Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Op 1 december 2016 heeft de kinderrechter gedeeltelijke overdracht gezag aan GI niet nodig geoordeeld

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 1:265e BW kan de kinderrechter bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit kan (onder andere) met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. Voor de uitleg van het begrip medische behandeling wordt aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving in artikel 1:446 BW. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder “handelingen op het gebied van geneeskunst” worden verstaan alle verrichtingen – het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen – ertoe strekkende een persoon van een ziekte te genezen, een persoon voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen. Dit betekent dat zowel onderzoeken als behandelingen onder deze omschrijving vallen.

5.2.

De moeder heeft gesteld dat zij reeds toestemming heeft gegeven voor de door de GI genoemde medische behandelingen. De GI heeft dat betwist, dan wel heeft gesteld dat de moeder ambivalent is in het geven van toestemming en mogelijk gebruik kan maken van haar blokkaderecht.

5.3.

Ter zitting is door de moeder toegezegd dat zij toestemming verleent voor de medische behandeling zoals door de GI verzocht, te weten:

- tandarts-/orthodontistbezoeken;

- controlebezoeken aan dr. [E] ( [...] ) in verband met vroeggeboorte;

- een psychodiagnostisch onderzoek door het NIFP voor [voornaam minderjarige] en inzage door de GI in de uitkomst daarvan.

De kinderrechter overweegt, zoals ook ter zitting aan partijen is voorgehouden, dat zij deze afspraak niet kan opnemen in het dictum, maar dat deze afspraak geldt als een bindende afspraak tussen de moeder en de GI.

5.4.

De GI heeft aangegeven, ondanks de ter zitting gemaakte afspraken met de moeder, haar verzoeken te handhaven. De kinderrechter overweegt dat nu de moeder toestemming heeft gegeven voor de behandelingen er geen noodzaak meer is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling om te bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI. De kinderrechter zal daarom de verzoeken van de GI afwijzen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst de verzoeken af.


Ga terug