Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

De ouders staan open voor hulp

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
5.6

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er met name ten aanzien van [de minderjarige 1] zorgen zijn over zijn ontwikkeling in relatie tot zijn problemen en niet zozeer ten aanzien van de andere minderjarigen. Gebleken is dat de raad aanvankelijk naar aanleiding van het raadsonderzoek heeft willen verwijzen naar hulpverlening in het vrijwillig kader met toewijzing van een casusregisseur zonder oplegging van een ondertoezichtstelling. Op basis van nader ingekomen informatie van de verloskundige en de kraamzorg heeft de raad dit voornemen herzien. De ouders hebben zich echter niet kunnen uitspreken over deze nader ingekomen informatie.

5.7

Naar het oordeel van het hof volgt, uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, dat ten aanzien van [de minderjarige 1] bij alle betrokkenen zorgen bestaan over zijn ontwikkeling als gevolg van zijn kindeigen problemen, waarvoor hij hulpverlening nodig heeft. Het hof is, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, echter van oordeel dat de ouders niet onwelwillend tegenover de hulpverlening staan of de hulpverlening belemmeren of niet (voldoende) accepteren. Gebleken is dat de vader veel hulpverlening zelfstandig heeft ingeschakeld en geregeld, waaronder de school van [de minderjarige 1] bij [stichting voor geestelijke gezondheidszorg] , dat de vader al langere tijd ondersteund wordt door zijn ambulant begeleider en dat binnenkort gezinsondersteuning zal gaan starten. Dat er in het hulpverleningstraject enkele wisselingen van hulpverlening hebben plaatsgevonden heeft de vader aldus verklaard dat de hulp niet langer gefinancierd kon worden door de gemeente en dat een of meer hulpverlenende instantie(s) na enige tijd zelf te kennen gaf/ gaven dat zij [de minderjarige 1] niet de voor hem noodzakelijke hulp kon(den) bieden. De vader heeft ter zitting erkend dat de communicatie tussen de ouders en de hulpverleners, onder meer vanwege zijn eigen beperking, niet altijd naar behoren verloopt. Naar zijn mening ligt het eraan op welke wijze de ouders bejegend worden en of de gemaakte afspraken vanuit de hulpverlening worden nagekomen. Voorts is gebleken dat de hulpverlening over het algemeen naar behoren verloopt en dat de minderjarigen alle drie in het zicht van de hulpverleners zijn.

5.8

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof van meet af aan niet aan niet voldaan aan de gronden van artikel 1:255 lid 1 BW op basis waarvan een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en het inleidend verzoek van de raad alsnog afwijzen.


Ga terug