Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Het Hof Amsterdam vindt alleen ontbreken contact met vader geen reden voor OTS

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op voormelde in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat de gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen. Het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling kan gerechtvaardigd zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor de minderjarige dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling hoge eisen worden gesteld (zie ECLI:NL:HR:2001:AB1009).

4.5.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de gronden voor ondertoezichtstelling van [het kind] ten tijde van de bestreden beschikking van 22 januari 2015 aanwezig waren dan wel thans aanwezig zijn. De enkele omstandigheid dat [het kind] sinds december 2012, afgezien van één omgangsmoment op 18 maart 2015 op het kantoor van De JGB, geen contact heeft gehad met de vader en een omgangsregeling in het vrijwillig kader nochtans niet tot stand komt, vormt onvoldoende grondslag voor het opleggen van een ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling. Dat de thuissituatie van de moeder op dit moment niet duidelijk zou zijn, levert evenmin een toereikende motivering op in de hiervoor bedoelde zin, te meer niet nu geen nader raadsonderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel heeft plaatsgevonden. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt niet dat er thans zorgen zijn over de opvoedingssituatie bij de moeder thuis. In dit verband acht het hof van belang dat de vader ter zitting in hoger beroep expliciet te kennen heeft gegeven dat hij zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van [het kind] uitsluitend heeft ingediend teneinde omgang te bewerkstelligen, alsmede dat de Raad in 2013 een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel niet geïndiceerd achtte.

Maar er komt wel een raadsonderzoek:

  • Welke mogelijkheden zijn er voor een omgangsregeling tussen de minderjarige [het kind] en de vader?-

  • Zijn er factoren die de omgang belemmeren? Zo ja, welke? Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?-

  • Hoe dient de omgang in het belang van de minderjarige [het kind] vorm gegeven te worden?


Ga terug