Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Naar het buitenland verhuizen betekent niet altijd dat de Nederlandse rechter geen ots kan uitspreken.

Nuttig om te weten >>

De moeder stelt dat de kinderrechter onbevoegd is om van de onderhavige zaak kennis te nemen. Zij verwijst naar artikel 8 Brussel II Bis Verordening. Zij stelt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in [X] ligt, nu de moeder haarzelf en de minderjarige op 19 oktober 2014 officieel heeft uitgeschreven en op 18 oktober 2014 naar [X] zijn verhuisd met de intentie daar voor een langere duur te blijven. Zij zijn hier bij de familie van moeders zijde ingetrokken. De minderjarige is tevens uitgeschreven bij de crèche waar zij voorheen naartoe ging.

3. De kinderrechter acht zich bevoegd van het verzoek van Bureau Jeugdzorg kennis te nemen en overweegt daartoe als volgt.

4. Ingevolge de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 2 april 2009, NJ 2009/457, moet het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een kind aldus worden uitgelegd dat dit de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Van belang is voorts de bedoeling van de ouders bij het overbrengen van het kind van de ene naar de andere lidstaat.

5.
De ‘gewone verblijfplaats’ is een feitelijk begrip waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. De vraag ligt voor of de minderjarige, vlak voor het tijdstip waarop het verzoek strekkende tot machtiging tot uithuisplaatsing werd ingediend, te weten 21 oktober 2014, haar gewone verblijfplaats in de zin van artikel 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis in Nederland had.
Partijen alsook de minderjarige hebben altijd in Nederland gewoond en hebben ook de Nederlandse nationaliteit. Tot 18 oktober 2014 hebben de moeder en kind in [woonplaats 2] gewoond en de man woonde en woont nu nog steeds in [woonplaats 2]. Hij is net als moeder met ouderlijk gezag belast en hij heeft een omgangsregeling met [N]. Deze wordt nu door moeder met haar vertrek gefrustreerd. De moeder en [N] zijn op 19 oktober 2014 formeel uitgeschreven in de gemeente [woonplaats 2]. Onduidelijk en onbekend is of [N] in [X] naar school zal gaan en welke sociale banden van het kind daar bestaan. In de korte tijd sinds 18 oktober 2014 kan daaromtrent nog niets blijken.

Tevens rijst de vraag of de moeder werkelijk de intentie heeft om zich permanent in [X] te vestigen. In een schrijven van mevrouw [A] (oma m.z.) lijkt de moeder ‘een paar dagen’ voor rust naar [X] te zijn gegaan. Naar het oordeel van de kinderrechter is niet althans niet voldoende komen vast te staan dat de verhuizing naar [X] een definitief karakter heeft, terwijl evenmin gebleken is dat nu al sprake is van volledige integratie van de moeder en [N] in het maatschappelijke leven aldaar. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat Nederland, en meer specifiek dit arrondissement, nog immer als de gewone verblijfplaats van de minderjarige kan worden aangemerkt, te meer nu ook de vader met medegezag en een omgangsrecht hier woont, op grond waarvan de kinderrechter zich bevoegd acht van het onderhavige verzoek kennis te nemen. Daarmee komt de kinderrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling.


Ga terug