Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

De raad heeft naar het oordeel van het hof medewerkers in dienst met voldoende deskundige kennis om te kunnen beoordelen of statusvoorlichting wenselijk is voor kind

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
2.3

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.4

Na de mondelinge behandeling heeft de behandelende meervoudige kamer van het hof van de griffie van het hof een brief van mr. Koekebakker voornoemd ontvangen van 21 juni 2017 met als bijlagen producties 11 tot en met 14. Het hof is van oordeel dat deze brief met producties als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze brief zonder noodzaak na de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling is ingekomen ter griffie van het hof, de belanghebbenden zich daarop niet hebben kunnen voorbereiden en tijdens de mondelinge behandeling daarop niet hebben kunnen reageren.

 

Is [ex-partner] belanghebbende?

5.3

Voorts heeft de moeder bezwaar gemaakt tegen het aanmerken van [ex-partner] in de onderhavige procedure als belanghebbende, omdat [ex-partner] geen gezag heeft. Zij heeft daarbij verwezen naar de beschikking van de Hoge Raad van 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665. In lijn met deze uitspraak heeft de raad [ex-partner] ten onrechte geïnformeerd over het verzoek tot ondertoezichtstelling en heeft de raad ten onrechte alle informatie met betrekking tot de ondertoezichtstelling opgenomen in het rapport dat betrekking had op het onderzoek naar de mogelijkheden voor een omgangsregeling zoals door [ex-partner] was verzocht.

[ex-partner] stelt dat de stelling van de moeder onder verwijzing naar voormelde beschikking van de Hoge Raad op zich juist is, met dien verstande dat uit de bespreking van de prejudiciële vraag die aan de orde was in genoemde beschikking ook blijkt dat het aan de rechter is voorgehouden te allen tijde belanghebbenden, bekenden, of onbekende, op te roepen. Het is de rechter, niet de verzoeker, die bepaalt wie tot de kring van belanghebbenden behoort. Artikel 282 lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat iedere belanghebbende tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift kan indienen. Het hof heeft [ex-partner] bij schrijven van 24 mei 2017 daartoe gelegenheid geboden.

De raad heeft aangegeven dat in het onderzoek geen onderscheid wordt gemaakt in ouders met en zonder gezag. Er is gehandeld overeenkomstig het Kwaliteitskader van de raad, ook indien het hof van oordeel is dat [ex-partner] geen belanghebbende is.

5.4

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv onder belanghebbende wordt verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Volgens vaste rechtspraak (recent bevestigd door de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2014:2665) worden tot de in artikel 798 lid 1 Rv bedoelde rechten en verplichtingen gerekend de door internationale verdragen beschermde rechten, voor zover daarop door de burger rechtstreeks een beroep kan worden gedaan (zoals het recht op ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM. Bij Wet tot herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130), die op 1 januari 2015 in werking is getreden, is voorts aan artikel 798, eerste lid, Rv een (tweede) volzin toegevoegd waarin wordt bepaald dat ook degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, als belanghebbende wordt aangemerkt. Naar de Hoge Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) naar aanleiding van aan hem voorgelegde prejudiciële vragen, kan de niet met het gezag beklede ouder in het kader van een ondertoezichtstelling niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 en dus evenmin als belanghebbende in de zin van art. 806 lid 1 Rv, omdat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de met gezag belaste ouder en de minderjarige en aldus rechtstreeks betrekking heeft op de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende rechten en verplichtingen. Het hof voegt hieraan toe dat, indien daartoe bijzondere aanleiding bestaat, een ouder zonder gezag kan worden aangemerkt als belanghebbende in een procedure waarin de maatregel van de ondertoezichtstelling centraal staat. In de onderhavige procedure is naar het oordeel van het hof sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat [ex-partner] rechtstreeks wordt getroffen in haar rechten en verplichtingen. De grond voor de ondertoezichtstelling is volgens de raad namelijk met name gelegen in het feit dat statusvoorlichting moet plaatsvinden aan [kind] over [ex-partner] . Deze statusvoorlichting is ook noodzakelijk voordat eventueel contact tussen [kind] en [ex-partner] tot stand kan worden gebracht. [ex-partner] wordt hierdoor rechtstreeks in zijn belang getroffen. Daarom wordt [ex-partner] in deze procedure, ondanks het feit dat hij geen gezag heeft, wel als belanghebbende aangemerkt.
 

standpunt van [ex-partner]

5.8

betwist de stellingen van de moeder. De pogingen om omgang met [kind] van de grond te krijgen zijn gestaakt, omdat de moeder dat op alle fronten gedurende meerdere jaren heeft tegengewerkt. Er was zelfs sprake van een beschuldigingen van seksueel misbruik. De strijd was belastend voor [kind] . De afgelopen jaren was [ex-partner] druk met zichzelf in verband met de geslachtsverandering. Inmiddels heeft zij een stabiele situatie, zij heeft eigen woonruimte en een partner. De rechtbank heeft de moeder in de laatste beschikking inzake de omgang een informatieplicht opgelegd, maar hieraan geeft de moeder geen uitvoering. In het geval van een ondertoezichtstelling zal voor het eerst goed worden gekeken naar de belangen van [kind] . Er is sprake van een bedreigde ontwikkeling van [kind] . Uit het rapport van de raad en stellingen van de moeder kan worden afgeleid dat de moeder [kind] belast met haar eigen angsten. De moeder is achterdochtig en maakt met veel mensen in haar omgeving ruzie. Het staat nog helemaal niet vast of, en zo ja, wanneer [kind] een omgangsregeling aankan. Een eerste stap is een onderzoek of [kind] statusvoorlichting aankan.

standpunt van de GI

5.9

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat eerst met de ouders contact zal worden gelegd. De jeugdzorgwerker heeft [ex-partner] inmiddels gesproken. De moeder heeft het contact nog afgehouden, omdat zij eerst de uitkomst van deze procedure wil afwachten. [kind] heeft in beginsel recht op contact met allebei zijn ouders. De eerste stap zal zijn te onderzoeken of [kind] het aankan om de statusvoorlichting op te pakken. Daarvoor heeft de GI de medewerking van de moeder nodig en zullen mogelijk ook al professionals worden ingeschakeld. [instelling] zal daarover ook benaderd worden. Deze eerste stap moet zo weinig mogelijk onrust veroorzaken bij [kind] . Wanneer geconstateerd wordt dat statusvoorlichting op dit moment nog niet kan plaats vinden dan zal ook geen omgang worden geadviseerd. Indien statusvoorlichting wel mogelijk blijkt te zijn, zal dit met behulp van een professional moeten gaan geschieden.

het oordeel van het hof

5.10

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

5.11

Het hof acht, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, aannemelijk dat [kind] bij het uitblijven van de verzochte ondertoezichtstelling zodanig zal opgroeien dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is door de moeder onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting gerechtvaardigd is dat de moeder niet in staat is binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen. Daartoe overweegt het hof voorts nog het volgende.

5.12

Mede in het licht van het algemene uitgangspunt dat het voor een evenwichtige ontwikkeling van een kind belangrijk is dat hij een goede band kan opbouwen en onderhouden met zijn beide ouders, heeft de raad voldoende onderbouwd dat het in de situatie van [kind] wenselijk is dat wordt ingezet op de mogelijkheden van contact met de niet-verzorgende ouder en dat in verband met de ingrijpende verandering die [ex-partner] als vader heeft ondergaan eerst statusvoorlichting noodzakelijk is. Volgens de raad moet statusvoorlichting zo spoedig mogelijk gebeuren, dan wel worden onderzocht of [kind] klaar is voor een statusvoorlichting. De raad heeft naar het oordeel van het hof medewerkers in dienst met voldoende deskundige kennis om te kunnen beoordelen of statusvoorlichting wenselijk is voor [kind] . Vast staat dat [kind] een kwetsbaar kind is met beperkingen op meerdere gebieden. Of [kind] op dit moment voldoende draagkracht heeft voor de statusvoorlichting wil de GI nader onderzoeken. Aan de hand van de visie van de raad en hetgeen alle belanghebbenden naar voren hebben gebracht, constateert het hof dat de moeder op vrijwillige basis geen medewerking aan het hele traject naar statusvoorlichting zal verlenen. Zij heeft een diepgeworteld wantrouwen jegens [ex-partner] ontwikkeld en is nog niet in staat vanuit het belang van [kind] op objectievere wijze naar [ex-partner] te kijken en medewerking te verlenen aan pogingen om [ex-partner] op een positieve manier een plek te geven bij [kind] . Daarom is het noodzakelijk dat de GI de belangen van [kind] gaat behartigen en (het onderzoek naar) de statusvoorlichting professioneel en deskundig gaat regisseren.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven van de moeder en daarom zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

standpunt van [ex-partner]

5.8

betwist de stellingen van de moeder. De pogingen om omgang met [kind] van de grond te krijgen zijn gestaakt, omdat de moeder dat op alle fronten gedurende meerdere jaren heeft tegengewerkt. Er was zelfs sprake van een beschuldigingen van seksueel misbruik. De strijd was belastend voor [kind] . De afgelopen jaren was [ex-partner] druk met zichzelf in verband met de geslachtsverandering. Inmiddels heeft zij een stabiele situatie, zij heeft eigen woonruimte en een partner. De rechtbank heeft de moeder in de laatste beschikking inzake de omgang een informatieplicht opgelegd, maar hieraan geeft de moeder geen uitvoering. In het geval van een ondertoezichtstelling zal voor het eerst goed worden gekeken naar de belangen van [kind] . Er is sprake van een bedreigde ontwikkeling van [kind] . Uit het rapport van de raad en stellingen van de moeder kan worden afgeleid dat de moeder [kind] belast met haar eigen angsten. De moeder is achterdochtig en maakt met veel mensen in haar omgeving ruzie. Het staat nog helemaal niet vast of, en zo ja, wanneer [kind] een omgangsregeling aankan. Een eerste stap is een onderzoek of [kind] statusvoorlichting aankan.

standpunt van de GI

5.9

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat eerst met de ouders contact zal worden gelegd. De jeugdzorgwerker heeft [ex-partner] inmiddels gesproken. De moeder heeft het contact nog afgehouden, omdat zij eerst de uitkomst van deze procedure wil afwachten. [kind] heeft in beginsel recht op contact met allebei zijn ouders. De eerste stap zal zijn te onderzoeken of [kind] het aankan om de statusvoorlichting op te pakken. Daarvoor heeft de GI de medewerking van de moeder nodig en zullen mogelijk ook al professionals worden ingeschakeld. [instelling] zal daarover ook benaderd worden. Deze eerste stap moet zo weinig mogelijk onrust veroorzaken bij [kind] . Wanneer geconstateerd wordt dat statusvoorlichting op dit moment nog niet kan plaats vinden dan zal ook geen omgang worden geadviseerd. Indien statusvoorlichting wel mogelijk blijkt te zijn, zal dit met behulp van een professional moeten gaan geschieden.

het oordeel van het hof

5.10

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

5.11

Het hof acht, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, aannemelijk dat [kind] bij het uitblijven van de verzochte ondertoezichtstelling zodanig zal opgroeien dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is door de moeder onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting gerechtvaardigd is dat de moeder niet in staat is binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen. Daartoe overweegt het hof voorts nog het volgende.

5.12

Mede in het licht van het algemene uitgangspunt dat het voor een evenwichtige ontwikkeling van een kind belangrijk is dat hij een goede band kan opbouwen en onderhouden met zijn beide ouders, heeft de raad voldoende onderbouwd dat het in de situatie van [kind] wenselijk is dat wordt ingezet op de mogelijkheden van contact met de niet-verzorgende ouder en dat in verband met de ingrijpende verandering die [ex-partner] als vader heeft ondergaan eerst statusvoorlichting noodzakelijk is. Volgens de raad moet statusvoorlichting zo spoedig mogelijk gebeuren, dan wel worden onderzocht of [kind] klaar is voor een statusvoorlichting. De raad heeft naar het oordeel van het hof medewerkers in dienst met voldoende deskundige kennis om te kunnen beoordelen of statusvoorlichting wenselijk is voor [kind] . Vast staat dat [kind] een kwetsbaar kind is met beperkingen op meerdere gebieden. Of [kind] op dit moment voldoende draagkracht heeft voor de statusvoorlichting wil de GI nader onderzoeken. Aan de hand van de visie van de raad en hetgeen alle belanghebbenden naar voren hebben gebracht, constateert het hof dat de moeder op vrijwillige basis geen medewerking aan het hele traject naar statusvoorlichting zal verlenen. Zij heeft een diepgeworteld wantrouwen jegens [ex-partner] ontwikkeld en is nog niet in staat vanuit het belang van [kind] op objectievere wijze naar [ex-partner] te kijken en medewerking te verlenen aan pogingen om [ex-partner] op een positieve manier een plek te geven bij [kind] . Daarom is het noodzakelijk dat de GI de belangen van [kind] gaat behartigen en (het onderzoek naar) de statusvoorlichting professioneel en deskundig gaat regisseren.

 

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven van de moeder en daarom zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

standpunt van [ex-partner]

5.8

betwist de stellingen van de moeder. De pogingen om omgang met [kind] van de grond te krijgen zijn gestaakt, omdat de moeder dat op alle fronten gedurende meerdere jaren heeft tegengewerkt. Er was zelfs sprake van een beschuldigingen van seksueel misbruik. De strijd was belastend voor [kind] . De afgelopen jaren was [ex-partner] druk met zichzelf in verband met de geslachtsverandering. Inmiddels heeft zij een stabiele situatie, zij heeft eigen woonruimte en een partner. De rechtbank heeft de moeder in de laatste beschikking inzake de omgang een informatieplicht opgelegd, maar hieraan geeft de moeder geen uitvoering. In het geval van een ondertoezichtstelling zal voor het eerst goed worden gekeken naar de belangen van [kind] . Er is sprake van een bedreigde ontwikkeling van [kind] . Uit het rapport van de raad en stellingen van de moeder kan worden afgeleid dat de moeder [kind] belast met haar eigen angsten. De moeder is achterdochtig en maakt met veel mensen in haar omgeving ruzie. Het staat nog helemaal niet vast of, en zo ja, wanneer [kind] een omgangsregeling aankan. Een eerste stap is een onderzoek of [kind] statusvoorlichting aankan.

standpunt van de GI

5.9

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat eerst met de ouders contact zal worden gelegd. De jeugdzorgwerker heeft [ex-partner] inmiddels gesproken. De moeder heeft het contact nog afgehouden, omdat zij eerst de uitkomst van deze procedure wil afwachten. [kind] heeft in beginsel recht op contact met allebei zijn ouders. De eerste stap zal zijn te onderzoeken of [kind] het aankan om de statusvoorlichting op te pakken. Daarvoor heeft de GI de medewerking van de moeder nodig en zullen mogelijk ook al professionals worden ingeschakeld. [instelling] zal daarover ook benaderd worden. Deze eerste stap moet zo weinig mogelijk onrust veroorzaken bij [kind] . Wanneer geconstateerd wordt dat statusvoorlichting op dit moment nog niet kan plaats vinden dan zal ook geen omgang worden geadviseerd. Indien statusvoorlichting wel mogelijk blijkt te zijn, zal dit met behulp van een professional moeten gaan geschieden.

het oordeel van het hof

5.10

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

5.11

Het hof acht, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, aannemelijk dat [kind] bij het uitblijven van de verzochte ondertoezichtstelling zodanig zal opgroeien dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is door de moeder onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting gerechtvaardigd is dat de moeder niet in staat is binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen. Daartoe overweegt het hof voorts nog het volgende.

5.12

Mede in het licht van het algemene uitgangspunt dat het voor een evenwichtige ontwikkeling van een kind belangrijk is dat hij een goede band kan opbouwen en onderhouden met zijn beide ouders, heeft de raad voldoende onderbouwd dat het in de situatie van [kind] wenselijk is dat wordt ingezet op de mogelijkheden van contact met de niet-verzorgende ouder en dat in verband met de ingrijpende verandering die [ex-partner] als vader heeft ondergaan eerst statusvoorlichting noodzakelijk is. Volgens de raad moet statusvoorlichting zo spoedig mogelijk gebeuren, dan wel worden onderzocht of [kind] klaar is voor een statusvoorlichting. De raad heeft naar het oordeel van het hof medewerkers in dienst met voldoende deskundige kennis om te kunnen beoordelen of statusvoorlichting wenselijk is voor [kind] . Vast staat dat [kind] een kwetsbaar kind is met beperkingen op meerdere gebieden. Of [kind] op dit moment voldoende draagkracht heeft voor de statusvoorlichting wil de GI nader onderzoeken. Aan de hand van de visie van de raad en hetgeen alle belanghebbenden naar voren hebben gebracht, constateert het hof dat de moeder op vrijwillige basis geen medewerking aan het hele traject naar statusvoorlichting zal verlenen. Zij heeft een diepgeworteld wantrouwen jegens [ex-partner] ontwikkeld en is nog niet in staat vanuit het belang van [kind] op objectievere wijze naar [ex-partner] te kijken en medewerking te verlenen aan pogingen om [ex-partner] op een positieve manier een plek te geven bij [kind] . Daarom is het noodzakelijk dat de GI de belangen van [kind] gaat behartigen en (het onderzoek naar) de statusvoorlichting professioneel en deskundig gaat regisseren.

 


Ga terug