|
Verzonden en ontvangen stukken Iedereen mag alle teksten uit deze map overnemen
Verwerkt tot en met december 2004 1 persbericht - schaf amk's af 2 persbericht (2x)- bijverzekeren psychische hulp voor kinderen nodig 2a reactie CZ 2b reactie FBTO 2c brief aan Minister Hoogervorst 2d reactie van de commissie voor VWS 2e brief VWS van 13 april 2004: 2f brief aan VWS d.d. 3 mei n.a.v. artikel in Trouw over AWBZ 2g antwoord van de Staatssecretaris van VWS (2f) 3 brief aan Eerste Kamer - schaf amk's af 3a reactie Eerste Kamer 3b brief aan Eerste Kamer - neem Wet op de jeugdzorg niet aan 3c reactie Eerste Kamer - voor kennisgeving aangenomen 4 brief aan Landelijk Bureau Raad voor de Kinderbescherming: certificeer! tot heden niet beantwoord 5 soortgelijke brieven zijn verzonden aan alle provincies 5a reacties van provincies wij attenderen u op de eerste drie brieven 5b ROA stelt certificeren verplicht v.a. 2006 5c ROA laat inhoudelijke uitwerking van certificering bij de veldpartijen 6 brief aan Minister Donner - bescherm omgang als ouderlijk gezag 6a antwoord van de Minister 6b ingezonden brief van een huisarts over deze materie in Trouw van 13 augustus 2004 7 brief aan Minister Donner - handelwijze gezinsvoogdijinstelling 7a ontvangstbevestiging van het Ministerie van Justitie d.d. 24 februari 7aa rappel d.d. 6 mei 7c antwoord van de Minister 8 brief aan lid Eerste Kamer - neem wet op de jeugdzorg niet aan 8a brief aan leden Eerste Kamer - neem wet op de jeugdzorg niet aan 9 brief van het College Bescherming Persoonsgegevens over informatierecht 9a brief van het CBP over schooldossier 9b brief van het CBP: recht op grond van de WOB niet zomaar uitgeschakeld door WBP 9c
reactie van het CBP op brief n.a.v. ‘De gezinsvoogd als
jongleur’ 10 artikel uit Jong aan de Amstel 10a brief aan de regeringscommissaris jeugd- en jongerenbeleid 10b brief aan de staatssecretaris van VWS 10c reactie van de regeringscommissaris 10e brief van het college bescherming persoonsgegevens 10f persbericht 3 mei brief aan
gedeputeerde staten van de provincies 10g brief aan de staatssecretaris van VWS d.d. 14 juni 2004 10h reactie van VWS d.d. 12 augustus 2004 10i brief aan het CBP n.a.v. opmerking in brief van VWS (10h) 10j website ouders.online maakt zich zorgen over hetzelfde probleem 10k brief aan thuiszorgorganisatie d.d. 24 juni 2004 over informatieuitwisseling 10l bevestiging telefonische reactie op 10k 10m opmerkingen van directeur Landelijke Vereniging voor Thuiszorg in Perspectief 10n brief aan de LVT n.a.v. artikel in Perspectief (10m) 10o telefonische reactie van LVT op 10n 11 brief aan de Minister van Justitie - bescherm omgang als ouderlijk gezag 12 brief aan de Staatssecretaris van
VWS - er moet niet meer geld voor jeugdzorg komen, 12a reactie van ministerie van VWS - brief doorgegeven naar ministerie van Justitie 12b antwoord van de minister van Justitie op brief aan de Staatssecretaris van VWS 12c reactie op antwoord van de minister van Justitie op brief aan de Staatssecretaris van VWS 13 brief aan de Raad voor de Kinderbescherming n.a.v. Jaarbericht 2003 13a reactie van de Raad voor de Kinderbescherming 14 brief aan AKJ - mogelijke belangenverstrengeling vertrouwenspersoon en klachtondersteuner 15 brief van GGD Nederland - (dossier van) schoolarts 15b brief van Medisch Tuchtcollege - toestemming van beide (?) ouders 16 Harreveld geeft geen namen van leden commissie van toezicht diverse ingezonden brieven
1. PERSBERICHT 20-11-2003 De Advies- en Meldpunten Kindermishandeling moeten worden opgeheven. HET BUDGET VOOR DE AMK’S MOET OVERGEHEVELD WORDEN NAAR DE POLITIE. In de Wet op de jeugdzorg, die door de Tweede Kamer is aangenomen en momenteel bij de Eerste Kamer ligt, is het AMK onderdeel van Bureau jeugdzorg. KOG ziet niet in waarom mishandeling bij de politie gemeld kan worden, maar vermoeden van mishandeling van een kind niet. De politie had tot voor kort een afdeling jeugd- en zedenzaken, waar gespecialiseerde kennis aanwezig was die de grootste kans bood de feiten aan het licht te brengen. Wanneer de feiten bekend zijn, kan passende hulp gezocht worden. De AMK’s voeren momenteel campagne om hun
naamsbekendheid te vergroten. De werkwijze zoals die daarin beschreven
wordt, stemt niet in alle gevallen overeen met onze ervaringen. De AMK’s leveren mishandelde kinderen alleen meer volgeprint papier op. Een melding van vermoeden van kindermishandeling verdient het, onderzocht te worden door het overheidsorgaan dat als geen ander in staat is tot feitenonderzoek: de politie. KOG heeft de Eerste Kamer verzocht de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van VWS vragen te stellen over de AMK’s.
2. PERSBERICHT 1 Stichting Kinderen – Ouders – Grootouders heeft de zorgverzekeraars opgeroepen in 2004 (Wet op de jeugdzorg) zowel voor particulier- als voor ziekenfondsverzekerden kortdurende kinder- en jeugdpsychologische hulp verzekerbaar te maken. KOG vindt dit noodzakelijk, omdat de Wet op de jeugdzorg betaling uit de AWBZ voor deze hulp alleen maar mogelijk maakt na indicatie door Bureau jeugdzorg. Op Bureau jeugdzorg kijkt iedere medewerker naar elk kind “met beschermersogen”. Wat dat inhoudt, blijkt uit een uitspraak van het Ministerie van Justitie: Als een kind met gedragsproblemen komt, denken we aan allerlei oorzaken: is het geslagen, misbruikt, verwaarloosd, of zijn er drugs in het spel? KOG zou graag zien dat alle ouders hulp voor hun kind kunnen zoeken zonder zichzelf in de beklaagdenbank te zetten. Achmea (Avero, FBTO, Groene Land, PWZ en Zilveren Kruis) heeft reeds positief gereageerd.
PERSBERICHT 2 Stichting KOG heeft minister Hogervorst geadviseerd kortdurende psychologische hulp voor kinderen uit de AWBZ te halen. Deze hulp is voor iedereen voor weinig geld bij te verzekeren, dus zowel voor particulier als voor ziekenfonds verzekerden. In ieder geval FBTO en CZ bieden een verzekering voor
deze vorm van zorg. Verwijdering van kortdurende psychologische hulp uit de AWBZ bespaart de overheid meer dan alleen de kosten van die hulp. De komende Wet op de jeugdzorg zegt namelijk, dat aan artikel 9b van de AWBZ zal worden toegevoegd een bepaling die inhoudt dat minderjarigen alleen recht hebben op geestelijke gezondheidszorg (artikel 5 van de Wet op de jeugdzorg), als bureau jeugdzorg “een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen.” Dit wordt een gigantische verspilling: het zal
niet meer genoeg zijn dat de huisarts die een kind al diens hele leven
kent doorverwijst naar de psycholoog, maar bureau jeugdzorg moet eerst met
dat kind aan de slag om tot dezelfde conclusie te komen. Voor kinderen en hun ouders biedt de eigen verzekering het grote voordeel dat zij bureau jeugdzorg kunnen mijden. Dit kan van belang zijn, want medewerkers van bureau jeugdzorg moeten werken volgens artikel 9: “De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden.” De medewerkers van bureau jeugdzorg kijken allemaal altijd “met beschermersogen”. Daarbij moet men in de eerste plaats denken aan
beperking van het ouderlijk gezag, de ondertoezichtstelling. Deze kan al
uitgesproken worden om “de hulpvraag veilig te stellen”, dus om ouders
te dwingen hun kind een behandeling te laten ondergaan of een behandeling
waar zij niet tevreden over zijn te laten voortduren. Ten slotte verwachten wij van psychologische hulp
voor kinderen die betaald wordt door de eigen verzekering hogere
kwaliteit van die hulp. Waar vrije keus van de klant de kwaliteit
bewaakt (ontevreden klanten gaan ergens anders heen), dreigt via bureau
jeugdzorg de omgekeerde marktwerking die de hele jeugdzorg beheerst: bent
u niet tevreden over ons product en wilt u het niet meer afnemen, dan
wordt u daartoe gedwongen. Zelf kortdurende psychologische hulp voor je kinderen verzekeren sluit naadloos aan bij de oproep van het kabinet eigen verantwoordelijkheid te nemen. 9 februari 2004
2c. BRIEF AAN MINISTER
HOOGERVORST Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Excellentie, Stichting KOG adviseert u kortdurende psychologische
hulp voor kinderen uit de AWBZ te halen. Deze hulp is voor iedereen voor
weinig geld bij te verzekeren, dus zowel voor particulier als voor
ziekenfonds verzekerden. Verwijdering van kortdurende psychologische hulp uit de AWBZ bespaart meer dan alleen de kosten van die hulp. Volgens de komende Wet op de jeugdzorg zal aan artikel 9b van de AWBZ een bepaling worden toegevoegd die inhoudt dat minderjarigen alleen recht hebben op geestelijke gezondheidszorg als bureau jeugdzorg “een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen.” Dit wordt een gigantische verspilling: het zal niet
meer genoeg zijn dat de huisarts doorverwijst naar de psycholoog, maar
bureau jeugdzorg moet eerst met het kind aan de slag om tot dezelfde
conclusie te komen. Zelf kortdurende psychologische hulp verzekeren sluit
aan bij de oorspronkelijke bedoeling van de AWBZ, en sluit bovendien aan
bij de oproep van het Kabinet tot het nemen van eigen
verantwoordelijkheid. Om de Minister-President te citeren (Trouw van 27
december 2003): “Verantwoordelijkheid moet worden verschoven van de
overheid naar de burgers.” Met gevoelens van hoogachting,
2d. REACTIE VAN DE COMMISSIE VOOR VWS
2e. BRIEF VAN VWS
2f. BRIEF AAN VWS OVER AWBZ
Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, Haarlem, 3 mei 2004 Excellentie, Wij hebben even gevreesd dat het antwoord staat in
het op 13 april gedateerde antwoord (kenmerk GVM/2469616) op onze brief
d.d. 6 februari aan de Minister van VWS: “Omdat er vaak meer met
kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische problemen
heeft het bureau jeugdzorg deze taak ook voor de jeugd-GGZ.” -
Waarom wordt in dit geval de oproep van het Kabinet tot het nemen
van eigen -
Waarom wordt kortdurende psychologische hulp voor kinderen
vergoed uit de AWBZ
2g. ANTWOORD VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VWS (2f)
BRIEF AAN DE EERSTE KAMER Aan de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Haarlem, 14 november 2003 Hoogedelgestrenge Dames en Heren, Nu u in uw vergadering op 4 november besloten hebt tot een tweede vragenronde over de Wet op de jeugdzorg, verzoeken wij u de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van VWS de volgende twee vragen te stellen:
De politie is bij iedereen bekend en het publiek heeft vertrouwen in de politie. De politie heeft bevoegdheden die adequaat handelen mogelijk maken. De politie had tot voor kort een afdeling jeugd- en zedenzaken, waar specialistische kennis aanwezig was die de grootste kans bood de waarheid aan het licht te brengen. Wanneer de feiten bekend zijn, kan passende hulp gezocht worden. De AMK’s schrijven in het foldermateriaal van de actie die zij momenteel voeren om hun naamsbekendheid te vergroten: "Die hulp geven onze medewerkers niet zelf. Daarvoor worden deskundigen van andere instanties ingeschakeld." De AMK’s bieden niet meer dan de politie. Mishandeling van kinderen is volgens ons niet minder een zaak voor de politie dan mishandeling van volwassenen. Prof. Mr P. Vlaardingerbroek schrijft in Perspectief nummer 7 (november 2003) over de Wet op de jeugdzorg: "De huidige constructie leidt volgens mij alleen maar tot meer bureaucratische rompslomp. Als iemand zich met zorgen over een buurkind meldt bij de Raad voor de Kinderbescherming, zal hij of zij worden verwezen naar het AMK. Dit doet onderzoek en bij een ernstig vermoeden van kindermishandeling wordt weer de Raad ingeschakeld. … Had men de vertrouwensarts ondergebracht bij de Raad, dan was er een hele tussenschakel – het AMK – uitgevallen en zou er sneller onderzoek kunnen plaatsvinden naar de noodzaak van een maatregel." Wij zij het met deze zienswijze eens: de AMK’s leveren mishandelde kinderen niets op, zij leiden alleen tot meer, vertragende, bureaucratie. Prof. Vlaardingerbroek lijkt tevreden met onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Wij zijn dat niet. De Raad doet principieel niet aan waarheidsvinding ("wij zijn tenslotte geen politie"). Ouders en kinderen hebben recht op onderzoek van de FEITEN. De politie is als geen ander overheidsorgaan in staat tot feitenonderzoek.
Met gevoelens van hoogachting,
3a. REACTIE EERSTE KAMER
3b. BRIEF AAN EERSTE KAMER Aan de Leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Haarlem, 1 maart 2004 Hoogedelgestrenge Dames en Heren, Op 8 en 9 maart zult u de Wet op de jeugdzorg behandelen. Wij doen een beroep op u dit wetsvoorstel te verwerpen, om de volgende redenen:
ü artikel 9: De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. ü
en Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: … Bovendien zijn
de cliënten … zich vaak niet bewust van deze problemen en/of niet
gemotiveerd om hieraan iets te doen. Zo valt een groot deel van de cliënten
in de jeugdzorg onder een jeugdbeschermingsmaatregel. …
Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: Het voorgestelde derde lid (van art. 51) voorziet … in de mogelijkheid, zonder toestemming van de cliënt inlichtingen en bescheiden te verstrekken aan uitvoerders van jeugdzorg en aan de uitvoerders van maatregelen van kinderbescherming.
Memorie van Antwoord, 29
oktober 2003: In de desbetreffende algemene maatregel van bestuur is de
mogelijkheid gecreëerd om, indien de noodzaak daartoe zich laat voelen in
een ministeriële regeling opleidingseisen voor te schrijven. Wij wensen dat de principes die van toepassing zijn
op de gezondheidszorg eveneens van toepassing zullen worden in theorie en
praktijk van de jeugdzorg. Met gevoelens van hoogachting,
3c. REACTIE EERSTE KAMER - VOOR KENNISGEVING AANGENOMEN
4. BRIEF AAN DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING Aan de heer R.E.F.M. Nijhof Algemeen Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming Postbus 19202 3501 DE Utrecht Haarlem, 9 december 2003 Geachte heer Nijhof, De e-mailservice van het College Bescherming Persoonsgegevens meldt heden, dat naar verwachting in het eerste kwartaal van 2004 de eerste privacycertificaten zullen worden uitgereikt aan organisaties die persoonsgegevens verwerken op een wijze die voldoet aan wet- en regelgeving. Uiteraard zal de Raad voor de kinderbescherming hier graag voor in aanmerking komen. Wij zouden het zeer op prijs stellen, als u ons zou laten weten wanneer de onderscheidene directies het certificaat verworven hebben. Hoogachtend, In kopie aan het College Bescherming Persoonsgegevens het Ministerie van Justitie
5. SOORTGELIJKE BRIEVEN ZIJN VERZONDEN AAN ALLE PROVINCIES
5a. REACTIES PROVINCIES
5b. ROA STELT CERTIFICEREN VERPLICHT v.a. 2006 REGIONAAL NIEUWS
Aan het Regionaal Orgaan Amsterdam Haarlem, 19 maart 2004 Geachte Dames/Heren, Tot onze tevredenheid lezen wij in het maartnummer van Jong aan de Amstel dat alle jeugdzorginstellingen in uw regio hun hulpverlening gaan certificeren. Jong aan de Amstel noemt vijf criteria voor deze certificering, maar schrijft: “Concreet gaat het om criteria als …” De opsomming is dus niet volledig. Wilt u zo vriendelijk zijn ons te laten weten welke
criteria voor de certificering gehanteerd zullen worden? Met vriendelijke groet,
5c. ROA LAAT INHOUDELIJKE
UITWERKING VAN
6. BRIEF AAN MINISTER DONNER Aan
de Minister van Justitie, mr P.H. Donner
In
het februari-nummer 2004 van Perspectief, een uitgave van het Ministerie
van Justitie, bespreekt professor mr S.F.M.Wortmann op pag. 26 een recente
uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM 23
september 2003, appl. no. 36141/97): In
kopie aan het Europese Parlement
6a. ANTWOORD VAN MINISTER DONNER
7. BRIEF AAN MINISTER DONNER Haarlem, 7 februari 2004 Excellentie, De Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming
heeft in februari 2003 een rapport uitgebracht, getiteld ‘Rapport
Onderzoek casus ots.’ Het rapport bevat aanbevelingen aan het Ministerie
van Justitie. Een van die aanbevelingen luidt: “De inspectie vindt het
van groot belang, dat de tweede GVI, ongeacht de gezagssituatie, op zeer
korte termijn een plan opstelt om de relatie van het kind met haar moeder
te herstellen.” Op 3 juli 2003 schrijft u de moeder in reactie op
haar kritiek dat uitvoering van de aanbevelingen van de Inspectie een
verantwoordelijkheid van de instelling is. Voorts schrijft u dat u uw brief aan de Tweede
Kamer zult formuleren op grond van de reactie van de beide
gezinsvoogdij-instellingen van 28 april.
De moeder verzoekt u deze reactie te mogen
ontvangen om te bezien of overleg met haar onontbeerlijk is om de Tweede
Kamer juist te informeren. De reactie van de gezinsvoogdij-instellingen
van 28 april is de moeder nooit toegezonden; het verzoek om eventueel
overleg is nooit door u beantwoord. Op 7 juli 2003 hebt u de Tweede Kamer der Staten Generaal geďnformeerd. U schrijft in uw brief aan de Tweede Kamer o.a.dat
Dit schrijft u ook aan de moeder op 5 augustus in reactie op haar brief van 8 juli 2003. In deze brief had zij u er van op de hoogte
gebracht dat de gezinsvoogdij-instelling ook het bevel van de rechter om
omgang tussen moeder en kind te realiseren niet uitvoerde. U antwoordt op 5 augustus dat u geen reden hebt
om te veronderstellen dat de instelling geen uitvoering geeft aan de
aanbevelingen van de Inspectie in haar rapport van februari of aan de
uitspraak in kort geding.
De moeder had u eerder meegedeeld dat dit nieuwe
plan via een omweg van mediation tussen moeder en voogd de op dat moment
van kracht zijnde omgang juist zou verminderen. U schrijft in uw brief aan de Tweede Kamer niet dat:
Door zeer veel fouten van twee
gezinsvoogdij-instellingen is er momenteel een situatie waarin de moeder
van het ouderlijk gezag is ontheven en de kinderrechter omgang tussen
moeder en dochter voor een jaar heeft opgeschort. Hier wordt een kind van
een ouder beroofd ten gevolge van gebeurtenissen die op de buitenstaander
de indruk maken van een machtsstrijd. Er is een merkwaardige situatie ontstaan:
ü de moeder van het ouderlijk gezag te ontheffen ü dezelfde gezinsvoogdij-instelling te belasten met het gezag. Wij constateren dat
STAAT IN DE STAAT: ü De instelling legt het inspectierapport naast zich neer. Als u hiervan melding ontvangt, reageert u dat dit de verantwoordelijkheid van de instelling is. ü De instelling voert een rechterlijke beslissing niet uit. Als u hiervan melding ontvangt, reageert u dat u geen reden hebt te veronderstellen dat deze melding juist is. Er is een vernietigend inspectierapport, dat u niet aan de Tweede Kamer hebt aangeboden. Het reeds geanonimiseerde rapport, dat de moeder ons
ter beschikking heeft gesteld, is in de vastgestelde vorm niet
verkrijgbaar: op ons verzoek dit rapport te ontvangen is ons door de
Hoofdinspectie meegedeeld dat dan eerst de tekst gewijzigd zou moeten
worden. Wij twijfelen tegen deze achtergrond ernstig aan het nut van de inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming. Deze biedt slechts een schijnbescherming aan ouders en kinderen: wanneer de inspectie aanbevelingen doet, kan een instelling die ongestraft in de wind slaan en heeft het inspectie-onderzoek ook anderszins geen enkele consequentie. Gezinsvoogdij-instellingen gedragen zich vaker als een staat in de staat. In deze casus blijkt dat u hen daarin steunt en u bij
de beoordeling van hun handelen liever afgaat op hun eigen mededelingen
dan op onderzoek van de feiten. Hierdoor leven ouders en kinderen in
Nederland in 2004 niet in een rechtsstaat. Wij verzoeken u
ü opdracht te geven tot een onderzoek om te bezien hoe het contact tussen moeder en dochter hersteld zal kunnen worden ü de dochter therapeutische hulp te doen verlenen ü
het rapport van de raad voor de kinderbescherming d.d. 19
augustus 2002 in te trekken.
7a. ONTVANGSTBEVESTIGING VAN HET MINISTERIE VAN JUSTITIE
7aa. RAPPEL Aan de Minister van Justitie, mr P.H. Donner Betreft: brief van
KOG d.d. 7 februari 2004 Geachte Mevrouw,
Met gevoelens van hoogachting, In kopie aan de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
7b. REACTIE VAN DE COMMISSIE VOOR
JUSTITIE:
7c. ANTWOORD VAN MINISTER DONNER
8. BRIEF AAN LID EERSTE KAMER -
NEEM WET OP DE JEUGDZORG NIET AAN Haarlem, 26 februari 2004 Geachte Mevrouw, Zoals wij gisteren telefonisch hebben besproken,
stuur ik u een schriftelijke reactie van stichting KOG op de Wet op de
jeugdzorg. In de eerste plaats herhaal ik wat ik heb gezegd op uw vraag of wij vinden dat de wet moet worden aangenomen: NEE. Met de PvdA-fractie hebben wij twijfel over “de
consistentie, de doelmatigheid en effectiviteit van de werking van dit
wetsontwerp.”(voorlopig verslag, 7 oktober 2003) De voornaamste reden voor deze afwijzende houding
ligt in de omstandigheid dat de Wet op de jeugdzorg voorbij gaat aan het
feit dat ouders autonome burgers zijn die de beslissingen over hulp voor
hun minderjarige kinderen nemen. Een gelijkschakeling met de Overeenkomst
inzake geneeskundige behandeling staat ons hierbij voor ogen.
Maatregelhulp is o.i. dan ook alleen aan de orde indien voldaan wordt aan
het gevaarscriterium dat ook wordt toegepast in de gezondheidszorg. (“De
hulpvraag veilig stellen” is dus uit den boze.) De toepassing van de maatregelhulp onder de Wet op de jeugdhulpverlening heeft tot grote klachten geleid. Wij willen dit nogmaals sterk benadrukken. Wij zien in de nieuwe wet geen zekerheden die een ongewenste overgang van vrijwillige zorg in maatregelhulp voorkomen. Integendeel, artikel 9 luidt: De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. De Staatssecretaris schreef hierover in de Nadere
memorie van antwoord (29 januari 2004): “In verband hiermee zal het
bureau jeugdzorg zich bij de uitvoering van zijn taken altijd moeten
afvragen of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te
worden.” In het in september 2001 verschenen ‘De gezinsvoogd als jongleur, een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk’ wordt het zo voorgesteld, alsof problemen met een kind een symptoom zijn van het totale falen in het leven van de ouders. Dit geschetste ouderbeeld is onjuist. Ouders hebben vaak zelf hulp gevraagd uit zorg voor hun kind. Ze zoeken advies of hulp voor een leerprobleem of een gedragsprobleem. Net zoals ze voor muziekles of gebitsregulatie hulp bij derden zoeken. Een hulpvraag is geen reden om de hele regie in een gezin over te willen nemen. Natuurlijk kan het voorkomen dat een ouder
maatschappelijk onaangepast is en sociaal geďsoleerd. Net zoals het
voorkomt dat een gezinsvoogd ontspoort en zijn handen niet thuis kan
houden. Dit ouderbeeld komt overeen met het ouderbeeld waar
de Wet op de jeugdzorg uit ontstaan is: “Ten tweede zijn cliënten in de
jeugdzorg, …, vaak niet in staat zelf de benodigde zorg te organiseren.
… Bovendien zijn de cliënten, zowel de jeugdige als de ouders, zich
vaak niet bewust van deze problemen en/of niet gemotiveerd om hieraan iets
te doen. Zo valt een groot deel van de cliënten in de jeugdzorg onder een
jeugdbeschermingsmaatregel. In deze gevallen heeft de zorg vaak een
verplichtend karakter en kan het organiseren van zorg niet aan de cliënten
zelf worden overgelaten.” (Memorie van Antwoord 29 oktober 2003) Aan het toestemmingsvereiste in de gezondheidszorg
ligt het zelfbeschikkingsrecht ten grondslag. Het zelfbeschikkingsrecht is
a.h.w. een basisrecht. Wij verwachten dat de principes die van
toepassing zijn op de gezondheidszorg eveneens van toepassing zullen
worden in theorie en praktijk van de jeugdzorg. De Wet op de jeugdzorg poogt inbreuken op de privacy te legaliseren. “Het voorstel van wet … kent in artikel 51 wel enkele gevallen die inbreuk maken op dat uitgangspunt. De mogelijke inbreuken houden verband met de omstandigheid dat het vaak gaat om minderjarige cliënten en dat zorgverlening tegen de wil van de cliënt geboden moet kunnen worden. Het voorgestelde derde lid voorziet in verband met dat laatste in de mogelijkheid, zonder toestemming van de cliënt inlichtingen en bescheiden te verstrekken aan uitvoerders van jeugdzorg en aan de uitvoerders van maatregelen van kinderbescherming.” (Memorie van antwoord, 29 oktober 2003) Het lijkt raadzaam het College Bescherming
Persoonsgegevens te raadplegen over de voorgestelde inbreuk op de privacy
van ouders en kinderen in de bureaus jeugdzorg en de wet niet aan te nemen
voordat het College zich heeft uitgesproken. Bovendien maken wij ons zorgen over het niveau van de werkers in de jeugdzorg. De PvdA-fractie heeft op 7 oktober 2003 gevraagd naar “betrouwbare indicaties ten aanzien van de rechtswaarborgen, uitvoerbaarheid, de herkenbaarheid en de te bieden kwaliteit op de verschillende onderdelen.” Het antwoord van de Staatssecretaris heeft ons allerminst gerustgesteld: “In genoemde algemene maatregel van bestuur worden ook eisen gesteld aan de kwaliteit van het bureau jeugdzorg (bijvoorbeeld multidisciplinaire oordeelsvorming en de benodigde deskundigheid van de medewerkers van het bureau). Overigens blijkt uit verschillende onderzoeken dat het basisniveau van de uitvoering door de bureaus van hun taken voldoende is, maar dat op thema’s, als standaardisatie en uniformiteit, betrokkenheid van cliënten, dossiervorming en transparantie nog terrein te winnen is. Dit geldt zowel voor de indicatiestelling en de daarmee samenhangende taken als voor de uitvoering van de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. Op verschillende manieren worden de bureaus jeugdzorg bij de kwaliteitsverbetering door de Ministeries van Volksgezondheid Welzijn en Sport en van Justitie ondersteund. Zo is het Ondersteunings- programma ontwikkeld en zijn er het referentiewerkmodel bureau jeugdzorg en het Deltaplan Gezinsvoogdij.” (weet de Staatssecretaris wat dit Deltaplan inhoudt?) “Om de
ontwikkeling van de bureaus jeugdzorg enerzijds te sturen, maar anderzijds
niet te verstarren, hebben wij er in het ontwerp-besluit voor gekozen om
niet opleidingseisen te benoemen, maar de terreinen waarop de medewerkers
van het bureau jeugdzorg deskundig moeten zijn. De vertaling naar concrete
opleidingseisen kan van hieruit door de bureaus jeugdzorg zelf
plaatsvinden …In de
desbetreffende algemene maatregel van bestuur is de mogelijkheid gecreëerd
om, indien de noodzaak daartoe zich laat voelen in een ministeriële
regeling opleidingseisen voor te schrijven.” (Memorie van antwoord, 29
oktober 203) Wij zijn ons ervan bewust dat opleiding geen bekwaamheid garandeert, maar dat is geen reden om onvoldoende opgeleide mensen de mogelijkheid te geven schade aan te richten in gezinnen. Op zijn minst veroorzaken zij veel ergernis, in een slecht geval een onterechte uithuisplaatsing en enorm veel leed. Wanneer een ouder zich argeloos tot een bureau jeugdzorg wendt, is er een reële kans dat hij na enig geharrewar te maken krijgt met een kinderbeschermingsmaatregel. De gezinsvoogd die deze maatregel uitvoert, is opgeleid voor werk op uitvoerend niveau, maar moet initiërend werken. De situatie doet denken aan een doktersassistente die het werk van de huisarts moet doen. Merkwaardig is het verschil in beslissingsmacht tussen de gezinsvoogd en de assistent of de verpleegkundige. Bovendien gaat deze beslissingsmacht samen met een groot verschil in feitelijkheid van het werkmateriaal: gegevens, objectief als laboratoriumuitslagen zijn zeldzaam in de gezinsvoogdij, interpretatie en beleving overheersen. De arts onderzoekt de patiënt zelf, oordeelt zelf welke test nodig is, interpreteert die zelf. De praktijkbegeleider van de gezinsvoogd heeft niet anders dan het rapport, opgesteld door de “doktersassistent”. De praktijkbegeleider kan niet anders dan afgaan op het materiaal dat de gezinsvoogd aanlevert. Deze veldwerker bepaalt wat er in de rapportage terecht komt, en in welke bewoordingen (sfeer, interpretatie) het er terecht komt. Zonder in te gaan op de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling kan men constateren, met professor Slot, dat de doelmatigheid voor 70% van de betrokken jongeren niet bestaat. (W. Slot / A. Theunissen; 909 zorgen, Een onderzoek
naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling; VU-onderzoeksrapport 2e
versie 2002) Door de oprichting van de Bureaus Jeugdzorg zullen gezinnen in de fuik van soms ontoereikende hulpverlening zwemmen: geweigerde hulpverlening leidt makkelijk tot een maatregel van kinderbescherming die “de hulpvraag veilig stelt”. Ontoereikende hulpverlening wordt niet gedwongen de kwaliteit te verbeteren, doordat ontoereikende hulpverlening leidt tot weigering van die hulpverlening; deze weigering wordt aanleiding tot gedwongen hulp, waarmee het gezin in de fuik gezwommen is. Normale marktwerking kan niet functioneren. Gebrek
aan kwaliteit leidt niet tot verminderde consumptie, maar tot gedwongen
consumptie. Gezinnen zullen als zij van te voren weten dat
alle medewerkers van een bureau jeugdzorg altijd “met beschermersogen”
kijken, zoveel mogelijk alle hulp mijden. Wij zijn graag bereid het bovenstaande toe te
lichten.
8a. BRIEF AAN LEDEN EERSTE KAMER: NEEM WET OP DE JEUGDZORG NIET AAN Haarlem, 1 maart 2004 Hoogedelgestrenge Dames en Heren, Op 8 en 9 maart zult u de Wet op de jeugdzorg behandelen. Wij doen een beroep op u dit wetsvoorstel te verwerpen, om de volgende redenen:
ü artikel 9: De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. ü
en Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: … Bovendien zijn
de cliënten … zich vaak niet bewust van deze problemen en/of niet
gemotiveerd om hieraan iets te doen. Zo valt een groot deel van de cliënten
in de jeugdzorg onder een jeugdbeschermingsmaatregel. …
Memorie van Antwoord, 29 oktober 2003: Het voorgestelde derde lid (van art. 51) voorziet … in de mogelijkheid, zonder toestemming van de cliënt inlichtingen en bescheiden te verstrekken aan uitvoerders van jeugdzorg en aan de uitvoerders van maatregelen van kinderbescherming.
Memorie van Antwoord, 29
oktober 2003: In de desbetreffende algemene maatregel van bestuur is de
mogelijkheid gecreëerd om, indien de noodzaak daartoe zich laat voelen in
een ministeriële regeling opleidingseisen voor te schrijven. Wij wensen dat de principes die van toepassing zijn
op de gezondheidszorg eveneens van toepassing zullen worden in theorie en
praktijk van de jeugdzorg. Met gevoelens van hoogachting,
9. COLLEGE BESCHERMING PERSOONSGEGEVENS OVER INFORMATIERECHT
9a. HET CBP OVER HET SCHOOLDOSSIER
9b. BRIEF VAN HET CBP:
9c. BRIEF VAN HET CBP:
10. ARTIKEL UIT JONG AAN DE AMSTEL
10a. BRIEF AAN DE
REGERINGSCOMMISSARIS JEUGD- EN JONGERENBELEID “Ik heb gezien dat wanneer de regel- en
wetgeving te strikt wordt gehandhaafd sommige probleemgevallen niet kunnen
worden opgelost.” Aangezien met toestemming van de ouders informatie
wel kan worden overgedragen, spreekt u kennelijk over gevallen waarin
ouders niet instemmen met informatieoverdracht.
In kopie aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport
10b. BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS
VAN VWS Haarlem, 22 maart 2004
10c. REACTIE VAN DE REGERINGSCOMMISSARIS
10d. TWEEDE BRIEF AAN DE REGERINGSCOMMISSARIS
Wij verzoeken u
voorts de redactie van Jong aan de Amstel een rectificerend artikel te
vragen.
10e. BRIEF VAN HET COLLEGE BESCHERMING PERSOONSGEGEVENS
10f. PERSBERICHT-3
mei 2004 BRIEF AAN DE PROVINCIES
Vergelijkbare brieven zijn uitgegaan naar alle provincies/regio's.
REACTIES VAN DE PROVINCIES
Aan het College van
Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland Vergelijkbare brieven zijn uitgegaan naar alle provincies/regio's.
REACTIES VAN DE PROVINCIES
Opmerking:
10g. BRIEF AAN VWS Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport,
Haarlem, 14 juni 2004 Excellentie, In Trouw van hedenmorgen lezen wij in een artikel van
Perry Feenstra enkele citaten van u. 10h. BRIEF VAN VWS
10i. BRIEF AAN HET CBP
Aan
het College bescherming persoonsgegevens 10j.
10k. BRIEF AAN
THUISZORGORGANISATIE
Aan Bureau Jeugdzorg
’t Gooi o
Welke instantie informatie
gaat doorgeven aan welke instantie o
Hoe u denkt binnen de marges
van de Wet bescherming persoonsgegevens te blijven o
Of in alle gevallen de ouders
zullen worden geďnformeerd over het doorgeven van informatie. 10l. TELEFONISCHE REACTIE OP 10k, SCHRIFTELIJK BEVESTIGD
Aan Bureau Jeugdzorg
’t Gooi
Met vriendelijke groet,
10m. ARTIKEL IN PERSPECTIEF
10n.
BRIEF AAN DE LANDELIJKE VERENIGING VOOR THUISZORG
Aan
de heer Bas van den Dungen
10o. TELEFONISCH ANTWOORD VAN DE LVT Op 5 oktober komt er een telefonische reactie binnen van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg: Perspectief heeft de heer Van den Dungen verkeerd geciteerd. Dat is ook aan Perspectief gemeld, maar het blad heeft niet gerectificeerd. De directeur van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg heeft in werkelijkheid gezegd, dat overdragen door kraamzorg aan het consultatiebureau, in overleg met de ouders, de gewone gang van zaken is. Er is geen sprake van iets nieuws of een enorme sprong voorwaarts zoals Perspectief suggereerde, en dus al helemaal niet omdat een kraamhulp makkelijker meldt aan het consultatiebureau dan aan de politie. Er wordt afgesproken dat dit telefoongesprek op de website www.stichtingkog.info zal komen.
11.
BRIEF AAN DE MINISTER VAN JUSTITIE In het februari-nummer 2004 van Perspectief, een
uitgave van het Ministerie van Justitie, bespreekt professor mr S.F.M.Wortmann
op pag. 26 een recente uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van
de mens (EHRM 23 september 2003, appl. no. 36141/97): In kopie aan het Europese Parlement
Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport Haarlem, 3 februari 2004 Excellentie, Op zaterdag 31 januari hebben wij u op de televisie gezien in gesprek met de heer Andries Knevel. U maakte duidelijk dat veel wat niet goed gaat in de jeugdzorg niet beter zal worden zolang er niet meer geld beschikbaar is. In dat verband maken wij u opmerkzaam op de aanbevelingen van het Platform SCJF na verschijning van ‘De (gezins)voogd als jongleur. Een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk’. Deze aanbevelingen zijn te vinden op pag. 15 en 16 van de reactie van het Platform SCJF daarop, getiteld ‘Jongleur over de schreef’. Kort samengevat komen die aanbevelingen hierop neer,
dat beter en goedkoper samengaan: 1) Niet uit huis plaatsen maar werken volgens de methode van de Nijmeegse hoogleraar prof. dr. J. van Acker, het gezinsproject (“Dit project had als doel hulp te verlenen aan problematische gezinnen, waar uithuisplaatsing van de kinderen dreigde. Een methodiek werd ontwikkeld om de problemen te behandelen waar ze zijn ontstaan. … Met de verpleegprijs van de tehuizen en ZIB-internaten zouden 3 tot 5 maatschappelijk werkers full-time per gezin kunnen worden aangesteld.”). 2) Een deel van het werk laten verrichten door vrijwilligers, gekozen door de ouders, een werkwijze waar enkele provincies voorzichtig mee begonnen zijn (zie www.eigen-kracht.nl). 3) “wegloopkinderen” niet min of meer blindelings uit huis plaatsen, maar een crisisplaatsing aanbieden en een snel doch gedegen onderzoek doen naar de feiten (dus niet naar de “beleving”): wordt dit kind mishandeld of ernstig verwaarloosd. Om ‘Jongleur over de schreef’ te citeren: “We geven het geld verkeerd uit. Er moet niet meer geld beschikbaar komen, het voor jeugdzorg beschikbare geld moet anders verdeeld worden.” Ik sluit een exemplaar van ‘Jongleur over de schreef’ bij. De kosten van jeugdbescherming zijn een relatief onbelangrijk aspect van dit commentaar op het handboek voor de gezinsvoogdij. Belangrijker is de constatering dat gezinsvoogden in het handboek aangemoedigd worden zich boven de wet te stellen, waardoor jeugdbescherming een staat in de staat vormt. Ook in de twee gesprekken die ik n.a.v. het handboek samen met mevrouw Alice Jansen gevoerd heb met Vedivo (J. Buinink en C. Kleingeld), is expliciet gezegd dat Vedivo niet mee kon gaan in onze eis, dat de gezinsvoogdij zich aan de wet dient te houden. Wij zijn uiteraard graag bereid u nader te informeren over de visie van ouders op de jeugdbescherming. Met gevoelens van hoogachting, In kopie aan de
Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Bijlage: Jongleur over de schreef
12a. REACTIE VAN HET MINISTERIE VAN VWS
12b.
ANTWOORD VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE OP
Aan het Ministerie
van Justitie
- uitvoering
van het plan is relatief goedkoop; ad 2: de
hantering van het wettelijk kader. Voor de Vaste
Commissie voor Justitie en de Vaste Commissie voor VWS zijn bijgevoegd:
13 BRIEF AAN DE RAAD VOOR DE
KINDERBESCHERMING Geachte Dames / Heren, Naar aanleiding van uw Jaarbericht 2003 rijzen bij
ons de volgende vragen:
Onder Visie lezen wij: “De Raad voor de Kinderbescherming waarborgt … dat de rechten van kinderen in de knel ook daadwerkelijk beschermd worden.” Onder Positie lezen wij: “… de Raad …: hij waarborgt dat kinderen … de juiste hulp krijgen. Daarbij werkt de Raad nauw samen met andere partners in de jeugdzorg.”
Hoogachtend,
13a. REACTIE VAN DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING
14. BRIEF AAN AKJ
Aan de Directie van het Advies- en Klachtenbureau
Jeugdzorg Haarlem, 27 augustus 2004 Geachte Directie, Nu u werkgever bent van zowel klachtondersteuners als cliëntenvertrouwenspersonen, zouden wij het bijzonder op prijs stellen van u te vernemen welke maatregelen u hebt getroffen om te voorkomen dat hun werkzaamheden conflicteren. Wij kunnen ons namelijk voorstellen dat de cliëntenvertrouwenspersoon
zijn werk beter kan doen al naar gelang hij een betere relatie heeft met
een instelling. De klachtondersteuner daarentegen heeft geen belang bij
enige relatie, moet niet vrezen een eventuele relatie te schaden. Zeker
wanneer een klachtondersteuner tevens de functie vertrouwenspersoon
vervult, zouden conflicterende belangen zijn werkzaamheden kunnen
bemoeilijken. Wij hopen dat u ons inzicht wilt geven in de
regelingen die een dergelijk conflict voorkomen. Met vriendelijke groet,
Opmerking:
15. BRIEF VAN GGD NEDERLAND OVER (DOSSIER VAN) SCHOOLARTS
15b. BRIEF VAN CENTRAAL
TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG:
16. HARREVELD GEEFT GEEN NAMEN VAN LEDEN COMMISSIE VAN TOEZICHT
DIVERSE INGEZONDEN BRIEVEN
Trouw 13 mei 2004-AWBZ als fuik naar jeugdzorg
NRC-Handelsblad 30 september 2004
CERTIFICEREN 17-05-2002. De perspectief uitgave van april met een artikel over
het streven van Jeugdzorg Noord-Brabant naar het ISO 9001 kwaliteits
certificaat gaf mij aanleiding voor deze ingezonden brief. Mijn interesse in dit artikel heeft 2 redenen: 1. Ik werk zelfstandig als deskundige in het opzetten, implementeren en onderhouden van ISO-kwaliteitssystemen. 2. Voor een van mijn kleinkinderen, Patrick Willems, geldt een al lang lopende OTS en UHP en sinds heel kort is er een ontheffing uitgesproken. ISO opzetten start met cultuur van de organisatie hiervoor geschikt maken. Voor een organisatie met een sterke eigen cultuur,
zoals JZ volgens mij heeft, is dit moeilijk, vooral omdat het wel zeker is
dat die cultuur grote veranderingen moet ondergaan om optimaal gebruik te
maken van het nieuwe ISO-9001. Ik denk namelijk ervaren te hebben dat Jeugdzorg een erg in zichzelf gekeerde en in zich zelf gelovende organisatie is, zonder de bereidheid zich te toetsen. De bereidheid om van gemaakte fouten te leren is het beste, meest effectieve, gereedschap voor iedere organisatie om zich te verbeteren. Hiervoor is het nodig fouten te erkennen, te corrigeren en regelmatig naar structurele mogelijkheden te kijken om de organisatie te verbeteren. In mijn, weliswaar beperkte, ervaringen met Jeugdzorg heb ik jammer genoeg vast moeten stellen dat de bereidheid om fouten te erkennen en ze te corrigeren afwezig is. Alleen met goede procesbeschrijvingen en meetbare
doelstellingen ben je er dus niet. Tot zover mijn interesse door punt 1. Nu nog mijn betrokkenheid veroorzaakt door punt 2. Ik realiseer me dat ik mijn ervaring met JZ voor een
groot deel gevormd is door de behandeling van JZ naar Patrick zijn ouders
en zijn familie. Verder spreek ik door deze ervaringen veel met andere
betrokkenen en verdiep me in diverse publicaties. Ondanks deze toch
betrekkelijk geringe ervaring hoop ik met een korte opsomming van, in mijn
ogen, ernstige fouten een bijdrage te leveren om een slechte situatie
aanzienlijk te kunnen verbeteren. TEN AANZIEN
VAN OPENHEID: Belangrijke informatie van met JZ samenwerkende
instanties niet in het gezinsvoogdijplan opnemen maar rechtstreeks naar de
kinderrechter sturen. Soms het gezinsvoogdijplan ook rechtsreeks naar de
kinderrechter met tijdgebrek als excuus.
Ter informatie voor niet ingewijden: van een gezinsvoogdijplan dient eerst
een concept naar de betrokkenen te worden gestuurd opdat die door hen
ervaren onjuistheden kunnen signaleren en daarbij verzoeken om wijziging
aan te brengen. Deze verzoeken worden in de gevallen die ik ken trouwens
meestal niet gehonoreerd. Op verzoeken om gehoord te worden, waarbij mijn vrouw ook namens mij schrijft, wanhopig en ten einde raad te zijn, wordt gereageerd met: “We hebben een intern onderzoek ingesteld en het blijkt dat wij aan alle protocollen en procedures voldaan hebben.” TEN AANZIEN
VAN CORRECTIES EN STRUCTURELE VERBETERINGEN: Of er binnen JZ aandacht is geweest om te verbeteren, gedurende de laatste 4 jaar, kan ik niet beoordelen, maar wel kan ik met zekerheid zeggen dat dit in onze situatie nooit gebeurd is door het erkennen van gemaakte fouten of het corrigeren van later gebleken foutieve veronderstellingen. Als ik hier ga uitweiden met voorbeelden wordt het misschien te veel een specifieke casus. Ik beëindig mijn brief met de hoop dat dit schrijven
bijdraagt aan een goed kwaliteitssysteem voor Jeugdzorg Noord-Brabant. Om
ieder geval voor anderen te bereiken dat de kwaliteit van hun bestaan niet
gedecimeerd wordt. Jaap Buisman. OM ECONOMISCHE REDENEN Trouw citeert op 8 maart 2004 in het artikel ‘Jeugdgevangenis als opvang’ CDA-kamerlid Aasted-Madsen over Buro’s Jeugdzorg: “Er is dus één voordeur, maar wat daarachter zit, klopt nog van geen kant.” Bureau Jeugdzorg moet DE toegang tot de jeugdzorg worden. Het doel is dat dit bureau dezelfde rol krijgt als de huisarts in de gezondheidszorg. Maar:
In theorie wordt elke dwang getoetst door de rechter, maar men leze de proefschriften van Van den Berg (1999) en Bruning (2001). In oktober 1998 heeft een spreker in de VU op de
themadag ‘Hulpverlenen of straffen?’ gezegd:
“Wij leven met de werkelijkheid dat veel jeugdigen om economische
redenen uit huis worden geplaatst omdat we nu eenmaal geacht worden iets
te doen.”
Nog in 1998 bevestigde Vedivo dat de beslissing of een kind al dan niet uit huis geplaatst wordt, afhangt van de toevallige opinie van de toevallige maatschappelijk werker. Oudejans zei in 1998: “Met enkele duizenden guldens
per jaar per cliënt zou naar onze oprechte overtuiging een groot deel van
de uithuisgeplaatste jongeren thuis kunnen blijven en zouden wij in staat
zijn echt iets voor die jongeren te doen.“ Beter is in dit geval goedkoper. Maar wij zeggen kennelijk liever, om de vergelijking met de medische wereld voort te zetten: Fysiotherapie hebben we niet, maar we amputeren gewoon een been, omdat we nu eenmaal geacht worden iets te doen.
GROOTSPRAAK In Perspectief van oktober 1998 spreekt Carol van
Nijnatten zijn verontrusting uit over een trend: steeds meer instellingen
zouden “de kwaliteit van hun dienstverlening uitsluitend bepalen aan de
hand van wat heet: cliëntensatisfactie”. Ik zie deze trend niet, maar
dat terzijde. Van Nijnatten meent, dat er in de jeugdzorg veel werk verzet
wordt door deskundigen, die iets zo speciaals doen dat de doodgewone ouder
er niet over kan oordelen. Hij trekt zelf een vergelijking met de medische
wereld. Veel van wat medici doen, onttrekt zich aan het oordeel van de
leek, maar veel is ook het beste door die leek te beoordelen. Een gebroken
arm die een jaar na de behandeling nog pijn doet: geen cliënten
satisfactie. Een gepromoveerde medewerkster van een extern
deskundigenbureau die concludeert dat de moeder geruststellender is voor
haar vierjarige zoon dan de vader, omdat in haar aanwezigheid het kind
meer op zijn gemak was, maar over het hoofd ziet dat het jongetje met zijn
vader de eerste keer voor onderzoek kwam, en met zijn moeder voor de
tweede keer: geen cliënten satisfactie. Een zevenjarige jongen die in zijn broek plast en
poept en na anderhalf jaar vrijwillige uithuisplaatsing dat nog steeds
doet: geen cliënten satisfactie. De instelling wil zijn verblijf
continueren, de “onwillige ouders” houden deze “beslissing in het
belang van hun kind” tegen. Stel je voor! Twee vaderloze kinderen van
een drugsverslaafde moeder gaan van inrichting naar inrichting en van
pleeggezin naar pleeggezin, tot ze – totaal verknipt en aan niemand
gehecht – zes jaar later geplaatst worden bij hun grootouders die daar
al die jaren om gesmeekt hadden: stel je voor dat de onwillige moeder al
die “beslissingen in het belang van haar kinderen” had kunnen
tegenhouden! Een vijftienjarig meisje loopt weg omdat ze geen
seksuele relatie mag onderhouden met een man van dertig; de professionals
vinden het Wetboek van Strafrecht maar onzin en geven de ‘gelieven’
volop gelegenheid: geen cliënten satisfactie bij de ouders, en drie jaar
later ook niet bij de dochter, die dan aangifte kan doen van seksueel
misbruik. Ach ja, was er toch maar gevaren “op het ondeskundig kompas
van leken”. Een jongen die als baby van zes maanden geadopteerd
was, wordt als vijftienjarige vrijwillig uit huis geplaatst: hij is
agressief, crimineel en drugsverslaafd. De instelling doet niets voor of
met hem, de psychiatrische hulp die de ouders vragen krijgt hij niet omdat
zo’n geadopteerd kind toch niet te helpen valt (!); als hij op
zeventienjarige leeftijd nog 38 kilo weegt en dood wil is dat zijn eigen
verantwoordelijkheid, want hij is geen klein kind meer. Wat vinden de
ouders? Ho, ho, de “rol als cliënt” verhindert “een neutrale
beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening”. Een vader mag geen
contact met zijn tweejarig zoontje om een reden die buiten hemzelf en het
kind ligt. Zal deze situatie het kind schaden? Typisch een leek die zich
een oordeel aanmatigt over het werk van een deskundige. Twee kinderen die bij vader geplaatst zijn worden
tijdens een omgangsweekend door de moeder die psychiatrische problemen
heeft meegenomen; vervolgens krijgt de vader omgang onder begeleiding. Nou
hoor ik toch niet weer een leek die …..! Wij cliënten blijven ons een oordeel aanmatigen over de inhoud van het werk van deskundigen. Veel van dat werk voldoet namelijk niet aan huis-, tuin- en keukenlogica; veel van dat werk getuigt van harteloosheid en gebrek aan inlevingsvermogen in kinderen; veel van dat werk respecteert niet de banden die het kind met zijn familie heeft. Ouders met respect behandelen? Zich aan de wet houden? Vaak is dat grootspraak.
BUREAU JEUGDZORG In Trouw van 28 november 2003 staat een mooi artikel van Henriëtte Lakmaker over Bureau Jeugdzorg: de theorie en (soms) de praktijk. In het praktijkverhaal vallen op de gebrekkige en trage hulp en het informele sfeertje tussen bureau jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming, waardoor een verzoek om te onderzoeken een verzoek m.b.t. de uitkomst daarvan kan bevatten, dit laatste gesignaleerd door het AKJ. Wellicht zullen niet veel ouders weten, dat de Wet op de jeugdzorg zegt over bureau jeugdzorg, dat de medewerkers voortdurend met beschermersogen moeten kijken ( "De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden"). De overheid ziet alle ouders als potentiële kindermishandelaars, niet alleen op bureau jeugdzorg. De pedagogisch medewerker op veel crčches werkt daar ter vroegtijdige signalering van problemen. Hadden de ouders die koppelverkoop van opvang en probleemsignalering besteld? Wisten ze daar eigenlijk wel van? Wij hebben twee adviezen i.v.m. deze fuikwerking:
UITZONDERINGSDENKEN HEEFT WET OP DE JEUGDZORG BEPAALD In Perspectief nr 7 (2003) staat een artikel van Arthur Ross: "Redeneerontaarding". Het geeft ook prachtig weer, waarom goed geďnformeerde ouders de bureaus jeugdzorg zullen mijden. De meerderheid moet immers, zoals hij zegt, wijken voor een (kleine) minderheid. Op scholen haalt de overheid naar believen het net door de vijver. Artikel 10 van de Wet op de jeugdzorg zegt, dat bureau jeugdzorg o.a. tot taak heeft "het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het onderwijs, … ter bevordering van vroegtijdige signalering van problemen bij jeugdigen die tot zorg … zouden kunnen leiden." In het Jaarbericht 2002 van de Raad voor de Kinderbescherming staat over raadsmedewerkers: "Verder maken zij deel uit van netwerken en preventieprojecten, waarin onder andere scholen, (huis)artsen, politie, … Bureau Jeugdzorg en het AMK participeren." Een beleidsmedewerker van het Ministerie van Justitie schrijft in Perspectief nr 6: "Als een kind nu met gedragsproblemen komt, denken we aan allerlei oorzaken: is het geslagen, misbruikt, verwaarloosd, of zijn er drugs in het spel?" Art. 9. 1 Wet op de jeugdzorg: De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. En om te voorkomen dat ouders hulp voor hun kinderen organiseren zonder dat hun kind "met beschermersogen" bekeken wordt, krijgt artikel 9b van de AWBZ een nieuw lid 4, inhoudende dat men alleen beroep kan doen op de AWBZ na indicatie door bureau jeugdzorg. Mondige burgers? Verdachten zijn wij.
ELKE VORM VAN LICHAMELIJK OF GEESTELIJK GEWELD Het NIZW en Bureau jeugdzorg Gelderland hebben op 1 december een oproep aan de overheid gedaan om elke vorm van lichamelijk of geestelijk geweld door ouders tegenover hun kinderen strafbaar te stellen. We zouden een belangrijke vorm van ernstig geestelijk geweld makkelijk kunnen aanpakken: verhinderen van omgang van een kind met een ouder bij wie hij niet woont op dezelfde manier en met dezelfde middelen aanpakken als onttrekken aan ouderlijk gezag. Strafbaar zijn van onttrekken aan ouderlijk gezag heeft bewezen effectief te zijn, namelijk een geweldige preventieve werking te hebben. Zolang de wet niet in die zin gewijzigd is, behoort de Raad voor de Kinderbescherming elk onderzoek dat een rechter vraagt i.v.m. omgang te weigeren: daar is namelijk niets aan te onderzoeken. De Raad voor de Kinderbescherming zou daar alle kinderen en ook de belastingbetaler een grote dienst mee bewijzen.
SCHEIDING EN OMGANG De Nederlandse kinderen en hun ouders hebben twee zaken nodig: rechters die zich in hun beslissingen over omgang beperken tot frequentie en tijden, en een wetgever die verhindering van omgang behandelt als onttrekking aan ouderlijk gezag. Zolang we dat nog niet hebben: een raad voor de kinderbescherming die alle verzoeken van rechters om onderzoek i.v.m. omgang weigert. Daar is namelijk niets aan te onderzoeken. Dan zou de raad voor de kinderbescherming iedereen, ook de belastingbetaler, een groot genoegen doen.
RECHTSSTAAT Het kabinet-Balkenende herijkt overheidstaken o.a. op het terrein van de rechtsstaat. Een goede gelegenheid om de raad voor de kinderbescherming af te schaffen. Deze hecht meer waarde aan meningen en veronderstellingen dan aan feiten, waardoor de rechtszekerheid bedreigd wordt.
Met deze twee wijzigingen zullen ook kinderen in een rechtsstaat leven, zal Nederland beter voldoen aan de verplichtingen die het IVRK oplegt, en bespaart het kabinet heel veel geld.
|