Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

De enkele mogelijkheid van een bedreiging voor de ontwikkeling van het kind biedt onvoldoende basis voor de toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling.

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW/Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.8.3.

Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de maatregel uitspreekt zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, maar (onder meer) ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat het kind zodanig opgroeit dat het in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging voor zijn ontwikkeling opleveren. In een dergelijk geval moeten evenwel aan de motivering van de toewijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling hoge eisen worden gesteld. Zo levert de enkele kans dat het ontbreken of niet nakomen van een omgangsregeling voor het kind nadelig of schadelijk zal zijn, onder meer omdat het daardoor in een loyaliteitsconflict zou kunnen komen te verkeren, geen toereikende motivering op. (Vgl. HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073)

3.8.4.

Het niet meewerken door de verzorgende ouder aan de omgang tussen het kind en de andere ouder kan meebrengen dat het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, maar daarvan is niet per definitie sprake. Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee dat een ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW eerst valt aan te nemen wanneer in de actuele situatie van het kind concrete, niet mis te verstane, aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden. De enkele mogelijkheid van een bedreiging voor de ontwikkeling van het kind biedt onvoldoende basis voor de toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling.

3.8.5.

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de kinderen, zelfs afgezien van de problematiek ten aanzien van de contactregeling, ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Deze ontwikkelingsbedreiging uit zich bijvoorbeeld en met name in de wijze waarop de moeder met de kinderen omgaat in haar positiebepaling naar de vader toe. Uit de verslagen van de IPT-er van 2 en 9 maart 2016 blijkt dat de moeder voor de kinderen een onveilige situatie schept door hysterisch te reageren op de contacten met de vader en door de kinderen tegen de vader op te zetten, ten gevolge waarvan de kinderen overstuur raken. Hoewel de moeder aangeeft dat zij haar houding zal verbeteren, is tot op heden niet gebleken dat zij hierin is geslaagd. Het hof acht deze houding van de moeder een reƫle bedreiging voor een evenwichtige ontwikkeling van de kinderen.


Ga terug