Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Onderzoek gezagsbeeindigende maatregel bezig; rechter van oordeel dat perspectief weer open ligt

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

(de moeder woont niet in Nederland)
2.5

Zoals reeds bij tussenbeschikking van 9 december 2021 overwogen, is [de minderjarige] toe aan een vervolgstap. Het hof heeft eveneens overwogen dat de vader zijn leven in vergelijking met een aantal jaren geleden thans meer op de rit heeft. De ontwikkelingen van [de minderjarige] en de vader en het feit dat een verblijf op een behandelgroep niet meer noodzakelijk is, maken naar het oordeel van het hof dat het opvoedingsperspectief van [de minderjarige] weer open ligt.

2.6

De vader is van mening dat hij in staat is om - eventueel met hulpverlening - de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] te dragen. [de minderjarige] zelf heeft ook de duidelijke wens om weer bij de vader te wonen en er is sprake van een sterke onderlinge band. Bovendien is gebleken dat de huidige begeleide omgangsmomenten van eens in de twee weken goed verlopen.

Naar het oordeel van het hof is tot op heden onvoldoende gekeken naar de door de vader gestelde wijzigingen in zijn situatie en is in dat kader onvoldoende onderzocht wat de maximale rol van de vader in het leven van [de minderjarige] kan zijn. Op dit moment is er daarom naar het oordeel van het hof onvoldoende duidelijkheid over de situatie van de vader en over de vraag welke rol hij kan hebben in het leven van [de minderjarige] . In aanmerking nemend de zorgbehoeften van [de minderjarige] maakt dit dat terugplaatsing van [de minderjarige] op dit moment niet mogelijk is en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is.

Het hof heeft een NIFP-onderzoek, zoals door de vader verzocht, overwogen, maar zal dit verzoek afwijzen om de navolgende redenen. Los van het feit dat dit onderzoek niet zal zijn afgerond voor het verstrijken van de huidige termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing (17 mei 2022), acht het hof het aangewezen dat de rol van de vader op de volgende manier nader onderzocht wordt.

Het hof acht van belang dat de GI de komende periode benut om te onderzoeken wat de maximale mogelijkheden zijn voor de vader als opvoeder en verzorger van [de minderjarige] in relatie tot de problematiek van [de minderjarige] , mede in het licht van de gewijzigde omstandigheden van de vader. In dat verband geeft het hof aan de GI in overweging om de omgangsregeling van eens in de twee weken begeleide omgang uit te breiden en mogelijk de begeleiding af te schalen en deze omgangen te observeren. Dit om te zien of de vader mogelijk in staat is om in voldoende mate aan te sluiten bij de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] en of (nader onderzoek naar) terugplaatsing van [de minderjarige] bij de vader mogelijk is. Voor zover de GI vreest dat de vader [de minderjarige] tijdens onbegeleide momenten zal belasten met volwassen zaken, waaronder het wonen bij de vader, merkt het hof op dat het aan de vader is om te laten zien dat hij dit niet (meer) doet. Indien de vader daartoe niet in staat blijkt, zal dat in de weg staan aan uitbreiding van (onbegeleide) contacten en/of een nader onderzoek.

Het spreekt daarbij voor zich dat de vader en de GI afspraken maken over de omgangsregeling en dat de vader (en de GI) deze nakomt, ook met betrekking tot de belcontacten die in beginsel drie keer per week plaatsvinden. De bevindingen van deze uitbreiding van de omgang kunnen vervolgens worden meegenomen in mei 2022 bij de vraag of een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is.

2.7

Daarbij komt dat de raad onderzoek verricht naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. Dit onderzoek kan worden verricht parallel aan het voornoemde onderzoek waarbij bij het onderzoek van de GI de nadruk ligt op de pedagogische vaardigheden van de vader in relatie tot de problematiek van [de minderjarige] . Het komt het hof voor dat tijdens het onderzoek van de raad meer zicht komt op de persoonlijke ontwikkelingen en leefsituatie van de vader en dat in dat verband informanten worden gehoord die hierover informatie kunnen geven. De vader stelt (maar onderbouwt niet) dat het nu goed met hem gaat en dat hij zijn leven op de rit heeft. Van belang is dat hier nader naar wordt gekeken tijdens het lopende raadsonderzoek.


Ga terug