Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Interessant
<< vorige pagina   
print pagina
 

Discussie n.a.v. het artikel van Harry Berndsen in Nieuwsbrief najaar 2020

Interessant >>

REACTIE OP HARRY BERNDSEN

22 december 2020

Door Peter Prinsen

In de KOG-Nieuwsbrief najaar 2020 stond een pleidooi van drs Harry Berndsen om een wetsartikel uit de Jeugdwet (die de Gemeentelijke Jeugdhulp regelt) ook op te nemen in het Burgerlijk Wetboek (waarin de Jeugdzorg wordt geregeld, ook wel Kinderbescherming, dus de door de kinderrechter opgelegde OTS en UHP). Vrij vertaald zegt artikel 6.1.2 lid 6 Jeugdwet:

een plaatsing in een gesloten inrichting moet de instemming hebben van een gedragskundig doctorandus die de minderjarige met het oog op die plaatsing heeft onderzocht”.

Berndsen bepleit dat ook iedere UHP (in een pleeggezin of residentiële instelling) de instemming zou moeten hebben van een doctorandus psychologie, psychiatrie of pedagogiek.

Beste Harry, Vreemdeling in Jeruzalem. Ik denk niet dat je wel eens een UHP-rapport hebt gelezen van de doctorandussen van:

  • KSCD (Kennis- en Servicecentrum Diagnostiek),
  • KKE  (Kenniscentrum Kind & Echtscheiding),
  • De Viersprong,
  • NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie),
  • ABJ (Ambulant Bureau Jeugdzorg van de beruchte prof.dr. Bullens, 90-er jaren)
  • PPAR (Psychologisch en Psychiatrisch Adviesbureau Rechtspraak, idem),
  • MWKJ (idem)

en vele, vele andere bureaus met doctorandussen, vissers in de Jeugdzorgvijver, en al decennia de plaag van ouders en ouderorganisaties. Hoe kom je anders op het idee om het verziekte Jeugdzorgsysteem te willen genezen met verplichtstelling van nog meer doctorandussen die gebruikt worden om de maatregel van uithuisplaatsing van kinderen te voorzien van een zogenaamd wetenschappelijke onderbouwing. Daardoor zullen nog meer ouders op basis van het rapport van zo’n z.g. “gedragswetenschapper” onverbiddelijk en nodeloos hun kind kwijt raken.

Jeugdwethulp en Kinderbescherming falen, al decennia lang. Je pleidooi klinkt als de redenering “jeugdwethulp en jeugdbescherming met hun doctorandussen falen, dus we moeten meer doctorandussen aanstellen”. Meer van hetzelfde, dus.

Andere zienswijze

Mijn logica zegt iets anders: we moeten in de wet de begrippen “ernstig bedreigde ontwikkeling” en “noodzaak in het belang van verzorging en opvoeding” vervangen door concrete en gedetailleerde feitelijke criteria, een catalogus, niet zoals de DSM V maar ongeveer zo feitelijk als het wetboek van strafrecht. Een “wetboek van kinderbescherming” dus, met daaraan gekoppeld een beslissingsmodel, vergelijkbaar met het wetboek van strafvordering. Als we die criteria en dat beslissingsmodel weten te ontwikkelen en in te voeren, dan kunnen ouders verweer voeren en kan de rechter daaraan toetsen. Dat geeft tevens structuur aan een eventueel hoger beroep. Zolang we dat “wetboek van kinderbescherming” nog niet hebben zouden we beter ons kunnen behelpen met het aloude criterium “bedreigd met de zedelijke of lichamelijke ondergang” (tot 1 november 1995 was dat het wettelijk criterium), ondanks dat woordje “bedreigd”, waar we ook van af moeten.

Omdenken

Het door de Staat onderworpen worden aan een psychologisch onderzoek is een buitengewoon vergaande inbreuk op het privéleven van de ouders en hun kind. Om dat tot ons te laten doordringen is een omwenteling in ons denken nodig: van zero risk naar de acceptatie dat risico’s bij het leven horen. Zero risk is niet alleen een gevaarlijke illusie (denk aan rapporten als Omringd door zorg, toch niet veilig van de commissie‑Samson, maar ook aan misstanden die vroeger plaatsvonden en eerst nu aan de oppervlakte komen inzake adoptie), maar leidt ook tot een “Brave new world”-maatschappij waarin ik niet wil leven. Het zero risk denken is al veel te ver doorgedrongen in de wereld van onderwijs, jeugdhulp, jeugdzorg, en de doctorandussen maken deel uit van die wereld. Het is hun verdienmodel geworden.

Ouders zouden er beter aan doen om, in plaats van het advies van een vreemdeling in Jeruzalem te omarmen, zich te verenigen in een strategisch beraad, dat, outside the box denkend, de fundamentele fouten in de wetgeving bloot legt en oplossingen zoekt.

Strategisch zou dat strategisch beraad zich moeten richten allereerst op het ontvlechten van Jeugdzorg (OTS/UHP, geregeld in het BW) en Jeugdhulp (geregeld in de Jeugdwet). Ja, het klopt dat er grote fouten gemaakt worden door diagnoses, gesteld door te laag gekwalificeerde hulpverleners, waardoor kinderen niet de behandeling krijgen die ze nodig hebben. Maar dat betreft de Jeugdhulpkinderen, niet de OTS/UHP-kinderen. En trouwens ook de doctorandussen stellen diagnoses op verzoek. Maar zolang Jeugdzorg en Jeugdhulp niet ontvlochten worden blijven de lange wachtlijsten en blijven de misdiagnoses bestaan. Zo zijn er nog meer strategisch belangrijke doelstellingen te noteren. Zoals de regel die ik in 1990, net beëdigd als advocaat, in de RAI lanceerde: “Niet anders, maar niet!” Dus, wat de Kinderbescherming betreft: niet meer doctorandussen, maar géén doctorandussen. Concrete feiten, dáár draait het om. Niet om diagnoses. Voor het vaststellen van concrete feiten heb je geen doctorandus psychologie nodig. Zo’n diagnose zegt op zichzelf niets over de vraag of een ondertoezichtstelling of uitthuisplaatsing nodig is: niets, h-e-l-e-m-a-a-l niets. Daar zijn feiten en omstandigheden voor nodig. En vooral niet louter risico’s.

En dan nog wat:

In je samenvatting schrijf je: “De vaardigheden op het gebied van feitenonderzoek en professioneel rapporteren worden opgedaan aan de universiteit en behoren tot het vakgebied van de gedragswetenschapper. Dat geldt ook voor het stellen van een diagnose inzake ontwikkelingsbedreigingen van een minderjarige.” Met alle respect, ik geloof toch dat het iets anders zit. Noch “ernstige ontwikkelingsbedreiging” (art. 1:255 BW) noch “noodzaak in het belang van verzorging en opvoeding” (art. 1:265b BW) is als stoornis te vinden in de nomenclatuur van DSM V, het handboek van de gedragskundige. De gedragskundige onderzoekt of een gedrags- of mentale stoornis aanwezig is op basis van autoanamnese en heteroanamnese. Op basis van die anamneses, van ingevulde vragenlijsten en een interview, en na uitsluiting van mogelijke differentiële diagnoses, komt hij tot een diagnose.

De ouder die het met de heteroanamnese niet eens is omdat de feiten niet kloppen, die “prima in zijn vel zit”, of uitstekend zelf zijn problemen kan oplossen, eventueel met zelf-ingeschakelde hulp, leest vaak in het rapport van de doctorandus: “Betrokkene heeft geen ziektebesef en ‑inzicht” Ja, zó kan ik het ook…!

Peter Prinsen,

22 december 2020

 

Op 3 januari schrijft Harry Berndsen een reactie hierop:

https://www.stichtingkog.info/media/20210104_NIEUWSBRIEF_KOG_NAJAAR_2020.pdf


Ga terug