Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Hof Den Bosch houdt zich aan de wet: ots niet verlengd

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
3.7.3.

Het hof is van oordeel dat van de hierboven, in artikel 1:255 lid 1 BW omschreven situatie in het geval [minderjarige] op dit moment geen sprake meer is. Daartoe overweegt het hof het volgende.

3.7.4.

Bij [minderjarige] was er de afgelopen jaren sprake van een ontwikkelingsbedreiging. Dit wordt door de ouders ook niet betwist. De oorzaak van deze ontwikkelingsbedreiging was voor een groot deel gelegen in de detentie van beide ouders. Wegens deze detentie waren de ouders voor [minderjarige] niet beschikbaar en konden zij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] langere tijd niet op zich nemen. Dit, kort samengevat, maakte dat het noodzakelijk was om [minderjarige] onder toezicht te stellen (en uit huis te plaatsen).

Sinds 21 juli 2018 woont [minderjarige] echter weer bij de moeder op de open campus van [instelling] . Het afgelopen half jaar heeft uitgewezen dat [minderjarige] zich goed aan haar nieuwe situatie heeft aangepast. Zij geniet van het samen zijn met haar moeder en zij heeft haar draai gevonden op school en daarbuiten. Met andere woorden, bij [minderjarige] is thans sprake van een gezonde en evenwichtige ontwikkeling.

Voor zover [instelling] in het verleden als voorwaarde voor het verblijf van [minderjarige] bij de moeder in [instelling] heeft gesteld dat de ondertoezichtstelling diende voort te duren, heeft [instelling] deze voorwaarde inmiddels laten vallen na de situatie vanaf 21 juli 2018 te hebben “gemonitord”. Er is ook een goede samenwerking van [instelling] met de moeder.

Ook de GI ziet op dit moment geen concrete ontwikkelingsbedreiging meer voor [minderjarige] of een onveilige opvoedsituatie.

3.7.5.

Mocht [minderjarige] in de toekomst nog behoefte hebben aan therapie of een andere vorm van hulpverlening, dan is het niet op voorhand noodzakelijk dat dit binnen een gedwongen kader moet plaatsvinden. Temeer, nu de moeder naar tevredenheid met de instanties die rondom haar en [minderjarige] betrokken zijn samenwerkt en [minderjarige] en haar moeder nog tot juli 2019 bij [instelling] zullen verblijven. Na die tijd zal er nog enige tijd zicht op de situatie van [minderjarige] blijven via het reclasseringstraject van de ouders.

3.7.6.

Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee dat een ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW eerst valt aan te nemen wanneer in de actuele situatie van het kind concrete, niet mis te verstane, aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden. Hiervoor is reeds overwogen dat een dergelijke situatie zich bij [minderjarige] niet meer voordoet.

De enkele mogelijkheid van of kans op een mogelijke bedreiging voor de ontwikkeling van een bepaald kind in de toekomst biedt rechtens evenmin onvoldoende basis om de maatregel van ondertoezichtstelling te laten voortduren. Hetgeen de GI hiertoe heeft aangevoerd, vormt derhalve geen grond om de ondertoezichtstelling op dit moment nog langer te laten voortduren.

3.8.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de grief van de ouders slaagt.


Ga terug