Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Omgangsregeling voor thuis wonend kind kan niet per schriftelijke aanwijzing

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

De kinderrechter overweegt als volgt.

De GI heeft in eerste instantie een schriftelijke aanwijzing gegeven op grond van artikel 1:265f van het BW. Naar het oordeel van de kinderrechter kan een aanwijzing op grond van artikel 1:265f van het BW alleen worden gegeven indien een kind uit huis is geplaatst. [de minderjarige] woont bij de met het gezag belaste ouder. De aanwijzing kon derhalve niet worden gebaseerd op artikel 1:265f van het BW.

Ten aanzien van de aanwijzing die de GI heeft gegeven op grond van artikel 1:263 van het BW overweegt de kinderrechter als volgt.

Naar het oordeel van de kinderrechter biedt dit artikel niet de mogelijkheid een omgangsregeling met de andere ouder vast te leggen in een schriftelijke aanwijzing als het kind woont bij de met het gezag belaste ouder.

Indien de GI van oordeel is dat omgang met de andere ouder dient plaats te vinden en de met het gezag belaste ouder het daar niet mee een is, dient de GI zich, gelet op artikel 1:265g van het BW, tot de kinderrechter te wenden met het verzoek een omgangsregeling vast te stellen.

De kinderrechter zal gelet op het voorgaande de schriftelijke aanwijzing geheel vervallen verklaren.

Ingevolge artikel 1:250 van het BW kan de kinderrechter, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, dan wel diens vermogen, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, dan wel de voogd, in strijd zijn met die van de minderjarige, ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.

Gelet op hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gekomen ziet de kinderrechter aanleiding ambtshalve een bijzondere curator te benoemen. De wensen van de moeder en [de minderjarige] over omgang met de vader lijken uiteen te lopen. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat een onafhankelijke persoon de belangen van [de minderjarige] , voor zover het de omgang met de vader betreft, vertegenwoordigt voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter zal een bijzondere curator benoemen met als opdracht te onderzoeken of omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader mogelijk is en daartoe alles te doen wat hij noodzakelijk acht, zowel in als buiten rechte.

De benoeming tot bijzondere curator geldt voor de duur van de ondertoezichtstelling.


Ga terug