Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

De Rechtbank wijst verzoek van de GI om gedeeltelijk gezag voor medische behandeling af

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

4 De beoordeling

De GI heeft op grond van artikel 1:265e, eerste lid onder b, BW verzocht om een gedeeltelijke gezagsuitoefening voor een medische behandeling. De kinderrechter kan op basis van voornoemd artikel het gezag van ouders ten aanzien van het geven van toestemming voor een medische behandeling overhevelen naar de GI als het gaat om een minderjarige jonger dan twaalf jaar of een minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Dit wetsartikel is bedoeld om de GI in algemene zin bevoegd te maken om over elke medische behandeling van de onder toezicht gestelde minderjarige te beslissen. In artikel 1:265h BW is neergelegd dat de kinderrechter verzocht kan worden om voor een specifieke medische behandeling toestemming te geven, ondanks dat de ouders met gezag hier niet mee instemmen. De reikwijdte op grond van het verzochte op basis van artikel 1:265 e eerste lid onder b, BW gaat dan ook verder dan zoals dit bedoeld is in artikel 1:265h BW.

Als volstaan kan worden met een eenmalige vervangende toestemming op basis van artikel 1:265h BW dan is het overhevelen van het gezag ten aanzien van elke medische behandeling niet gelegitimeerd. Dit zou immers dan in strijd zijn met artikel 8 EVRM (Europees Verdrag van de Rechten van de Mens).

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat observatie en diagnostiek in de vorm van een persoonlijkheidsonderzoek noodzakelijk is om te komen tot een passend behandelaanbod en vervolgtraject voor [minderjarige]. Zowel de moeder als [minderjarige] zouden het belang van dit onderzoek inzien en hun toestemming hebben verleend. De vader zou tot op heden geen toestemming hebben verleend en voor onbepaalde tijd naar [geboorteland] zijn vertrokken. Hieruit volgt dat volstaan zou kunnen worden met een eenmalige vervangende toestemming op basis van artikel 1:265h BW doch dit is door de GI niet verzocht zodat toewijzing van het huidige verzoek in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM. Het verzoek van de GI zal dan ook worden afgewezen.

Ten overvloede wenst de kinderrechter het navolgende nog op te merken. Zowel op grond van artikel 1: 265 e BW als op grond van artikel 1:265h BW is toewijzing van dergelijke verzoeken bij een minderjarige van twaalf jaar of ouder slechts mogelijk indien deze minderjarige niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn of haar belangen. Nu niet gesteld noch gebleken is dat [minderjarige] niet in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen zou ook om die reden afwijzing van het verzoek dienen plaats te vinden.


Ga terug