Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Op 8 december 2015 heeft het Hof Amsterdam een ots alleen vanwege strijd tussen ouders niet nodig geoordeeld

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

4.9.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Na het beëindigen van hun relatie in januari 2013 is tussen de moeder en de vader strijd ontstaan, waarbij zij moeite hadden om met elkaar te communiceren. De strijd zag onder meer op de omgang tussen de vader en de kinderen, waardoor er zorgen over de kinderen zijn ontstaan. Gebleken is dat de moeder deze zorgen in een vroeg stadium heeft onderkend en dat zij hiervoor in een vrijwillig kader hulp heeft gezocht. Uit het raadsrapport van 26 mei 2015 blijkt dat de moeder in augustus 2013 hulp voor [kind a] heeft gezocht, in de vorm van gesprekken met een psycholoog. Doel van deze gesprekken was dat [kind a] bij iemand zijn verhaal kwijt kon. Ook heeft de moeder [kind a] aangemeld voor de ‘rots en water training’, om [kind a] weerbaarder te maken. Voor [kind b] en [kind c] heeft de moeder eveneens hulp gezocht in de vorm van gesprekken met een psycholoog. De kinderen lijken baat te hebben (gehad) bij deze hulpverlening. [kind a] en [kind b] doen het goed op school. Zij gaan beiden met plezier naar de praktijkschool. [kind c] heeft in het verleden slaapproblemen gehad, waarbij zij moeite had om in haar eigen bed te slapen. Ook voor haar is de hulpverlening van de psycholoog effectief gebleken en inmiddels heeft zij hiervan minder last. Ook zij gaat met plezier naar school en functioneert daar goed. Naast de hulpverlening voor de kinderen heeft de moeder eveneens hulpverlening voor zichzelf georganiseerd. Zo heeft zij onder meer een cursus ‘mindfulness’ gevolgd en heeft zij zich aangemeld voor een weerbaarheidstraining. In een poging tot verbetering van de ouderrelatie heeft zij bovendien meermalen aan de vader een voorstel gedaan tot mediation, op welke voorstellen door hem niet is ingegaan.

Met betrekking tot de omgang tussen de kinderen en de vader is gebleken dat tussen [kind b] en [kind c] en de vader thans omgang plaatsvindt, waarbij zij één keer in de veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader verblijven. Gebleken is dat de moeder [kind b] en [kind c] hierin ondersteunt en stimuleert. Tussen [kind a] en de vader vindt thans geen omgang plaats. Uit het raadsrapport is gebleken dat de behandelend psycholoog dit, gelet op de aversie van [kind a] en op hetgeen in het verleden tussen [kind a] en de vader heeft plaatsgevonden, op dit moment ook niet adviseert.

Voldoende is gebleken dat het reeds geruime tijd goed gaat met de kinderen, dat zij geen zorgelijke signalen vertonen en het goed doen, zowel in de thuissituatie bij de moeder als op school. Nu de moeder daarnaast blijk heeft gegeven bereid te zijn om uitvoering te (blijven) geven aan de omgang tussen [kind b] en [kind c] en de vader, en omgang tussen [kind a] en de vader nu niet aan de orde is, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Voor zover er wel sprake zou zijn van een dergelijke bedreiging in de toekomst, acht het hof de moeder in staat om op eigen initiatief en op adequate wijze tijdig de nodige zorg voor de kinderen te organiseren, zoals zij dat ook in het recente verleden heeft gedaan. Tevens is gebleken dat de moeder zich voldoende heeft ingespannen om de ouderrelatie te verbeteren. Ook daarmee heeft zij laten zien dat zij in staat is om in het belang van de kinderen te handelen.

4.10.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn.

Het hof zal derhalve de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de Raad afwijzen.


Ga terug