Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

GI geeft geen inzage: binnen 6 weken naar de rechter, anders niet-ontvankelijk

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

De ontvankelijkheid

In artikel 1: 262b van het BW is bepaald dat geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. De kinderrechter neemt in voorkomend geval bij geschillen een zodanige beslissing als hem of haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

 

Uit de stukken van de vader en van de GI, maar ook ter zitting, is gebleken dat de vader deze klachtprocedure heeft doorlopen, waar het gaat om zijn verzoek om inzage/overlegging van het dossier door de GI. De GI heeft als productie 3 de uitspraak van de klachtencommissie van de GI, gedateerd 4 december 2017, in het geding gebracht. De kinderrechter leest dat de klacht van vader ongegrond is bevonden. De vader heeft niet gesteld, en evenmin is de kinderrechter gebleken, dat hij aan de GI te kennen heeft gegeven dat deze klachtprocedure niet conform de regels is verlopen, evenmin heeft de vader gesteld dat hij zich vervolgens tot de rechtbank heeft gewend.
 

In artikel 7.3.17 van de Jeugdwet staat dat de beslissing van de GI die is genomen op grond van deze paragraaf ( paragraaf 7.3, die ziet op ‘toestemming, dossier en privacy’) voor de toepassing van paragraaf 3.3 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, geldt als een beslissing ‘genomen door een ander dan een bestuursorgaan’.

Als we dan de betreffende Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) erbij pakken, is in het tweede lid van artikel 35 (over de toepasselijkheid van het burgerlijk recht bij niet-bestuursorganen) te lezen dat binnen zes weken nadat het antwoord van de GI om het verzoek om inzage was ontvangen, een verzoek bij de rechtbank kan (kon) worden ingediend. Het gaat dan om de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG, waar artikel 15 ziet op het recht om inzage van de betrokkene.
 

Met andere woorden: De kinderrechter is van oordeel dat de vader zich binnen de hierboven genoemde termijn van zes weken tot de rechtbank had kunnen wenden, en – waar het gaat om de ontvankelijkheid van de kinderrechter – ook móeten wenden om een beslissing te krijgen.


Ga terug