen, is het hof thans niet, althans onvoldoende gebleken.

Gebleken is dat de moeder hulpverlening voor [de minderjarige] in een vrijwillig kader voldoende initieert en accepteert. Uit de verklaringen van de moeder en de GI ter zitting in hoger beroep blijkt dat de moeder sinds september 2016 (opnieuw) hulpverlening van Actiezorg heeft geaccepteerd; gedurende 1 uur per week voor haarzelf en 3 uren per week voor [de minderjarige] . Daarnaast is [de minderjarige] sinds november 2016 door de moeder aangemeld voor wekelijkse creatieve therapie, bij stichting De Praktijk in Hoorn. Naar het oordeel van het hof is hiermee voor [de minderjarige] voldoende hulpverlening en behandeling geborgd. Voorts is de moeder zelf ook actief in het zoeken naar een nieuw meeleefgezin voor [de minderjarige] , maar blijkt het vinden daarvan tot nu toe te worden bemoeilijkt door de afstand van zo’n gezin tot de school van [de minderjarige] .

Nu er geen discussie is dat een meeleefgezin essentieel is voor het creëren van een stabiele leefomgeving voor [de minderjarige] , gaat het hof er van uit dat de gemeente een deskundige toeleiding naar het meeleefgezin waarborgt op grond van zijn verplichting hiertoe ingevolge artikel 2.3, eerste lid, Jeugdwet.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover [de minderjarige] onder toezicht is gesteld tot heden, wordt bekrachtigd en dat, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor wat betreft de periode vanaf heden wordt afgewezen.


Ga terug