Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

De moeder staat nu open voor hulpverlening: geen verlenging ots

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake meer is en overweegt daartoe het volgende. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling waren er de nodige zorgen in het gezin van de moeder en de stiefvader; er waren twijfels over de veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de moeder en de stiefvader vanwege mogelijk huiselijk geweld waarover [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de raad hebben gesproken, over de afhankelijkheid van de moeder ten opzichte van de stiefvader en over de wantrouwende houding van de moeder en de stiefvader richting de hulpverlening. Daarbij bestonden er twijfels over het probleeminzicht van de moeder en de stiefvader evenals over hun opvoedvaardigheden en legde de slechte gezondheidssituatie van [minderjarige 3] een grote druk op de draaglast van de moeder.

Ter zitting van het hof heeft de GI verklaard dat er rust en stabiliteit in de gezinssituatie is gekomen nu [minderjarige 3] niet meer thuis woont en dat er voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geen thuisbegeleiding is ingezet en er thans geen concrete doelen zijn waar aan wordt gewerkt.

Bij aanvang van de ondertoezichtstelling waren de moeder en de stiefvader niet bereid hulpverlening te accepteren die erop was gericht de ontwikkelingsbedreiging van zowel [minderjarige 2] en [minderjarige 1] als [minderjarige 3] weg te nemen. Inmiddels is het hof ter zitting uit hetgeen zowel de moeder als de GI hebben verklaard gebleken dat er een samenwerkingsverband tot stand is gekomen waarbij de moeder en de stiefvader een open houding aannemen, hulpverlening accepteren en hieraan hun medewerking verlenen. De moeder heeft ter zitting van het hof toegezegd dat zij en de stiefvader de hulpverlening ook in het vrijwillige kader zullen blijven accepteren; ook voor wat betreft het door de GI genoemde doel om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in contact te brengen met de vader.

3.7.3.Het hof onderkent dat er nog wel zorgen zijn over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , waarbij te denken valt aan de toch nog wel bestaande onduidelijkheid over de wijze waarop moeder en stiefvader met hun onderlinge meningsverschillen omgaan en het (ontbreken van) contact met hun vader. Het hof acht echter op grond van hetgeen hiervoor is overwogen een ondertoezichtstelling thans een te zwaar middel om de nog bestaande zorgen weg te nemen, temeer nu het hof van oordeel is dat verwacht kan worden dat deze zorgen in het vrijwillige kader kunnen worden weggenomen.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, deels dient te worden vernietigd en het verzoek van de raad alsnog dient te worden afgewezen met ingang van heden.


Ga terug