Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Opheffing omgangs-ots op verzoek GI

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

3.7.

In dat verband overweegt de kinderrechter dat uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 8 maart 2016 naar voren komt dat de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen, behalve in de ‘kindeigen problematiek’, schuilt in het gebrek aan contact met hun vader en de slechte communicatie tussen de ouders. Bij beschikking van 8 juli 2016 heeft de rechtbank, uitvoerig gemotiveerd, geoordeeld dat zeven begeleide contacten de substantiële weerstand van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tegen contacten met de vader niet heeft verminderd en dat bij gebrek aan draagvlak bij de kinderen een voortzetting van de begeleide contacten niet in het belang van de kinderen is. In het in het algemeen is voor een goede en evenwichtige ontwikkeling van een kind wenselijk dat het kind omgang heeft met beide ouders. Dit brengt echter niet als vanzelfsprekend mee dat steeds wanneer de mogelijkheid tot omgang met een van de ouders ontbreekt, ook de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de kinderen wordt bedreigd.

Juist in het onderhavige geval, waar de rechtbank heeft vastgesteld dat het contact met de vader bij het gemis aan draagvlak bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1], en omdat zij deel uitnaakt van hetzelfde gezinssysteem uiteindelijk ook bij [minderjarige 3], niet tot stand is gekomen, moet veeleer worden geoordeeld dat het afdwingen van contact tussen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de vader onder de huidige omstandigheden schadelijk kan uitpakken voor deze kinderen. De kinderrechter voorziet daarom dat handhaving van de maatregel van ondertoezichtstelling met als doel de omgang te bewerkstelligen een averechts effect zal sorteren in die zin dat de weerstand van de kinderen met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid nog vele malen groter zal worden.

3.8.

Ook overigens is de kinderrechter van oordeel dat bij handhaving van de ondertoezichtstelling feitelijk geen verdere resultaten zijn te verwachten. De kindeigen problematiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] daargelaten gaat het thans goed met de kinderen in de thuissituatie. De moeder werkt goed mee, is betrokken bij de hulpverlening en weet waar zij moet zijn met haar vragen. Zeker nu de stress van de BOR is geweken, is van een ontwikkelingsbedreiging in de thuissituatie dan ook geen sprake meer. Voor de door de vader in het vooruitzicht gestelde aan de eigen problematiek van de moeder te wijten terugval, ziet de kinderrechter de stukken onvoldoende steun bieden.


Ga terug