Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Alles verkeerd? Toe maar.

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

Het hof overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag als volgt. Ingevolge artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Op grond van artikel 1:12 BW heeft een minderjarige in beginsel een afhankelijke woonplaats. Dit betekent dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent en indien beide ouders tezamen het gezag uitoefenen, de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft.

Uit de stukken blijkt dat [kind 1] en [kind 2] ten tijde van de inleidende verzoekschriften de moeder niet waren ingeschreven in de Basisregistratie personen van een gemeente in Nederland. Wel is gebleken dat [kind 1] feitelijk bij het pleeggezin in [woonplaats] woonde en dat [kind 2] samen met de moeder in [plaats] verbleef. Dit brengt mee dat op basis van artikel 265 Rv niet de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, maar voor [kind 1] de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, en voor [kind 2] de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, relatief bevoegd waren over de inleidende verzoeken een beslissing te nemen. De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, had de zaak ingevolge artikel 270 lid 1 Rv in de stand waarin deze zich bevond naar de desbetreffende rechtbanken moeten verwijzen. Dat dit in de procedure in eerste aanleg niet als zodanig is aangevoerd, doet hieraan niet af, nu de rechter zijn relatieve bevoegdheid in een verzoekschriftprocedure ook ambtshalve moet beoordelen.

4.15

Het hof ziet zich thans geplaatst voor de vraag welke consequentie in hoger beroep moet worden verbonden aan de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.

Het hof is op grond van artikel 60 Wet op de Rechterlijke Organisatie bevoegd om in hoger beroep te oordelen over de door de in zijn ressort bevindende rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, gegeven beschikkingen. Nu de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht de zaak heeft behandeld en hierin een eindbeschikking heeft gegeven, is een verwijzing van de zaak “in de stand waarin deze zich bevindt” niet meer aan de orde. Naar het oordeel van het hof biedt artikel 270 lid 1 en lid 3 Rv geen grondslag om de GI niet-ontvankelijk te verklaren in het inleidende verzoek. Ook voor het - door de moeder voorgestane - ambtshalve vernietigen van de bestreden beschikkingen, met verwijzing naar de wel bevoegde rechtbanken, biedt het betreffende artikel geen grondslag, nu het in die bepaling gaat om verwijzing naar een rechter van gelijke rang


Ga terug