Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

In Hoger Beroep wordt de ondertoezichtstelling onmiddellijk beƫindigd

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

De raad heeft ter zitting van het hof mondeling verweer gevoerd en zijn standpunt dat de ondertoezichtstelling van [kind 2] noodzakelijk is gehandhaafd. De raad voert aan dat [kind 2] en haar zus [kind 1] klem zitten en dat ze ze allebei voor een ouder hebben gekozen. Dit gezinssysteem kenmerkt zich door veel strijd, waarbij er zichtbare en onzichtbare spanning is voor de kinderen. Dit blijkt ook uit de verslagen. De raad ziet nog steeds een ontwikkelingsbedreiging; niet op cognitief en sociaal vlak, maar wel op emotioneel gebied, gelet op de opvoedomgeving waarin de kinderen verkeren. Het is goed voor de ontwikkeling van [kind 2] dat er inmiddels weer contact is met de vader. De huidige situatie is nog heel pril zodat de ondertoezichtstelling, ondanks dat de gezinsvoogd nog niets heeft opgestart, moet blijven. Het is van groot belang om een beeld te krijgen van de kinderen in dit gezin en zo nodig hulpverlening in te schakelen.

5.5

Het hof overweegt dat ondertoezichtstelling van een minderjarige een ingrijpende (gezag beperkende) maatregel is die een inmenging van de overheid in het gezinsleven van ouder en het kind betekent. Die maatregel is daarom slechts gerechtvaardigd indien deze berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt voorts mee dat er sprake dient te zijn van een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van een kind. Uit het woord 'ernstige' volgt dat deze bedreiging voldoende concreet dient te zijn en tevens van voldoende gewicht. Uit de wet volgt de eis dat een dergelijke inmenging slechts is toegestaan indien minder verstrekkende maatregelen niet toereikend worden geacht om de ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige af te wenden.

5.6

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof in dit geval van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking aan het wettelijk criterium voor ondertoezichtstelling van [kind 2] was voldaan. Ter zitting is inmiddels gebleken dat het goed gaat met [kind 2] en dat zij sinds oktober 2016 weer contact heeft met haar zus en er ook weer (voorzichtig) contact is met de vader. Met de raad heeft het hof zorgen over de opvoedomgeving en het opvoedsysteem waarin [kind 2] zich bevindt, maar thans kan niet gesproken kan worden van een voldoende concrete ontwikkelingsbedreiging van [kind 2] .

Gebleken is dat de situatie tussen de ouders, die elkaar diskwalificeren en onvoldoende respecteren, de grootste bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [kind 2] . [kind 2] lijkt te hebben geleerd zich tot deze situatie te verhouden en heeft hulp gezocht via de mentor van school. Na een periode van het voeren van wekelijkse gesprekken met de mentor is die frequentie er nu niet meer, omdat het volgens de moeder en [kind 2] niet nodig is. In de door de moeder overgelegde verklaring van de mentor en hetgeen [kind 2] daaromtrent zelf heeft verklaard, ziet het hof bevestiging van een en ander. Het hof heeft ter zitting een bewogen en gemotiveerde moeder gezien die veel van [kind 2] houdt en het beste met haar voor heeft. De moeder lijkt zich volledig voor [kind 2] in te zetten en heeft voorts verklaard dat zij bereid is in het vrijwillige kader de hulp te aanvaarden die nodig is. Dat het wenselijk zou zijn om een vinger aan de pols te houden zoals de raad ook heeft aangegeven, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de maatregel in stand te laten. Het hof heeft bovendien de vrees dat, gelet op het opvoedsysteem waartoe [kind 2] zich dient te verhouden, de ondertoezichtstelling averechts zal werken. Voor [kind 2] is belangrijk, zoals zij ook zelf aangeeft, dat zij rust ervaart. Die rust lijkt er thans te zijn in het contact met haar zus en haar vader. Het is aan de ouders om de verantwoordelijkheid over [kind 2] zelfstandig te dragen, waarin de moeder als hoofdverzorger als eerste aangewezen is om zelfstandig hulp in het vrijwillige kader te zoeken en te aanvaarden indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Het spreekt daarbij voor zich dat indien de positieve ontwikkelingen (toch) niet zodanig bestendig blijken te zijn dat de bedreigingen in de ontwikkeling van [kind 2] (in het vrijwillige kader) kunnen worden afgewend, opnieuw een onderzoek naar de noodzaak van een beschermingsmaatregel aan de orde kan zijn.

5.7

Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het hof de ondertoezichtstelling van [kind 2] met ingang van heden beƫindigen.


Ga terug