Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Het Hof Den Haag hief ots op (eigenlijk uitgesproken omdat het met broer slecht ging!) en vernietigde verlenging ots broer

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat er ten aanzien van de [minderjarige 2] vanaf de aanvang van de ondertoezichtstelling geen, althans onvoldoende gronden zijn geweest die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. De zorgen ten aanzien van [minderjarige 2] waren voornamelijk gebaseerd op de zorgelijke ontwikkeling van haar broer[minderjarige 1]. Daarnaast zijn de genoemde zorgen in het raadsrapport slechts gebaseerd op de informatie van één bron, te weten de verklaring van mevrouw [naam] van de BSO. Het hof is derhalve van oordeel dat de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 2] onvoldoende is onderbouwd. Ook is niet gebleken dat er thans sprake zou zijn van een bedreigde ontwikkeling. Uit de informatie van Jeugdzorg blijkt immers dat [minderjarige 2] zich op het moment goed ontwikkelt en dat zowel de BSO als de school geen zorgen over haar hebben. Uit het voorgaande volgt dat het inleidende verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] alsnog moet worden afgewezen. Ten aanzien van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat er bij aanvang van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] ernstige zorgen waren ten aanzien van zijn ontwikkeling, waardoor hij ernstig in zijn zedelijke en geestelijke belangen werd bedreigd. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is echter -onweersproken- gebleken dat [minderjarige 1] onder begeleiding van de door de moeder ingeschakelde gezinscoach een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. [minderjarige 1] hangt minder buiten op straat rond met ‘verkeerde vrienden’, er is bijna geen schoolverzuim meer en ook is er een verbetering zichtbaar in de inzet, houding en gedrag van [minderjarige 1]. Wel is er nog sprake van een kwetsbare thuissituatie, maar de raad heeft desondanks besloten het hulpverleningstraject thuis nog een kans te geven en heeft om die reden het verzoek tot uithuisplaatsing ingetrokken. Dit neemt niet weg dat er nog steeds zorgen zijn omtrent de ontwikkeling van [minderjarige 1] en dat het noodzakelijk is dat de reeds ingezette hulpverlening wordt gecontinueerd. Een ondertoezichtstelling heeft echter naar het oordeel van het hof geen meerwaarde, nu gebleken is dat de bedreigde ontwikkeling van de minderjarige door de inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader kan worden afgewend. Bovendien zal de huidige gezinsvoogd de minderjarige blijven begeleiden, nu hij tevens de rol van jeugdreclasseerder vervult. De raad en Jeugdzorg hebben de positieve ontwikkeling erkend en hebben geen redenen aangevoerd waaruit volgt dat een ondertoezichtstelling thans in het belang van de minderjarige noodzakelijk zou zijn. Het enkel monitoren van de situatie vormt immers geen grond voor een ondertoezichtstelling. Het hof zal de ondertoezichtstelling van de minderjarige dan ook met ingang van heden opheffen.


Ga terug