Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Gronden ots niet langer aanwezig

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

Uit het raadsrapport van 22 augustus 2018 blijkt dat het ziekenhuis waar de moeder bevallen is van [de minderjarige] , een zorgmelding heeft gedaan, omdat de moeder verbaal agressief was en [de minderjarige] afkickverschijnselen vertoonde vanwege het blowen van de moeder tijdens de zwangerschap. Er waren voorts zorgen om de beschikbaarheid van de ouders, omdat zij in beslag werden genomen door emoties, spanningen en strijd na het beƫindigen van hun relatie. [de minderjarige] had niet op regelmatige basis contact met de vader en er was geen zicht op de thuissituatie van de moeder. Onduidelijk was in hoeverre het belaste verleden en de persoonlijke problematiek van de moeder en de vader van invloed was op hun opvoedvaardigheden, om welke reden de raad een persoonlijkheidsonderzoek wilde laten verrichten. Aangezien [de minderjarige] vanwege haar nog zeer jonge leeftijd kwetsbaar en volledig afhankelijk was van haar strijdende, gespannen ouders, was de situatie voor haar onveilig. Nu de inzet van vrijwillige hulverlening voorts onvoldoende resultaat opleverde, heeft de kinderrechter naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die ingrijpen door middel van een ondertoezichtstelling noodzakelijk maakte.

5.7

Mede door de inzet van de hulpverlening van Tzorg en In Verbinding is er sindsdien echter wel zicht gekomen op de thuissituatie van de moeder, alsmede op haar opvoedvaardigheden en haar beschikbaarheid voor [de minderjarige] . Beide instanties hebben de hulpverlening beƫindigd nadat bleek dat de noodzaak daartoe niet meer aanwezig was omdat de moeder over voldoende opvoedcapaciteiten beschikt. In het evaluatieverslag van februari 2019 stelt de persoonlijk begeleider van Tzorg dat de moeder in zeer grote mate in staat is haar leven zelfstandig in te vullen. Ook met [de minderjarige] gaat het goed. Dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt, wordt bevestigd door het consultatiebureau (in het voortgangsverslag van 6 februari 2019) en de huisarts (in een schriftelijke verklaring van 7 februari 2019).

Naar het oordeel van het hof blijkt gezien het vorenstaande niet dat nog steeds sprake is van een concrete, ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . De enige zorg is gelegen in het feit dat [de minderjarige] en de vader al een jaar geen contact hebben en dat geen omgangsregeling tot stand komt. Nog daargelaten dat de enkele omstandigheid dat sinds 6 april 2018 geen omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader tot stand is gekomen, onvoldoende grondslag vormt voor het opleggen van een ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling, constateert het hof dat de moeder zich blijkens het evaluatieverslag van Tzorg positief heeft ontwikkeld. Nu zij bovendien, evenals de vader, ter zitting in hoger beroep herhaaldelijk heeft toegezegd mee te zullen werken aan begeleide omgang, gaat het hof ervanuit dat deze in het drangkader kan en zal worden opgestart.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert het hof dat de gronden voor een ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn. Het hof zal het verzoek van de raad om [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor zover dat ziet op de duur van de maatregel na heden, derhalve afwijzen.


Ga terug