Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Misschien gaat het in de toekomst wel slecht is geen grond voor ots

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen.

5.2 ...

5..3

Het hof oordeelt daarover als volgt. Artikel 798 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat voor de toepassing van de Eerste afdeling van Titel 6 onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De rechter in hoger beroep dient zelfstandig, ongeacht het oordeel van de rechter in eerste aanleg, te bepalen of sprake is van een belanghebbende in de zin van de bewuste bepaling. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 12 september 2014 geoordeeld dat in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling de niet met het gezag beklede ouder niet kan worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv, omdat - kort gezegd en voor zover hier relevant - de rechten en verplichtingen van deze ouder door de maatregel van ondertoezichtstelling niet rechtstreeks worden geraakt in de zin van deze bepaling (ECLI:NL:HR:2014:2665). In aansluiting daarop merkt het hof de vader niet als belanghebbende aan omdat hij niet (mede) het gezag over [kind] heeft.

5.4

Met de grieven 1 en 2 komt de moeder op tegen het oordeel van de kinderrechter dat is voldaan aan het wettelijk criterium van artikel 1:255 BW voor een ondertoezichtstelling. Het betoog van de moeder komt er in de kern op neer dat de in de bestreden beschikking genoemde omstandigheden dat [kind] al geruime tijd geen contact met de vader heeft en dat bij de moeder het draagvlak ontbreekt om aan dat contact mee te werken, geen toereikende motivering opleveren voor een ondertoezichtstelling. Er is geen sprake van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [kind]. Hij functioneert goed en ontwikkelt zich blijkens de diverse rapportages leeftijdsadequaat. Er zijn geen zorgen over de opvoedingsomgeving van [kind] bij haar. Het feit dat [kind] zonder vader opgroeit en de mogelijkheid tot omgang ontbreekt, kan niet als een ernstige ontwikkelingsbedreiging worden beschouwd, aldus de moeder.

5.5

Het standpunt van de raad kan als volgt worden samengevat.

Volgens het aan het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling ten grondslag liggende raadsrapport van 17 maart 2015, pagina 15, onder randnummer 7, is de ontwikkelingsbedreiging voor [kind] gelegen in het feit dat hij geen contact meer heeft met zijn vader. Dit is voortgekomen uit de strijd waarin de ouders verkeren en een ondertoezichtstelling is volgens het rapport een vereiste om weer contact tussen de vader en [kind] te realiseren en daaraan een juiste vorm te geven.

In zijn verweerschrift in hoger beroep voert de raad aan dat hoewel het ogenschijnlijk goed gaat met [kind], het ontbreken van contact met zijn vader een bedreiging voor zijn ontwikkeling kan vormen. [kind] heeft niet de mogelijkheid een beeld van zijn vader te vormen, hem te leren kennen en een band met hem op te bouwen. Daarnaast is zeer denkbaar dat [kind] de spanning rond de strijd tussen zijn ouders meekrijgt, wat voor zijn ontwikkeling niet goed is, aldus de raad.

Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de raadsvertegenwoordigster verklaard dat de ontwikkelingsbedreiging is gelegen in het feit dat [kind] zijn vader wordt onthouden en dat de ervaring leert dat het voor een kind belangrijk is te weten wie zijn vader is en met hem een band te kunnen opbouwen. De moeder heeft een belast verleden met de vader en als de moeder met [kind] over de vader spreekt, zal [kind] aanvoelen dat er bij de moeder spanning omheen hangt. Daarmee raakt de vader verder van [kind] af. Het feit dat de moeder is belast, belast ook [kind]. Volgens de raadsvertegenwoordigster is nu geen concrete ontwikkelingsbedreiging zichtbaar, maar is de kans groot dat scheefgroei in de identiteitsontwikkeling van [kind] zal gaan optreden.

5.6

Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de maatregel uitspreekt zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, maar (onder meer) ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat het kind zodanig opgroeit dat het in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging voor zijn ontwikkeling opleveren. In een dergelijk geval moeten evenwel aan de motivering van de toewijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling hoge eisen worden gesteld. Zo levert de enkele kans dat het ontbreken of niet nakomen van een omgangsregeling voor het kind nadelig of schadelijk zal zijn, onder meer omdat het daardoor in een loyaliteitsconflict zou kunnen komen te verkeren, geen toereikende motivering op. (Vgl. HR 13 april 2001, NJ 2002, nrs. 4 en 5.)

5.7

Het niet meewerken door de verzorgende ouder aan de omgang tussen het kind en de andere ouder kan meebrengen dat het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, maar daarvan is niet per definitie sprake. Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee een ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW eerst aan te nemen wanneer in de actuele situatie van het kind concrete, niet mis te verstane, aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden. De enkele mogelijkheid van bedreiging biedt onvoldoende basis voor de toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling.


Ga terug