Verzonden en ontvangen stukken

Iedereen mag alle teksten uit deze map overnemen

 

 

Verwerkt tot en met december 2004

1    persbericht - schaf amk's af

2    persbericht (2x)- bijverzekeren psychische hulp voor kinderen nodig

2a  reactie CZ

2b  reactie FBTO

2c  brief aan Minister Hoogervorst

2d  reactie van de commissie voor VWS

2e  brief VWS van 13 april 2004:
     bij psychologische problemen van kinderen moet de stofkam door het gezin

2f brief aan VWS d.d. 3 mei n.a.v. artikel in Trouw over AWBZ

2g antwoord van de Staatssecretaris van VWS (2f)

3   brief aan Eerste Kamer - schaf amk's af

3a  reactie Eerste Kamer

3b  brief aan Eerste Kamer - neem Wet op de jeugdzorg niet aan

3c  reactie Eerste Kamer - voor kennisgeving aangenomen

4    brief aan Landelijk Bureau Raad voor de Kinderbescherming: certificeer! tot heden niet beantwoord

5    soortgelijke brieven zijn verzonden aan alle provincies

5a  reacties van provincies wij attenderen u op de eerste drie brieven

5b  ROA stelt certificeren verplicht v.a. 2006

5c  ROA laat inhoudelijke uitwerking van certificering bij de veldpartijen

6   brief aan Minister Donner - bescherm omgang als ouderlijk gezag

6a antwoord van de Minister

6b ingezonden brief van een huisarts over deze materie in Trouw van 13 augustus 2004

7   brief aan Minister Donner - handelwijze gezinsvoogdijinstelling

7a  ontvangstbevestiging van het Ministerie van Justitie d.d. 24 februari

7aa rappel d.d. 6 mei

7b  reactie van de commissie voor Justitie d.d. 20 februari: 
      de commissie heeft besloten de Minister een nadere reactie te vragen

7c  antwoord van de Minister

8    brief aan lid Eerste Kamer - neem wet op de jeugdzorg niet aan

8a  brief aan leden Eerste Kamer - neem wet op de jeugdzorg niet aan

9   brief van het College Bescherming Persoonsgegevens over informatierecht

9a  brief van het CBP over schooldossier

9b  brief van het CBP: recht op grond van de WOB niet zomaar uitgeschakeld door WBP

9c  reactie van het CBP op brief n.a.v. ‘De gezinsvoogd als jongleur’ 
     (gedragsregels voor advocaten en recht partijen op alle stukken).

10  artikel uit Jong aan de Amstel

10a brief aan de regeringscommissaris jeugd- en jongerenbeleid

10b brief aan de staatssecretaris van VWS

10c reactie van de regeringscommissaris

10d tweede brief aan de regeringscommissaris

10e brief van het college bescherming persoonsgegevens

10f persbericht 3 mei

      brief aan gedeputeerde staten van de provincies
      reacties van de provincies
      -kijk vooral naar de brief van Stadsregio Rotterdam-

10g brief aan de staatssecretaris van VWS d.d. 14 juni 2004

10h reactie van VWS d.d. 12 augustus 2004

10i brief aan het CBP n.a.v. opmerking in brief van VWS (10h)

10j website ouders.online maakt zich zorgen over hetzelfde probleem

10k brief aan thuiszorgorganisatie d.d. 24 juni 2004 over informatieuitwisseling

10l bevestiging telefonische reactie op 10k

10m opmerkingen van directeur Landelijke Vereniging voor Thuiszorg in Perspectief

10n brief aan de LVT n.a.v. artikel in Perspectief (10m)

10o telefonische reactie van LVT op 10n

11  brief aan de Minister van Justitie - bescherm omgang als ouderlijk gezag

12  brief aan de Staatssecretaris van VWS - er moet niet meer geld voor jeugdzorg komen, 
      het geld moet anders verdeeld worden

12a reactie van ministerie van VWS - brief doorgegeven naar ministerie van Justitie

12b antwoord van de minister van Justitie op brief aan de Staatssecretaris van VWS

12c reactie op antwoord van de minister van Justitie op brief aan de Staatssecretaris van VWS

13  brief aan de Raad voor de Kinderbescherming n.a.v. Jaarbericht 2003

13a reactie van de Raad voor de Kinderbescherming

14  brief aan AKJ - mogelijke belangenverstrengeling vertrouwenspersoon en klachtondersteuner

15  brief van GGD Nederland - (dossier van) schoolarts

15b brief van Medisch Tuchtcollege - toestemming van beide (?) ouders

16   Harreveld geeft geen namen van leden commissie van toezicht

diverse ingezonden brieven

 

 

1. PERSBERICHT 20-11-2003

De Advies- en Meldpunten Kindermishandeling moeten worden opgeheven.  HET BUDGET VOOR DE AMK’S MOET OVERGEHEVELD WORDEN NAAR DE POLITIE.

In de Wet op de jeugdzorg, die door de Tweede Kamer is aangenomen en momenteel bij de Eerste Kamer ligt, is het AMK onderdeel van Bureau jeugdzorg.

KOG ziet niet in waarom mishandeling bij de politie gemeld kan worden, maar vermoeden van mishandeling van een kind niet. De politie had tot voor kort een afdeling jeugd- en zedenzaken, waar gespecialiseerde kennis aanwezig was die de grootste kans bood de feiten aan het licht te brengen. Wanneer de feiten bekend zijn, kan passende hulp gezocht worden.

De AMK’s voeren momenteel campagne om hun naamsbekendheid te vergroten. De werkwijze zoals die daarin beschreven wordt, stemt niet in alle gevallen overeen met onze ervaringen.

De AMK’s leveren mishandelde kinderen alleen meer volgeprint papier op. Een melding van vermoeden van kindermishandeling verdient het, onderzocht te worden door het overheidsorgaan dat als geen ander in staat is tot feitenonderzoek: de politie.

KOG heeft de Eerste Kamer verzocht de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van VWS vragen te stellen over de AMK’s.

 

2. PERSBERICHT 1

Stichting Kinderen – Ouders – Grootouders heeft de zorgverzekeraars opgeroepen in 2004 (Wet op de jeugdzorg) zowel voor particulier- als voor ziekenfondsverzekerden kortdurende kinder- en jeugdpsychologische hulp verzekerbaar te maken.

KOG vindt dit noodzakelijk, omdat de Wet op de jeugdzorg betaling uit de AWBZ voor deze hulp alleen maar mogelijk maakt na indicatie door Bureau jeugdzorg. Op Bureau jeugdzorg kijkt iedere medewerker naar elk kind “met beschermersogen”. Wat dat inhoudt, blijkt uit een uitspraak van het Ministerie van Justitie: Als een kind met gedragsproblemen komt, denken we aan allerlei oorzaken: is het geslagen, misbruikt, verwaarloosd, of zijn er drugs in het spel?

KOG zou graag zien dat alle ouders hulp voor hun kind kunnen zoeken zonder zichzelf in de beklaagdenbank te zetten.

Achmea (Avero, FBTO, Groene Land, PWZ en Zilveren Kruis) heeft reeds positief gereageerd.

 

PERSBERICHT 2

Stichting KOG heeft minister Hogervorst geadviseerd kortdurende psychologische hulp voor kinderen uit de AWBZ te halen. Deze hulp is voor iedereen voor weinig geld bij te verzekeren, dus zowel voor particulier als voor ziekenfonds verzekerden.

In ieder geval FBTO en CZ bieden een verzekering voor deze vorm van zorg.

Verwijdering van kortdurende psychologische hulp uit de AWBZ bespaart de overheid meer dan alleen de kosten van die hulp. De komende Wet op de jeugdzorg zegt namelijk, dat aan artikel 9b van de AWBZ zal worden toegevoegd een bepaling die inhoudt dat minderjarigen alleen recht hebben op geestelijke gezondheidszorg (artikel 5 van de Wet op de jeugdzorg), als bureau jeugdzorg “een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen.”

Dit wordt een gigantische verspilling: het zal niet meer genoeg zijn dat de huisarts die een kind al diens hele leven kent doorverwijst naar de psycholoog, maar bureau jeugdzorg moet eerst met dat kind aan de slag om tot dezelfde conclusie te komen.

Voor kinderen en hun ouders biedt de eigen verzekering het grote voordeel dat zij bureau jeugdzorg kunnen mijden. Dit kan van belang zijn, want medewerkers van bureau jeugdzorg moeten werken volgens artikel 9: “De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.”

De medewerkers van bureau jeugdzorg kijken allemaal altijd “met beschermersogen”.

Daarbij moet men in de eerste plaats denken aan beperking van het ouderlijk gezag, de ondertoezichtstelling. Deze kan al uitgesproken worden om “de hulpvraag veilig te stellen”, dus om ouders te dwingen hun kind een behandeling te laten ondergaan of een behandeling waar zij niet tevreden over zijn te laten voortduren.

Ten slotte verwachten wij van psychologische hulp voor kinderen die betaald wordt door de eigen verzekering hogere kwaliteit van die hulp. Waar vrije keus van de klant de kwaliteit bewaakt (ontevreden klanten gaan ergens anders heen), dreigt via bureau jeugdzorg de omgekeerde marktwerking die de hele jeugdzorg beheerst: bent u niet tevreden over ons product en wilt u het niet meer afnemen, dan wordt u daartoe gedwongen.

Zelf kortdurende psychologische hulp voor je kinderen verzekeren sluit naadloos aan bij de oproep van het kabinet eigen verantwoordelijkheid te nemen.

9 februari 2004 

 

2c. BRIEF AAN MINISTER HOOGERVORST    

Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Drs J.F. Hoogervorst MA
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag 

Haarlem, 6 februari 2004

Excellentie,

Stichting KOG adviseert u kortdurende psychologische hulp voor kinderen uit de AWBZ te halen. Deze hulp is voor iedereen voor weinig geld bij te verzekeren, dus zowel voor particulier als voor ziekenfonds verzekerden.

Verwijdering van kortdurende psychologische hulp uit de AWBZ bespaart meer dan alleen de kosten van die hulp. Volgens de komende Wet op de jeugdzorg zal aan artikel 9b van de AWBZ een bepaling worden toegevoegd die inhoudt dat minderjarigen alleen recht hebben op geestelijke gezondheidszorg als bureau jeugdzorg “een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen.”

Dit wordt een gigantische verspilling: het zal niet meer genoeg zijn dat de huisarts doorverwijst naar de psycholoog, maar bureau jeugdzorg moet eerst met het kind aan de slag om tot dezelfde conclusie te komen.

Zelf kortdurende psychologische hulp verzekeren sluit aan bij de oorspronkelijke bedoeling van de AWBZ, en sluit bovendien aan bij de oproep van het Kabinet tot het nemen van eigen verantwoordelijkheid. Om de Minister-President te citeren (Trouw van 27 december 2003): “Verantwoordelijkheid moet worden verschoven van de overheid naar de burgers.”

Met gevoelens van hoogachting,

 

2d. REACTIE VAN DE COMMISSIE VOOR VWS

2e. BRIEF VAN VWS

 

2f. BRIEF AAN VWS OVER AWBZ

 

Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
mevrouw drs C.I.J.M. Ross-van Dorp
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag

Haarlem, 3 mei 2004

Excellentie,

In Trouw van 1 mei lezen wij een artikel van uw hand: ‘Creatieve gemeente houdt zorg overeind’. Hierin treffen ons de volgende passages:
“En de AWBZ kwam er voor de financiële risico’s van mensen met zware zorgbehoeften. Ook hier is het goed dat we ons collectief over de rekening ontfermen, want geen mens, noch zijn familie, kan voor deze kosten opdraaien. Een plek in het verpleeghuis kost jaarlijks 100000 euro. …
Ook hier hebben we last van de systeemfout dat we niet uitgaan van de eigen mogelijkheden. De kosten rijzen de pan uit. …
Daarom ga ik de AWBZ tot zijn oorspronkelijke bedoeling terugbrengen. … We moeten de zorg juist veiligstellen voor mensen die echt niet zonder kunnen. Ernstig gehandicapten, verpleeghuispatiënten en zware psychiatrische patiënten moeten kunnen rekenen op onze solidariteit. …
Nu wij besluiten de AWBZ terug te brengen tot de kerntaken, …
Veel regels zijn uitingen van gestold wantrouwen. …”
 
Vergoeding uit de AWBZ van kortdurende psychologische hulp voor kinderen blijft mogelijk,  echter na 1 januari 2005 (tot 1 januari 2006?) uitsluitend na indicatie door een bureau jeugdzorg. Wij hebben op 6 februari 2004 geadviseerd deze hulp niet langer te vergoeden uit de AWBZ. Alle ouders, zowel particulier als ziekenfondsverzekerd, kunnen zich voor een gering bedrag verzekeren voor deze kosten. 
Waarom deze “systeemfout dat we niet uitgaan van de eigen mogelijkheden”?
En waarom bovendien de verspilling die indicatiestelling door uitsluitend een bureau jeugdzorg met zich meebrengt?

Wij hebben even gevreesd dat het antwoord staat in het op 13 april gedateerde antwoord (kenmerk GVM/2469616) op onze brief d.d. 6 februari aan de Minister van VWS: “Omdat er vaak meer met kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische problemen heeft het bureau jeugdzorg deze taak ook voor de jeugd-GGZ.

  -  Alle ouders kunnen zich voor weinig geld bijverzekeren
  -  Deze hulp zou opgenomen kunnen worden in het standaard verzekeringspakket
  -  De hulp kan gefinancierd worden uit de AWBZ met indicatiestelling zoals tot heden.
     
Toch blijft de AWBZ kortdurende psychologische hulp voor kinderen vergoeden, na de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg uitsluitend nog na de kostenopjagende indicatiestelling door een bureau jeugdzorg.

Wij verzoeken u de volgende vragen te beantwoorden:

  -  Waarom wordt in dit geval de oproep van het Kabinet tot het nemen van eigen
      verantwoordelijkheid, in de woorden van de Minister-President “Verantwoordelijkheid
      moet worden verschoven van de overheid naar de burgers,” niet serieus genomen

  -  Waarom wordt kortdurende psychologische hulp voor kinderen vergoed uit de AWBZ
     (dit lijkt een contradictio in terminis, zeker na uw artikel in Trouw)
  -  Waarom moet vanaf 2005 voor vergoeding uit de AWBZ de indicatie gesteld zijn door een
      bureau jeugdzorg? (Wij willen vooralsnog niet aannemen dat deze regel een “uiting van
      gestold wantrouwen” tegen ouders is, omdat er vaak meer met kinderen aan de hand zou
      zijn, zodat het gezin het bureau jeugdzorg min of meer ingedwongen moet worden.)


Met gevoelens van hoogachting,

 

2g. ANTWOORD VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VWS (2f)

 

 

 

 BRIEF AAN DE EERSTE KAMER

Aan de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport                                                                                         van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Haarlem, 14 november 2003

Hoogedelgestrenge Dames en Heren,

Nu u in uw vergadering op 4 november besloten hebt tot een tweede vragenronde over de Wet op de jeugdzorg, verzoeken wij u de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van VWS de volgende twee vragen te stellen:

I Welke redenen zijn er om burgers aangifte van mishandeling te laten doen bij de politie, maar aangifte van mishandeling van een kind in plaats van bij de politie bij AMK’s (bureau jeugdzorg).

De politie is bij iedereen bekend en het publiek heeft vertrouwen in de politie. De politie heeft bevoegdheden die adequaat handelen mogelijk maken.

De politie had tot voor kort een afdeling jeugd- en zedenzaken, waar specialistische kennis aanwezig was die de grootste kans bood de waarheid aan het licht te brengen. Wanneer de feiten bekend zijn, kan passende hulp gezocht worden.

De AMK’s schrijven in het foldermateriaal van de actie die zij momenteel voeren om hun naamsbekendheid te vergroten: "Die hulp geven onze medewerkers niet zelf. Daarvoor worden deskundigen van andere instanties ingeschakeld." De AMK’s bieden niet meer dan de politie.

Mishandeling van kinderen is volgens ons niet minder een zaak voor de politie dan mishandeling van volwassenen.

Prof. Mr P. Vlaardingerbroek schrijft in Perspectief nummer 7 (november 2003) over de Wet op de jeugdzorg: "De huidige constructie leidt volgens mij alleen maar tot meer bureaucratische rompslomp. Als iemand zich met zorgen over een buurkind meldt bij de Raad voor de Kinderbescherming, zal hij of zij worden verwezen naar het AMK. Dit doet onderzoek en bij een ernstig vermoeden van kindermishandeling wordt weer de Raad ingeschakeld. … Had men de vertrouwensarts ondergebracht bij de Raad, dan was er een hele tussenschakel – het AMK – uitgevallen en zou er sneller onderzoek kunnen plaatsvinden naar de noodzaak van een maatregel."

Wij zij het met deze zienswijze eens: de AMK’s leveren mishandelde kinderen niets op, zij leiden alleen tot meer, vertragende, bureaucratie.

Prof. Vlaardingerbroek lijkt tevreden met onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Wij zijn dat niet. De Raad doet principieel niet aan waarheidsvinding ("wij zijn tenslotte geen politie"). Ouders en kinderen hebben recht op onderzoek van de FEITEN. De politie is als geen ander overheidsorgaan in staat tot feitenonderzoek.

II Welke bezwaren zijn er tegen openbaarheid van de zittingen van de klachtencommissies.         Nu de provinciale klachtencommissies zullen vervallen, is de kwaliteit van het werk van de klachtencommissies van de stichtingen en de zorgaanbieders nog belangrijker geworden. Openbaarheid is de goedkoopste controle en de goedkoopste stimulans tot goed werk.                 Om openbaarheid te bewerkstelligen en eventuele daaraan verbonden bezwaren weg te nemen, ware het voldoende artikel 68 van de Wet op de jeugdzorg lid 2 onder d aldus uit te breiden: de mondelinge toelichting wordt gegeven tijdens een openbare zitting van de klachtencommissie; de klachtbehandeling vindt op verzoek van klager plaats achter gesloten deuren.

Met gevoelens van hoogachting,

 

3a. REACTIE EERSTE KAMER

 

3b. BRIEF AAN EERSTE KAMER

Aan de Leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Haarlem, 1 maart 2004 

Hoogedelgestrenge Dames en Heren,

Op 8 en 9 maart zult u de Wet op de jeugdzorg behandelen.

Wij doen een beroep op u dit wetsvoorstel te verwerpen, om de volgende redenen:

  • De Wet op de jeugdzorg gaat uit van een verkeerd ouderbeeld en wij zien geen zekerheden die een ongewenste overgang van vrijwillige zorg in maatregelhulp voorkomen. Integendeel:

ü     artikel 9: De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.

ü       en Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: … Bovendien zijn de cliënten … zich vaak niet bewust van deze problemen en/of niet gemotiveerd om hieraan iets te doen. Zo valt een groot deel van de cliënten in de jeugdzorg onder een jeugdbeschermingsmaatregel. …

  • De Wet op de jeugdzorg poogt inbreuken op de privacy te legaliseren.

Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: Het voorgestelde derde lid (van art. 51) voorziet … in de mogelijkheid, zonder toestemming van de cliënt inlichtingen en bescheiden te verstrekken aan uitvoerders van jeugdzorg en aan de uitvoerders van maatregelen van kinderbescherming.

  • De Wet op de jeugdzorg stelt geen eisen aan het niveau van de medewerkers van de bureaus jeugdzorg, maar volstaat met benoeming van de terreinen waarop zij deskundig moeten zijn.

Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: In de desbetreffende algemene maatregel van bestuur is de mogelijkheid gecreëerd om, indien de noodzaak daartoe zich laat voelen in een ministeriële regeling opleidingseisen voor te schrijven.

Wij wensen dat de principes die van toepassing zijn op de gezondheidszorg eveneens van toepassing zullen worden in theorie en praktijk van de jeugdzorg.

Met gevoelens van hoogachting,

 

3c. REACTIE EERSTE KAMER - VOOR KENNISGEVING AANGENOMEN

 

4. BRIEF AAN DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING

Aan de heer R.E.F.M. Nijhof                                                                                                                                        Algemeen Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming                                                                                          Postbus 19202                                                                                                                                                                   3501 DE Utrecht

Haarlem, 9 december 2003

Geachte heer Nijhof,

De e-mailservice van het College Bescherming Persoonsgegevens meldt heden, dat naar verwachting in het eerste kwartaal van 2004 de eerste privacycertificaten zullen worden uitgereikt aan organisaties die persoonsgegevens verwerken op een wijze die voldoet aan wet- en regelgeving. Uiteraard zal de Raad voor de kinderbescherming hier graag voor in aanmerking komen.

Wij zouden het zeer op prijs stellen, als u ons zou laten weten wanneer de onderscheidene directies het certificaat verworven hebben.

Hoogachtend,

In kopie aan het College Bescherming Persoonsgegevens                                                                                                             het Ministerie van Justitie

 

5. SOORTGELIJKE BRIEVEN ZIJN VERZONDEN AAN ALLE PROVINCIES

 

5a. REACTIES PROVINCIES

 

5b. ROA STELT CERTIFICEREN VERPLICHT v.a. 2006

REGIONAAL NIEUWS

REGIO AMSTERDAM

Certificering voor alle jeugdzorginstellingen
16 maart 2004
Alle jeugdzorginstellingen in de agglomeratie Amsterdam moeten in 2006 en
2007 hun hulpverlening certificeren, vindt de ROA (Regionaal Orgaan
Amsterdam). Doen ze dat niet, dan kan dat gevolgen hebben voor de subsidie.
Certificering moet gebeuren aan de hand van kwaliteitscriteria voor de
hulpverlening, het beleid, de organisatie, het personeel, onderzoek en
ontwikkeling, de accommodatie en de resultaten. Zo moeten de instellingen
een hulpverleningsplan voor elke cliënt maken, de organisatiestructuur en
de gezagsverhoudingen beschrijven, eens in de vier jaar een marktverkenning
uitvoeren, voldoen aan algemene eisen voor veiligheid en voldoende
waardering krijgen van cliënten.
Bron: Jong aan de Amstel, nr 1, maart 2004, p. 3

 

 

 

Aan het Regionaal Orgaan Amsterdam
Weesperstraat 111
1018 VN Amsterdam 

Haarlem, 19 maart 2004

Geachte Dames/Heren,

Tot onze tevredenheid lezen wij in het maartnummer van Jong aan de Amstel dat alle jeugdzorginstellingen in uw regio hun hulpverlening gaan certificeren. Jong aan de Amstel noemt vijf criteria voor deze certificering, maar schrijft: “Concreet gaat het om criteria als …” De opsomming is dus niet volledig.

Wilt u zo vriendelijk zijn ons te laten weten welke criteria voor de certificering gehanteerd zullen worden?

Met vriendelijke groet,

 

5c. ROA LAAT INHOUDELIJKE UITWERKING VAN 
          CERTIFICERING BIJ VELDPARTIJEN


 

6.  BRIEF AAN MINISTER DONNER

Aan de Minister van Justitie, mr P.H. Donner
Postbus 20301
2500 EH Den Haag


Haarlem, 26 maart 2004


Excellentie,

Op 8 juli 1986 heeft het Europese Parlement de Resolutie over eenoudergezinnen aangenomen:

”Het Europese Parlement,

 6. merkt voorts op dat
  - …
  - beide ouders, ook ingeval het huwelijk wordt ontbonden, de plicht zouden moeten hebben
    om voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen te zorgen, dat de kinderen recht
    hebben op verzorging door beide ouders, ook al zijn deze gescheiden en …”

17. doet een beroep op de rechters in de lid-staten het welzijn van de kinderen voorop te plaatsen, vooral bij toewijzing van de kinderen, en daarbij geen der ouders te begunstigen; verzoekt hen voorts grondiger de mogelijkheden te bestuderen om beide ouders ook na de ontbinding van het huwelijk samen verantwoordelijk te doen blijven voor de opvoeding van de kinderen, met name door de ouders vaker gezamenlijk het voogdijschap te laten uitoefenen;

18. verzoekt de Commissie en de lid-staten, elk op eigen terrein, op grond van bovenstaande verzoeken, de nodige maatregelen te treffen; …”
(Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 227 pag. 31 t/m 37)

 

In het februari-nummer 2004 van Perspectief, een uitgave van het Ministerie van Justitie, bespreekt professor mr S.F.M.Wortmann op pag. 26 een recente uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM 23 september 2003, appl. no. 36141/97):

“Van de Staat worden realistische dwangmaatregelen verwacht, die redelijkerwijs tot medewerking aan de uitvoering van de omgangsregeling zullen leiden. Het Hof stelt hoge eisen aan de Staat als het gaat om de uitvoering van de omgang. … Het lijkt er een beetje op alsof de verantwoordelijkheid voor het slagen van een omgangsregeling grotendeels bij de Staat berust.”


De wijzigingen van boek I van het Burgerlijk Wetboek die ten gevolge hebben gehad dat na ontbinding van het huwelijk
het kind en een niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar, en
ouders die gezamenlijk het gezag hebben dit in principe gezamenlijk blijven uitoefenen,
zijn ongetwijfeld in de geest van o.a. de resolutie van 8 juli 1986 geweest.

Het komt echter nog zeer veelvuldig voor dat, zelfs nadat de rechter omgang heeft bepaald, er geen omgang plaatsvindt tussen kind en ouder bij wie het kind niet woont, doordat de ouder bij wie het kind zijn vaste verblijfplaats heeft de omgang tegenhoudt.


Wij doen een dringend beroep op u de wet zodanig te wijzigen, dat door de rechter bepaalde omgang beschermd wordt op dezelfde wijze en met dezelfde middelen als ouderlijk gezag.
De bescherming van ouderlijk gezag door het strafrecht heeft bewezen een zeer sterke preventieve werking te hebben.


Wilt u ons laten weten
-   dat u voorbereidingen laat treffen om de wet in bovengenoemde zin te wijzigen, dan wel
-   waarom u van mening bent dat de Nederlandse rijksoverheid niet gehouden is de relatie  
     van kinderen met hun beide ouders effectief te beschermen.


Met gevoelens van hoogachting,

In kopie aan het Europese Parlement
                    de Commmissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

 

6a. ANTWOORD VAN MINISTER DONNER

 

 

7. BRIEF AAN MINISTER DONNER

Haarlem, 7 februari 2004

Excellentie,

De Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming heeft in februari 2003 een rapport uitgebracht, getiteld ‘Rapport Onderzoek casus ots.’ Het rapport bevat aanbevelingen aan het Ministerie van Justitie. Een van die aanbevelingen luidt: “De inspectie vindt het van groot belang, dat de tweede GVI, ongeacht de gezagssituatie, op zeer korte termijn een plan opstelt om de relatie van het kind met haar moeder te herstellen.”

Op 3 juli 2003 schrijft u de moeder in reactie op haar kritiek dat uitvoering van de aanbevelingen van de Inspectie een verantwoordelijkheid van de instelling is.

Voorts schrijft u dat u uw brief aan de Tweede Kamer zult formuleren op grond van de reactie van de beide gezinsvoogdij-instellingen van 28 april.  

De moeder verzoekt u deze reactie te mogen ontvangen om te bezien of overleg met haar onontbeerlijk is om de Tweede Kamer juist te informeren. De reactie van de gezinsvoogdij-instellingen van 28 april is de moeder nooit toegezonden; het verzoek om eventueel overleg is nooit door u beantwoord.

Op 7 juli 2003 hebt u de Tweede Kamer der Staten Generaal geďnformeerd.

U schrijft in uw brief aan de Tweede Kamer o.a.dat

  • U geen aanleiding ziet om de Inspectie een verzoek te doen om aanvullend onderzoek om te bezien of aan de aanbevelingen voldaan wordt.

Dit schrijft u ook aan de moeder op 5 augustus in reactie op haar brief van 8 juli 2003.

In deze brief had zij u er van op de hoogte gebracht dat de gezinsvoogdij-instelling ook het bevel van de rechter om omgang tussen moeder en kind te realiseren niet uitvoerde.

U antwoordt op 5 augustus dat u geen reden hebt om te veronderstellen dat de instelling geen uitvoering geeft aan de aanbevelingen van de Inspectie in haar rapport van februari of aan de uitspraak in kort geding.

  • De gezinsvoogdij-instelling een nieuw plan van aanpak heeft opgesteld waarin ook een voorstel tot hervatting van de omgang tussen moeder en dochter is opgenomen.

De moeder had u eerder meegedeeld dat dit nieuwe plan via een omweg van mediation tussen moeder en voogd de op dat moment van kracht zijnde omgang juist zou verminderen.

U schrijft in uw brief aan de Tweede Kamer niet dat:

  • de moeder u heeft meegedeeld dat de gezinsvoogdij-instelling het rapport van de Inspectie naast zich neerlegt, doch dat u vaart op het kompas van de gezinsvoogdij-instelling zelf die beweert e.e.a. uit te voeren.
  • u het verzoek van de moeder had afgewezen om aanwijzing te geven aan de raad voor de kinderbescherming om zijn verzoekschrift tot ontheffing even uit te stellen en eerst het rapport van de Inspectie af te wachten.

Door zeer veel fouten van twee gezinsvoogdij-instellingen is er momenteel een situatie waarin de moeder van het ouderlijk gezag is ontheven en de kinderrechter omgang tussen moeder en dochter voor een jaar heeft opgeschort. Hier wordt een kind van een ouder beroofd ten gevolge van gebeurtenissen die op de buitenstaander de indruk maken van een machtsstrijd.

Er is een merkwaardige situatie ontstaan:

  • enerzijds stelt u een inspectie-onderzoek in naar de handelwijze van de gezinsvoogdij-instelling,
  • anderzijds adviseert u (de raad voor de kinderbescherming namens u) op verzoek van de te onderzoeken gezinsvoogdij-instelling zonder dat onderzoek af te wachten

ü     de moeder van het ouderlijk gezag te ontheffen

ü     dezelfde gezinsvoogdij-instelling te belasten met het gezag.

Wij constateren dat

  • u de Tweede Kamer onjuist hebt geďnformeerd; de gezinsvoogdij-instelling in feite de gelegenheid heeft gekregen over zichzelf te rapporteren bij monde van u
  • u de gezinsvoogdij-instelling in de gelegenheid stelt zich te gedragen als een

STAAT IN DE STAAT:

ü     De instelling legt het inspectierapport naast zich neer.

Als u hiervan melding ontvangt, reageert u dat dit de verantwoordelijkheid van de instelling is.

ü     De instelling voert een rechterlijke beslissing niet uit.

Als u hiervan melding ontvangt, reageert u dat u geen reden hebt te veronderstellen dat deze melding juist is.

Er is een vernietigend inspectierapport, dat u niet aan de Tweede Kamer hebt aangeboden.

Het reeds geanonimiseerde rapport, dat de moeder ons ter beschikking heeft gesteld, is in de vastgestelde vorm niet verkrijgbaar: op ons verzoek dit rapport te ontvangen is ons door de Hoofdinspectie meegedeeld dat dan eerst de tekst gewijzigd zou moeten worden.

Wij twijfelen tegen deze achtergrond ernstig aan het nut van de inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming. Deze biedt slechts een schijnbescherming aan ouders en kinderen: wanneer de inspectie aanbevelingen doet, kan een instelling die ongestraft in de wind slaan en heeft het inspectie-onderzoek ook anderszins geen enkele consequentie.

Gezinsvoogdij-instellingen gedragen zich vaker  als een staat in de staat.

In deze casus blijkt dat u hen daarin steunt en u bij de beoordeling van hun handelen liever afgaat op hun eigen mededelingen dan op onderzoek van de feiten. Hierdoor leven ouders en kinderen in Nederland in 2004 niet in een rechtsstaat.  

Wij verzoeken u

  • in geval van alarmerende mededelingen over gezinsvoogdij-instellingen (straks bureaus jeugdzorg) altijd het principe van hoor en wederhoor toe te passen
  • in geval van een minder gunstig inspectierapport altijd een hertoetsing te doen plaatsvinden om te bezien of er gevolg is gegeven aan aanbevelingen
  • in dit concrete geval

ü     opdracht te geven tot een onderzoek om te bezien hoe het contact tussen moeder en dochter hersteld zal kunnen worden

ü     de dochter therapeutische hulp te doen verlenen

ü     het rapport van de raad voor de kinderbescherming d.d. 19 augustus 2002  in te trekken.

 

7a. ONTVANGSTBEVESTIGING VAN HET MINISTERIE VAN JUSTITIE 

7aa. RAPPEL

Aan de Minister van Justitie, mr P.H. Donner
t.a.v. het hoofd van de afdeling Juridische Zaken, mevrouw mr E.A.M. Scheij
Postbus 20301
2500 EH Den Haag

Betreft: brief  van KOG d.d. 7 februari 2004



Haarlem, 6 mei 2004

 

Geachte Mevrouw,


Tot heden hebben wij behalve een ontvangstbevestiging (kenmerk 5272468 / 04 / DJC) geen reactie van u ontvangen op onze brief van 7 februari.
Mogen wij spoedig een inhoudelijk antwoord tegemoet zien?
Kopie van de brief van 7 februari sluiten wij bij.

Met gevoelens van hoogachting,


(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris) 

In kopie aan de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

7b. REACTIE VAN DE COMMISSIE VOOR JUSTITIE: 
      DE COMMISSIE HEEFT BESLOTEN DE MINISTER EEN NADERE 
      REACTIE TE VRAGEN

7c. ANTWOORD VAN MINISTER DONNER

 

 

 

8. BRIEF AAN LID EERSTE KAMER - NEEM WET OP DE JEUGDZORG NIET AAN

Haarlem, 26 februari 2004

Geachte Mevrouw,

Zoals wij gisteren telefonisch hebben besproken, stuur ik u een schriftelijke reactie van stichting KOG op de Wet op de jeugdzorg. 

In de eerste plaats herhaal ik wat ik heb gezegd op uw vraag of wij vinden dat de wet moet worden aangenomen: NEE.

Met de PvdA-fractie hebben wij twijfel over “de consistentie, de doelmatigheid en effectiviteit van de werking van dit wetsontwerp.”(voorlopig verslag, 7 oktober 2003)

De voornaamste reden voor deze afwijzende houding ligt in de omstandigheid dat de Wet op de jeugdzorg voorbij gaat aan het feit dat ouders autonome burgers zijn die de beslissingen over hulp voor hun minderjarige kinderen nemen. Een gelijkschakeling met de Overeenkomst inzake geneeskundige behandeling staat ons hierbij voor ogen. Maatregelhulp is o.i. dan ook alleen aan de orde indien voldaan wordt aan het gevaarscriterium dat ook wordt toegepast in de gezondheidszorg. (“De hulpvraag veilig stellen” is dus uit den boze.) 

De toepassing van de maatregelhulp onder de Wet op de jeugdhulpverlening heeft tot grote klachten geleid. Wij willen dit nogmaals sterk benadrukken. Wij zien in de nieuwe wet geen zekerheden die een ongewenste overgang van vrijwillige zorg in maatregelhulp voorkomen.

Integendeel, artikel 9 luidt: De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.

De Staatssecretaris schreef hierover in de Nadere memorie van antwoord (29 januari 2004): “In verband hiermee zal het bureau jeugdzorg zich bij de uitvoering van zijn taken altijd moeten afvragen of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.”

In het in september 2001 verschenen ‘De gezinsvoogd als jongleur, een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk’ wordt het zo voorgesteld, alsof problemen met een kind een symptoom zijn van het totale falen in het leven van de ouders. Dit geschetste ouderbeeld is onjuist. Ouders hebben vaak zelf hulp gevraagd uit zorg voor hun kind. Ze zoeken advies of hulp voor een leerprobleem of een gedragsprobleem. Net zoals ze voor muziekles of gebitsregulatie hulp bij derden zoeken. Een hulpvraag is geen reden om de hele regie in een gezin over te willen nemen.

Natuurlijk kan het voorkomen dat een ouder maatschappelijk onaangepast is en sociaal geďsoleerd. Net zoals het voorkomt dat een gezinsvoogd ontspoort en zijn handen niet thuis kan houden. 

Dit ouderbeeld komt overeen met het ouderbeeld waar de Wet op de jeugdzorg uit ontstaan is: “Ten tweede zijn cliënten in de jeugdzorg, …, vaak niet in staat zelf de benodigde zorg te organiseren. … Bovendien zijn de cliënten, zowel de jeugdige als de ouders, zich vaak niet bewust van deze problemen en/of niet gemotiveerd om hieraan iets te doen. Zo valt een groot deel van de cliënten in de jeugdzorg onder een jeugdbeschermingsmaatregel. In deze gevallen heeft de zorg vaak een verplichtend karakter en kan het organiseren van zorg niet aan de cliënten zelf worden overgelaten.” (Memorie van Antwoord 29 oktober 2003) 

Aan het toestemmingsvereiste in de gezondheidszorg ligt het zelfbeschikkingsrecht ten grondslag. Het zelfbeschikkingsrecht is a.h.w. een basisrecht. Wij verwachten dat de principes die van toepassing zijn op de gezondheidszorg eveneens van toepassing zullen worden in theorie en praktijk van de jeugdzorg.

De Wet op de jeugdzorg poogt inbreuken op de privacy te legaliseren.

“Het voorstel van wet … kent in artikel 51 wel enkele gevallen die inbreuk maken op dat uitgangspunt. De mogelijke inbreuken houden verband met de omstandigheid dat het vaak gaat om minderjarige cliënten en dat zorgverlening tegen de wil van de cliënt geboden moet kunnen worden. Het voorgestelde derde lid voorziet in verband met dat laatste in de mogelijkheid, zonder toestemming van de cliënt inlichtingen en bescheiden te verstrekken aan uitvoerders van jeugdzorg en aan de uitvoerders van maatregelen van kinderbescherming.”

(Memorie van antwoord, 29 oktober 2003)

Het lijkt raadzaam het College Bescherming Persoonsgegevens te raadplegen over de voorgestelde inbreuk op de privacy van ouders en kinderen in de bureaus jeugdzorg en de wet niet aan te nemen voordat het College zich heeft uitgesproken.

Bovendien maken wij ons zorgen over het niveau van de werkers in de jeugdzorg.

De PvdA-fractie heeft op 7 oktober 2003 gevraagd naar “betrouwbare indicaties ten aanzien van de rechtswaarborgen, uitvoerbaarheid, de herkenbaarheid en de te bieden kwaliteit op de verschillende onderdelen.”

Het antwoord van de Staatssecretaris heeft ons allerminst gerustgesteld: “In genoemde algemene maatregel van bestuur worden ook eisen gesteld aan de kwaliteit van het bureau jeugdzorg (bijvoorbeeld multidisciplinaire oordeelsvorming en de benodigde deskundigheid van de medewerkers van het bureau).

Overigens blijkt uit verschillende onderzoeken dat het basisniveau van de uitvoering door de bureaus van hun taken voldoende is, maar dat op thema’s, als standaardisatie en uniformiteit, betrokkenheid van cliënten, dossiervorming en transparantie nog terrein te winnen is. Dit geldt zowel voor de indicatiestelling en de daarmee samenhangende taken als voor de uitvoering van de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. Op verschillende manieren worden de bureaus jeugdzorg bij de kwaliteitsverbetering door de Ministeries van Volksgezondheid Welzijn en Sport en van Justitie ondersteund. Zo is het Ondersteunings-  programma ontwikkeld en zijn er het referentiewerkmodel bureau jeugdzorg en het Deltaplan Gezinsvoogdij.” (weet de Staatssecretaris wat dit Deltaplan inhoudt?)

 “Om de ontwikkeling van de bureaus jeugdzorg enerzijds te sturen, maar anderzijds niet te verstarren, hebben wij er in het ontwerp-besluit voor gekozen om niet opleidingseisen te benoemen, maar de terreinen waarop de medewerkers van het bureau jeugdzorg deskundig moeten zijn. De vertaling naar concrete opleidingseisen kan van hieruit door de bureaus jeugdzorg zelf plaatsvinden  …In de desbetreffende algemene maatregel van bestuur is de mogelijkheid gecreëerd om, indien de noodzaak daartoe zich laat voelen in een ministeriële regeling opleidingseisen voor te schrijven.” (Memorie van antwoord, 29 oktober 203) 

Wij zijn ons ervan bewust dat opleiding geen bekwaamheid garandeert, maar dat is geen reden om onvoldoende opgeleide mensen de mogelijkheid te geven schade aan te richten in gezinnen. Op zijn minst veroorzaken zij veel ergernis, in een slecht geval een onterechte uithuisplaatsing en enorm veel leed.

Wanneer een ouder zich argeloos tot een bureau jeugdzorg wendt, is er een reële kans dat hij na enig geharrewar te maken krijgt met een kinderbeschermingsmaatregel.

De gezinsvoogd die deze maatregel uitvoert, is opgeleid voor werk op uitvoerend niveau, maar moet initiërend werken. De situatie doet denken aan een doktersassistente die het werk van de huisarts moet doen. Merkwaardig is het verschil in beslissingsmacht tussen de gezinsvoogd en de assistent of de verpleegkundige.

Bovendien gaat deze beslissingsmacht samen met een groot verschil in feitelijkheid van het werkmateriaal: gegevens, objectief als laboratoriumuitslagen zijn zeldzaam in de gezinsvoogdij, interpretatie en beleving overheersen.

De arts onderzoekt de patiënt zelf, oordeelt zelf welke test nodig is, interpreteert die zelf.

De praktijkbegeleider van de gezinsvoogd heeft niet anders dan het rapport, opgesteld door de “doktersassistent”. De praktijkbegeleider kan niet anders dan afgaan op het materiaal dat de gezinsvoogd aanlevert. Deze veldwerker bepaalt wat er in de rapportage terecht komt, en in welke bewoordingen (sfeer, interpretatie) het er terecht komt.

Zonder in te gaan op de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling kan men constateren, met professor Slot, dat de doelmatigheid voor 70% van de betrokken jongeren niet bestaat.

(W. Slot / A. Theunissen; 909 zorgen, Een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling; VU-onderzoeksrapport 2e versie 2002)

Door de oprichting van de Bureaus Jeugdzorg zullen gezinnen in de fuik van soms ontoereikende hulpverlening zwemmen: geweigerde hulpverlening leidt makkelijk tot een maatregel van kinderbescherming die “de hulpvraag veilig stelt”.

Ontoereikende hulpverlening wordt niet gedwongen de kwaliteit te verbeteren, doordat ontoereikende hulpverlening leidt tot weigering van die hulpverlening; deze weigering wordt aanleiding tot gedwongen hulp, waarmee het gezin in de fuik gezwommen is.

Normale marktwerking kan niet functioneren. Gebrek aan kwaliteit leidt niet tot verminderde consumptie, maar tot gedwongen consumptie.

Gezinnen zullen als zij van te voren weten dat alle medewerkers van een bureau jeugdzorg altijd “met beschermersogen” kijken, zoveel mogelijk alle hulp mijden.

Wij zijn graag bereid het bovenstaande toe te lichten.  

 

8a. BRIEF AAN LEDEN EERSTE KAMER: NEEM WET OP DE JEUGDZORG NIET AAN

Haarlem, 1 maart 2004

 

Hoogedelgestrenge Dames en Heren,

Op 8 en 9 maart zult u de Wet op de jeugdzorg behandelen.

Wij doen een beroep op u dit wetsvoorstel te verwerpen, om de volgende redenen:

  • De Wet op de jeugdzorg gaat uit van een verkeerd ouderbeeld en wij zien geen zekerheden die een ongewenste overgang van vrijwillige zorg in maatregelhulp voorkomen. Integendeel:

ü     artikel 9: De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.

ü       en Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: … Bovendien zijn de cliënten … zich vaak niet bewust van deze problemen en/of niet gemotiveerd om hieraan iets te doen. Zo valt een groot deel van de cliënten in de jeugdzorg onder een jeugdbeschermingsmaatregel. …

  • De Wet op de jeugdzorg poogt inbreuken op de privacy te legaliseren.

Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: Het voorgestelde derde lid (van art. 51) voorziet … in de mogelijkheid, zonder toestemming van de cliënt inlichtingen en bescheiden te verstrekken aan uitvoerders van jeugdzorg en aan de uitvoerders van maatregelen van kinderbescherming.

  • De Wet op de jeugdzorg stelt geen eisen aan het niveau van de medewerkers van de bureaus jeugdzorg, maar volstaat met benoeming van de terreinen waarop zij deskundig moeten zijn.

Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: In de desbetreffende algemene maatregel van bestuur is de mogelijkheid gecreëerd om, indien de noodzaak daartoe zich laat voelen in een ministeriële regeling opleidingseisen voor te schrijven. 

Wij wensen dat de principes die van toepassing zijn op de gezondheidszorg eveneens van toepassing zullen worden in theorie en praktijk van de jeugdzorg.

Met gevoelens van hoogachting,

 

9.  COLLEGE BESCHERMING PERSOONSGEGEVENS OVER INFORMATIERECHT

9a. HET CBP OVER HET SCHOOLDOSSIER

 

9b. BRIEF VAN HET CBP: 
      RECHT OP GROND VAN DE WOB NIET ZOMAAR UITGESCHAKELD DOOR WBP

9c. BRIEF VAN HET CBP: 
      -REACTIE OP DE GEZINSVOOGD ALS JONGLEUR
      
over gedragsregels voor advocaten en het recht van partijen op alle stukken 
       waar de rechter kennis van neemt

 

 

 

 

10. ARTIKEL UIT JONG AAN DE AMSTEL 

 

 

10a. BRIEF AAN DE REGERINGSCOMMISSARIS JEUGD- EN JONGERENBELEID


Aan de weledelgeleerde heer drs S.R.A. van Eijck
Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid
Lange Voorhout 9
2514 EA Den Haag


Haarlem, 22 maart 2004


Geachte Heer,

Op 31 januari 2004 hebben wij voor het eerst over uw functie horen spreken:
de Staatssecretaris van VWS zei op de televisie dat u lijn ging brengen in het jeugdbeleid.
Dat klonk hoopgevend.
In het maartnummer van Jong aan de Amstel hebben wij voor het eerst iets over u gelezen.
De lijn die u schijnt voor te staan heeft de hoop onmiddellijk de bodem ingeslagen.

Onder de alarmerende titel ‘Praktijk gaat voor wetgeving’ zegt u o.a.:
“Men denkt, en in veel gevallen is dat ook zo, dat vanwege de “Wet op de Privacy” patiëntinformatie niet mag worden overgedragen. Dat wil dus zeggen dat de jeugdzorg niet optimaal kan functioneren. Daar moeten oplossingen voor komen. …, maar zolang het nog niet beter geregeld is, denk ik dat de behandelaars in eerste instantie het kind voorop moeten stellen. En dan misschien maar niet de letterlijke interpretatie van de wet gebruiken. Ik heb gezien dat wanneer de regel en wetgeving te strikt worden gehandhaafd sommige probleemgevallen niet kunnen worden opgelost.”
Onder uw foto staat het citaat:

“Ik heb gezien dat wanneer de regel- en wetgeving te strikt wordt gehandhaafd sommige probleemgevallen niet kunnen worden opgelost.”

U zegt: “… denk ik dat de behandelaars in eerste instantie het kind voorop moeten stellen.”
Op een of andere manier heeft alom het beeld ingang gevonden dat ouders druk zijn met hun eigen belangen, en dat hulpverleners daarom tussenbeide moeten komen om de belangen van het kind veilig te stellen. Deze gedachte schijnt gelegitimeerd te worden door het feit dat er gezinnen bestaan waar mishandeling en verwaarlozing voorkomen, maar is een vergissing! De combinatie van dat ouderbeeld met de gedachte dat alleen hulpverleners het belang van het kind kunnen bepalen, leidt tot dit negeren van wet en regelgeving.

Aangezien met toestemming van de ouders informatie wel kan worden overgedragen, spreekt u kennelijk over gevallen waarin ouders niet instemmen met informatieoverdracht.
Het frappeert ons, dat u de term patiëntinformatie gebruikt. Het gezondheidsrecht is sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw ver ontwikkeld, in de praktijk neemt men geen loopje met wet en regels.
Toch wordt in de gezondheidszorg niet gezegd:
“Dat wil dus zeggen dat de gezondheidszorg niet optimaal kan functioneren.
Daar moeten oplossingen voor komen.”

Volgens artikel 10 van de grondwet heeft iedereen in Nederland recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen.
De Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) stelt regels over inzage in de gegevens die over personen zijn vastgelegd en het gebruik dat van die gegevens mag worden gemaakt. Deze dient ter implementatie van de EU-privacyrichtlijn (1995).

Bij de informationele privacybescherming is van belang dat o.a. door cumulatie van gegevens een beeld van mensen kan ontstaan dat niet (meer) met de werkelijke persoon hoeft overeen te stemmen. Dat geldt in het bijzonder voor psychologische en sociale gegevens.Wanneer met subjectieve oordelen vermengde gegevens in een databank worden opgeslagen, krijgen ze een schijnbaar objectief karakter. Een derde-gebruiker zal ze voor objectief en waar houden.

Als tegenwicht tegen informationele macht is ook van overheidswege toezicht nodig op praktijken op het gebied van gegevensverwerking. Dit toezicht wordt uitgeoefend door het College bescherming persoonsgegevens.
Maar overheidstoezicht en handhaving komen niet in de plaats van individuele rechten.

Inbreuken op individuele grondrechten vergen zware argumenten. Gronden daarvoor mogen niet gemakkelijk worden aangenomen. Noodzaak van de onvrijwillige inbreuk, afwezigheid van andere mogelijkheden (subsidiariteit) en proportionaliteit zijn daarbij criteria.

De overheid verkeert in een ambivalente positie, omdat de vrijheid zowel tegen als door haar moet worden beschermd. Wij verwachten dat de principes die van toepassing zijn op de gezondheidszorg eveneens van toepassing zullen worden in theorie en praktijk van de jeugdzorg.

Wij verzoeken u ons mee te delen waarin volgens u jeugdzorg zich zozeer onderscheidt van gezondheidszorg, dat
-  ouders die een beroep doen op jeugdzorg daarmee de in de wet vastgelegde
    privacybescherming verliezen
-  niet de ouder, maar de hulpverlener bepaalt wat in het belang van het kind is
-  de hulpverlener die niet de toestemming van ouders verkrijgt eigenmachtig beslist, en geen
    vervangende toestemming van de rechter behoeft.

Wij zien uw reactie met grote belangstelling tegemoet.

Hoogachtend,

 

In kopie aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
                    de Commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                    de Hoofdinspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming
                    het College bescherming persoonsgegevens
                    de Colleges van Gedeputeerde Staten

 


10b. BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN VWS

Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
mevrouw drs C.I.J.M. Ross-van Dorp
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag

Haarlem, 22 maart 2004


Excellentie,

Bij dit schrijven vindt u kopie van onze brief van heden aan de Regeringscommissaris jeugd- en jongerenbeleid, de heer S.R.A. van Eijck. Tevens vindt u kopie van het artikel in het maartnummer van Jong aan de Amstel dat de aanleiding was tot het schrijven van de brief.

Wij zijn geschokt doordat een hoge regeringsfunctionaris de Wet bescherming persoons-gegevens niet van belang acht.
Beperking van de rechten van burgers door de Staat is alleen dan geoorloofd als die beperking steunt op de wet. Het handhaven van dit legaliteitsbeginsel is van openbare orde.

“Het belang van het kind” is in dit verband een drogreden: deel hebben aan de rechtsstaat is ook voor kinderen een belang, en wel een algemeen belang. De rechtsstaatgedachte impliceert dat dit algemene belang uitstijgt boven het ad-hoc-belang.
Het essentiële beginsel dat in een rechtsstaat gehandhaafd moet worden is dat van het aan banden leggen van de staatsmacht. Dus ook werknemers van bijvoorbeeld onder de verantwoordelijkheid van de provincies vallende bureaus jeugdzorg dienen het recht op privacy te respecteren.
Normen en waarden verdragen zich niet met wetsovertreding door overheidsfunctionarissen.

Wij verzoeken u ons te laten weten, dat
  -   u van mening bent dat iedereen zich aan de Wet bescherming persoonsgegevens dient te
      houden, ook de overheden en de werknemers in de organisaties die vallen onder de
      verantwoordelijkheid van de overheden
  -   privacybescherming een van de criteria dient te zijn bij certificeren in de
      jeugdzorg.

Hoogachtend,


In kopie aan de Regeringscommissaris voor jeugd- en jongerenbeleid, drs S.R.A. van Eijck
                    de Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer
                    de Hoofdinspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming
                    het College bescherming persoonsgegevens
                    de Colleges van Gedeputeerde Staten 

 

10c. REACTIE VAN DE REGERINGSCOMMISSARIS

 

 

10d. TWEEDE BRIEF AAN DE REGERINGSCOMMISSARIS


Aan de weledelgeleerde heer drs S.R.A. van Eijck
Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid
Postbus 556
2501 CN Den Haag


Haarlem, 23 april 2004



Betreft: uw brief d.d. 5 april, kenmerk JONG-472u

Geachte Heer,

Uw antwoord d.d. 5 april op onze brief d.d. 22 maart hebben wij in goede orde ontvangen.

Wij zijn zeer verheugd dat het artikel in Jong aan de Amstel van maart 2004 berust op een ernstige communicatiestoornis tussen u en de redactie.

Wij verzoeken u ons te laten weten dat u instemt met de uitspraak van
  -  de provincie Zeeland d.d. 6 april “dat wij het belang dat u hecht aan naleving van
      privacywetgeving onderschrijven.”
  -  de provincie Friesland d.d. 8 april “dat de Provincie Fryslan van de gesubsidieerde
      instellingen verlangt dat op het gebied van jeugdhulpverlening en jeugdbescherming de
      bestaande privacywetgeving onverkort wordt nageleefd.”
  -  de provincie Noord-Holland d.d. 15 april “Wij hechten er belang aan dat instellingen
      zorgvuldig omgaan met persoonlijke gegevens en het recht op privacy respecteren.”
  -  de Stadsregio Rotterdam d.d. 19 april “De door de stadsregio gesubsidieerde instellingen
      zullen zich vanuit hun eigen verantwoordelijkheid ook aan de op dit gebied bestaande
      wetgeving moeten houden. Wanneer het zo is, dat de instellingen zich niet aan de wet
      houden, zou dit voor ons een reden zijn, om de subsidiering te bezien.”

Wij verzoeken u voorts de redactie van Jong aan de Amstel een rectificerend artikel te vragen.


Hoogachtend,


Met kopie van uw brief in kopie aan
                     de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
                     de Commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                     de Hoofdinspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming
                     het College bescherming persoonsgegevens
                     de Colleges van Gedeputeerde Staten
                     de redactie van Jong aan de Amstel

 

10e. BRIEF VAN HET COLLEGE BESCHERMING PERSOONSGEGEVENS

 

10f. PERSBERICHT-3 mei 2004 

                                                   
Vindt Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid artikel 10 grondwet maar onzin?

”De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens,” aldus lid 2 van artikel 10 Grondwet.
Van de in december 2003 benoemde Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid mag een hulpverlener in de jeugdzorg zelf uitmaken of hij zich aan die regels houdt.

In het artikel ‘Praktijk gaat voor wetgeving’ in het maart-nummer van ‘Jong aan de Amstel’ doet de Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid, drs S.R.A. van Eijck, uitspraken die een regelrechte belediging zijn voor Nederlandse ouders. Een hulpverlener mag met toestemming van de ouders gegevens over een kind doorgeven. Soms geeft een ouder die toestemming niet, bijvoorbeeld omdat hij het niet eens is met het verhaal dat van de informatie is gemaakt, of omdat hij de privacy van zijn gezin beschermt.

De Regeringscommissaris zegt hierover: “Men denkt, en in veel gevallen is dat ook zo, dat vanwege de “Wet op de Privacy” patiëntinformatie niet mag worden overgedragen. Dat wil dus zeggen dat de jeugdzorg niet optimaal kan functioneren. Daar moeten oplossingen voor komen.
En het is misschien niet verstandig om dit te zeggen, maar zolang het nog niet beter geregeld is, denk ik dat de behandelaars in eerste instantie het kind voorop moeten stellen. En dan misschien maar niet de letterlijke interpretatie van de wet gebruiken. Ik heb gezien dat wanneer de regel en wetgeving te strikt worden gehandhaafd sommige probleemgevallen niet kunnen worden opgelost. En dat kan nooit de bedoeling zijn.”

Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders heeft naar aanleiding van deze uitspraken de Regeringscommissaris een aantal vragen gesteld, en o.a. het College Bescherming Persoonsgegevens op de hoogte gebracht van de kwestie.

Op 28 april heeft het College Bescherming Persoonsgegevens aan KOG meegedeeld dat het naar aanleiding van het artikel de Regeringscommissaris heeft uitgenodigd voor een gesprek.

Bijlagen:
artikel in maartnummer van Jong aan de Amstel ‘Praktijk gaat voor wetgeving’
brief van KOG d.d. 22 maart met reactie van de Regeringscommissaris d.d. 5 april
tweede brief van KOG, d.d. 26 april
brief van het College Bescherming Persoonsgegevens aan KOG d.d. 28 april.

BRIEF AAN DE PROVINCIES


Aan het College van Gedeputeerde Staten
van de provincie Gelderland

Postbus 9090
6800 GX Arnhem

Haarlem, 22 maart 2004

Geacht College,

Hierbij vindt u onze brief aan de Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid van heden en onze brief aan de Staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van heden, alsmede kopie van het artikel in het maartnummer 2004 van Jong aan de Amstel dat de aanleiding was tot beide brieven.

Graag vernemen wij van u dat de provincie Gelderland eist van de door haar gesubsidieerde instellingen op het terrein van de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming, dat de bestaande privacywetgeving onverkort wordt nageleefd.

Wij zien uw reactie met belangstelling tegemoet.

Hoogachtend,

 

Vergelijkbare brieven zijn uitgegaan naar alle provincies/regio's.

 

REACTIES VAN DE PROVINCIES

 

 

 

 

 

 

 

 

Aan het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland
t.a.v. de Directeur Directie Welzijn, Economie en Bestuur,
de weledelzeergeleerde heer dr. S. Knigge,
Postbus 153
4330 AD Middelburg


Betreft: uw brief d.d. 6 april 2004, kenmerk 0401331/21


Haarlem, 26 april 2004


Geacht College,

Uw brief d.d. 6 april hebben wij in goede orde ontvangen. Wij zijn verheugd te lezen, dat u het belang dat wij hechten aan naleving van privacywetgeving onderschrijft.
Nog verheugender is uiteraard, dat u geen signalen hebt dat de onder uw verantwoordelijkheid vallende instellingen voor jeugdhulpverlening de wetgeving op het terrein van privacy niet naleven.

Wij zenden u het antwoord van de Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid d.d.
5 april op onze brief d.d. 22 maart en onze reactie daarop d.d. 23 april.
Van de Staatssecretaris hebben wij nog geen antwoord ontvangen. Wanneer dit ons bereikt, zullen wij u kopie zenden.

Voorts zenden wij u kopie van de brief van Stadsregio Rotterdam d.d. 19 april.
Daarin staat: “Wanneer het zo is, dat de instellingen zich niet aan de wet houden, zou dit voor ons een reden zijn, om de subsidiering te bezien.”
Wilt u ons laten weten dat u dit standpunt deelt?

 
Hoogachtend,


Vergelijkbare brieven zijn uitgegaan naar alle provincies/regio's.

 

REACTIES VAN DE PROVINCIES

 

Opmerking:  
De genoemde brochure hebben wij niet kunnen vinden op
www.minvws.nl  
maar deze staat wel op
http://www.jeugdzorg.nl/jeugdzorg/download/OmgangmetClientgegevens.pdf 

 

 

10g. BRIEF AAN VWS
            -MODULES AAN CLIENTENDOSSIERS WAAR ALLERLEI INSTANTIES HUN
             NEUS IN KUNNEN STEKEN: HOE ZIT DAT?

Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
mevrouw drs C.I.J.M. Ross-van Dorp
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag

 

Haarlem, 14 juni 2004

 

Excellentie,

In Trouw van hedenmorgen lezen wij in een artikel van Perry Feenstra enkele citaten van u.

”We moeten de cirkel van problemen waar jongeren steeds vaker in terecht komen doorbreken.”
Wilt u ons laten weten welk onderzoek heeft uitgewezen dat jongeren STEEDS VAKER in problemen komen?

”Vervolgens is het van belang dat we de informatie in uniforme cliëntendossiers gaan bijhouden. Aan de dossiers kunnen ook modules gehangen worden, met gegevens voor onder andere school …”
Wilt u ons laten weten hoe de werkwijze zal zijn met de aan de dossiers gehangen modules?

 

Hoogachtend,

10h. BRIEF VAN VWS 
            -MODULES AAN UNIFORME CLIENTENDOSSIERS ZIJN NOG IN DE MAAK  

 

10i. BRIEF AAN HET CBP
           - DIGITALE INFORMATIEOVERDRACHT ACHTER OUDERS OM

 

Aan het College bescherming persoonsgegevens
Postbus 93374
2509 AJ Den Haag



Haarlem, 29 oktober 2004



Geachte Dames/Heren,

Naar aanleiding van een opmerking in een brief van het Ministerie van VWS (zie bijlage) hebben wij de gemeente Leeuwarden inlichtingen gevraagd over de in die gemeente gebruikte zorgmonitor. In deze envelop vindt u de CD-ROM die stichting KOG heeft ontvangen van de gemeente Leeuwarden. Het hierop gedemonstreerde systeem geeft zonder medeweten van betrokkenen informatie van instellingen van de gemeente aan scholen.

Graag willen wij van u vernemen of gebruik van een dergelijk systeem overeenkomstig de Wet bescherming persoonsgegevens is.

Hoogachtend,

10j.
Deze problematiek houdt gelukkig niet alleen KOG bezig. 
Kijkt u maar op http://www.ouders.nl/mdiv2004-digidoor2.htm

 

 

10k. BRIEF AAN THUISZORGORGANISATIE 
          - INFORMATIEUITWISSELING

 

Aan Bureau Jeugdzorg ’t Gooi
Thuiszorg Gooi en Vechtstreek, afd. jeugdgezondheidszorg en afd. kraamzorg
GGD Gooi en Vechtstreek afd. JGZ
Orthopedagogisch Centrum ’t Gooi



Betreft: project ‘Vroeg Erbij’


Haarlem, 24 juni 2004


Geachte Dames en Heren,

In de e-zine jeugdzorg van 22 juni lazen wij, dat in het kader van project ‘Vroeg Erbij’ Bureau Jeugdzorg ’t Gooi, Thuiszorg Gooi en Vechtstreek, GGD Gooi en Vechtstreek en Orthopedagogisch Centrum ’t Gooi zullen komen tot “afspraken over het uitwisselen van informatie”.

Wij zullen graag van u vernemen

o       Welke instantie informatie gaat doorgeven aan welke instantie

o       Hoe u denkt binnen de marges van de Wet bescherming persoonsgegevens te blijven

o        Of in alle gevallen de ouders zullen worden geďnformeerd over het doorgeven van informatie.

Hoogachtend,

10l. TELEFONISCHE REACTIE OP 10k, SCHRIFTELIJK BEVESTIGD

 

Aan Bureau Jeugdzorg ’t Gooi
Thuiszorg Gooi en Vechtstreek, afd. jeugdgezondheidszorg en afd. kraamzorg
GGD Gooi en Vechtstreek afd. JGZ
Orthopedagogisch Centrum ’t Gooi



Betreft: project ‘Vroeg Erbij’


Haarlem, 9 juli 2004


Geachte Dames en Heren,

In reactie op onze brief aan u d.d. 24 juni 2004 zijn wij opgebeld door de project-coördinator van ‘Vroeg Erbij’, mevrouw Margriet Hamburg. Zij heeft meegedeeld, dat het persbericht waaruit de e-zine jeugdzorg van 22 juni geput had, vermoedelijk onduidelijk geweest is.
De bedoeling van het project is namelijk uitdrukkelijk niet het uitwisselen van informatie over gezinnen of kinderen, maar het uitwisselen van gegevens over mogelijkheden en werkwijzen van organisaties.


Wij maken daaruit op, dat de betrokkenheid bij het project van bijvoorbeeld de afdeling kraamzorg van Thuiszorg inhoudt, dat een kraamverzorgster ouders voor wie zij denkt dat het van nut zou kunnen zijn gaat wijzen op de mogelijkheden van Bureau Jeugdzorg voor een ouder kind in het gezin, omdat zij beter dan voorheen op de hoogte is van die mogelijkheden.

Zonder uw tegenbericht gaan wij ervan uit, dat project ‘Vroeg Erbij’ inderdaad uitsluitend instanties over elkaars terrein en werkwijzen informeert, zodat zij ouders beter kunnen informeren en doorverwijzen.

Wij zullen deze brief en onze brief aan u van 24 juni bij de eerstkomende update op onze website plaatsen.

Met vriendelijke groet,

 

10m. ARTIKEL IN PERSPECTIEF

 

 

10n. BRIEF AAN DE LANDELIJKE VERENIGING VOOR THUISZORG 
        N.A.V. PERSPECTIEF JULI 2004

 

Aan de heer Bas van den Dungen
Landelijke Vereniging voor Thuiszorg
Postbus 100
3980 CC Bunnik


Haarlem, 9 augustus 2004


Geachte Heer,

In Perspectief nummer 5 zegt u op pag. 6: “Het is laagdrempelig voor kraamverzorgers en verloskundigen om aan het consultatiebureau te rapporteren. Zo omzeil je tevens gedeeltelijk het probleem van het beroepsgeheim.”
Wij zouden het zeer op prijs stellen wanneer u voor ons zou verhelderen wat we ons daar precies bij moeten voorstellen.

Met vriendelijke groet,

 

10o. TELEFONISCH ANTWOORD VAN DE LVT

Op 5 oktober komt er een telefonische reactie binnen van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg: Perspectief heeft de heer Van den Dungen verkeerd geciteerd. Dat is ook aan Perspectief gemeld, maar het blad heeft niet gerectificeerd.

De directeur van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg heeft in werkelijkheid gezegd, dat overdragen door kraamzorg aan het consultatiebureau, in overleg met de ouders, de gewone gang van zaken is. Er is geen sprake van iets nieuws of een enorme sprong voorwaarts zoals Perspectief suggereerde, en dus al helemaal niet omdat een kraamhulp makkelijker meldt aan het consultatiebureau dan aan de politie.

Er wordt afgesproken dat dit telefoongesprek op de website www.stichtingkog.info zal komen.

 

 

11. BRIEF AAN DE MINISTER VAN JUSTITIE 
           - BESCHERM OMGANG ALS OUDERLIJK GEZAG
 


Aan de Minister van Justitie, mr P.H. Donner
Postbus 20301
2500 EH Den Haag


Haarlem, 26 maart 2004


Excellentie,

Op 8 juli 1986 heeft het Europese Parlement de Resolutie over eenoudergezinnen aangenomen:

”Het Europese Parlement,

 6. merkt voorts op dat
  - …
  - beide ouders, ook ingeval het huwelijk wordt ontbonden, de plicht zouden moeten hebben
    om voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen te zorgen, dat de kinderen recht
    hebben op verzorging door beide ouders, ook al zijn deze gescheiden en …”

17. doet een beroep op de rechters in de lid-staten het welzijn van de kinderen voorop te plaatsen, vooral bij toewijzing van de kinderen, en daarbij geen der ouders te begunstigen; verzoekt hen voorts grondiger de mogelijkheden te bestuderen om beide ouders ook na de ontbinding van het huwelijk samen verantwoordelijk te doen blijven voor de opvoeding van de kinderen, met name door de ouders vaker gezamenlijk het voogdijschap te laten uitoefenen;

18. verzoekt de Commissie en de lid-staten, elk op eigen terrein, op grond van bovenstaande verzoeken, de nodige maatregelen te treffen; …”
(Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 227 pag. 31 t/m 37)

In het februari-nummer 2004 van Perspectief, een uitgave van het Ministerie van Justitie, bespreekt professor mr S.F.M.Wortmann op pag. 26 een recente uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM 23 september 2003, appl. no. 36141/97):

“Van de Staat worden realistische dwangmaatregelen verwacht, die redelijkerwijs tot medewerking aan de uitvoering van de omgangsregeling zullen leiden. Het Hof stelt hoge eisen aan de Staat als het gaat om de uitvoering van de omgang. … Het lijkt er een beetje op alsof de verantwoordelijkheid voor het slagen van een omgangsregeling grotendeels bij de Staat berust.”


De wijzigingen van boek I van het Burgerlijk Wetboek die ten gevolge hebben gehad dat na ontbinding van het huwelijk
het kind en een niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar, en
ouders die gezamenlijk het gezag hebben dit in principe gezamenlijk blijven uitoefenen,
zijn ongetwijfeld in de geest van o.a. de resolutie van 8 juli 1986 geweest.

Het komt echter nog zeer veelvuldig voor dat, zelfs nadat de rechter omgang heeft bepaald, er geen omgang plaatsvindt tussen kind en ouder bij wie het kind niet woont, doordat de ouder bij wie het kind zijn vaste verblijfplaats heeft de omgang tegenhoudt.


Wij doen een dringend beroep op u de wet zodanig te wijzigen, dat door de rechter bepaalde omgang beschermd wordt op dezelfde wijze en met dezelfde middelen als ouderlijk gezag.
De bescherming van ouderlijk gezag door het strafrecht heeft bewezen een zeer sterke preventieve werking te hebben.


Wilt u ons laten weten
-   dat u voorbereidingen laat treffen om de wet in bovengenoemde zin te wijzigen, dan wel
-   waarom u van mening bent dat de Nederlandse rijksoverheid niet gehouden is de relatie   
     van kinderen met hun beide ouders effectief te beschermen.


Met gevoelens van hoogachting,

In kopie aan het Europese Parlement 
                    de Commmissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

12. BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN VWS  
           ER MOET NIET MEER GELD VOOR JEUGDZORG KOMEN, 
           HET GELD MOET ANDERS VERDEELD WORDEN

Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
mevrouw drs C.I.J.M. Ross-van Dorp
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag 

Haarlem, 3 februari 2004 

Excellentie,

Op zaterdag 31 januari hebben wij u op de televisie gezien in gesprek met de heer Andries Knevel. U maakte duidelijk dat veel wat niet goed gaat in de jeugdzorg niet beter zal worden zolang er niet meer geld beschikbaar is.

In dat verband maken wij u opmerkzaam op de aanbevelingen van het Platform SCJF na verschijning van ‘De (gezins)voogd als jongleur. Een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk’. Deze aanbevelingen zijn te vinden op pag. 15 en 16 van de reactie van het Platform SCJF daarop, getiteld ‘Jongleur over de schreef’.

Kort samengevat komen die aanbevelingen hierop neer, dat beter en goedkoper samengaan:

1)      Niet uit huis plaatsen maar werken volgens de methode van de Nijmeegse hoogleraar prof. dr. J. van Acker, het gezinsproject (“Dit project had als doel hulp te verlenen aan problematische gezinnen, waar uithuisplaatsing van de kinderen dreigde. Een methodiek werd ontwikkeld om de problemen te behandelen waar ze zijn ontstaan. … Met de verpleegprijs van de tehuizen en ZIB-internaten zouden 3 tot 5 maatschappelijk werkers full-time per gezin kunnen worden aangesteld.”).

2)      Een deel van het werk laten verrichten door vrijwilligers, gekozen door de ouders, een werkwijze waar enkele provincies voorzichtig mee begonnen zijn (zie www.eigen-kracht.nl).

3)      “wegloopkinderen” niet min of meer blindelings uit huis plaatsen, maar een crisisplaatsing aanbieden en een snel doch gedegen onderzoek doen naar de feiten (dus niet naar de “beleving”): wordt dit kind mishandeld of ernstig verwaarloosd.

Om ‘Jongleur over de schreef’ te citeren: “We geven het geld verkeerd uit. Er moet niet meer geld beschikbaar komen, het voor jeugdzorg beschikbare geld moet anders verdeeld worden.”

Ik sluit een exemplaar van ‘Jongleur over de schreef’ bij. De kosten van jeugdbescherming zijn een relatief onbelangrijk aspect van dit commentaar op het handboek voor de gezinsvoogdij. Belangrijker is de constatering dat gezinsvoogden in het handboek aangemoedigd worden zich boven de wet te stellen, waardoor jeugdbescherming een staat in de staat vormt. Ook in de twee gesprekken die ik n.a.v. het handboek samen met mevrouw Alice Jansen gevoerd heb met Vedivo (J. Buinink en C. Kleingeld), is expliciet gezegd dat Vedivo niet mee kon gaan in onze eis, dat de gezinsvoogdij zich aan de wet dient te houden.

Wij zijn uiteraard graag bereid u nader te informeren over de visie van ouders op de jeugdbescherming.

Met gevoelens van hoogachting,

In kopie aan  de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                     de Vaste Commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                     de heer A. Knevel

Bijlage: Jongleur over de schreef

 

12a. REACTIE VAN HET MINISTERIE VAN VWS

12b. ANTWOORD VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE OP 
        BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN VWS

 


12c. REACTIE OP ANTWOORD VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE OP 
        BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN VWS

 

Aan het Ministerie van Justitie
t.a.v. de weledelgestrenge vrouwe mr N.J. Epker-Laverman, Hoofd van de afdeling Jeugd
Postbus 20301
2500 EH Den Haag


Betreft: uw brief d.d. 15 juni 2004, kenmerk 5292640 / 05 / DJC


Haarlem, 19 oktober 2004


Geachte Mevrouw Epker,

Dank voor uw reactie op onze brief van 3 februari aan de Staatssecretaris van VWS.

Wij zijn verheugd over wat u schrijft onder ad 1: de methodiek voor het (gezins)voogdijwerk. Het begint er naar uit te zien dat veel van onze wensen op termijn wellicht vervuld worden.

U schrijft over het ‘Deltaplan Gezinsvoogdij’ dat in dit project gestimuleerd wordt het netwerk van een gezin te activeren. De Eigen Kracht Conferentie (punt 2 in onze brief aan de Staatssecretaris van VWS) gaat echter verder (zie
www.eigen-kracht.nl):
   -   door henzelf gekozen leden van hun netwerk van familie en vrienden nemen deel aan een
        Eigen Kracht Conferentie en maken daar een plan dat de beste mogelijkheden voor de
        kinderen biedt in verband met de problemen;
   -    onderdelen van het plan worden naar keuze van de deelnemers aan de Eigen kracht
        Conferentie uitgevoerd door vrijwilligers of door professionals;
   -    hulp wordt blijkens de evaluatie beter geaccepteerd;

   -    uitvoering van het plan is relatief goedkoop;
   -    de gezinsvoogdij-instelling wijst het plan af wanneer het de hulpvraag niet veilig stelt.

Ouders kunnen inderdaad čn tegen een indicatiestelling čn tegen een machtiging uithuisplaatsing in beroep gaan, maar deze op het eerste gezicht tweeledige beroepsmogelijkheid is er niet in het kader van een ots: dan moet men immers de kinderrechter verzoeken om een oordeel uit te spreken.

U gaat niet in op punt 3 van onze brief van 3 februari: “wegloopkinderen”.
Financiële ondersteuning (ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing) betekent beloning van het weglopen. Het lijkt logisch dat hoe uitgebreider de financieringsregeling is, hoe omvangrijker het wegloopprobleem kan worden. Wij pleiten voor het intact laten van natuurlijke reguleringsmechanismen.
Natuurlijk bestaan er vaak spanningen tussen opgroeiende kinderen en hun ouders, ook zonder dat die kinderen zodanig opgroeien, dat hun “zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen”.
Niet valt in te zien dat de overheid zich de rol van heelmeester zou moeten aantrekken bij de spanningen in intermenselijke relaties die niet de wettelijke grens (ernstige bedreiging van zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid) hebben overschreden.
Steeds dient de overheid erop bedacht te zijn dat elke financieringsregeling misbruikt gaat worden, en dat dit wel eens erger kan zijn dan de kwaal die de regeling moest bestrijden.
Veel uithuisplaatsingen in wegloopgevallen zijn niet anders dan een financiële ots, waartegen de Hoge Raad zich al heeft uitgesproken in het arrest van 20 november 1987 (NJ 1988, 657).
Wij zien in dit verband een belangrijke taak voor de Raad voor de Kinderbescherming, straks voor Bureau Jeugdzorg: een crisisplaatsing en een zeer snel doch gedegen onderzoek naar de feiten (dus niet naar de “beleving”): wordt dit kind mishandeld of ernstig verwaarloosd.

ad 2: de hantering van het wettelijk kader.
Wij zijn inderdaad van mening dat op onderdelen de kaders waarbinnen gezinsvoogden zich moeten bewegen niet correct zijn beschreven in ‘De (gezins)voogd als jongleur’, zoals uitvoerig is besproken in ‘Jongleur over de schreef’.
De bedoeling van ‘De (gezins)voogd als jongleur’ is immers informatie voor de praktijk te geven die dus zonder eigen speurwerk in bijvoorbeeld jurisprudentie toegepast kan worden.

Stichting KOG ziet een verontrustende tweespalt: enerzijds een project als ‘Deltaplan Gezinsvoogdij’, anderzijds (en nog wel uit de koker van minstens gedeeltelijk dezelfde mensen) een boek als ‘De (gezins)voogd als jongleur’.
Professor Doek heeft op 11 mei 2004 tijdens de studiemiddag van FJR gezegd ‘dat Bureau Jeugdzorg wel veel petten op zal hebben, en dat men er altijd goed aan doet in zo’n geval zeer op zijn hoede te zijn.’ Als bovendien men ook binnen de Bureaus jeugdzorg werkt zoals aanbevolen in ‘De (gezins)voogd als jongleur’, heeft Nederland straks een in principe uitstekend systeem van jeugdzorg, waar niemand meer gebruik van zal durven maken.

Wij herhalen de aanbevelingen, gedaan in ‘Jongleur over de schreef’:
   #   Niet meer geld beschikbaar stellen voor de gezinsvoogdij. Meer van hetzelfde biedt geen
        oplossing. (De kranten berichten nu vrijwel dagelijks over onvrede met jeugdzorg.)
        Voor minder geld dan zij nu uitgeeft is het voor de overheid mogelijk ervoor te zorgen
        dat gezinnen betere hulp ontvangen dan nu: nog steeds wordt de helft van de
        kinderen met een ots uit huis geplaatst; deze uithuisplaatsingen kunnen in veel gevallen
        achterwege blijven; met het vrijgekomen geld kunnen veel meer gezinnen veel betere
        hulp krijgen. (Een sleutel hiertoe zien wij in de Eigen Kracht Conferenties.)
   #   Kosteloze rechtsbijstand ter beschikking stellen in elke zaak waarin het gaat om een
        ondertoezichtstelling of een onvrijwillige uithuisplaatsing (Zie ook het proefschrift van
        M.R. Bruning, Rechtvaardiging van kinderbescherming, 2001, pag. 442 e.v.)
   #   Voor gezinsvoogden hogere instroomeisen stellen. (Wij voegen hier aan toe:
        aan alle medewerkers van de bureaus jeugdzorg hoge eisen stellen, niet alleen de
        werkvelden waarin zij een of andere kwalificatie moeten hebben behaald beschrijven.)

Wij zijn het van harte eens met mevrouw M.R. Bruning, waar zij in haar proefschrift op pag. 437 spreekt over “het recht van ouders en minderjarigen op respect voor hun gezinsleven door de mogelijkheden van vrijwillige hulpverlening te versterken en de grond voor gedwongen hulpverlening te verzwaren, … .”.
De Bureaus jeugdzorg lijken een stap in die goede richting. Maar het opleidingsniveau van de mensen die daar werken, en bovenal hun mentaliteit en ouderbeeld, zal gaan bepalen of gezinnen er gebruik van zullen durven maken en er zullen vinden wat zij hoopten te vinden. ‘De gezinsvoogd als jongleur’ zal daar o.i. niet aan bijdragen.

Het Platform SCJF heeft een groot aantal exemplaren van het door Alice Jansen en mijzelf geschreven ‘Jongleur over de schreef’ laten drukken. Door de manier waarop het Platform aan zijn eind is gekomen zijn deze vermoedelijk verloren gegaan. Het Ministerie van Justitie zou de tekst kunnen reproduceren en beschikbaar doen stellen bij ieder exemplaar van ‘De  (gezins)voogd als jongleur’. Dit lijkt een eenvoudige en effectieve manier om de mensen die met dit boek gaan werken te confronteren met o.a. de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan hun werk. Een exemplaar van ‘Jongleur over de schreef’ kan ik niet bijsluiten (KOG bezit er nog één), maar de tekst is te lezen op de website
www.kog.info in de map Publicaties.
Wilt u ons laten weten hoe het ministerie tegenover deze gedachte staat?

Stichting KOG is uiteraard steeds bereid een bijdrage te leveren aan een goede jeugdzorg.

Hoogachtend,


(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)


In kopie aan de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                     de Vaste Commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                     de Eigen Kracht Centrale

Voor de Vaste Commissie voor Justitie en de Vaste Commissie voor VWS zijn bijgevoegd:
brief van stichting KOG aan het Ministerie van VWS d.d. 3 februari 2004
reactie van het Ministerie van Justitie d.d. 15 juni 2004

 

 

13 BRIEF AAN DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING 
     N.A.V. JAARBERICHT 2003

  Haarlem, 9 april 2004

Geachte Dames / Heren,

Naar aanleiding van uw Jaarbericht 2003 rijzen bij ons de volgende vragen:

  • Wat verstaat de Raad voor de Kinderbescherming onder “waarborgen”?

Onder Visie lezen wij: “De Raad voor de Kinderbescherming waarborgt … dat de rechten van kinderen in de knel ook daadwerkelijk beschermd worden.”

Onder Positie lezen wij: “…  de Raad …: hij waarborgt dat kinderen … de juiste hulp krijgen. Daarbij werkt de Raad nauw samen met andere partners in de jeugdzorg.”

  • Wilt u ons informatie zenden over de totstandkoming en werkwijze van de cliëntenpanels?

Hoogachtend,

 

13a. REACTIE VAN DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING

14.  BRIEF AAN AKJ 
        -MOGELIJKE BELANGENVERSTRENGELING VERTROUWENSPERSOON 
         EN KLACHTONDERSTEUNER

 

Aan de Directie van het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg
Geldersekade 101
1011 EM Amsterdam

Haarlem, 27 augustus 2004 

Geachte Directie,

Nu u werkgever bent van zowel klachtondersteuners als cliëntenvertrouwenspersonen, zouden wij het bijzonder op prijs stellen van u te vernemen welke maatregelen u hebt getroffen om te voorkomen dat hun werkzaamheden conflicteren.

Wij kunnen ons namelijk voorstellen dat de cliëntenvertrouwenspersoon zijn werk beter kan doen al naar gelang hij een betere relatie heeft met een instelling. De klachtondersteuner daarentegen heeft geen belang bij enige relatie, moet niet vrezen een eventuele relatie te schaden. Zeker wanneer een klachtondersteuner tevens de functie vertrouwenspersoon vervult, zouden conflicterende belangen zijn werkzaamheden kunnen bemoeilijken.

Wij hopen dat u ons inzicht wilt geven in de regelingen die een dergelijk conflict voorkomen.

Met vriendelijke groet,

 

Opmerking:  
Antwoord zie 2005 nummer 4 en verder 2007 nummer.....

 

 

15. BRIEF VAN GGD NEDERLAND OVER (DOSSIER VAN) SCHOOLARTS 

 

15b. BRIEF VAN CENTRAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG:
       - TOESTEMMING VAN BEIDE OUDERS VOOR BEHANDELING
         BIG-GEREGISTREERDE HULPVERLENER?

 

16. HARREVELD GEEFT GEEN NAMEN VAN LEDEN COMMISSIE VAN TOEZICHT

 

DIVERSE INGEZONDEN BRIEVEN

 

Trouw 13 mei 2004-AWBZ als fuik naar jeugdzorg

 

NRC-Handelsblad 30 september 2004

 

CERTIFICEREN

17-05-2002.

De perspectief uitgave van april met een artikel over het streven van Jeugdzorg Noord-Brabant naar het ISO 9001 kwaliteits certificaat gaf mij aanleiding voor deze ingezonden brief. 

Mijn interesse in dit artikel heeft 2 redenen:

1.      Ik werk zelfstandig als deskundige in het opzetten, implementeren en onderhouden van ISO-kwaliteitssystemen.

2.      Voor een van mijn kleinkinderen,  Patrick Willems, geldt een al lang lopende OTS en UHP en sinds heel kort is er een ontheffing uitgesproken.

ISO opzetten start met cultuur van de organisatie hiervoor geschikt maken.

Voor een organisatie met een sterke eigen cultuur, zoals JZ volgens mij heeft, is dit moeilijk, vooral omdat het wel zeker is dat die cultuur grote veranderingen moet ondergaan om optimaal gebruik te maken van het nieuwe ISO-9001.  

Ik denk namelijk ervaren te hebben dat Jeugdzorg een erg in zichzelf gekeerde en in zich zelf gelovende organisatie is, zonder de bereidheid zich te toetsen.

De bereidheid om van gemaakte fouten te leren is het beste, meest effectieve, gereedschap voor iedere organisatie om zich te verbeteren. Hiervoor is het nodig fouten te erkennen, te corrigeren en regelmatig naar structurele mogelijkheden te kijken om de organisatie te verbeteren.

In mijn, weliswaar beperkte, ervaringen  met Jeugdzorg heb ik jammer genoeg vast moeten stellen dat de bereidheid om fouten te erkennen en ze te corrigeren afwezig is.

Alleen met goede procesbeschrijvingen en meetbare doelstellingen ben je er dus niet.                                      Uiteindelijk kan een kwaliteitssysteem alleen goed functioneren als alle medewerkers er in geloven dat een kwaliteitssysteem hen iets kan bieden. Dat het geen extra management gereedschap is om de efficiency te verhogen maar dat het hen iets biedt om de kwaliteit van de serviceverlening aan de hen toevertrouwde mensen helpt vergroten zonder verzwaring van de secundaire taken. Maar hieraan voorafgaand is het absoluut noodzakelijk dat het gehele management er niet alleen in gelooft maar ook bereid is de bedrijfscultuur, als het nodig is verregaand, aan te passen. Dit houdt ook in dat niet slechts taken maar ook verantwoordelijkheden en bevoegdheden op andere plaatsen komen. Dit moet het begin van de ontwikkeling naar een kwaliteitssysteem zijn. Kortom er is voor alles een grote betrokkenheid van de leiding nodig.

Tot zover mijn interesse door punt 1.

Nu nog mijn betrokkenheid veroorzaakt door punt 2.

Ik realiseer me dat ik mijn ervaring met JZ voor een groot deel gevormd is door de behandeling van JZ naar Patrick zijn ouders en zijn familie. Verder spreek ik door deze ervaringen veel met andere betrokkenen en verdiep me in diverse publicaties. Ondanks deze toch betrekkelijk geringe ervaring hoop ik met een korte opsomming van, in mijn ogen, ernstige fouten een bijdrage te leveren om een slechte situatie aanzienlijk te kunnen verbeteren.

TEN AANZIEN VAN OPENHEID:

Belangrijke informatie van met JZ samenwerkende instanties niet in het gezinsvoogdijplan opnemen maar rechtstreeks naar de kinderrechter sturen. Soms het gezinsvoogdijplan ook rechtsreeks naar de kinderrechter met tijdgebrek als excuus.                  Ter informatie voor niet ingewijden: van een gezinsvoogdijplan dient eerst een concept naar de betrokkenen te worden gestuurd opdat die door hen ervaren onjuistheden kunnen signaleren en daarbij verzoeken om wijziging aan te brengen. Deze verzoeken worden in de gevallen die ik ken trouwens meestal niet gehonoreerd. Zich niet houden aan de door hen zelf gemaakte afspraken betreffende contacten en / of bezoek aan betrokken ouders of kinderen. De excuses die ik hiervoor gehoord hebt zijn a. drukte bij pleegouders b. de betrokken ouder vraagt toch al te veel tijd. Blijkbaar wordt dit door de rechtbank getolereerd.                JZ beslist welke informatie uit vroegere rapporten van henzelf, andere instanties of personen, in haar nieuwe gezinsvoogdijplannen wordt opgenomen. Door het op deze wijze beheren en beheersen van de informatie heeft JZ een bijna absolute macht.

Op verzoeken om gehoord te worden, waarbij mijn vrouw ook namens mij schrijft, wanhopig  en ten einde raad te zijn, wordt gereageerd met: “We hebben een intern onderzoek ingesteld en het blijkt dat wij aan alle protocollen en procedures voldaan hebben.”

TEN AANZIEN VAN CORRECTIES EN STRUCTURELE VERBETERINGEN:

Of er binnen JZ aandacht is geweest om te verbeteren, gedurende de laatste 4 jaar, kan ik niet beoordelen, maar wel kan ik met zekerheid zeggen dat dit in onze situatie nooit gebeurd is door het erkennen van gemaakte fouten of  het corrigeren van later gebleken foutieve veronderstellingen. Als ik hier ga uitweiden met voorbeelden wordt het misschien te veel een specifieke casus.

Ik beëindig mijn brief met de hoop dat dit schrijven bijdraagt aan een goed kwaliteitssysteem voor Jeugdzorg Noord-Brabant. Om ieder geval voor anderen te bereiken dat de kwaliteit van hun bestaan niet gedecimeerd wordt.

Jaap Buisman.  

 

OM ECONOMISCHE REDENEN

Trouw citeert op 8 maart 2004 in het artikel ‘Jeugdgevangenis als opvang’ CDA-kamerlid Aasted-Madsen  over Buro’s Jeugdzorg: “Er is dus één voordeur, maar wat daarachter zit, klopt nog van geen kant.”

Bureau Jeugdzorg moet DE toegang tot de jeugdzorg worden. Het doel is dat dit bureau dezelfde rol krijgt als de huisarts in de gezondheidszorg. Maar:

  • Een arts heeft een universitaire studie en jaren stage achter de rug. Bij fouten kan hij door het medisch tuchtcollege op de vingers getikt worden.
  • In Bureau Jeugdzorg werken veel mensen met een opleiding op het niveau van een doktersassistent. Enige vorm van tuchtrecht is op hen niet van toepassing. In de Wet op de jeugdzorg worden alleen deskundigheidsgebieden omschreven, geen opleidingseisen gesteld.
  • Verschil van mening met de ouders over een behandeling leidt vaak tot gedwongen behandeling.

In theorie wordt elke dwang getoetst door de rechter, maar men leze de proefschriften van Van den Berg (1999) en Bruning (2001).

In oktober 1998 heeft een spreker in de VU op de themadag ‘Hulpverlenen of straffen?’ gezegd: “Wij leven met de werkelijkheid dat veel jeugdigen om economische redenen uit huis worden geplaatst omdat we nu eenmaal geacht worden iets te doen.”
Niet alleen worden dus kinderen uit hun gezin gehaald “om economische redenen”, ruim 800 daarvan verdwijnen in de gevangenis.


In ‘Een reus moet leren bukken’ van E.S.P. Oudejans (2002) is te lezen: “En dan kunnen er ook nog institutionele belangen een rol spelen, want instituties hebben nu eenmaal voldoende kinderen nodig om hun diensten in stand te kunnen houden.”
Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland schrijft dan ook in het werkplan voor 2003: “… een trendmatige terugloop van het aantal OTS-pupillen …Overleg daarover met rechters is moeilijk, zo niet onmogelijk … Gericht overleg met de Raad voor de Kinderbescherming vanuit het komende Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, moet worden overwogen.” 

Nog in 1998 bevestigde Vedivo dat de beslissing of een kind al dan niet uit huis geplaatst wordt, afhangt van de toevallige opinie van de toevallige maatschappelijk werker.

Oudejans zei in 1998: “Met enkele duizenden guldens per jaar per cliënt zou naar onze oprechte overtuiging een groot deel van de uithuisgeplaatste jongeren thuis kunnen blijven en zouden wij in staat zijn echt iets voor die jongeren te doen.“

Beter is in dit geval goedkoper. Maar wij zeggen kennelijk liever, om de vergelijking met de medische wereld voort te zetten: Fysiotherapie hebben we niet, maar we amputeren gewoon een been, omdat we nu eenmaal geacht worden iets te doen.

   

GROOTSPRAAK

In Perspectief van oktober 1998 spreekt Carol van Nijnatten zijn verontrusting uit over een trend: steeds meer instellingen zouden “de kwaliteit van hun dienstverlening uitsluitend bepalen aan de hand van wat heet: cliëntensatisfactie”. Ik zie deze trend niet, maar dat terzijde. Van Nijnatten meent, dat er in de jeugdzorg veel werk verzet wordt door deskundigen, die iets zo speciaals doen dat de doodgewone ouder er niet over kan oordelen. 

Hij trekt zelf een vergelijking met de medische wereld. Veel van wat medici doen, onttrekt zich aan het oordeel van de leek, maar veel is ook het beste door die leek te beoordelen. Een gebroken arm die een jaar na de behandeling nog pijn doet: geen cliënten satisfactie. Een gepromoveerde medewerkster van een extern deskundigenbureau die concludeert dat de moeder geruststellender is voor haar vierjarige zoon dan de vader, omdat in haar aanwezigheid het kind meer op zijn gemak was, maar over het hoofd ziet dat het jongetje met zijn vader de eerste keer voor onderzoek kwam, en met zijn moeder voor de tweede keer: geen cliënten satisfactie.

Een zevenjarige jongen die in zijn broek plast en poept en na anderhalf jaar vrijwillige uithuisplaatsing dat nog steeds doet: geen cliënten satisfactie. De instelling wil zijn verblijf continueren, de “onwillige ouders” houden deze “beslissing in het belang van hun kind” tegen. Stel je voor! Twee vaderloze kinderen van een drugsverslaafde moeder gaan van inrichting naar inrichting en van pleeggezin naar pleeggezin, tot ze – totaal verknipt en aan niemand gehecht – zes jaar later geplaatst worden bij hun grootouders die daar al die jaren om gesmeekt hadden: stel je voor dat de onwillige moeder al die “beslissingen in het belang van haar kinderen” had kunnen tegenhouden!   

Een vijftienjarig meisje loopt weg omdat ze geen seksuele relatie mag onderhouden met een man van dertig; de professionals vinden het Wetboek van Strafrecht maar onzin en geven de ‘gelieven’ volop gelegenheid: geen cliënten satisfactie bij de ouders, en drie jaar later ook niet bij de dochter, die dan aangifte kan doen van seksueel misbruik. Ach ja, was er toch maar gevaren “op het ondeskundig kompas van leken”.

Een jongen die als baby van zes maanden geadopteerd was, wordt als vijftienjarige vrijwillig uit huis geplaatst: hij is agressief, crimineel en drugsverslaafd. De instelling doet niets voor of met hem, de psychiatrische hulp die de ouders vragen krijgt hij niet omdat zo’n geadopteerd kind toch niet te helpen valt (!); als hij op zeventienjarige leeftijd nog 38 kilo weegt en dood wil is dat zijn eigen verantwoordelijkheid, want hij is geen klein kind meer. Wat vinden de ouders? Ho, ho, de “rol als cliënt” verhindert “een neutrale beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening”. Een vader mag geen contact met zijn tweejarig zoontje om een reden die buiten hemzelf en het kind ligt. Zal deze situatie het kind schaden? Typisch een leek die zich een oordeel aanmatigt over het werk van een deskundige.

Twee kinderen die bij vader geplaatst zijn worden tijdens een omgangsweekend door de moeder die psychiatrische problemen heeft meegenomen; vervolgens krijgt de vader omgang onder begeleiding. Nou hoor ik toch niet weer een leek die …..!

Wij cliënten blijven ons een oordeel aanmatigen over de inhoud van het werk van deskundigen. Veel van dat werk voldoet namelijk niet aan huis-, tuin- en keukenlogica; veel van dat werk getuigt van harteloosheid en gebrek aan inlevingsvermogen in kinderen; veel van dat werk respecteert niet de banden die het kind met zijn familie heeft. Ouders met respect behandelen? Zich aan de wet houden? Vaak is dat grootspraak.

 

BUREAU JEUGDZORG

In Trouw van 28 november 2003 staat een mooi artikel van Henriëtte Lakmaker over Bureau Jeugdzorg: de theorie en (soms) de praktijk. In het praktijkverhaal vallen op de gebrekkige en trage hulp en het informele sfeertje tussen bureau jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming, waardoor een verzoek om te onderzoeken een verzoek m.b.t. de uitkomst daarvan kan bevatten, dit laatste gesignaleerd door het AKJ.

Wellicht zullen niet veel ouders weten, dat de Wet op de jeugdzorg zegt over bureau jeugdzorg, dat de medewerkers voortdurend met beschermersogen moeten kijken ( "De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden").

De overheid ziet alle ouders als potentiële kindermishandelaars, niet alleen op bureau jeugdzorg. De pedagogisch medewerker op veel crčches werkt daar ter vroegtijdige signalering van problemen. Hadden de ouders die koppelverkoop van opvang en probleemsignalering besteld? Wisten ze daar eigenlijk wel van?

Wij hebben twee adviezen i.v.m. deze fuikwerking: 

  • mijd zoveel mogelijk alle instanties 
  • verzeker u bij voor psychologische of pedagogische hulp voor uw kind, zodat u in ieder geval niet over de drempel van bureau jeugdzorg hoeft.

 

UITZONDERINGSDENKEN HEEFT WET OP DE JEUGDZORG BEPAALD

In Perspectief nr 7 (2003) staat een artikel van Arthur Ross: "Redeneerontaarding". Het geeft ook prachtig weer, waarom goed geďnformeerde ouders de bureaus jeugdzorg zullen mijden. De meerderheid moet immers, zoals hij zegt, wijken voor een (kleine) minderheid.

Op scholen haalt de overheid naar believen het net door de vijver.

Artikel 10 van de Wet op de jeugdzorg zegt, dat bureau jeugdzorg o.a. tot taak heeft "het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het onderwijs, … ter bevordering van vroegtijdige signalering van problemen bij jeugdigen die tot zorg … zouden kunnen leiden."

In het Jaarbericht 2002 van de Raad voor de Kinderbescherming staat over raadsmedewerkers: "Verder maken zij deel uit van netwerken en preventieprojecten, waarin onder andere scholen, (huis)artsen, politie, … Bureau Jeugdzorg en het AMK participeren."

Een beleidsmedewerker van het Ministerie van Justitie schrijft in Perspectief nr 6: "Als een kind nu met gedragsproblemen komt, denken we aan allerlei oorzaken: is het geslagen, misbruikt, verwaarloosd, of zijn er drugs in het spel?"

Art. 9. 1 Wet op de jeugdzorg: De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.

En om te voorkomen dat ouders hulp voor hun kinderen organiseren zonder dat hun kind "met beschermersogen" bekeken wordt, krijgt artikel 9b van de AWBZ een nieuw lid 4, inhoudende dat men alleen beroep kan doen op de AWBZ na indicatie door bureau jeugdzorg.

Mondige burgers? Verdachten zijn wij.

 

ELKE VORM VAN LICHAMELIJK OF GEESTELIJK GEWELD

Het NIZW en Bureau jeugdzorg Gelderland hebben op 1 december een oproep aan de overheid gedaan om elke vorm van lichamelijk of geestelijk geweld door ouders tegenover hun kinderen strafbaar te stellen. We zouden een belangrijke vorm van ernstig geestelijk geweld makkelijk kunnen aanpakken: verhinderen van omgang van een kind met een ouder bij wie hij niet woont op dezelfde manier en met dezelfde middelen aanpakken als onttrekken aan ouderlijk gezag. Strafbaar zijn van onttrekken aan ouderlijk gezag heeft bewezen effectief te zijn, namelijk een geweldige preventieve werking te hebben.

Zolang de wet niet in die zin gewijzigd is, behoort de Raad voor de Kinderbescherming elk onderzoek dat een rechter vraagt i.v.m. omgang te weigeren: daar is namelijk niets aan te onderzoeken. De Raad voor de Kinderbescherming zou daar alle kinderen en ook de belastingbetaler een grote dienst mee bewijzen.

 

SCHEIDING EN OMGANG

De Nederlandse kinderen en hun ouders hebben twee zaken nodig: rechters die zich in hun beslissingen over omgang beperken tot frequentie en tijden, en een wetgever die verhindering van omgang behandelt als onttrekking aan ouderlijk gezag. Zolang we dat nog niet hebben: een raad voor de kinderbescherming die alle verzoeken van rechters om onderzoek i.v.m. omgang weigert. Daar is namelijk niets aan te onderzoeken.                                                                                                                                   Dan zou de raad voor de kinderbescherming iedereen, ook de belastingbetaler, een groot genoegen doen.

 

RECHTSSTAAT

Het kabinet-Balkenende herijkt overheidstaken o.a. op het terrein van de rechtsstaat. Een goede gelegenheid om de raad voor de kinderbescherming af te schaffen. Deze hecht meer waarde aan meningen en veronderstellingen dan aan feiten, waardoor de rechtszekerheid bedreigd wordt.

Als er iets te onderzoeken valt aan een gezinssituatie is de politie het aangewezen orgaan voor een feitenonderzoek.                                                                                                                                          Als er omgangsproblemen zijn ligt daar geen taak voor de raad, maar dient de omgang beschermd te worden op dezelfde wijze en met dezelfde middelen als waarmee het ouderlijk gezag beschermd wordt.

Met deze twee wijzigingen zullen ook kinderen in een rechtsstaat leven, zal Nederland beter voldoen aan de verplichtingen die het IVRK oplegt, en bespaart het kabinet heel veel geld.

 

DE RECHTER VOLGEN IN ZIJN HANDEL EN WANDEL

In Trouw van 10 januari staat een artikel van de president van de rechtbank in Den Haag: Rechter volgt allang gevoelens samenleving. Hierin staat o.a.: "De rechter stelt zich controleerbaar op. Beslissingen worden op schrift gesteld en nagenoeg alle zittingen zijn openbaar. Dat hij door een kritische pers in zijn handel en wandel wordt gevolgd kan alleen maar bijdragen tot het leveren van betere prestaties."

Het is mij uit het hart gegrepen. Wat jammer dat het niet opgaat voor familie- en jeugdrecht: inzage in beslissingen wordt geweigerd (waarom niet een map met geanonimiseerde beslissingen op zaaknummer, zoals bij de Nationale Ombudsman?); zittingen zijn niet openbaar, waardoor de pers niets kan volgen en dus ook niet kan bijdragen tot het leveren van betere prestaties.

Toen onlangs de moeder van een ondertoezichtgesteld kind aan de president van het Hof in Amsterdam vroeg of ik de zitting mocht bijwonen, kregen wij pas toestemming nadat de raad voor de kinderbescherming en de gezinsvoogdij-instelling, wier werk hier in feite beoordeeld werd, gezegd hadden daar geen bezwaar tegen te hebben. Wat wordt er door al die beslotenheid beschermd?

 

CAMPAGNE AMK

AMK Noord-Holland en AMK Amsterdam voeren momenteel een bekendheidscampagne en verspreiden folders die informatie geven over hun werkwijze. Helaas is ons gebleken dat de werkwijze soms anders is.

Eind vorig jaar hebben grootouders die zonder reden niet langer contact met hun kleinzoontje mochten hebben en die zich ook anderszins zorgen om hem maakten, op advies van algemeen maatschappelijk werk een zorgmelding gedaan bij het AMK Amsterdam. Na enige tijd hebben zij opnieuw contact gelegd. Het AMK heeft vervolgens een onderzoek ingesteld en is tot de conclusie gekomen dat de zorgen ongegrond waren. De grootouders kregen een brief dat zij op moesten houden met contact zoeken met hun kleinzoontje en daardoor voor onrust zorgen in het gezin waar hij opgroeit. De ouders ontvingen kopie van deze brief en de mededeling dat de grootouders bij het AMK een melding hadden gedaan van kindermishandeling. Met deze brief hebben zij bij de politie aangifte gedaan van smaad.

Het AMK heeft Kinderen - Ouders - Grootouders geschreven dat het de gewone standaardbrief was en men geen aanleiding zag om daar verandering in te brengen.

 

HET NET DOOR DE VIJVER HALEN

In NRC Handelsblad van 20 oktober 2003 treft in het artikel ‘Snuffelwet’ de passage: "…het belang van het onderzoek heeft absolute voorrang. Een concrete verdenking is in veel gevallen niet meer nodig. De politie kan naar believen het net door de vijver halen."

Ook op scholen haalt de overheid "naar believen het net door de vijver".

De nieuwe Wet op de jeugdzorg verstaat onder jeugdzorg "ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, …, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen." In artikel 10 is te lezen dat Bureau Jeugdzorg o.a. tot taak heeft "het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het onderwijs, … ter bevordering van vroegtijdige signalering van problemen bij jeugdigen die tot zorg … zouden kunnen leiden."

In het Jaarbericht 2002 van de Raad voor de Kinderbescherming staat over raadsmedewerkers: "Verder maken zij deel uit van netwerken en preventieprojecten, waarin onder andere scholen, (huis)artsen, politie, … Bureau Jeugdzorg en het AMK participeren."

Een beleidsmedewerker van het Ministerie van Justitie schrijft in Perspectief 2003 nummer 6: "Als een kind nu met gedragsproblemen komt, denken we aan allerlei oorzaken: is het geslagen, misbruikt, verwaarloosd, of zijn er drugs in het spel?"

En om te voorkomen dat ouders hulp voor hun kinderen organiseren zonder dat hun kind "met beschermersogen" bekeken wordt, krijgt artikel 9b van de AWBZ een nieuw lid 4, inhoudende, dat men alleen beroep kan doen op de AWBZ als er een besluit is genomen "waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen" door Bureau Jeugdzorg.

Mondige burgers? Verdachten zijn wij.

 

EN DE OUDERS DAN?

In Trouw van 28 oktober 2003 staat een artikel "En de ouders dan?"dat eindigt met: "…overleggen over individuele kinderen met elkaar en met de remedial teacher en met deskundigen van buiten de school." Willen de leraren vooral niet vergeten van al die overleggen een verslag te maken, dat te laten paraferen door de gesprekspartner, en de ouders te laten weten dat er een schooldossier is van hun kind en dat zij recht op inzage daarin hebben?

DE RECHTER NIET MEER AAN JE LAARS KUNNEN LAPPEN

In Perspectief nr 8 (2003) demonstreert P. Katzenbauer aan de hand van zijn lotgevallen dat ouders en instanties sommige uitspraken van de rechter aan hun laars kunnen lappen.

Zou het kabinet nu niet eens met een wet kunnen komen, waardoor ALLE beslissingen i.v.m. KINDEREN van ALLE rechters als dat nodig is met hulp van de politie onmiddellijk uitgevoerd worden?

Een eind aan veel verdriet en machteloosheid, een geweldige kostenbesparing, Nederland niet langer land-met-een-staat-in-de-staat, en een grote stap gezet naar een rechtsstaat voor het kind.