Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

GI doet eenvoudig niet wat de rechter heeft bepaald

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

Op 20 december 2017 heeft een zitting plaatsgevonden, waarop zowel het verzoek tot wijziging van de contactregeling als het verzoek tot ondertoezichtstelling is behandeld. Tijdens deze zitting is uitgebreid met de ouders gesproken over de ex-partnerstijd, het onderlinge wantrouwen en het belang van het staken van deze strijd. Afgesproken is dat ouders, al dan niet in het kader van de ondertoezichtstelling, zouden deelnemen aan een hulpverleningstraject bij psychologenpraktijk Aleph in België. Gelet op de expertise van de ouders en de hevigheid van de strijd was gespecialiseerde hulpverlening noodzakelijk.

Vervolgens is [minderjarige] bij beschikking van 3 januari 2018 onder toezicht van de GI gesteld. In deze beschikking is door de kinderrechter duidelijk beschreven wat van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling werd verwacht. Zo moest de GI voortvarend te werk gaan, zodat de voor [minderjarige] noodzakelijke hulp zo snel mogelijk van de grond zou komen. Van beide ouders werd verwacht dat zij hun volledige medewerking zouden verlenen aan de ondertoezichtstelling en in ieder geval het hulpverleningstraject. Dat is echter niet gebeurd.

Uit het de door de GI ingediende ‘voortgangsrapportage’ (die erg summier is en waarin de door de kinderrechter gestelde vragen niet of nauwelijks worden beantwoord) blijkt dat nog steeds geen passende hulpverlening voor [minderjarige] is ingeschakeld. Met de raad en de vader, acht de rechter dit onbegrijpelijk. Er is duidelijk aan de GI meegegeven welke hulp door zowel de raad als de kinderrechter voor [minderjarige] noodzakelijk werd geacht. Ouders hebben ter zitting verklaard bereid te zijn hieraan mee te werken. Onbegrijpelijk is waarom de moeder slechts één dag voor de aanvang van het hulptraject bij Aleph de afspraak heeft afgezegd. Nog onbegrijpelijker is echter waarom de GI op dat moment geen actie heeft ondernomen. De GI lijkt zich klakkeloos te hebben neergelegd bij de weigering van de moeder, terwijl er geen goede redenen waren voor de afbreking van het hulptraject. De reisafstand naar Bocholt was immers al bekend ten tijde van de zitting op 20 december 2017. Ook het feit dat de ex-collega van de moeder inmiddels bij Aleph werkt (overigens niet eens ten tijde van de stopzetting van het traject), maakt niet dat deze hulp dan niet kan worden ingezet. Voor zover de moeder schriftelijk heeft gesteld dat de hulpverleningstrajecten niet van de grond komen door de invloed en manipulatie van de vader, wijst de rechter erop dat het juist de moeder is die ervoor heeft gezorgd dat dit traject niet is gestart. Dit rekent de rechter de moeder aan, zeker omdat de moeder ter zitting van 20 december 2017 haar medewerking had toegezegd. Na de afzegging van de moeder heeft de GI geen actie meer ondernomen en slechts één alternatief hulptraject aangeboden, dat door de vader is afgewezen. Met de vader acht de rechter dit traject (kindercoaching bij aXnaga) gezien de problematiek van de ouders en [minderjarige] niet passend. Niet gebleken is dat de GI daarna nog op enige wijze heeft geprobeerd passende hulp voor [minderjarige] in te schakelen. Ook is niet gebleken of en op welke wijze de GI heeft geprobeerd de contacten tussen de vader en [minderjarige] uit te breiden, terwijl de GI ook hier opdracht toe had gekregen. De gezinsvoogdijwerker is, zonder afmelding en zonder vervanging, niet verschenen op de zitting, waardoor de rechter niet in de gelegenheid was vragen te stellen of opheldering te krijgen over de gang van zaken.

De rechter is alles overwegend van oordeel dat geen uitvoering is gegeven aan de opdrachten die aan de GI waren gegeven in het kader van de ondertoezichtstelling, waardoor er in de afgelopen tien maanden feitelijk niets is veranderd. Dit acht de rechter zeer betreurenswaardig, want er is sprake van een uiterst ernstige situatie. [minderjarige] heeft een negatief vaderbeeld, maar weinig contact met de vader en dringend behoefte aan hulpverlening. De kinderrechter acht het onbegrijpelijk dat de gezinsvoogdijwerker niet meer voortvarend te werk is gegaan en dat geen maatregelen zijn genomen om te garanderen dat de voor [minderjarige] noodzakelijke hulp toch werd ingezet. Hierdoor wordt de rechter nu voor een dilemma geplaatst. Beide ouders verklaren dat zij willen dat de onderhavige procedure omwille van de rust wordt beëindigd, maar op dit moment is nog steeds onduidelijk hoe de omgang tussen de vader en [minderjarige] het beste gestalte kan worden gegeven.

Gelet op de standpunten van de ouders ziet de rechter geen aanleiding de zaak nog langer aan te houden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling. De rechter is van oordeel dat toewijzing van het verzoek niet in het belang is van [minderjarige], omdat dit een aanzienlijke beperking van de contacten tussen de vader en [minderjarige] inhoudt en op dit moment nog steeds onduidelijk is of dat in het belang is van [minderjarige]. De rechter acht contacten met de vader nog steeds van groot belang voor [minderjarige]. Ouders zullen zelf, in overleg met de GI, uitvoering moeten geven aan de contactregeling, waarbij het belang en tempo van [minderjarige] voorop staat. De rechter zal het verzoek van de moeder tot wijziging van de contactregeling daarom afwijzen. Van de GI wordt verwacht dat zij in het kader van de ondertoezichtstelling (die in ieder geval nog tot 3 januari 2019 doorloopt) alsnog probeert passende hulpverlening op gang te brengen en vervolgens, indien mogelijk, de contacten tussen de vader en [minderjarige] uit te breiden. Om het hulpverleningstraject te laten slagen wordt van de GI, juist in deze zaak, verwacht dat zij de leiding neemt, zodat de strijd tussen de ouders wordt beperkt en voorkomen. De rechter verwacht dat de GI hiervan duidelijk en helder verslag zal uitbrengen bij een eventueel in te dienen verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling.


Ga terug