Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Bjz trekt verzoek verlenging ots voor omgang in, de vader verzoekt verlenging en de Rechtbank Rotterdam verlengt.

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

Ter zitting van 6 november 2013 heeft de stichting medegedeeld dat zij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling intrekt, omdat de stichting in de huidige situatie van de minderjarige geen aanleiding meer ziet om de ondertoezichtstelling voort te zetten. De stichting kan niet beoordelen hoe de situatie in het verleden is geweest en dat er geen contact is geweest met de vader, maar heeft gekeken naar de huidige situatie. De stichting ziet dat het goed gaat met de minderjarige zowel thuis als op school en ziet geen bedreigingen voor zijn ontwikkeling.

Ten aanzien van het contact met de vader: de stichting heeft inspanningen geleverd om contactherstel met de vader te bereiken. De minderjarige heeft echter zelf aangegeven dat hij geen contact met de vader wenst en dat de vader een voor hem onbekende persoon is. Het is fijn om te weten dat de vader er voor de minderjarige is en dat hij contact wil, maar de stichting wil hierin het tempo van de minderjarige volgen en ziet geen aanleiding om dit in het gedwongen kader tot stand te brengen.

De moeder heeft bij monde van haar advocaat te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het standpunt van de stichting. De ouders kunnen figuurlijk gesproken niet door één deur en de moeder is verbolgen over het feit dat de vader tot op heden heeft geweigerd kinderalimentatie te betalen. De minderjarige wil zijn vader niet zien en hij heeft de foto die vader heeft gestuurd verscheurd. Volgens de moeder heeft de minderjarige geen behoefte aan contact met zijn vader. De vader is een onbekende voor hem en de minderjarige heeft daarin een eigen mening. Het is mogelijk dat hij er op een later moment anders over gaat denken, maar de moeder wil hem nu niet belasten.

De vader heeft bij monde van zijn advocaat opgemerkt het zorgwekkend te vinden dat de vader een onbekende is voor de minderjarige en dat hij de foto die vader heeft gestuurd heeft verscheurd. De vader heeft in de afgelopen jaren alle legale en juridische middelen aangewend om in contact te komen met de minderjarige, niet alleen omdat de vader graag contact met hem wil maar ook omdat dit in het belang van de minderjarige is. Er was eerder een ondertoezichtstelling uitgesproken, maar het is misgegaan met de hulpverlening. In oktober 2012 is er opnieuw een ondertoezichtstelling uitgesproken, maar weer heeft het heel lang geduurd voordat er contact werd opgenomen met de vader, maar uiteindelijk is er na een rappel van de zijde van de vader contact met hem opgenomen. De vader heeft de brief aan de minderjarige geschreven en die brief naar jeugdzorg gestuurd, zoals hem was verzocht. Tot aan vandaag was de vader in de veronderstelling dat er nu daadwerkelijk gewerkt ging worden aan het opbouwen van contact met de minderjarige, maar thans wordt de vader overvallen met het besluit van de stichting het verzoek ondertoezichtstelling in te trekken.

De vader verzoekt de kinderrechter dan ook de ondertoezichtstelling alsnog te verlengen.

Indien dit niet mogelijk is omdat het verzoek van de stichting is ingetrokken, dan verzoekt

de vader zelfstandig om verlenging van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Op grond van artikel 254, vierde lid, Boek I, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad voor de kinderbescherming, of het openbaar ministerie. Artikel 256, tweede lid, Boek I, BW bepaalt dat de kinderrechter de duur van een ondertoezichtstelling telkens voor ten hoogste een jaar kan verlengen op verzoek van de stichting, een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. De ondertoezichtstelling kan slechts worden verlengd indien de gronden daarvoor nog steeds bestaan.

De stichting heeft het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ter zitting ingetrokken omdat de gronden voor een ondertoezichtstelling van de minderjarige volgens de stichting niet langer bestaan. Nu het verzoek van de stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling is ingetrokken, kunnen de gronden van dat verzoek niet meer worden onderzocht en dient het verzoek te worden afgewezen. Dit betekent dat feitelijk de ondertoezichtstelling van de minderjarige van rechtswege zal eindigen na afloop van de termijn, in dit geval op 15 november 2013.

Ter zitting heeft de vader mondeling verzocht de ondertoezichtstelling van de minderjarige te verlengen. De kinderrechter stelt vast dat de vader behoort tot de kring van gerechtigden als genoemd in artikel 256, tweede lid, Boek I, BW die een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling kunnen indienen.

Het verweer van de advocaat van de moeder dat de vader niet kan worden ontvangen in dit verzoek omdat een dergelijk verzoek schriftelijk bij de rechtbank behoort te worden ingediend, wordt verworpen.

Artikel 265, eerste lid, Boek I, BW bepaalt dat verzoeken op grond van - onder meer - artikel 256 schriftelijk dienen te worden gedaan. Echter, in casu is het verzoek van de vader in aanwezigheid van alle belanghebbenden ter zitting gedaan en heeft de griffier dit verzoek genoteerd in het proces-verbaal, zodat de kinderrechter - onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 3 november 2000, NJ 2001, 418 - van oordeel is dat het verzoek van de vader kan worden aangemerkt als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 265, eerste lid, Boek I, BW. Bovendien is de vader eerst op de zitting ermee geconfronteerd dat de stichting de ondertoezichtstelling niet meer wenst te verlengen, zodat niet aan de vader kan worden tegengeworpen dat hij zijn verzoek eerst schriftelijk had behoren in te dienen.

De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek van de vader vooralsnog voor toewijzing in aanmerking komt om nagemelde redenen.

Gelet op artikel 256, derde lid, Boek I, BW is de stichting gehouden om,indien de stichting niet overgaat tot een verzoek tot verlenging, daarvan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling mededeling te doen aan de raad voor de kinderbescherming, opdat de raad voor de kinderbescherming kan beoordelen of zij verlenging wel zinvol acht.

Niet duidelijk is geworden of de stichting aan voornoemde verplichting heeft voldaan. Geletop de zeer lange voorgeschiedenis in deze zaak, op de veelvuldige bemoeienis die de raad voor de kinderbescherming daarin heeft gehad en op de beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2012 waarin is vermeld dat de raad op die terechtzitting heeft opgemerkt dat de eerdere ondertoezichtstelling van de minderjarige is geëindigd zonder dat een toetsing door de raad heeft plaatsgevonden en de raad van mening was dat het contact tussen de vader en de minderjarige in het belang van dienst identiteitsvorming dient te worden hersteld, wenst de kinderrechter door de raad te worden geïnformeerd of de raad het standpunt van de stichting dat de gronden voor ondertoezichtstelling niet langer bestaan, onderschrijft.

De beschikking zal om die reden mede worden toegezonden aan de raad voor de kinderbescherming.

De beslissing
Wijst het verzoek van de stichting tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van de minderjarige af.

Wijst het verzoek van de vader tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van de minderjarige toe voor de duur van drie maanden, te weten tot 15 februari 2014. Het verzoek wordt voor het overige verzochte aangehouden.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

 


Ga terug