Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Beschikking over omgang geldt ook na ots

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
Op 25 september 2007 heeft het Hof Arnhem nog eens duidelijk gezegd, dat Bjz niets mag veranderen aan een omgangsregeling die door de rechter is vastgesteld.
nr. 665/2007; LJN BB6493
(Daar is één uitzondering op: beperking contact met een gezagdragende ouder in het kader van uithuisplaatsing.)
Rechtspraak Familierecht januari 2008: “Het Hof Arnhem heeft ondubbelzinnig duidelijk willen maken dat een dergelijke bevoegdheid van Bureau jeugdzorg niet past in het systeem van de wet, waarin een eenmaal door de rechter vastgestelde omgangsregeling alleen door de rechter zelf kan worden gewijzigd en niet door Bureau jeugdzorg. …
Van een rechterlijke (eind)beslissing betreffende omgang met een kind is steeds hoger beroep mogelijk. Dit zelfde geldt als het kind onder toezicht is gesteld en de gezinsvoogd de contacten tussen het kind en een ouder wil beperken of uitbreiden op grond van
artikel 1:263a BW voor het geval het tevens betreft een uithuisplaatsing en
artikel 1:263bBW voor het geval het betreft een verzoek van de gezinsvoogd tot wijziging van een door de rechter vastgestelde omgangsregeling met een kind dat onder toezicht is gesteld. Van een beslissing van een gezinsvoogd op basis van artikel 263a BW – die heeft te gelden als een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:258 BW – is beroep op de kinderrechter mogelijk en daarvan is ingevolge artikel 807 RV hoger beroep niet uitgesloten.

BW artikel 1:258, 1. De stichting enz. (Bjz dus) kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
2. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen.
3. Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de met het gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van Bjz overgaat, alleen krachtens artikel 261 (met machtiging van de kinderrechter dus).

BW artikel 263a, 1. Voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van de minderjarige als bedoeld in artikel 261, kan Bjz voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken.
BW artikel 263b, 1. Voor de duur van de maatregel kan de kinderrechter op verzoek van Bjz een rechterlijke beslissing tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling.

Dus: Bjz kan zelfstandig beslissen dat tijdens een uhp een kind minder contact mag hebben met gezagdragende ouders (1), maar een eenmaal door de rechter vastgestelde omgangsregeling als er alleen een ots is kan Bjz niet verminderen of uitbreiden, daar heeft Bjz de rechter voor nodig (2). Er is altijd beroep op de kinderrechter (voor 1) en hoger beroep mogelijk (voor 1 en 2).


Uitspraak Rechtbank Alkmaar dwangsom E 10.000 aan BJZ

LJN: AU7522,Voorzieningenrechter Rechtbank Alkmaar, 05-436

Datum uitspraak: 06-12-2005

Datum publicatie: 06-12-2005

Rechtsgebied: Personen-en familierecht

Soort procedure: Kort geding

Inhoudsindicatie:
Vordering van eiseres om Bureau Jeugdzorg te bevelen mee te werken aan de omgangsregeling, toegewezen. Bureau Jeugdzorg dient de beslissingen van het Gerechtshof en de rechtbank te respecteren en na te komen. Er bestaat geen aanleiding om de dwangsom te matigen, gelet op de afwijzende houding die Bureau Jeugdzorg tot op heden in deze zaak ten aanzien van die rechterlijke uitspraken heeft aangenomen.

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR
Sector civiel recht

KG nummer: 05-436
datum: 6 december 2005

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

[eiseres],
wonende te Alkmaar,
EISERES IN KORT GEDING,
procureur mr. J.C. de Goeij,

tegen:

BUREAU JEUGDZORG N.H., AFDELING JEUGDBESCHERMING,
gevestigd te Alkmaar,
GEDAAGDE IN KORT GEDING.

Partijen zullen verder ook worden genoemd "[eiseres]" respectievelijk "BJZ".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 5 december 2005 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

BJZ heeft bij monde van mr. M.E. Goverts, jurist, de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van [eiseres] de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 [eiseres] is gehuwd geweest met [ex-echtgenoot eiseres] (hierna ook: [ex-echtgenoot eiseres]). Tussen hen is bij beschikking van 15 juli 1999 de echtscheiding uitgesproken.
2.2 Uit het huwelijk van [eiseres] en [ex-echtgenoot eiseres] is op [geboortedatum] geboren de thans nog minderjarige [naam dochter].
2.3 [naam dochter] staat sedert november 2004 onder toezicht van BJZ. [naam gezinsvoogd] fungeert daarbij als gezinsvoogd. [naam dochter] verblijft sedert de echtscheiding bij [ex-echtgenoot eiseres].
2.4 Tussen [eiseres] en [ex-echtgenoot eiseres] is een aantal procedures aanhangig geweest omtrent een omgangsregeling tussen [eiseres] en [naam dochter]. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 22 juli 2004, kort gezegd, bepaald dat [naam dochter] en [eiseres] recht op omgang met elkaar hebben, onder begeleiding van de gezinsvoogd of een vervanger en onder de voorwaarde dat [naam dochter] onder neutrale therapeutische behandeling wordt gesteld.
2.5 BJZ heeft nadien deze rechtbank enkele keren verzocht om de omgangsregeling op te schorten. De rechtbank heeft die verzoeken tweemaal gehonoreerd, waarbij de omgang in totaal gedurende zes maanden werd opgeschort.
2.6 Bij beschikking van 16 november 2005 van deze rechtbank is het verzoek van BJZ om te omgang nogmaals op te schorten, afgewezen. De rechtbank heeft daarbij, verkort weergegeven, bepaald dat er drie herstelcontacten tussen [naam dochter] en [eiseres] zullen plaatsvinden en dat de omgangsregeling daarna dient te worden uitgebreid. Hierbij is tevens bepaald dat de gezinsvoogd de omgang zal faciliteren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.7 BJZ heeft aangekondigd niet mee te zullen werken aan de in voormelde beschikking vastgestelde omgangsregeling. Bij brief van 25 november 2005, gericht aan de ouders van [naam dochter], deelt BJZ mee dat zij van mening is dat de begeleiding van de omgang op deskundige, zorgvuldige en neutrale wijze dient plaats te vinden en dat zij in dat kader Bureau Visser & Van Lith heeft ingeschakeld.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [eiseres] vordert, kort gezegd, BJZ te bevelen de beschikking van 16 november 2005 na te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Euro 10.000,- per dag dat BJZ daarmee in gebreke blijft, met veroordeling van BJZ in de kosten van het geding.
3.2 [eiseres] stelt zich op het standpunt dat BJZ gehouden is de beschikking van
16 november 2005 na te komen en dat er geen enkele reden is om Bureau Visser & Van Lith in te schakelen.
3.3 BJZ voert tegen de vordering aan dat de belangen van [naam dochter] voldoende gewaarborgd moet worden, waarbij zorgvuldig moet worden nagedacht over de voorbereiding van [naam dochter] op omgang met zijn moeder.
3.4 Partijen hebben hun wederzijdse standpunten nader uiteengezet, onder meer aan de hand van de overgelegde pleitnotities. Voor zover nodig voor de beslissing zal daarop hierna afzonderlijk en uitdrukkelijk worden ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 Het verweer van BJZ komt erop neer dat zij het niet eens is met de beschikking van de rechtbank, omdat [naam dochter] moet worden voorbereid op omgang met [eiseres] en omdat het belang van [naam dochter] met zich brengt dat de omgang plaatsvindt onder begeleiding van een neutrale deskundige.
4.2 Het verweer van BJZ faalt en daartoe wordt als volgt overwogen. Door in weerwil van de beschikking, die nog geen maand geleden is gegeven, erop aan te sturen dat de omgang onder begeleiding van een derde plaatsvindt en geleidelijker wordt opgebouwd dan door het hof en de rechtbank is beslist, legt BJZ beide uitspraken in feite naast zich neer en plaatst BJZ haar eigen oordeel daarmee boven dat van de rechterlijke macht. Niet valt in te zien op basis waarvan BJZ boven de wet geplaatst zou moeten worden. BJZ dient de beslissingen te respecteren en na te komen.
4.3 Daarnaast valt niet in te zien waarom begeleiding van de omgang door Bureau Visser & Van Lith noodzakelijk is. In de beschikking van 16 november 2005 heeft de rechtbank immers expliciet overwogen dat er reeds voldoende waarborgen aanwezig zijn om de contacten tussen [naam dochter] en [eiseres] op te starten. Er is derhalve geen enkele grond die de betrokkenheid van een derde, zoals Bureau Visser & Van Lith, bij de omgang rechtvaardigt. Verder is van belang dat de rechtbank, alvorens tot een beslissing te komen, zorgvuldig te werk is gegaan door contact op te nemen met de therapeut van [naam dochter], waarbij die laatste heeft verklaard neutraal te staan tegenover omgang. Hieruit moet worden afgeleid dat die therapeut geen bezwaar heeft tegen omgang tussen [naam dochter] en [eiseres]. Geenszins aannemelijk is dat die therapeut een dergelijke verklaring ook afgelegd zou hebben indien omgang thans in het geheel niet in het belang van [naam dochter] zou zijn geweest. De rechtbank overweegt in de desbetreffende beschikking voorts dat er geen reden is voor verdere opschorting van de omgangsregeling.
4.4 Op grond van het vorenstaande dient BJZ de beschikking, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, na te komen en ligt de vordering voor toewijzing gereed. Gelet op de inhoud van brief van 24 november 2005 van de adjunct directeur van de school van [naam dochter], wordt daarbij bepaald dat de omgang dient plaats te vinden van 12.15 uur tot 15.45 uur.
4.5 In verband met de afwijzende houding die BJZ tot op heden in deze zaak ten opzichte van rechterlijke uitspraken ten toon heeft gespreid, bestaat er geen aanleiding de dwangsom te matigen.
4.6 BJZ wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- beveelt BJZ om zijn medewerking te verlenen aan de door de Rechtbank te Alkmaar d.d. 16 november 2005 bepaalde omgangsregeling met nevenvorderingen, in die zin dat het eerste herstelcontact zal plaatsvinden op woensdag 7 december 2005 van 12.15 uur tot 15.45 uur, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Euro 10.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat BJZ na betekening van dit vonnis, in gebreke blijft met de nakoming daarvan;

- veroordeelt BJZ in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op Euro 329,60 aan verschotten en op Euro 816,- aan salaris procureur;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. J.M. Vrakking, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2005 in tegenwoordigheid van mr. F. Vermeij, griffier.

Ga terug