Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Geen OTS: noodzaak onvoldoende onderbouwd

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

   

De beoordeling

Op grond van artikel artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover hier van belang, kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd.

In zijn arrest van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:295) heeft de Hoge Raad geoordeeld

dat niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden.

In het raadsrapport heeft de Raad het volgende overwogen

Er is sprake van een zodanig ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 4] , [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat een kinderbeschermingsmaatregel nodig is in de vorm van een ondertoezichtstelling. Deze maatregel acht de Raad ook voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nodig, omdat beiden deel uit maken van een dezelfde opvoedsituatie als hun zusjes [minderjarige 4] en [minderjarige 3] en zij evenzeer te maken hebben met de onrust. De bedreiging bestaat voornamelijk uit een instabiele en spanningsvolle opvoedomgeving waarin de problematische ouder- en expartnerrelatie de boventoon voeren. De kinderen zijn getuige van de strijd en conflicten geweest tussen ouders. Ouders zijn door hun onderlinge strijd niet in staat gebleken de kinderen buiten hun strijd te houden en hun belangen voorop te stellen. Ouders beschuldigen elkaar van de ontstane situatie en diskwalificeren elkaar als ouder, waardoor een constructieve communicatie en goede omgangsregeling onvoldoende op gang kan komen. Tevens ontbreekt de samenwerking tussen de ouders en staan zij op alle vlakken lijnrecht tegenover elkaar. Zij stellen zich volhardend hierin op en hebben tot nu toe laten zien onvoldoende in staat te zijn om op eigen kracht de huidige situatie ten positieve te veranderen, aldus de Raad.

Ter zitting heeft de raadsvertegenwoordiger toegelicht dat er sprake is van een vechtscheiding en dat dit onrust met zich brengt voor de kinderen. Van kindeigen-problematiek lijkt geen sprake, maar er zou wel hechtingsproblematiek kunnen ontstaan bij de minderjarigen.

Hoewel vaststaat dat de moeder en de vader een verbeten strijd voeren over de omgang tussen de vader en de twee jongste kinderen, heeft de Raad naar het oordeel van de kinderrechter ontoereikend gemotiveerd hoe deze strijd de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Dat de strijd tussen de ouders over de omgang onrust oplevert en dat mogelijk hechtingsproblematiek kan ontstaan, levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling. Ook de stelling van de Raad dat de minderjarigen opgroeien in een instabiele en spanningsvolle opvoedomgeving, acht de kinderrechter onvoldoende onderbouwd. Zo heeft [naam] , jeugd- en gezinscoach, blijkens de raadsrapportage juist gemeld dat de moeder – los van de stress die wordt veroorzaakt door de strijd met de vader – een pedagogisch vaardige en liefdevolle moeder is, die haar kinderen zeer goed verzorgt. Dat beeld wordt, zo valt ook op maken uit het raadsrapport, bevestigd door het bezoek dat de raadsonderzoeker aan de moeder heeft gebracht. Verder heeft [naam] jeugdbeschermer ter zitting nog eens bevestigd dat beide ouders het goed voor hebben met hun kinderen, en dat hij zich geen zorgen maakt over de veiligheid van de twee jongste kinderen bij de vader. Ook van andere concrete signalen, bijvoorbeeld van de school van de minderjarigen of van de huisarts, waaruit zou kunnen blijken dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd is niet gebleken. Dat de ouders kennelijk (nog) niet in staat zijn om in het belang van hun kinderen op volwassen wijze te communiceren en de overdrachtsmomenten ontspannen te laten verlopen, is zorgelijk te noemen, maar rechtvaardigt niet de conclusie dat voldaan is aan de wettelijke gronden om een ondertoezichtstelling te kunnen opleggen.

Verder is de kinderrechter niet gebleken dat de moeder als gezagdragende ouder niet de zorg accepteert die nodig is voor de minderjarigen. De Raad heeft weliswaar gesteld dat volgens de school van [minderjarige 2] de moeder onvoldoende bereid is om hulp voor [minderjarige 2] te accepteren, maar die stelling wordt door de school van [minderjarige 2] weerlegd in de brieven en e-mails die de moeder van de school van [minderjarige 2] heeft overgelegd.
(De RvdK probeert zich achter de school te verschuilen, maar de moeder heeft schriftelijke bewijzen.)

Het grootste punt van discussie lijkt op dit moment de vraag wanneer en op welke wijze de vader omgang kan hebben met de twee jongste minderjarigen, maar inmiddels heeft de vader de rechtbank verzocht om een omgangsregeling vast te stellen, welk verzoek – zoals ter zitting is gebleken – op 30 januari 2017 door de rechter zal worden behandeld.

Nu, zoals hiervoor is vastgesteld, niet is voldaan aan de wettelijke gronden om een ondertoezichtstelling uit te kunnen spreken, zal de kinderrechter het verzoek van de Raad afwijzen.


Ga terug