Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Opheffing ots per direct

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
4.2

De raad heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd als volgt. Zorgen over huiselijk geweld zijn de aanleiding geweest voor de plaatsing bij [vrouwenopvang] . Door [vrouwenopvang] zijn zorgen geuit over de ontwikkeling van de minderjarigen. Daar is geconstateerd dat de moeder de minderjarigen gemakkelijk van school thuis houdt. Ook vanuit de school zijn zorgen geuit over schoolverzuim van de minderjarigen. Daarbij gaat het met name om veelvuldig ziek melden, dus niet noodzakelijkerwijs om ongeoorloofd verzuim. De zorg van de raad is dat de minderjarigen door het schoolverzuim in hun ontwikkeling worden bedreigd. [de minderjarige 3] is achttien maal ziek gemeld, zij heeft een leerachterstand en er zijn zorgen over haar verzorging. [de minderjarige 2] is twaalf maal afwezig geweest en ook over zijn verzorging zijn zorgen. Het lukt de leerkracht van [de minderjarige 2] bovendien niet de moeder te spreken te krijgen en er ontbreekt belangrijke informatie over Cito-gegevens. [de minderjarige 1] doet het verder goed op school. De moeder en de minderjarigen geven daarnaast tegenstrijdige informatie over de contacten met de vader. Hulpverlening houdt de moeder af.

4.3

De gecertificeerde instelling heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De ondertoezichtstelling heeft de strijd met de moeder verhevigd, omdat de moeder vindt dat deze onterecht is uitgesproken. Uiteindelijk is de gecertificeerde instelling één keer bij de moeder thuis geweest en heeft de gecertificeerde instelling één keer met de minderjarigen kunnen spreken. Het zijn netjes verzorgde minderjarigen. Het schoolverzuim is veel minder geworden, maar het is er nog wel. Het tandartsbezoek van de minderjarigen is door de moeder opgepakt. De vader bevestigt de contacten met de minderjarigen, die eens per twee weken zouden plaatsvinden. Ook het verblijf van twee weken in de zomer is door de vader bevestigd. De problemen zijn aldus verminderd, maar voor de gecertificeerde instelling is onduidelijk of dat door de ondertoezichtstelling komt. De gecertificeerde instelling acht een ondertoezichtstelling weliswaar nodig, maar ziet daarvan niet de toegevoegde waarde. Door de strijd met de moeder lukt het niet om echt door te dringen in de wellicht nog bestaande problematiek.

4.4

In reactie op de mededelingen van de gecertificeerde instelling heeft de raad ter zitting nog meegedeeld dat het schoolverzuim voor de raad een zorg blijft. Met het oog op de toekomst van de minderjarigen, vindt de raad het noodzakelijk in de gelegenheid te worden gesteld aanvullend onderzoek te doen naar de vraag of de geboekte vooruitgang is te danken aan de ondertoezichtstelling of aan de inspanningen van de moeder, en

- naar het hof begrijpt - in verband daarmee of de raad het resterende deel van het oorspronkelijke verzoek al dan niet handhaaft. De raad wijst er op dat, afhankelijk van de beslissing van het hof, tegen de tijd dat de zaak weer bij de rechtbank op zitting staat de ondertoezichtstelling er mogelijk af is en de raad wil geen zinloos onderzoek doen.
 

5.2

De vraag die het hof op grond van het hiervoor uiteengezette wettelijk kader als eerste dient te beantwoorden, is of de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd. Ten tijde van de bestreden beschikking werden de minderjarigen concreet in hun ontwikkeling bedreigd met name door hun schoolverzuim, door het ontbreken van voldoende zorg, in het bijzonder tandheelkundige zorg, en door (het ontbreken van) contacten met de vader. Uit het betoog van de gecertificeerde instelling ter zitting leidt het hof af dat de minderjarigen op dit moment niet zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd. Het schoolverzuim is verminderd, de minderjarigen gaan naar de tandarts en zij hebben contact met hun vader. Het hof is daarom van oordeel dat er onder de huidige omstandigheden geen grond meer is om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te handhaven. Naar het oordeel van het hof was die grond ten tijde van de bestreden beschikking nog wel aanwezig, vooral vanwege het veelvuldige schoolverzuim. De moeder en de minderjarigen lijken een positieve ontwikkeling te hebben doorgemaakt. Uit de aan het hof overgelegde stukken en uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep leidt het hof af dat de gecertificeerde instelling en de raad de ondertoezichtstelling met name wensen te handhaven om meer zicht te krijgen op de opvoedsituatie en om na te gaan of de moeder de geboekte resultaten in stand kan houden. Hoewel het hof begrijpt dat de raad gelet op het recente verleden, zicht op de opvoedsituatie van de minderjarigen wil houden, is dit onvoldoende om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. Nu ook op grond van het schriftelijke en mondelinge relaas van de gecertificeerde instelling kan worden geconcludeerd dat de minderjarigen thans niet langer in hun ontwikkeling worden bedreigd, zal het hof de ondertoezichtstelling met ingang van de datum van deze beschikking opheffen.

5.3

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

5.4

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 3 april 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre, opnieuw recht doende:

heft de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren [in] 2002 te [geboorteplaats] , [de minderjarige 2] , geboren [in] 2004 te [geboorteplaats] , en [de minderjarige 3] , geboren [in] 2011 te [geboorteplaats] , met ingang van heden op;


Ga terug