Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Nuttig om te weten
<< vorige pagina   
print pagina
 

De wet stond het toe, maar het AMK vreesde pedagogische verwaarlozing

Nuttig om te weten >>

OVERWEGINGEN

Uit de door klagers in het eerste gesprek met medewerkers van het AMK overgelegde brief van de
gemeente [gemeente] bleek dat klagers voldoen aan de voorwaarden in de artikelen 5b, 6 en 8 van de
Leerplichtwet om vrijgesteld te zijn van de leerplicht en dus van de verplichting hun kinderen school
te sturen. Op grond van artikel 1:247 BW en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM dienen zij
er wel voor te zorgen dat hun kinderen toch onderwijs krijgen. Klagers voldoen hieraan door het geven
van thuisonderwijs. Verder is van belang dat blijkens jurisprudentie meerdere malen door rechters is
beslist dat de enkele omstandigheid dat een kind dat geen schoolonderwijs krijgt, maar vervangend
thuisonderwijs, niet in zijn ontwikkeling wordt bedreigd zoals bedoeld in artikel 1:254 lid 1 van het
Burgerlijk Wetboek (zie mr. J. Sperling in School en Wet september 2008).

Met betrekking tot de klachten 1 en 2 overweegt de klachtencommissie het volgende. Bij de
beoordeling is van cruciaal belang of de anonieme melding bij het Advies-en Meldpunt
Kindermishandeling andere zorgpunten bevatte dan het niet naar school gaan van in principe
leerplichtige kinderen en als gevolg daarvan pedagogische verwaarlozing. Noch uit de schriftelijk
stukken, noch uit de mondelinge toelichting van beklaagden ter hoorzitting is van andere zorgpunten
iets gebleken. Hoewel inmiddels bekend was dat klagers vrijstelling hadden van leerplicht, werd in het
multidisciplinaire overleg van 6 januari 2011 toch besloten het onderzoek voort te zetten. Zonder
nadere onderbouwing wordt in het verweer gesteld dat het ontbreken van school aanleiding was, maar
dat op basis van de melding toch besloten werd dat er sprake was van een gegrond vermoeden van
kindermishandeling. Dat heeft de klachtencommissie niet overtuigd.

Vervolgens maakten klagers bezwaar tegen het uit de voortzetting van het onderzoek voortvloeiende
benaderen van de informanten. In de brief van 20 januari 2011 aan klagers schrijven beklaagden dat in
de Wet op de jeugdzorg is vastgelegd dat het AMK ook zonder toestemming van ouders het recht
heeft informatie op te vragen. In het door beklaagden bij klacht 2 aangehaalde citaat uit het Protocol
van handelen AMK staat dat dit besluit gemotiveerd moet worden. Ook hier wordt niet inhoudelijk
gemotiveerd waarom het AMK door wilde gaan met het onderzoek en toch nog informanten wilde
benaderen. Het gestelde in de brief van beklaagden aan klagers van 7 maart 2011 :“Hoewel het bieden
van thuisonderwijs volgens de wet is toegestaan etc” (zie VERWEER) wekt de indruk dat het Adviesen Meldpunt Kindermishandeling wil nagaan of het gebruik maken van een wettelijke mogelijkheid
tot thuisonderwijs mogelijk kindermishandeling is, hetgeen niet de bedoeling kan zijn en ook strijdig
is met de hiervoor geciteerde jurisprudentie. Gezien het voorgaande verklaart de klachtencommissie de
klachten 1 en 2 gegrond.

Met betrekking tot klacht 3 heeft de klachtencommissie geen reden om aan te nemen dat de
medewerkers van het AMK anders hebben gehandeld dan het bij het verweer op klacht 2 vermelde
citaat uit het Protocol aangeeft. Klagers hebben hun informatie uit tweede hand en hebben ook niet
aannemelijk gemaakt dat de AMK-medewerkers de schoolarts onder druk hebben gezet. Bovendien is
na door de schoolarts gemaakt bezwaar de vergaarde informatie uit het dossier verwijderd. De
klachtencommissie verklaart deze klacht ongegrond.

Met betrekking tot klacht 4 voor zover betrekking hebbend op het alsnog willen voeren van een
gesprek met de kinderen verwijst de klachtencommissie naar haar overwegingen bij de klachten 1 en 2
en verklaart deze klacht gegrond.

Met betrekking tot klacht 4 voor zover betrekking hebbend op de inhoud van de toegezonden folder,
met daarin expliciete referenties aan seksueel misbruik van kinderen, is de klachtencommissie van
mening dat het daarin gestelde voor de gemiddelde Nederlander niet aanstootgevend is en mede door
zijn concreetheid kan bijdragen aan het op het spoor komen van seksueel misbruik van kinderen.
Bovendien was de brief gericht aan de ouders. De klachtencommissie verklaart deze klacht ongegrond.

AANBEVELING

Klagers verzochten ter hoorzitting de directie om vernietiging van het dossier (zie laatste alinea
KLACHTEN). Gezien de overwegingen en de uitspraak van de klachtencommissie over de klachten 1
en 2 adviseert de commissie de directie dit verzoek in te willigen. De vernietiging van
persoonsgegevens op verzoek is geregeld in artikel 19 van het van toepassing zijnde Privacyreglement.
Mocht de directie niet kunnen instemmen met de vernietiging van het dossier dan adviseert de
klachtencommissie om bij deze beslissing een rechtsmiddelenverwijzing op te nemen, waarin klagers

pagina 4 van 6


gewezen wordt op de mogelijkheid van een verzoekschriftprocedure bij de civiele rechter ex van de
Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), eventueel voorafgegaan door een verzoek om advies c.q.
bemiddeling bij het CBP op grond van artikel 47 van de Wbp.

UITSPRAAK

De klachtencommissie verklaart de klachten 1 en 2 gegrond, klacht 3 ongegrond en klacht 4 deels
gegrond en deels ongegrond zoals in de overwegingen aangegeven.

De beslissing is gegeven te Amsterdam op 11 april 2011 door de heer B.R.A. Maassen (voorzitter),
mevrouw mr. G. Bosch-Nienhuis (lid), en de heer P. Spaans (lid), in tegenwoordigheid van de heer

G.H. Gerritsen (secretaris) en op 18 april 2011 verzonden aan betrokkenen.
pagina 5 van 6


Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam
 


Ga terug