Verzonden en ontvangen stukken

Iedereen mag alle teksten uit deze map overnemen

 

Verwerkt vanaf 2005

1   brief aan Marijnissen (SP) d.d. 7 januari 2005 over structurele fouten in jeugdzorg

2   antwoord van justitie d.d. 3 januari 2005 op brief d.d. 19 oktober 2004 (zie nr 12 in 2004)

3   ingezonden brieven over AWBZ (aansluitend bij nr 2 in 2004) 

3a  ingezonden brieven over jeugdzorg

4   antwoord van AKJ d.d. 27 december 2004 op brief d.d. 27 augustus 2004 (aansluitend bij nr 14 in 2004)

4a  reactie van KOG d.d. 30 december 2004

4b  reactie per e-mail van BKJ d.d. 30 november 2004 op brief d.d. 26 november van KOG 
      (vgl. brief aan AKJ d.d. 27 augustus)

4c antwoord per mail van directeur AKJ op brief van 30 december 2004

4d  1 - visiedocument AKJ
      2 - gedragscode vertrouwenspersonen AKJ
      3 - taak- en functieomschrijving Vertrouwenspersoon AKJ

4e verzoek aan AKJ d.d. 20 mei 2005 om nadere informatie over dubbelfunctie medewerkers

4f reactie d.d. 26 mei op bovenstaande brief

4g brief aan AKJ d.d. 29 augustus 2005 over vertrouwelijkheid en onafhankelijkheid

4h antwoord d.d. 7 september op 4g

4i nieuwe vragen over vertrouwelijkheid en onafhankelijkheid d.d. 9 september 2005

4j antwoord d.d. 27 september op 4i

4k gesprek met AKJ op 12 oktober 2005

5   commentaar op beleidskader jeugdzorg

6   informatie verzonden aan de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling op 23 september 2004

6a  nieuwe informatie voor de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling op 12 maart 2005

7   brief aan het CDA d.d. 24 september 2004 
     - niet meer geld naar jeugdzorg zonder kwaliteitscriteria en -handhaving
 

7a  brief aan de PvdA d.d. 28 september 2004 
     - niet meer geld naar jeugdzorg zonder kwaliteitscriteria en -handhaving
 

8   brief aan Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector d.d. 25 september 2004
     - gebrek aan kwaliteitscriteria in jeugdzorg 

9   brief aan het Centraal Medisch Tuchtcollege d.d. 28 september 2004 
     - mogelijkheid kind te behandelen op verzoek van uitsluitend één ouder met gezag 

10  brief aan de Minister van Justitie d.d. 1 oktober 2004
      - de zgn. besloten plaatsing

11  brief aan het CBP d.d. 29 oktober 2004

12  brief aan de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg d.d. 9 augustus 2004 (zie ook brief 24)
      - n.a.v. artikel in Perspectief over omzeilen van beroepsgeheim 

12a telefonische reactie van de LVT: is allemaal misverstand

13  brief aan Bureaus jeugdzorg 
     - stimuleert u beroepsregistratie voor uw maatschappelijk werkers niet?

13a reactie van Bureaus jeugdzorg

14  rappel d.d. 1 november 2004 aan regeringscommissaris jeugd- en jongerenbeleid 
     op brieven van KOG van maart en april 2004
(aansluitend bij nr 10 2004)

14a reactie regeringscommissaris jeugd- en jongerenbeleid

14b reactie van Groningen en Zuid-Holland op vraag over privacy (aansluitend bij nr 10 2004)

15  brief aan provincie Limburg d.d. 15 november 2004 (ook aan de andere provincies verzonden)
      
- zittingen i.v.m. klachtbehandeling openbaar?

15a reactie van provincie Limburg

15b brief aan provincie Limburg in reactie op brief 15a

15c telefonische reactie van de provincie Overijssel op de vraag naar openbare klachtbehandeling

15d reactie van de provincie Zuid-Holland

15e brief aan Zuid-Holland in reactie op brief 15d

15f reacties van  Friesland, Rotterdam, Groningen, ROA, Noord-Holland, Haaglanden, Noord-Brabant,
      Flevoland, Limburg

16   brief aan Bureau Jeugdzorg Friesland d.d. 2 februari 2005
      - kosten voor uit huis geplaatste kinderen 

16a antwoord van Bjz Friesland d.d. 31 maart 2005

16b brief aan Bureau jeugdzorg Friesland d.d. 19 september 2005
      - wat moeten ouders van uit huis geplaatste kinderen betalen? (
zie ook brief 16)

17   brief aan Utrecht 
       - eisen aan indicatiesteller in Bureau jeugdzorg 
(ook aan de andere provincies verzonden)

17a antwoord van Overijssel, Noord-Holland, Utrecht, Haaglanden

17aa n.a.v. het antwoord van Stadsregio Rotterdam is 
        de volgende brief aan VWS verzonden d.d. 13 april 2005

17ab antwoord van VWS d.d. 28 april op 17aa

17ac brief aan Rotterdam n.a.v. antwoord van VWS 
        - u had groot gelijk!

17b voor een antwoord is doorverwezen naar Bureau jeugdzorg door 
       Friesland, Flevoland, Limburg, ROA

17c nadere vraag n.a.v. reacties 

17d reacties van Bureau jeugdzorg Limburg en ROA

17e brief aan NIP d.d. 9 mei 2005 (soortgelijke brief ook aan NVO verzonden)
      - is handelwijze van voor de indicatiestelling verantwoordelijke psycholoog 
        in overeenstemming met beroepscode?

17ee antwoorden van NIP en NVO

17f  brief aan Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling d.d. 9 mei 2005

17g reactie van LCTI

17h antwoord van KOG op 17g

17i antwoord van LCTI

18   brief aan de commissie voor VWS 
       - de verschillen in redenatie over verpleeghuizen en jeugdzorg

18a ontvangstbevestiging van de vaste commissie voor VWS

18b brief aan de Staatssecretaris van VWS: rapporten inspectie jeugdzorg net als rapporten over
       verpleeghuizen allemaal openbaar?

18c antwoord van de Staatssecretaris van VWS

18d brief aan Groen Links n.a.v. manifest van kamerlid Tonkens (zie nummer 18)

18e open brief aan de Staatssecretaris van VWS

19   brief aan NIP
       - 'psycholoog' Visser suggereert ten onrechte onder NIP-tuchtrecht te vallen

19a reactie van het NIP

19b brief aan NIP: Visser trekt zich niets van u aan!

19c brief aan NVO

19d rappel

19e reactie van NVO

20   brief aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken  
      
- mogelijkheid de politie assistentie te vragen bij realiseren omgangsbeschikking

20a rappel op brief 20

20b antwoord van het Ministerie van Binnenlandse Zaken op de vraag naar mogelijke politieassistentie

21  brief aan de commissie voor justitie  
      - op 3 maart aan de Minister van Justitie aangeboden onderzoek wijst uit
        dat er in jeugdzorg weinig respect is voor wet- en regelgeving

21a reacties van de commissies voor VWS en Justitie

21b  ingezonden brief aan Trouw en NRC 11 maart 2005 (niet geplaatst)

22   interview met hoofdinspecteur jeugdzorg in Justitie Magazine december 2004 
      - jeugdzorg ontbeert kwaliteit en criteria  

22a  ingezonden brief aan NRC 30 maart 2005 
      - jeugdzorg ontbeert opleidingen en criteria
(niet geplaatst)

23  brief aan Bjz Friesland d.d. 2 februari 2005 over financiële verplichtingen bij uithuisplaatsing

23b brief aan Bjz Overijssel met twee vragen (ook aan de andere Bjz's verzonden)
      - worden ouders duidelijk ingelicht over hun financiële verplichtingen bij een uithuisplaatsing
      - worden ouders duidelijk ingelicht over de voorwaarden om een uithuisplaatsing te beëindigen?

23c reacties van Bjz's

24  brief aan het Informatie en Klachtenbureau Gezondheidszorg d.d. 11 februari 2005 
     - bedreiging privacy aan alle kanten
(zie ook brief 12)

24a nieuwsbrief CBP d.d. 23 juni over o.a. bovengenoemd onderwerp

25  brief aan AJL met vraag over verplichting gezinsvoogd d.d. 14 juni

25a reactie op de brief van 14 juni

25b herhaling van de vraag van 14 juni 

25c 'antwoord' op de vraag

26  ingezonden brief aan Trouw d.d. 23 juni n.a.v. berichtgeving over internationale kinderontvoering
       (niet geplaatst)

27  brief aan de Forensisch Psychiatrische Dienst d.d. 20 mei 2005
     - gaan we terug naar af wat betreft externe onderzoeken?

27a reactie van de Forensisch Psychiatrische Dienst

28  ingezonden brief aan De Telegraaf d.d. 9 augustus 2005 
      
- De Telegraaf geeft verkeerd beeld van ouders in jeugdzorg en overdrijft aantallen (niet geplaatst)

29  brief aan Bureau jeugdzorg Friesland d.d. 23 september 2005
     - kan een uit huis geplaatste minderjarige zomaar zelf de uhp opheffen?

29a brief aan moeder van Bjz Friesland
      - betaalt voor wegloopster zodat zij ook na opheffing uhp kan doen wat haar ouders 
        niet goed vinden

29b reactie van de moeder op 29a (zie ook map Uw verhaal)

29c reactie van de Inspectie jeugdzorg 

30  brief aan Zuid-Holland d.d. 2 september 2005 (ook aan de andere provincies verzonden)
     - meldweek Jeugdzorg: volg Gronings voorbeeld (
zie map Actualiteit)

30a reacties van de provincies

30b brief aan cliëntenraad Bjz Friesland d.d. 30 september 2005

31   ingezonden brief aan Trouw over Bjz Noord-Holland d.d. 12 december 2005

 

 


1. BRIEF AAN MARIJNISSEN (SP) 
   
- structurele fouten in jeugdzorg


Haarlem, 7 januari 2005


Geachte Heer,


Op 2 januari hebben wij u in het programma Buitenhof gezien. Uw woorden hebben bij ons de gedachte doen postvatten, dat wij bij u gehoor zullen vinden voor een structureel probleem.

Per 1 januari 2005 is de Wet op de jeugdzorg van kracht geworden; na twee jaar zal de wet worden geëvalueerd. Wij vinden het echter onverantwoord de fouten die van de Wet op de jeugdhulpverlening overgegaan zijn naar de Wet op de jeugdzorg weer twee jaar te laten bestaan. Het betreft vooral de volgende kwesties:

Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving kent jeugdzorg niet.
Dat is geen wonder, want er bestaan nog geen kwaliteitscriteria. In de gezondheidszorg zijn de opleidingen inhoudelijk minutieus beschreven en is kwaliteit van werk dus in principe goed te beoordelen. In de jeugdzorg is nauwelijks sprake van opleidingen. Op de Bureaus jeugdzorg heeft het merendeel van de medewerkers een opleiding op mbo-niveau. Ook in ziekenhuizen werken veel mensen op mbo-niveau, maar de mbo-opleiding tot verpleegkundige is gedetailleerd vastgelegd, omvat concrete en toetsbare vaardigheden.
In 2002 is een rapport van de Vrije Universiteit verschenen: ‘909 zorgen’.
“De opleiding tot gezinsvoogd is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden veelal opleidingen met een brede basiskennis. Dat is niet genoeg om als gezinsvoogd aan de slag te kunnen. …
De opleidingsroute die de gezinsvoogdij-instellingen … realiseren leidt een kommervol bestaan. Sommige gezinsvoogdij-opleidingen zijn uit arren moede een eigen opleidingstraject begonnen en bij andere instellingen ontbreekt een systematisch aanbod.” (pag. 82)

Voor de jeugdzorg bestaat het Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening en het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij en gezinsvoogdij, beide AmvB’s bij de Wet op de Jeugdhulpverlening; deze betreffen procedurele zaken en bij gebrek aan opleidingen niet nader te concretiseren algemeenheden. (Bijv. Besluit Kwaliteitsregels art. 3 “Het bestand van personeel … is zowel kwalitatief als kwantitatief afgestemd op de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en op de doelgroep.”) In de gezondheidszorg heeft een dergelijke formulering inhoud omdat de functies en opleidingen gedetailleerd beschreven zijn. Uiteraard zijn er inzichten uit de gezondheidszorg toe te passen wanneer er sprake is van analoge toepassing binnen de jeugdzorg. Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector overweegt de Nederlandse Patiënten Cliënten Federatie te verzoeken regels uit de gezondheidszorg enigszins aan te  passen en daarmee geschikt te maken voor jeugdzorg.
Dit betreft echter geen
inhoudelijke criteria.

Vergeleken met de gezondheidszorg kent de jeugdzorg weinig voorzieningen voor kwaliteitscontrole die buiten de instelling zelf zijn gelegen.
De inspectie heeft zeer beperkte mogelijkheden door gebrek aan bevoegdheden en door omvang. De provincies en grootstedelijke overheden hebben nu o.a. de bevoegdheid bestuursleden of leden van de raad van toezicht van de Bureaus jeugdzorg te ontslaan. Hiermee is de bevoegdheid tot het uitoefenen van bestuursdwang tevens gegeven. Wij vrezen echter dat het onwaarschijnlijk is, dat deze overheden wel zullen slagen waar de Rijksoverheid tot 2005 niet is geslaagd: optreden tegen onverantwoorde kwaliteit van zorg.
Openbaarheid, de goedkoopste vorm van kwaliteitscontrole, wordt voor zittingen in het kader van klachtprocedures niet aangemoedigd door enige overheid. Ook komen niet alle inspectierapporten op de website van de Inspectie of worden anderszins beschikbaar gesteld op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.

Verantwoordelijkheden voor de inhoud van de jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen geen invulling.
Bij ontevredenheid over de kwaliteit van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel wenden ouders zich tot de Rechter.
  -  De Rechter verwijst naar de Inspectie en kan geen uitspraken doen over de uitvoering van
     de maatregel, uitgezonderd al of niet uithuisplaatsen en contact met ouders.
  -  De Inspectie verwijst naar de Minister van Justitie.
MAAR
  -  De Minister van Justitie schrijft: “Een (gezins)voogdij-instelling is een zelfstandige
      organisatie die niet ondergeschikt is aan de Minister van Justitie en niet namens de
      Minister bevoegdheden uitoefent. Er bestaat geen wettelijke bepaling op grond
      waarvan de Minister van Justitie een (gezins)voogdij-instelling algemene of bijzondere
      aanwijzingen kan geven.” (10 oktober 2003)

Deze constructie is uniek: (gezins-)voogdijinstellingen / Bureaus jeugdzorg vinden nergens een corrigerende hand. Zij zijn a.h.w. slagers die ongekeurd vlees mogen verkopen in een omgeving die net zo onhygiënisch mag zijn als zij zelf willen. Dat is vragen om problemen. Ook in de jeugdzorg werken geen onfeilbare heiligen, maar gewone mensen. Op dit moment maken wij mee dat een voogdij-instelling tot twee maal toe een beslissing van de rechter over contact van het kind met een ouder niet naleeft. Deze instelling legt ook de aanbevelingen die de Inspectie Jeugdzorg na onderzoek in een rapport heeft geformuleerd naast zich neer.
Ambtenaren van het Ministerie van Justitie herhalen op 4 januari 2005 mondeling wat de Minister in 2003 heeft geschreven.
Samengevat: daar gaan wij niet over. Maar wie gaat er dan wel over? Niemand.

In 2002 schrijft E. Oudejans, voormalig directeur van een (gezins)voogdij-instelling:
“… moet worden opgemerkt dat de huidige stand van zaken, … niet de ‘schuld’ is van gezinsvoogden. Doorgaans hebben zij er in zeer onvoldoende omstandigheden (zoals gebrek aan tijd, geld, het ontbreken van een gerichte methodiek en bijbehorende opleiding en vaardigheden), met veel inzet, volharding, wijsheid en deskundigheid maar zonder voldoende steun van een methodisch goed uitgewerkte opdracht alles aan gedaan hun jeugdbescherming-cliënten verder te helpen.
De hele samenleving stond erbij en keer ernaar en accepteerde een bepaalde manier van functioneren van de jeugdbescherming.
(Een reus moet leren bukken; pag. 123)

Wij verwachten uiteraard dat de SP meer zal doen dan erbij staan en ernaar kijken.
Er zou al een wereld gewonnen zijn als de Inspectie werkelijke bevoegdheden zou krijgen, die dus verder gaan dan “een schriftelijk bevel geven om onmiddellijk maatregelen te nemen, indien zij een situatie aantreft die acuut bedreigend is voor een cliënt. … alleen aan bureaus jeugdzorg en zorgaanbieders.” (Inspectie jeugdzorg in zicht, pag. 11, 2004)
Ook zou een equivalent van het Britse ‘contempt of court’ nuttig kunnen zijn.

Wij hopen op een reactie die meer informatie vraagt of misschien zelfs actie aankondigt.

Met vriendelijke groet, 

Op deze brief is op 31 maart 2005 nog niet gereageerd.

2. ANTWOORD VAN JUSTITIE d.d. 3-01-2005 OP BRIEF d.d. 19-10-2004 (zie nr 12 in 2004)

 

3. INGEZONDEN BRIEF OVER AWBZ (aansluitend bij nr 2 in 2004)


AWBZ wordt uitgekleed, maar krijgt ook nieuw jasje

De AWBZ wordt uitgekleed. Weinig bekend is dat de AWBZ 1 januari 2005 ook een nieuw jasje aan krijgt. Dan zal kortdurende psychologische en psychiatrische hulp voor kinderen uit de AWBZ gefinancierd worden, maar uitsluitend op indicatie van een Bureau jeugdzorg.
De AWBZ is er toch voor onverzekerbare kosten? VWS heeft in april geschreven aan stichting Kinderen-Ouders-Grootouders, dat psychologische hulp juist moet lopen via Bureau jeugdzorg “omdat er vaak meer met kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische problemen.” En Bureau jeugdzorg zal speuren naar wat er “meer met kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische problemen.” Ouders, wees gewaarschuwd. VWS is niet voor niets zo stil over deze vorm van zorg. Verzeker u (voor weinig geld) bij, zodat u niet verplicht wordt naar Bureau jeugdzorg te gaan.

(gestuurd aan Trouw, niet geplaatst)


Wantrouwen en regelzucht


In NRC van 6 december staat het artikel ‘Ban de bureaucratie eens uit’ van Agnes Kant en Jan Marijnissen, dat stichting Kinderen-Ouders-Grootouders uit het hart gegrepen is.

”De Regionale Indicatie Organen die zijn ingesteld om AWBZ-zorg te beoordelen, leiden tot onnodige vertraging, veel papierwerk en ook tot dubbel werk.”
Precies. Als het om psychologische of psychiatrische AWBZ-zorg voor kinderen gaat is het niet voldoende dat de huisarts voor deze zorg indiceert, maar mag deze alleen naar Bureau jeugdzorg verwijzen en moet Bureau jeugdzorg, waar niemand het kind of het gezin kent, de indicatie stellen. Onnodige vertraging, veel papierwerk en dubbel werk.

In antwoord op een brief van KOG hierover schreef VWS op 13 april 2004 dat dit zo moet, “omdat er vaak meer met kinderen aan de hand is dan psychische of psychiatrische problemen”.
”Een overheid die doortrokken is van wantrouwen en regelzucht,” schrijven Kant en Marijnissen. Juist. En waar leidt dat toe? Onnodige vertraging, veel papierwerk en dubbel werk.

(gestuurd aan NRC, niet geplaatst)

 

3a. INGEZONDEN BRIEVEN OVER JEUGDZORG 

EEN GEBOUW ZONDER FUNDAMENT

In Trouw van 29 december staat een artikel “Ross: ‘Kinderen eerder uit huis plaatsen’.” Volgens dit artikel heeft de staatssecretaris van VWS opvallende uitspraken gedaan in het Radio 1-journaal.

Jeugdzorg, waar kinderbeschermingsmaatregelen als de uithuisplaatsing onderdeel van zijn, is een gebouw waar steeds zijvleugels aan gebouwd worden, terwijl er geen fundament is:
  -  in het decembernummer 2004 van Justitiemagazine zegt de hoofdinspecteur Jeugdzorg dat er geen kwaliteitscriteria voor jeugdzorg bestaan (Zijn er kwaliteitscriteria voor jeugdzorg? ‘Ook naar de vraag hoe je kinderen zo effectief mogelijk kunt helpen, is onderzoek gaande. Zowel bij Justitie als bij VWS. De uitkomsten daarvan worden op elkaar afgestemd en dat is heel goed. We moeten meer evidence based gaan werken.’).Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving kent jeugdzorg (dus) niet.

  -  verantwoordelijkheden voor de inhoud van jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen geen invulling.
  -  kwaliteit van jeugdzorg behoeft dringend verbetering. Hierover leze men het VU-rapport uit 2002 ‘909 zorgen’.
  -  rechter toetst rechtmatigheid kinderbeschermingsmaatregelen marginaal; hij heeft i.v.m. doelmatigheid zelden toetsingsmogelijkheid; hij heeft geen beroepsfunctie.

Zou het niet wijs zijn de uitbreiding van het gebouw maar eens een poosje stil te zetten en eerst te zorgen voor een fundament van duidelijke verantwoordelijkheden, opleidingen, kwaliteitscriteria en handhavingsmogelijkheden?

(gestuurd aan Trouw, niet geplaatst)

 

JEUGDZORG

Trouw van 24 september meldt, dat de toepassing van de AWBZ in de zorg een ratjetoe is.

Ook kortdurende psychologische behandeling van jongeren wordt vergoed uit de AWBZ, maar uitsluitend op indicatie van een bureau jeugdzorg. Na 1 januari 2005 is indicatie door de eigen huisarts niet meer voldoende. Waarom dubbele kosten? VWS heeft op 13 april aan stichting Kinderen-Ouders-Grootouders geschreven dat mensen op deze manier gedwongen worden tot contact met een bureau jeugdzorg “omdat er vaak meer met kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische problemen”. Bureau Jeugdzorg krijgt op deze manier dus gedwongen nering.

Op 8 september heeft de Staatssecretaris van VWS in Twee Vandaag gezegd, dat er in de jeugdzorg in totaal, dus de vrijwillige jeugdhulpverlening (voor rekening van VWS) en de kinderbeschermingsmaatregelen (voor rekening van Justitie), 
€ 60.000.000.000 omgaat (zestig miljard euro).

“De kwaliteit van de jeugdzorg in Nederland laat te wensen over.” schrijft de Inspectie Jeugdzorg op 24 september.

Natuurlijk laat de kwaliteit te wensen over. Want al kost jeugdzorg in 2004 zestig miljard euro, er zijn geen inhoudelijke kwaliteitscriteria, kwaliteit wordt niet getoetst of gehandhaafd, waar de verantwoordelijkheid ligt voor kwaliteit is niet helder. 
De onderbemande Inspectie mag rapporteren, maar zelden kijken of aanbevelingen voor verbetering opgevolgd zijn.

Vergelijk die situatie eens met de gezondheidszorg. Als er in de jeugdzorg dingen goed gaan, is dat bijna een wonder. 
Als jeugdzorg niet de moeite waard is om (criteria voor en toetsing en handhaving van) de kwaliteit te regelen, waarom wordt er dan wel zestig miljard euro belastinggeld aan uitgegeven, en waarom worden gezinnen gedwongen zich te wagen aan contact met bureau jeugdzorg?

Jeugdzorg is grotendeels schone schijn. En een gigantisch werkgelegenheidsproject

(gestuurd aan Trouw, niet geplaatst)

 

JEUGDZORG

“De kwaliteit van de jeugdzorg in Nederland laat te wensen over.” Dit staat in het op 24 september verschenen rapport van de Inspectie Jeugdzorg, aldus NRC.

Op 8 september heeft de Staatssecretaris van VWS in Twee Vandaag gezegd, dat er in de jeugdzorg in totaal, dus de vrijwillige jeugdhulpverlening (voor rekening van VWS) en de kinderbeschermingsmaatregelen (voor rekening van Justitie), 
€ 60.000.000.000 omgaat (zestig miljard euro).

Natuurlijk laat de kwaliteit te wensen over. Want al kost jeugdzorg in 2004 zestig miljard euro, er zijn geen inhoudelijke kwaliteitscriteria, kwaliteit wordt niet getoetst of gehandhaafd, waar de verantwoordelijkheid ligt voor kwaliteit is niet helder. 
De onderbemande Inspectie mag rapporteren, maar zelden kijken of aanbevelingen voor verbetering opgevolgd zijn.

Vergelijk die situatie eens met de gezondheidszorg. Als jeugdzorg niet de moeite waard is, waarom wordt er dan wel zestig miljard euro belastinggeld aan uitgegeven?

Jeugdzorg is grotendeels schone schijn. En een gigantisch werkgelegenheidsproject.

(gestuurd aan NRC, niet geplaatst)

 

NOG MEER SAVANNA’S

In de Telegraaf van 28 september staat het artikel ‘Hoeveel Savanna’s nog?’.

Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders vreest dat Savanna niet het laatste slachtoffer is van tekortschietende jeugdbescherming. En meer geld voor jeugdzorg zal dat niet voorkomen.

De Staatssecretaris van VWS heeft op 8 september in Twee Vandaag gemeld, dat de totale jeugdzorg in 2004 € 60.000.000.000 (zestig miljard euro) belastinggeld kost. Het is kennelijk niet de moeite waard op te letten of zo’n habbekrats goed besteed wordt.

Jeugdzorg kent namelijk geen waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving (de inspectie heeft bijvoorbeeld niets in te brengen, vergelijk dat eens met de inspecties voor voedingsmiddelen). En wie waar verantwoordelijk voor is weet niemand. 
De rijksoverheid zou verantwoordelijk moeten zijn voor jeugdbescherming, maar de minister van justitie schrijft aan KOG 
op 2 juni 2004: “Ikzelf heb daartoe als Minister van Justitie geen bevoegdheid.” Maar, schrijft de Minister (opgelucht?) in dezelfde brief: “1 januari 2005. … wordt de aansturing van de Bureau’s Jeugdzorg met name bij de provincies gelegd, 
die zonodig ook een aanwijzing kunnen geven.”

Natuurlijk, als de provincies maar verantwoordelijk zijn, dan komt het vast wel goed. 

(gestuurd aan De Telegraaf, niet geplaatst)

 

WAT VOOR GEZINNEN KRIJGEN EEN ONDERTOEZICHTSTELLING?

In NRC van 28 september zegt een gezinsvoogd in het artikel ‘Eens per zes weken op gezinsbezoek’ (n.a.v. de dood van de onder toezicht gestelde gedode Savanna) dat beleidsmakers misschien “niet echt weten om wat voor een gezinnen het gaat”. 
Dan volgen voorbeelden van seksueel misbruik en verkrachting, die de lezer die weinig weet van dit terrein doen vermoeden dat kinderen met een ondertoezichtstelling heel rare ouders hebben. Zo zou het ook moeten zijn, maar zo is het lang niet altijd.

Voor een training van het Leger des Heils voor kinderen om zich te weren tegen pesten op school moeten de ouders eerst een ondertoezichtstelling aanvragen;
ouders van weggelopen kinderen vragen vaak op advies van de Raad voor de Kinder-bescherming of van maatschappelijk werk een ondertoezichtstelling aan. (Zijn dat rare ouders omdat immers hun kinderen weglopen? Vaak zijn het ouders die weigeren toe te staan dat hun dochtertje misbruikt wordt door een “liefde” van de dubbele leeftijd);
sommige scholieren praten liever onder lestijd met de schoolmaatschappelijk werker dan zich te laten overhoren, dan moet je wel een zielig verhaal vertellen maar dan word je ook doorgestuurd naar Bureau jeugdzorg, niemand controleert het verhaal en je kunt voor je gevoel niet meer terug, ots volgt;
een vrouw die i.v.m. psychiatrische problematiek in het verleden zich na de geboorte van haar eerste baby tot een RIAGG wendde uit angst voor herhaling van die problemen, werd geconfronteerd met een ots en uithuisplaatsing van het kind op een geheimgehouden adres.

Beleidsmakers kunnen inderdaad “niet echt weten om wat voor een gezinnen het gaat”.

Het gaat namelijk om alle soorten gezinnen, niet alleen om mishandelende, incestueuze, 
alcoholverslaafde, criminele ouders.

(gestuurd aan NRC, niet geplaatst)

 

BIJZIEND OOG

In Trouw van 5 oktober neemt Annelies Huygen het op voor de Jeugdzorg in het artikel Bijziend oog. Zij doet tegelijkertijd een oproep aan de lezer om zich op te geven als pleegouder. “Aan pleeggezinnen is een tekort,” schrijft zij. Dat is juist, maar als kinderen die bij familie terecht kunnen daar ook geplaatst zouden worden, zou dat tekort al kleiner zijn. Dat kinderen in zo’n geval alleen in een crisis-situatie bij vreemden geplaatst worden, zoals men wel hoort van de gezinsvoogdij-instellingen, is eenvoudig niet waar.

“Het alternatief is thuis blijven met veel begeleiding,” schrijft Annelies Huygen. Precies. En het is juist die begeleiding waar het aan ontbreekt. Prof. J. van Acker heeft met zijn gezinsproject aangetoond dat het kan. Hij heeft ook uitgerekend dat 5 maatschappelijk werkers zich fulltime met een gezin kunnen bezighouden voor de prijs van 1 uithuisplaatsing in een instelling. Waar wachten we nou toch op?

(gestuurd aan Trouw, niet geplaatst)

 

 

4. REACTIE VAN AKJ d.d. 27-12-2004 OP BRIEF d.d. 27-09-2004  (aansluitend bij nr 14 in 2004)

 

Geachte mevrouw,
 
Binnen het AKJ zijn de afgelopen maanden maatregelen getroffen om de rolzuiverheid van de medewerk(st)ers te regelen.
 
De maatregelen zijn:
- een visie document;
- gedragsregels;
- splitsing van de functie vertrouwenspersoon VP in V(volwassenen) en  J(jeugdigen);
- tewerkstellingsovereenkomst.
  
Daarbij komt dat de functie VP niet in de eerste plaats gericht is op klachten o.i.d.
 
Waar het om gaat is de functie VP in te zetten t.b.v. de versterking en ondersteuning van de clienten in de jeugdzorg: onafhankelijk van BJZ en de aanbieders van zorg.
 
Dat is in veilige handen van het AKJ.
 
Mocht u meer informatie willen hebben dan ben ik hiertoe gaarne bereid.
 
Het BKJ is opgenomen binnen het AKJ.
 
Met vriendelijke groet,
 
Kees Veringmeier

 

4a. REACTIE VAN KOG d.d. 30-12-2004

Haarlem, 30 december 2004


Geachte heer Veringmeier,

Dank voor uw e-mailbericht van 27 december in antwoord op onze brief van 27 augustus.

Graag zouden wij een exemplaar ontvangen van het visiedocument en van de gedragsregels.
Ook willen wij graag weten of de mogelijkheid bestaat dat een klachtondersteuner op andere momenten werkt als cliëntvertrouwenspersoon.

Met vriendelijke groet,

 

4b. REACTIE PER E-MAIL VAN BKJ d.d. 30 NOVEMBER 2004 OP BRIEF 
      d.d. 26 NOVEMBER VAN KOG (vgl. BRIEF AAN AKJ d.d. 27 AUGUSTUS)  

Geachte mevrouw Barendse,
Uw brief hebben wij besproken in ons noordelijk overleg. Uw vraag heeft u
voorgelegd aan Groningen en Drenthe en niet aan Friesland. Voordat we in
kunnen gaan op uw brief, willen we u eerst een aantal vragen voorleggen:
1. Welke knelpunten ziet u en waarom?
2. Waarvoor heeft u deze informatie nodig?
3. Wat gaat u met de informatie doen.
Graag zie ik uw antwoord tegemoet.
Met vriendelijke groet,
Lilian Hoekstra, BKJ Drenthe

 

4c ANTWOORD DIRECTEUR AKJ OP BRIEF VAN 30 DECEMBER 2004 (per e-mail)

Geachte mevrouw Barendse,

Hierbij meld ik u dat ik u de versie van het Visiedocument op korte termijn kan toemailen. De versie die is opgeslgen als Worddocument behoefte enige correcties.

Ik zal u de versie zoals deze is verzonden wel alvast per gewone post toezenden.

Om de rolzuiverheid van de vertrouwenspersonen te regelen

-          is het visiedocument opgesteld;

-          wordt een principiële splitsing gehanteerd tussen vertrouwenspersonen voor jeugdigen (VP-J) en vertrouwenspersonen voor volwassenen (VP-V), tenzij dit door een te geringe beschikbare personeelsformatie per provincie niet kan;

-          worden de afstemmingsafspraken tussen de instellingen voor jeugdzorg en het AKJ in daartoe op maat opgestelde overeenkomsten per instelling geregeld.

De functie vertrouwenspersoon wordt ingezet ter versterking en ondersteuning van cliënten in de jeugdzorg. Dit gebeurt door informatieverstrekking tot en met het bijstaan van cliënten tijdens formele klachtenprocedures. De vertrouwenspersonen zijn werknemers van het AKJ en zijn verantwoording over hun inhoudelijk handelen verschuldigd aan de directie van het AKJ. Zij werken onafhankelijk van instellingen voor jeugdzorg. In gevallen waarbij hier naar het oordeel van de cl;iënt geen sprake van is verzoek ik u de cliënt te adviseren direct contact te zoeken met de directie van het AKJ.

Ik hoop u c.q. de stichting KOG op deze wijze voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

J.G. Zandijk
Directeur a.i.  

 

4d  1 - VISIEDOCUMENT AKJ
      2 - GEDRAGSCODE VERTROUWENSPERSONEN AKJ
      3 - TAAK- EN FUNCTIEOMSCHRIJVING VERTROUWENSPERSOON AKJ

 

1 - VISIEDOCUMENT AKJ

Wat doet het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg

Missie van het AKJ

Het AKJ is een onafhankelijke en laagdrempelige stichting die de positie van cliënten in de jeugdzorg versterkt door:

1. hen informatie te verschaffen over hun rechten;

2. hen advies en ondersteuning te geven wanneer zij onvrede ervaren over de geboden hulpverlening;

3. (structurele) tekortkomingen te signaleren binnen de jeugdzorg met als doel een bijdrage te leveren aan een verbetering van de kwaliteit van de jeugdzorg.

Het AKJ doet dit vanuit de overtuiging dat iedere cliënt er op moet kunnen rekenen dat hij als gelijkwaardige en actieve medespeler wordt gezien in de relatie met de hulpverlening. Ook moet de cliënt er op kunnen rekenen dat zijn rechten worden gerespecteerd. Als dit niet het geval lijkt te zijn moet hij een beroep kunnen doen op de cliëntgerichte en onafhankelijke ondersteuning van (een vertrouwenspersoon van) het AKJ. Dit is in de Wet op de jeugdzorg geregeld.  

De Wet op de jeugdzorg en het AKJ

Uitgangspunten van de wet

Het doel van de Wet op de jeugdzorg is de zorg aan jeugdigen en hun ouders/verzorgers te verbeteren en hun positie te versterken. Belangrijke uitgangspunten van de Wet zijn dat

1. de vraag van de cliënt centraal staat en niet het aanbod van de voorzieningen;

2. er één centrale toegang tot de jeugdzorg bestaat, namelijk het Bureau Jeugdzorg;

3. een cliënt recht op jeugdzorg heeft, dus als Bureau Jeugdzorg een indicatie heeft gesteld kan de cliënt hier aanspraak op maken;

4. de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, jeugdreclassering en gezinsvoogdij zijn geïntegreerd in Bureau Jeugdzorg.

Het uitgangspunt ‘de cliënt centraal’ is voor het AKJ van groot belang. Daarnaast is het gezien de afhankelijkheid van cliënten in jeugdzorginstellingen belangrijk dat de functie van vertrouwenspersoon in de Wet op de jeugdzorg is verankerd. De rechten van cliënten kunnen mede hierdoor worden gewaarborgd. Ondersteuning door vertrouwenspersonen blijkt zinvol om onvrede tussen cliënten en jeugdzorginstellingen op te lossen. Daarnaast blijkt het voor veel cliënten helaas vaak moeilijk om  klachtenprocedures zelfstandig te doorlopen. Daarbij is het AKJ dan ook ondersteunend.  

De provincies en grootstedelijke regio’s (ROA, Rotterdam en Haaglanden) zijn verantwoordelijk voor de financiering van de functie vertrouwenspersoon en voor de uitvoering van de bepalingen van de Wet. De AKJ-vertrouwenspersonen werken voor  alle cliënten van de jeugdzorginstellingen in de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Flevoland en de grootstedelijke regio’s Amsterdam, Rotterdam en Haaglanden. Daarnaast zijn er vertrouwenspersonen actief ten behoeve van cliënten van de William Schrikkergroep en de Raad voor de Kinderbescherming directie Zuidwest. Voornoemde organisaties financieren de vertrouwenspersoon uit eigen middelen.  

Naast de inzet van vertrouwenspersonen biedt het AKJ, via de landelijk opererende Telefonische Adviesdienst (TAD), aan iedereen die vragen of klachten heeft over de jeugdzorg de mogelijkheid telefonisch informatie en advies in te winnen. 

Klachtrecht

In de Wet op de jeugdzorg wordt bepaald dat in jeugdzorginstellingen de behandeling van klachten door onafhankelijke klachtencommissies plaats moet vinden. De leden zijn dus niet aan de betrokken instelling verbonden. Het AKJ helpt cliënten via advisering en aanwezigheid en ondersteuning tijdens zittingen van de commissies.  

Het AKJ verwoordt de vragen en klachten van de cliënt. Het AKJ is geen direct betrokkene in het hulpverleningsproces.

Voor cliënten die onvrede ervaren bij jeugdzorginstellingen zijn steun en advies van een onafhankelijke vertrouwenspersoon belangrijk, zo blijkt uit evaluatieonderzoek*. Zij willen er zeker van zijn dat het AKJ niet de belangen van de instellingen waar zij klachten over hebben mee laat wegen. Om iedere schijn van beïnvloeding door de instellingen waar klachten tegen zijn te voorkomen, wordt de ondersteuning aan de cliënt vanuit een onafhankelijke positie geboden, dus onafhankelijk van Bureaus Jeugdzorg, zorgaanbieders, Raad voor de Kinderbescherming, cliëntenorganisaties en financiers.  

* Ambulant Vertrouwen door het Verwey Jonker Instituut, Evaluatie

Klachtrecht en medezeggenschap door Research voor Beleid, Met recht

onder toezicht gesteld (evaluatie OTS) door het Verwey Jonker Instituut

Beschrijving AKJ en gehanteerde kernbegrippen  

Het AKJ is een op cliënten gerichte, onafhankelijke en laagdrempelige organisatie met als doel verbetering van de positie van alle cliënten van de jeugdzorg. Hierbij heeft het AKJ als doel door zijn interventies de verhoudingen tussen cliënt en hulpverleners te verbeteren.    

Het AKJ is met name gericht op de bewaking en versterking van de positie van de cliënten. Dit laatste doet het AKJ door deel te nemen aan maatschappelijk debat over regelgeving, aan overlegorganen, via het uitbrengen van publicaties en het doen van onderzoek.  

Het AKJ werkt samen en pleegt overleg met cliëntenorganisaties, cliëntenraden, jongerenraden en aanverwante instellingen (BKJ, Stichting PVP, kinderrechtswinkels, etc.) om gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken.  

Het AKJ streeft naar structureel overleg met jeugdzorginstellingen, financiers en Inspecties.  

Een belangrijke voorwaarde voor het goed kunnen functioneren van de AKJ-medewerkers is dat zij zich in principe houden aan een geheimhoudingsplicht. Dit is voor cliënten van essentieel belang.  

Cliënten moeten geen drempels ervaren om contact met het AKJ te zoeken. Bij hoge drempels zullen cliënten misschien geen beroep op ondersteuning van het AKJ doen, terwijl zij deze steun wel hard nodig hebben.

  Dit betekent:

- gratis dienstverlening door het AKJ;

- directe toegang door middel van telefoon, brieven en e-mail via de AKJ-website of via het mailadres van de individuele vertrouwenspersonen;

- vertrouwenspersonen die eventueel direct benaderbaar zijn op locatie;

- voldoende en duidelijk informatiemateriaal over het AKJ, de aanwezigheidstijden en de bereikbaarheid van de vertrouwenspersonen en van de TAD.  

Het AKJ adviseert desgewenst cliëntenraden ten aanzien van onderwerpen die de positie van cliënten in die instelling betreffen.

Deskundigheidsbevordering  

Het AKJ houdt de deskundigheid van de vertrouwenspersonen op peil door regelmatige werkbegeleiding, intervisie, juridische advisering en deelname aan trainingen, symposia en cursussen.  

Het AKJ streeft ernaar dat de taakuitoefening door de vertrouwenspersonen in elke provincie waarin het AKJ actief is op een zo uniform mogelijke wijze plaatsvindt opdat  iedere cliënt van het AKJ weet wat hij kan verwachten van ‘zijn’ vertrouwenspersoon.   

Het AKJ is in principe verplicht om ervoor te zorgen dat vertrouwenspersonen binnen haar werkgebied beschikbaar zijn voor alle cliënten in de jeugdzorg. De wijze waarop daar invulling aan wordt gegeven verschilt per provincie en grootstedelijke regio’s door verschillen in financiering.

Voorkomen van belangentegenstellingen  

Veel jongeren zeggen dat als ‘hun’ vertrouwenspersoon ook voor hun ouders zou werken, zij geen beroep meer op hem of haar zouden doen. De vertrouwenspersoon zal dus altijd duidelijk maken dat hij niet zonder instemming van iedereen voor zowel de jeugdige als diens ouders zal optreden. Bij een onoverbrugbare belangentegenstelling streeft het AKJ naar het inschakelen van een tweede vertrouwenspersoon.

April 2005  

2 - GEDRAGSCODE VERTROUWENSPERSONEN AKJ

 

3 - TAAK- EN FUNCTIEOMSCHRIJVING VERTROUWENSPERSOON AKJ


4e VERZOEK AAN AKJ OM NADERE INFORMATIE OVER 
     DUBBELFUNCTIE MEDEWERKERS


Aan de heer J. Zandijk, interim-directeur van het AKJ
Nijenburg 150
1081 GG Amsterdam

Haarlem, 20 mei 2005

Geachte heer Zandijk,

Dank voor de toezending (per post en per e-mail!) van ‘De visie van het AKJ’. Bij de eerste update van de website zullen wij, zoals afgesproken, dit document plaatsen.

Na bestudering van het stuk menen wij begrepen te hebben dat het AKJ nu werkgever is van één soort werknemers: vertrouwenspersonen, van wie een van de taken is ondersteuning van cliënten bij het indienen van klachten. Het is dus mogelijk dat het voor de klachtondersteuners een kwestie van “sterke knieën” is in hoeverre zij zich bij klachtondersteuning laten beïnvloeden door hun mogelijke eigen belangen bij een redelijk goede relatie met een instelling.

Wilt u ons laten weten welke maatregelen het AKJ heeft genomen om het de werknemers makkelijker te maken “de knieën recht te houden”?
Deze brief en uw antwoord zullen wij eveneens plaatsen op www.stichtingkog.info .

Met vriendelijke groet,

 

4f. REACTIE d.d. 26 MEI OP BOVENSTAANDE BRIEF

 
----- Original Message -----
From: Jan Zandijk
Sent: Thursday, May 26, 2005 7:10 AM
Subject: uw brief d.d. 20 mei 2005

Geachte mevrouw Barendse,

In reactie op uw brief meld ik het volgende.  

1.                  Het AKJ is nu inderdaad werkgever van één soort werknemers, namelijk vertrouwenspersonen. Deze functie is sinds 1 januari 2005 vastgelegd in de nieuwe Wet op de jeugdzorg.Alle cliënten in de jeugdzorg moeten een beroep kunnen doen op deze onafhankelijke vertrouwenspersoon en het is aan de provinciale overheden om er financiën voor beschikbaar te stellen.

2.                  Het is in het belang van alle betrokkenen bij een klacht, dat escalatie wordt voorkomen. Meestal leidt escalatie tot verstoorde verhoudingen die niet dienstbaar zijn aan een goed hulpverleningsproces.  

3.                  De vertrouwenspersoon zal altijd achter de cliënt staan, ook als dat zou kunnen leiden tot een verstoorde verhouding met de hulpverleningsinstelling.

4.                  Het AKJ heeft gedragsregels voor de vertrouwenspersoon, waaraan deze zich dient te houden. Hierin staat onder meer vermeld, dat de cliënt de actie bepaalt die de vertrouwenspersoon binnen redelijke grenzen zal ondernemen. De cliënt is te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de acties die de vertrouwenspersoon onderneemt. Deze handelt in principe niet zonder de toestemming van de cliënt.

5.                  Kort geleden zijn nieuwe folders verschenen waarin het AKJ haar werkzaamheden beschreven heeft. Er zijn folders voor jonge kinderen, jongeren, ouder(s) en verzorger(s) en hulpverleners. Ik zal u enige exemplaren doen toekomen. Cliënten die de ondersteuning door het AkJ inroepen kunnen altijd vragen om deze folders toegestuurd te krijgen.

6.                  Bij vragen over of problemen met het functioneren van de vertrouwenspersoon, gaat het AKJ er van uit, dat deze eerst direct met de betrokkene worden besproken. Als het gesprek hierover niet leidt tot een beter begrip en goede onderlinge afstemming kan een klacht worden ingediend bij de directie van het AKJ.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,
J.G. Zandijk
Directeur

 

4g BRIEF AAN AKJ d.d. 29 AUGUSTUS 2005
     - VERTROUWELIJKHEID EN ONAFHANKELIJKHEID

 

Aan de heer J.G. Zandijk, Directeur AKJ
Nijenburg 150
1081 GG Amsterdam


Haarlem, 29 augustus 2005


Geachte Heer Zandijk,

Heden is mij het volgende onder ogen gekomen in een verzoekschrift van AJL:
“De volgende dag heeft de VP de AJL laten weten het contact met de moeder te hebben verbroken. De VP heeft de moeder aangeraden professionele hulp voor zichzelf te zoeken.”

Gaarne verneem ik
1) uw opinie over de omstandigheid dat de VP de gezinsvoogdij-instelling inlicht over de
    inhoud van een gesprek met een ouder
2) de (eventuele) maatregelen die het AKJ heeft genomen / op zeer korte termijn gaat nemen
    om te voorkomen dat informatie uit contacten met ouders bij instanties terechtkomt.

Evenals de vroegere correspondentie tussen AKJ en KOG zullen deze brief en uw reactie geplaatst worden op website www.stichtingkog.info .

Met vriendelijke groet,

4h ANTWOORD d.d. 7 SEPTEMBER OP 4g

 

4i NIEUWE VRAGEN d.d. 9 SEPTEMBER 2005
    - VERTROUWELIJKHEID EN ONAFHANKELIJKHEID

Aan de heer J.G. Zandijk, directeur AKJ
Geldersekade 101
1011 EM Amsterdam


Haarlem, 9 september 2005


Betreft: uw kenmerk JZ-05/574


Geachte heer Zandijk,

Mijn dank voor uw (weer zeer snelle!) beantwoording van de brief d.d. 29 augustus.

De brief roept de volgende vragen op:
- Langs welke weg bent u in kennis gesteld van de kwestie waarin een vertrouwenspersoon
  heeft gelekt naar AJL, zodat u inhoudelijke mededelingen zou kunnen doen?
- “… dat in de werkbegeleiding van vertrouwenspersonen nu al voldoende aandacht wordt
  besteed aan hoe het AKJ omgaat met privacygevoelige informatie richting organisaties …”
  Waarom wordt in de werkbegeleiding niet eenvoudig geleerd dat vertrouwenspersonen
  GEEN informatie geven aan organisaties?
- Moeten wij de laatste zin “Als zich incidenten voordoen zal ik invoeren dat ik … meteen
  word geïnformeerd” verstaan als: ‘als zich herhaaldelijk incidenten als het door KOG
  gesignaleerde voordoen zal ik in de toekomst invoeren dat ik word geïnformeerd’ of als
  ‘ik zal nu onmiddellijk invoeren dat ik bij incidenten word geïnformeerd’?

- Wat bedoelt u met “incidenten”?
- Bent u bereid bovendien in te voeren dat de vertrouwenspersonen geen mondelinge /
  telefonische, maar uitsluitend schriftelijke inlichtingen verschaffen aan organisaties? 
- Bent u bereid bovendien in te voeren dat de (schriftelijke) inlichtingen met de ouder die het
  betreft van te voren worden besproken (vgl. “ik zal dit altijd eerst met jou bespreken” in de
  grote folder voor jongeren)?
- Bent u bereid bovendien in te voeren dat de ouder in kwestie dezelfde informatie op
  hetzelfde moment krijgt als de organisatie?

Ik meen uit uw brief te begrijpen, dat “vertrouwenspersonen van het AKJ verstrekken in principe geen inlichtingen aan organisaties …over (gesprekken met) cliënten” betekent, dat vertrouwenspersonen van het AKJ uitsluitend inlichtingen verschaffen aan organisaties wanneer er sprake is van “uitzonderlijk zwaarwegende omstandigheden”.

In de kleine informatiefolder voor jongeren staat “… in vertrouwen … vertellen. Dat betekent dat hij niet zomaar je verhaal bespreekt … . … heeft in principe een geheimhoudingsplicht”.
In de grote informatiefolder voor jongeren staat “Ik vertel jouw verhaal dus niet door aan de groepsleiding of anderen. Behalve als je mij iets vertelt dat voor jou of anderen gevaarlijk is, dan moet ik het wel vertellen. Ik zal dit altijd eerst met jou bespreken.”
Is “niet zomaar” en “in principe” in de kleine folder voor jongeren te verstaan als “behalve als je iets vertelt dat voor jou of anderen gevaarlijk is”?

In de informatiefolder voor ouders en verzorgers staat “… in vertrouwen … vertellen. Dit betekent dat hij niet zomaar uw verhaal met de instelling bespreekt. De vertrouwenspersoon heeft in principe een geheimhoudingsplicht.”
Is dit “niet zomaar” en “in principe” te verstaan als “behalve als u iets vertelt dat voor anderen gevaarlijk is”?

In de informatiefolder voor hulpverleners staat “De vertrouwenspersoon behandelt de informatie die hij van de cliënt krijgt vertrouwelijk, tenzij zwaarwegende argumenten zich hiertegen verzetten. De cliënt … de acties die de vertrouwenspersoon onderneemt. Deze handelt in principe niet zonder zijn toestemming.”
Is “tenzij zwaarwegende argumenten zich hiertegen verzetten” en “in principe” te verstaan als “behalve als de vertrouwenspersoon iets gevaarlijks is verteld”?

In de vergadering van het KOG-bestuur zijn de folders besproken. Aangezien niemand, zelfs niet iemands advocaat, een voor anderen gevaarlijk voornemen (moord, gijzeling) mag verzwijgen, vroegen wij ons af wat bedoeld wordt met “in principe” en “tenzij zwaarwegende argumenten…”. Iets vanzelfsprekends zet men immers niet in een informatiefolder.
Het zou helpen om onze gedachten te ordenen wanneer u een voorbeeld zou geven van “(uitzonderlijk) zwaarwegende omstandigheden / argumenten”.

In de informatiefolder voor hulpverleners staat ook: ”Per organisatie worden afspraken op maat gemaakt. De afspraken hebben betrekking op …, de rechten en plichten van de vertrouwenspersoon.”
Is het zo dat de rechten en plichten van de vertrouwenspersoon per organisatie verschillen? Ook op dit punt zou een voorbeeld kunnen helpen om onze gedachten te ordenen.

Behalve beantwoording van de vragen verzoek ik u toezending van de functieomschrijving van de medewerkers en de gedragsregels voor de medewerkers.

Uw brief van 7 september, deze brief, de beantwoording van de vragen en het door u toe te zenden materiaal zullen geplaatst worden op www.stichtingkog.info .

Met vriendelijke groet,

4j ANTWOORD d.d. 27 SEPTEMBER OP 4i

De bijlagen zijn geplaatst onder 4d.

 

4k GESPREK MET AKJ OP 12 OKTOBER 2005

Naar aanleiding van de brief van het AKJ van 27 september heeft er op 12 oktober een gesprek plaatsgevonden tussen het AKJ (de interim-directeur Jan Zandijk en vertrouwenspersoon Ron Buys) en KOG (Truus Barendse en Alice Jansen).
De vraag wanneer een vertrouwenspersoon niet gebonden is door zijn geheimhoudingsplicht en aan welke instantie (instelling? politie?) hij in dat geval een melding zou doen, wordt nog in 2005 besproken in een overleg van vertrouwenspersonen in dienst van het AKJ en van andere instanties. Stichting KOG zal op de hoogte gesteld worden van de resultaten van dit overleg.

5. COMMENTAAR OP BELEIDSKADER JEUGDZORG


Opmerkingen naar aanleiding van Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008 versie 100604

ad 2. Verbetering kwaliteit bureau jeugdzorg en aanpak bureaucratie


A. Kwaliteitssysteem en referentiewerkmodel

Reeds in de Wet op de jeugdhulpverlening is met name in de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk III gepoogd het systeem van indicatiestelling en de toewijzing van de meest aangewezen zorg te regelen. Dit zijn in feite ‘dode letters’ gebleven. Ook artikel 35 van de wet, het kwaliteits-artikel, met het daarop gebaseerde Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening is in veel opzichten nooit nageleefd. Zo heeft in de jaren 1998/1999 de inspectie voor de jeugd-hulpverlening en jeugdbescherming erop gewezen dat veel jeugdigen zonder deugdelijke diagnose en indicatie en zonder hulpverleningsplan in residentiële voorzieningen voor jeugdhulpverlening zijn opgenomen. Volgens de kwaliteitsregels vastgelegd in de wet en de besluiten zou dat niet kunnen.
De Projectgroep Toegang heeft inmiddels een aantal systeemeisen geformuleerd die verder gaan dan de passages over kwaliteit van de hulp zoals die in de wet en de besluiten zijn geformuleerd.

Op basis van een artikel in Trouw van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling stellen wij voor, dat de betrokken bewindslieden vanuit Den Haag ‘kwaliteitsconcurrentie’ aanwakkeren:
In regelmatig gehouden bijeenkomsten bespreekt de minister vergelijkende statistieken van de prestaties van de bureaus jeugdzorg. Hij spreekt de directeuren aan op het aantal en de snelheid van behandelingen, de tevredenheid van de cliënten, de aantallen aangetoonde fouten, de kosten. Elke volgende bijeenkomst moet er voortgang zijn en hij rekent hen af op hun professionele kwaliteit ten overstaan van hun collega’s. Deze werkwijze heeft transparantie tot gevolg. Dergelijke professionele druk leidt er onvermijdelijk toe dat de directeuren stuiten op regels die verbeteringen in de weg staan. De minister spreekt met de directeuren af dat alle regels die aantoonbaar kwaliteitsverbetering in de weg staan,  afgeschaft worden.
De benoeming van de Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid biedt een uitgelezen mogelijkheid om een dergelijke aanpak te verwezenlijken.

B. Indicatiestelling

De provincies geven in het provinciale beleidskader aan hoe in hun provincie een verantwoorde indicatiestelling wordt gewaarborgd.”:
Het lijkt erop dat de rijksoverheid de provincies uitnodigt om ieder voor zich het wiel uit te vinden. Waarborging van een verantwoorde indicatiestelling lijkt ons bij uitstek een taak voor de rijksoverheid.

E. Aanpak bureaucratie

Zie onder A bij aanwakkering kwaliteitsconcurrentie vanuit Den Haag.

F. Jeugdbescherming

Provincies bevorderen dat de bureaus jeugdzorg gebruik maken van de Forensisch Psychiatrische Dienst in die gevallen waarin zij voor forensische diagnostiek een beroep moeten doen op externe deskundigheid.”:
Verkorting van doorlooptijden en verhoging van doelmatigheid van aanvragen kan hiermee waarschijnlijk bereikt worden, maar verhoging van de kwaliteit van rapportages lijkt ons niet wel bereikbaar door totstandkoming van een nieuwe “grote-vaste-klant-verhouding”, ditmaal tussen de bureaus jeugdzorg en de Forensisch Psychiatrische Dienst.
Wij bevelen u aan geen invloed uit te oefenen op de provincies teneinde de bureaus jeugdzorg gebruik te doen maken van één bepaald onderzoeksbureau.


Ad 3. Verbetering kwaliteit en effectiviteit zorgaanbod

A. Kwaliteitssysteem

Implementatie van het certificatieschema dient niet beschouwd te worden als eigen verantwoordelijkheid van bureaus jeugdzorg of instellingen, maar verplichtend te worden opgelegd.
Het ontgaat ons waarom ook voor het hulpverleningsplan dat voldoet aan de eisen van de wet respijt wordt verleend.

B. Effectiviteit van jeugdzorg

”Provincies bevorderen dat met inwerkingtreding van de wet zorgaanbieders rapporteren over de effectiviteit van geleverde zorg.”:

Rapportage bevorderen lijkt ons niet voldoende, provincies moeten dit eisen van de zorgaanbieders. In deze rapportages dient de mening van de cliënten over de effectiviteit van de zorg prominent aanwezig te zijn. Dit zal met zich meebrengen dat iedere cliënt regelmatig bevraagd wordt op dit punt.
Voorts lijkt het onmogelijk dat de zorgaanbieders deskundig en waarheidsgetrouw over zichzelf rapporteren, vgl. over de ondertoezichtstelling Slot en Theunissen in ‘909 zorgen’: “Daarnaast is duidelijk geworden dat 70% niet verbetert waaronder ruim 30% die achteruitgaat. Wij kunnen onmogelijk beweren dat de maatregel in zijn algemeenheid doelmatig is.” Dit is geschreven in 2002.

Ad 4. Toegankelijke dienstverlening en betrokkenheid cliënt

B. Communicatie en (bezwaar)procedures

Zittingen in het kader van bezwaarprocedures dienen openbaar te zijn, zoals zittingen van de medische tuchtcolleges.
Openbaarheid is de goedkoopste vorm van kwaliteitscontrole.

Ad 5. Doelmatigheid bevorderen en terugdringen van wachttijden

”Dit betekent dat er doelmatigheidswinst geboekt moet worden waardoor met de beschikbare middelen meer cliënten geholpen kunnen worden. Provincies spannen zich tot het uiterste in om doelmatigheidswinst te realiseren en maken in hun provinciale beleidskader zichtbaar welke inspanningen zij daartoe plegen”:
Wij herhalen hier wat wij geschreven hebben voor het toenmalige Platform SCJF in ‘Jongleur over de schreef’ (pag. 15/16):

Het heeft er alle schijn van, dat beter en goedkoper samengaan.

A   
Niet uithuisplaatsen.

Al in 1990 is verschenen van Prof. Dr. J. van Acker: ‘Ouders en kinderen in conflict, …’ …
Met de verpleegprijs van de tehuizen en ZIB-internaten zouden 3 tot 5 maatschappelijk werkers full-time per gezin kunnen worden aangesteld.” (pag. 168) …
E.S.P. Oudejans, directeur van stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland, wond er op de themadag ‘Hulpverlenen of straffen?’ in oktober 1998 geen doekjes om. Hij zei: “Met enkele duizenden guldens per jaar per cliënt zou naar onze oprechte overtuiging een groot deel van de uithuisgeplaatste jongeren thuis kunnen blijven en zouden wij in staat zijn echt iets voor die jongeren en hun gezinnen te doen. Wij leven met de werkelijkheid dat veel jeugdigen om economische redenen uit huis worden geplaatst omdat we nu eenmaal geacht worden iets te doen.”
We geven het geld verkeerd uit. Er moet niet meer geld beschikbaar komen
, het voor jeugdzorg beschikbare geld moet anders verdeeld worden.

B    Een deel van het werk laten verrichten door vrijwilligers, gekozen door de ouders.

Eigen-Kracht Conferenties.
De kerngedachte hiervan is dat een onafhankelijk coördinator alle belangrijke familieleden van een kind dat hulp nodig heeft bij elkaar roept. De hulpverlener presenteert het probleem en de familie maakt een plan hoe zij de problemen gaat oplossen. De hulpverlener is daar niet bij aanwezig. Hij toetst alleen of het plan voldoende is. Men laat zo de verantwoordelijkheid en de oplossing in handen van de familie. …

C   
Grote besparingen zijn ook te behalen in verband met ‘wegloopkinderen’.”

Met name i.v.m. de Eigen-Kracht Conferenties kan de rijksoverheid invloed uitoefenen door de provincies gelden te verstrekken, uitsluitend bestemd voor deze vorm van hulpverlening.
Door Eigen-Kracht Conferenties krijgen families de mogelijkheid problemen i.v.m. jongeren zelf op te lossen, met inschakeling van professionals voor zover zij dit nodig vinden.
In 80% van de gevallen lukt dit blijkens de 4 deelrapporten van onderzoeksbureau WESP.
(In 2002 heeft Eigen-Kracht de tweejaarlijkse Simon Slootenprijs ontvangen als het meest vernieuwende project in de jeugdzorg, en in 2003 de lustrumprijs van de Vereniging voor Ortho-agogische Activiteiten.) In de resterende 20% van de gevallen wordt het probleem geheel neergelegd bij de jeugdzorg. De hulpvraag is dus in ieder geval veilig gesteld.

 

6. INFORMATIE VERZONDEN AAN DE RMO op 23 september 2004


Op 8 september 2004 zegt de Staatssecretaris van VWS in het televisieprogramma
Twee Vandaag, dat er in de jeugdzorg in totaal, dus de vrijwillige jeugdhulpverlening
(voor rekening van VWS) en de kinderbeschermingsmaatregelen (voor rekening van Justitie),
€ 60.000.000.000 omgaat (zestig miljard euro).


A. Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving kent jeugdzorg niet 

B. Verantwoordelijkheden voor de inhoud van de jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen geen invulling

C. Kwaliteit van de jeugdzorg behoeft dringend verbetering

D. Rechter toetst rechtmatigheid kinderbeschermingsmaatregelen marginaal;
     rechter heeft i.v.m. doelmatigheid zelden toetsingsmogelijkheid; geen beroepsfunctie

Ad A. Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en -handhaving kent jeugdzorg niet

Waar in de gezondheidszorg de opleidingen inhoudelijk minutieus beschreven zijn en kwaliteit van geleverd werk dus in principe goed te beoordelen is, is er in de jeugdzorg nauwelijks sprake van opleidingen. Op de Bureaus jeugdzorg werken enkele gezondheids-zorgpsychologen, maar de overige medewerkers hebben hooguit een opleiding aan een sociale academie gevolgd, het merendeel van hen heeft niet meer dan een opleiding op mbo-niveau. (In ziekenhuizen werken veel verpleegkundigen op mbo-niveau, maar de mbo-opleiding tot verpleegkundige is gedetailleerd vastgelegd, omvat concrete en toetsbare vaardigheden.)

“Alhoewel Vedivo (de inmiddels opgeheven stichting Vereniging Directeuren Gezins-voogdijinstellingen, KOG) al jaren geleden heeft vastgesteld dat het beschermen van kinderen een vak apart is, is tot nu toe geen sprake geweest van een gerichte opleiding tot dat vak en nog minder van een goede doordenking van de methodische grondslagen van het jeugdbeschermingsvak.” (aldus in 2002 E. Oudejans, directeur van stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland, thans Bureau Jeugdzorg Noord-Holland) Bijlage A1 pag. 66

In het concept Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008 is te lezen in bijlage 2, Een kwaliteits-impuls voor de jeugdzorg, paragraaf 3, Kwaliteit en innovatie:

“Een goede indicatiestelling is van cruciaal belang in het nieuwe stelsel; …  Inhoudelijke criteria moeten nog worden ontwikkeld. … Hierbij zal ook aandacht zijn voor … een opleiding tot indicatiesteller.” Bijlage A2 laatste vel

Stichting KOG heeft op 25 juni 2004 gereageerd op dit concept. Bijlage A2a

In 2004 zijn er nog steeds geen inhoudelijke kwaliteitscriteria voor de jeugdzorg.

Wel bestaat het Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening en het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij, beide AmvB’s bij de Wet op de Jeugdhulpverlening; deze betreffen procedurele zaken en bij gebrek aan opleidingen niet nader te concretiseren algemeenheden. (Besluit Kwaliteitsregels art. 3 “Het bestand van personeel … is zowel kwalitatief als kwantitatief afgestemd op de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en op de doelgroep.” In de gezondheidszorg heeft een dergelijke formulering inhoud omdat de functies en opleidingen nauwkeurig beschreven zijn.)

‘Harmonisatie Kwaliteitsbevordering in de Zorgsector, werkgroep Jeugdzorg’ gaat nu waarschijnlijk de Nederlandse Patiënten Cliënten Federatie verzoeken de algemene kwaliteitscriteria geschikt te maken voor jeugdzorg. Bijlage A3

Uiteraard zijn er wel aan het bestuursrecht ontleende behoorlijkheidscriteria toe te passen en inzichten uit de gezondheidszorg wanneer er sprake is van analoge toepassing binnen de jeugdzorg. Dat betreft echter geen inhoudelijke criteria.

Het is zelfs voorgekomen dat een jeugdzorginstelling meende dat kritiek op de inhoudelijke kwaliteit van de geleverde jeugdzorg onterecht was gelet op de kwaliteit van haar mede-werkers (mismanagement, zie hierboven art. 3 Besluit Kwaliteitsregels, zou dus gebrek aan kwaliteit rechtvaardigen).

(Doctoraalscriptie 2004 van ambtelijk secretaris provinciale klachtencommissie) Bijlage A4

Wel legt artikel 10 van de Wet op de jeugdzorg de verplichting op aan Bureau Jeugdzorg in het openbare jaarverslag aan te geven op welke wijze cliënten bij het kwaliteitsbeleid zijn betrokken en hoe en hoe vaak binnen de stichting in het verslagjaar kwaliteitsbeoordeling heeft plaatsgevonden en met welk resultaat. Artikel 23 legt dezelfde verplichtingen op aan de zorgaanbieders.

Vergeleken met de gezondheidszorg kent de jeugdzorg weinig voorzieningen voor kwaliteits-controle die buiten de instelling zelf zijn gelegen. De inspectie heeft beperkte mogelijkheden.

“Gewenste effecten van toezicht heeft de inspectie echter slechts ten dele zelf in de hand: immers de instrumenten van de inspectie gaan in de vigerende regelgeving, na rapportage en advisering, niet verder dan signalering, aansporing, overreding en openbaarheid.

‘Hardere’ instrumenten en sancties staan haar niet ter beschikking, maar zijn voorbehouden aan de subsidiërende overheden.”
(Voorwoord Jaarverslag 2001 Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming) Bijlage A5

In de gezondheidszorg kent men behalve de inspectie het medisch tuchtrecht, dat als voornaamste doel heeft kwaliteitshandhaving van de beroepsgroepen. De medische tuchtcolleges zijn de laatste fase in een getrapt klachtrecht. Vertrouwensartsen die werken voor de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, onderdeel van Bureaus jeugdzorg, vallen onder het medisch tuchtrecht.

In de Bureaus jeugdzorg kunnen psychologen of pedagogen werken die als gezondheidszorg-psycholoog ingeschreven zijn in het BIG-register en daardoor onder het medisch tuchtrecht vallen. Ook kan verenigingstuchtrecht incidenteel van toepassing zijn.

Als zij niet ingeschreven staan, vallen zij niet onder enig tuchtrecht. 

Niet onmogelijk is dat de Bureaus Jeugdzorg bij AmvB gehouden zullen worden een of meer beroepsbeoefenaren in de zin van de BIG in dienst te hebben. Wat betreft Bureau Jeugdzorg en de uitvoerders die niet onder de AWBZ vallen zal het kwaliteitseffect op instellingsniveau hooguit van geringe betekenis zijn.

Alle overige medewerkers (dus bijna alle) vallen niet onder enig tuchtrecht.

In 1997 is een regeling voor klachten in werking getreden voor de totale jeugdhulpverlenings- en jeugdbeschermingssector, met enkele uitzonderingen.

In de Wet op de jeugdzorg (die per 1 januari 2005 de Wet op de Jeugdhulpverlening opvolgt, dus grotendeels vervangt) wordt een fundamenteel andere weg ingeslagen met het klachtrecht, ten gevolge waarvan o.a. de provinciale en grootstedelijke klachteninstantie vervalt.

Klachtrecht is echter, vergeleken met tuchtrecht, altijd een minder effectief middel om kwaliteit van beroepsuitoefening te handhaven of te verhogen. Een kenmerk van klachtprocedures is immers dat zij niet tot rechtens bindende uitspraken leiden.

Zowel wat betreft Bureau jeugdzorg als de zorgaanbieders wordt in de MvT bij de Wjz aansluiting gezocht bij de Kwaliteitswet zorginstellingen voor het regelen van de kwaliteit van Bureau Jeugdzorg. Dit houdt in dat de Bureaus Jeugdzorg in principe zelf verantwoordelijk zijn voor het organiseren en handhaven van kwaliteit en daarbij aan dezelfde eisen moeten voldoen als zorgaanbieders die onder de Wkz vallen. De wet biedt wel de mogelijkheid om regels te stellen m.b.t. disciplines en opleidingseisen van het personeel. Achtergrond hiervan is dat het om een organisatie in ontwikkeling gaat en het Rijk dit kwaliteitsaspect wil kunnen beïnvloeden. Ook kunnen bij AMvB nadere eisen worden gesteld aan verantwoorde uitoefening van de taken en kwaliteitsbewaking. Wat betreft handhaving staan het provinciale (en grootstedelijke) bestuur dezelfde mogelijkheden ter beschikking als aan de minister op grond van de Wkz (een schriftelijke aanwijzing geven en een termijn om daaraan te voldoen). Ook krijgen de provincies de bevoegdheid bestuursleden of leden van de raad van toezicht te ontslaan en om tijdelijk te voorzien in de leiding van het Bureau. Met deze bevoegdheden is de bevoegdheid tot het uitoefenen van bestuursdwang tevens gegeven.

KOG vreest echter dat het onwaarschijnlijk is, dat de provincies en grootstedelijke overheden wel zullen slagen waar de Rijksoverheid tot 2005 niet is geslaagd: optreden tegen onverantwoorde kwaliteit van zorg.

“In de Wet op de jeugdhulpverlening is geprobeerd om het systeem van indicatiestelling en de toewijzing van de meest aangewezen zorg te regelen. Met name de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk III waren daarvoor bedoeld. De artikelen 17 tot en met 22 bevatten bepalingen met betrekking tot de jeugdhulpadviesteams en een gezamenlijk opname-, hulpverlenings- en hulpverlenersbeleid. Dit zijn in feite ‘dode letters’ gebleven. Ook artikel 35 van de wet, het kwaliteitsartikel, met het daarop gebaseerde uitvoerige Besluit kwaliteitsregels jeugdhulp-verlening is in veel opzichten nooit nageleefd. Zo heeft in de jaren 1998/1999 de inspectie voor de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming erop gewezen dat veel jeugdigen zonder deugdelijke diagnose en indicatie en zonder hulpverleningsplan in residentiële voorzieningen voor jeugdhulpverlening zijn opgenomen. Volgens de kwaliteitsregels vastgelegd in de wet en de besluiten zou dat niet kunnen.” (Elling en Wormgoor; Jeugdzorg en Jeugdbeleid; 2000) Bijlage A6

In het concept Landelijk beleidskader  2005 t/m 2008 schrijft de Rijksoverheid dan ook in hoofdstuk 3, Verbetering kwaliteit en effectiviteit zorgaanbod: “In 2005 beschikt 30% van de zorg-aanbieders over een kwaliteitssysteem, oplopend tot 100% in 2007. Daarnaast moeten alle cliënten uit de jeugdzorg per 1 januari 2005 een hulpverleningsplan hebben dat voldoet aan de eisen van de wet.” 

Het ontgaat KOG waarom zelfs voor een hulpverleningsplan dat voldoet aan de eisen van de wet nog steeds (sinds 1989) respijt wordt verleend.
In het Landelijk beleidskader staat voorts “De provincies geven in het provinciale beleids-kader aan hoe in hun provincie een verantwoorde indicatiestelling wordt gewaarborgd.”

Het lijkt er dus op dat de rijksoverheid de provincies uitnodigt om ieder voor zich het wiel uit te vinden. Waarborging van een verantwoorde indicatiestelling lijkt KOG bij uitstek een taak voor de rijksoverheid. Nogmaals bijlage A2 en bijlage A2a  

Wanneer de inspectie na onderzoek tekortkomingen constateert en aanbevelingen doet, volgt zelden hertoetsing om te bezien of de aanbevelingen zijn uitgevoerd.
(Brieven van de Ministeries van Justitie en VWS en de Inspectie) Bijlage A7, A8, A9, A10 

De provincies, die na 1 januari 2005 verantwoordelijk zullen zijn voor de jeugdzorg in hun gebied, presenteren door de inspectie gedane aanbevelingen niet altijd als verplichtend. (Provincie Flevoland) Bijlage A11 en A11a

Openbaarheid, de goedkoopste vorm van kwaliteitscontrole, wordt door de rijksoverheid in het Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008 voor zittingen in het kader van klachtprocedures niet verplicht gesteld of aangemoedigd. Nogmaals bijlage A2a

De zittingen van de medische tuchtcolleges zijn openbaar en worden in de rechtbanken waar zij zullen plaatsvinden van te voren bekendgemaakt.

De huidige en de komende (1 januari 2005) wet vergelijkend ziet men dat er geen groot verschil is te verwachten in de wijze waarop de inspectie het toezicht zal kunnen houden op de jeugdzorginstellingen. In de WHJV heet deze Inspectie jeugdhulpverlening en jeugd-bescherming. De naam is per 1 januari 2004 al veranderd in Inspectie Jeugdzorg.

Deze ressorteert onder het ministerie van VWS en verricht haar taken ten aanzien van de Bureaus Jeugdzorg, de aanbieders van jeugdzorg waarop de wet aanspraak geeft, de justitiële jeugdinrichtingen en de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspersoon waarbij minderjarige asielzoekers onder voogdij staan. De bevoegdheden van de ambtenaren van de inspectie zijn in beide wetten gelijk wat betreft het toezicht op de Bureaus Jeugdzorg en de zorgaanbieders; analoge toepassing van de artikelen 5:23 (ambtenaar van inspectie moet zich kunnen legitimeren), 5:13 (evenredigheidsbeginsel), 5:15 (bevoegdheid tot binnentreden) en 5:20 (verplichte medewerking van instelling behoudens verschoningsrecht) geeft deze bevoegdheden. Voor de andere gebieden die onder deze inspectie vallen worden geen expliciete bevoegdheden genoemd. De inspectie verricht onderzoeken uit eigen beweging of in opdracht van de respectievelijke verantwoordelijke overheden t.a.v. het gedeelte waarover deze wettelijke verantwoordelijkheid dragen. De aanwijzingen van de betrokken bewindslieden dienen in aanmerking te worden genomen.

In het Meerjarenplan Jaarwerkprogramma 2004 schrijft de Inspectie jeugdzorg:

“Via dit werkmodel heeft de inspectie … prioriteiten gesteld. Dit is noodzakelijk omdat de inspectie, gezien haar omvang, niet aan alle toezichtswensen kan voldoen. Zij kiest dan met name voor die gebieden waar zij verwacht dat de jeugdigen zelf de meeste risico’s lopen.” (Voorwoord) en

“stelt de inspectie zich ten doel om zicht te hebben en te houden op ontwikkelingen in het totale werkveld.” (Nadere toelichting en motivering van keuzes) en

“In de komende jaren wil de inspectie met de uitkomsten van toezicht meer effect sorteren op beleid en uitvoering om te komen tot effectieve, resultaatgerichte en cliëntgerichte zorg: een inspectie met impact. …

Bovendien wil de inspectie meer hertoetsen uitvoeren dan tot nu toe mogelijk is gebleken.

Om dat binnen de beschikbare capaciteit te kunnen doen, wordt een hertoets uitgevoerd op de effecten van aanbevelingen ofwel gemaakte afspraken voor verbetering van de kwaliteit. Hertoetsen worden deels opgenomen in het jaarwerkprogramma en zitten deels in de jaarlijks te reserveren capaciteit voor reactief toezicht naar aanleiding van meldingen en calamiteiten.”
(Ontwikkelingen in het toezicht) Bijlage A12

Ad B. Verantwoordelijkheden voor de inhoud van de jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen geen invulling.

De Minister van Justitie, eindverantwoordelijke voor kinderbeschermingsmaatregelen, kan niet aangesproken worden op de uitvoering van de maatregelen. Wederom bijlage A9 en B1

Provinciale en grootstedelijke overheden verwijzen voor beschermingsmaatregelen, uitgevoerd door landelijk werkende voorzieningen,  naar de Minister van Justitie. Bijlage B2

Maar: zie alinea 1

De Inspectie heeft geen sanctiemiddelen en verwijst bij niet-nakomen door instellingen van aanbevelingen (soms aan de Minister van Justitie) van de inspectie naar de Minister.

Maar: zie alinea 1.

De Kinderrechter: “Het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit van de hulpverlening ligt bij de Raad voor de Kinderbescherming en bij de Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming en niet bij de kinderrechter.”
(Kinderrechter Zwolle) Bijlage B3

De Raad voor de Kinderbescherming (onderdeel van het Ministerie van Justitie) neemt zijn verantwoordelijkheid niet of weet niet deze te dragen, of wordt in de onmogelijkheid gebracht deze te dragen.  

In het Algemeen Dagblad van 24 juli 2004 meldt het artikel ‘Paniekvoetbal bij gezinsvoogdij’ dat volgens prof. W. Slot (VU) de toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming, indertijd in de wet opgenomen om de macht van de gezinsvoogdij te beteugelen, nooit uit de verf is gekomen waar het gaat om controle op beëindiging door een gezinsvoogdij-instelling van een uithuisplaatsing.

De Directie Noord-West van de raad oefent deze taak helemaal niet meer uit.

Landelijk beleid is volgens het hoofdkantoor van de Raad “dat er marginaal wordt getoetst en alleen in die gevallen waarin de kinderrechter er niet aan te pas is gekomen.”

Prof. Slot hekelt het niet uitvoeren van de taak en vindt het marginaal toetsen veel te mager. Bijlage B4

De Raad voor de Kinderbescherming schrijft in 2001: “De Raad kreeg in 1995 ook een nieuwe taak: toetsing. Zowel het niet verlengen van een OTS of van een machtiging uithuisplaatsing (MUHP), als het feitelijk beëindigen van een uithuisplaatsing moet de GVI melden aan de Raad. Daarnaast toetst de Raad de verzoeken die de GVI aan de kinderrechter doet, zoals een verlenging van de OTS en een vervanging toestemming van de ouder voor een medische behandeling. De Raad vraagt zonodig zelf een verlenging OTS of MUHP of stuurt aan op de vervanging van de GVI. Uit het onderzoek blijkt dat de wet de toetsende taak weliswaar helder omschrijft, maar dat niet helder is hoe deze taak moet worden uitgevoerd. Ook voor de kinderrechters en de GVI blijkt het onduidelijk. Het landelijke afstemmings-protocol (V)OTS biedt procedurele handvatten, maar geeft voor de interne werkwijze van de Raad onvoldoende aanknopingspunten.

Een ander probleem dat de evaluatie signaleert is dat er geen sancties zijn voor een GVI die een ‘niet-verlenging OTS/MUHP’ of een ‘beëindiging UHP’ te laat meldt. De Raad is dan niet in staat zijn taak uit te oefenen.

De problemen rond de toetsende taak zijn dus grofweg in tweeën te delen: onduidelijkheid over hoe de toetsende taak dient te worden uitgevoerd en een haperende samenwerking tussen Raad en GVI.”  Bijlage B5

Dus:

Bij ontevredenheid over de kwaliteit van uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel wenden ouders zich tot de Rechter.

De Rechter verwijst naar de Raad voor de Kinderbescherming en de Inspectie. Bijlage B3

De Inspectie verwijst naar de Minister van Justitie.

Ook de provincie verwijst naar de Minister. Bijlage B2

M AAR

De Minister van Justitie schrijft: “Een (gezins)voogdij-instelling is een zelfstandige organisatie die niet ondergeschikt is aan de Minister van Justitie en niet namens de Minister bevoegdheden uitoefent. Er bestaat geen wettelijke bepaling op grond waarvan de Minister van Justitie een (gezins)voogdij-instelling algemene of bijzondere aanwijzingen kan geven.” Nogmaals bijlage A9 en B1  

Worden de verantwoordelijkheden helderder in de Wet op de Jeugdzorg?

“Kan de Inspectie naleving van de wettelijke regels – indicatiestelling en hulpverleningsplan zijn nu al verplicht – ook afdwingen? Volgens De Vries is dat een taak van de provincies: ‘Die worden onder de nieuwe Wet op de Jeugdzorg hoofdfinancier en zullen met onze bevindingen in de hand naar de instellingen gaan om aan de financiering voorwaarden te stellen. Elke provincie heeft natuurlijk haar eigen verantwoordelijkheid, maar wij zullen hen stevig adviseren dit zo aan te pakken. ‘… Wordt er dan maar wat aangerommeld in de pleegzorg? ‘Nee hoor, er wordt heel hard gewerkt, alleen moeten ze op een andere manier gaan werken, wat systematischer en doelgerichter. …’

Onder de Wet op de Jeugdzorg krijgt de Inspectie – op aandringen van de Tweede Kamer – een geheel nieuw wapen in handen. Joke de Vries: ‘Als wij constateren dat de zorg beneden ieder peil is en er gevaarlijke situaties dreigen, dan kunnen wij straks een bevel afgeven. Maar in de praktijk is publiciteit ook nu al een heel zwaar wapen, en daarnaast hebben we de mogelijkheid aanbevelingen te doen, die de regering altijd serieus neemt – ze moet wel, want de aanbevelingen gaan ook naar de Tweede Kamer. Verder maken we in rechtstreeks contact met de instellingen afspraken over verbeteringen.’ Bijlage B6

Publiciteit:
Niet alle inspectierapporten komen op de website van de Inspectie;
een door KOG op 10 december 2003 gedaan Wob-verzoek om een inspectierapport te mogen ontvangen is in september 2004 nog niet gehonoreerd  Bijlage B7

Aanbevelingen:
De instellingen kunnen die ongestraft (en vaak ongezien) naast zich neerleggen
(evenals uitspraken van de rechter; raad voor de kinderbescherming kunnen zij omzeilen.)

In het Landelijk beleidskader legt de rijksoverheid implementatie van het certificatie-schema niet verplichtend op: eigen verantwoordelijkheid. Nogmaals bijlage A2 en A2a

En als een provincie of grootstedelijk gebied wel in haar programma opneemt dat de instellingen op enig moment gecertificeerd dienen te zijn, wordt de inhoudelijke uitwerking hiervan aan de instellingen zelf overgelaten. Bijlage B8

Ook moedigt het Landelijk beleidskader provincies niet aan rapportage over de effectiviteit van geleverde zorg te eisen, slechts deze te bevorderen. Nogmaals bijlage A2 en A2a

C. Kwaliteit van de jeugdzorg behoeft dringend verbetering

De noodzaak de kwaliteit te verbeteren klemt te meer gezien de verschillen, nog afgezien van opleidingen en functies, tussen de gezondheidszorg en de jeugdzorg:

                                      Gezondheidszorg                                       Jeugdzorg

Cliënt                             Degene met het probleem;                        Jeugdige met omgeving;
                                      bij uitzondering met omgeving                   bij uitzondering de jeugdige alleen

Vrijwilligheid                   Bij uitzondering geen vrijwilligheid            Vaak op basis beschermingsmaatregel,

                                       Meestal keuze hulpverlener                     dan in beginsel geen keuze hulpverlener.

                                                                                                     Ook bij vrijwillige hulp geen keuze:

                                                                                                      één regionale voorziening

Indicatie                          De facto gekozen eigen huisarts              Regionaal Bureau Jeugdzorg, optredend  als monopolist

 

“Het rapport gelezen hebbend, kan de cliëntenraad stellen, dat veel van de geplaatste opmerkingen herkenbaar zijn voor cliënten van de William Schrikker Stichting: Onvolledige hulpverleningsplannen, verwisseling van doel en middelen, verlies van waardevolle informatie, niet-gerapporteerde behaalde tussenliggende doelen, ontbreken van positieve signalen, onvolledige en tendentieuze rapportage, onduidelijkheid over toegevoegde waarde (in de zin van pedagogische remedie) van een Onder Toezicht Stelling, inconsequentie en snel tevreden over eigen werk dat niet af is ….”
(Brief d.d. 9 juli 2002 aan de Hoofdinspectie van de voorzitter van de cliëntenraad van de William Schrikker Stichting n.a.v. het inspectierapport Toezicht WSS uit juni 2002, waarin KOG klachten van veel ouders ook over andere gezinsvoogdij-instellingen herkent.)

Bijlage C1

Vergelijking van twee willekeurige inspectierapporten doet vermoeden, dat de Inspectie steeds weer dezelfde onvolkomenheden aantreft: Toezicht WSS “Stuurbekrachtiging”,

’s-Hertogenbosch, en Rapportage reactief toezicht AJL “Aan het roer”, Haarlem, beide juni 2002. Van deze twee rapporten zijn o.a. de eerste pagina’s gelijk, zo niet letterlijk dan toch inhoudelijk “constateert de inspectie dat de gezinsvoogden van AJL vaak volhouders zijn.” en “constateert de inspectie dat de gezinsvoogden van de WSS vaak blijk geven van een lange adem.”, en zijn bovendien de conclusies (hoofdstuk 3 in beide gevallen) vrijwel identiek.

Een van de conclusies is, dat gezinsvoogden wel procedureel worden aangestuurd, maar niet inhoudelijk, niet op kwaliteit:

“De inspectie trekt hieruit de conclusie dat de WSS op uitvoerend niveau onvoldoende inhoudelijke aansturing geeft en te weinig ondersteuning hiervoor biedt in haar voorschriften.” en

“De inspectie concludeert hieruit dat AJL op uitvoerend niveau onvoldoende inhoudelijk aanstuurt.” Bijlage C2 en C3

“Ter voorkoming van verkeerde beeldvorming moet worden opgemerkt dat de huidige stand van zaken, …, niet de ‘schuld’ is van gezinsvoogden. Doorgaans hebben zij er in zeer onvoldoende omstandigheden (zoals gebrek aan tijd, geld, het ontbreken van een gerichte methodiek en bijbehorende opleiding en vaardigheden), met veel inzet, volharding, wijsheid en deskundigheid maar zonder voldoende steun van een methodisch goed uitgewerkte opdracht alles aan gedaan  hun jeugdbeschermingscliënten verder te helpen. De hele samenleving stond erbij en keek ernaar en accepteerde een bepaalde manier van functioneren van de jeugdbescherming.” 
(
E. Oudejans pag.123) Bijlage A1

Het niveau van de gezinsvoogd is exemplarisch voor dat van de meeste medewerkers van Bjz:

“De opleiding tot gezinsvoogd is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden veelal opleidingen met een brede basiskennis. Dat is niet genoeg om als gezinsvoogd aan de slag te kunnen. … De opleidingsroute die de gezinsvoogdij-instellingen onder regie van Vedivo  realiseren leidt een kommervol bestaan.

Sommige gezinsvoogdij-opleidingen zijn uit arren moede een eigen opleidingstraject begonnen en bij andere instellingen ontbreekt een systematisch aanbod.”
(W. Slot / A. Theunissen; 909 zorgen; 2002 pag. 82) Bijlage C4

In mei 2002 heeft de Maatschappelijk Ondernemers Groep in samenwerking met Vedivo het Programma Bureaus Jeugdzorg 2002/2003 opgesteld.
Pag. 12/13: “Opleiding en deskundigheid. Problemen en kansen: De nieuwe taakstelling, de meerwaarde van multidisciplinaire oordeelsvorming van Bureaus Jeugdzorg maakt een herbezinning op de benodigde diversiteit aan deskundigheden, beroepsprofielen, scholing en opleiding noodzakelijk. … Activiteiten: Inventariseren aanwezige, gewenste en noodzakelijke deskundigheden en/of beroepsgroepen binnen Bureaus Jeugdzorg … Inventariseren aanwezige en gewenste deskundigheidsbevorderings- en opleidingsmogelijkheden, waarbij onderscheid gemaakt moet worden tussen basisopleidingen en aanvullende opleidingen … Mogelijk laten ontwikkelen functie/competentiescholing voor beginnende werkers in een Bureau Jeugdzorg. Ontwikkelen ideeën voor permanent leren, action learning binnen Bureau Jeugdzorg.” Bijlage C5
 

Wanneer Bureau Jeugdzorg dit raadzaam oordeelt, licht het de Raad voor de Kinder-bescherming in over een gezin. Bureau Jeugdzorg oordeelt dit o.a. nodig wanneer ouders voorgestelde hulp afwijzen of in gang gezette hulp afbreken. Op deze wijze “stelt men de hulpvraag veilig.” De Raad voor de Kinderbescherming krijgt dan de beschikking over het dossier van het gezin, hetgeen de ouders niet van te voren hebben geweten.

De Raad verzoekt indien hij dit aangewezen acht de kinderrechter om een kinder-beschermingsmaatregel. Het verzoekschrift wordt onderbouwd met een rapport, eventueel aangevuld met een deskundigenonderzoek.

De deskundigen handelen niet altijd als deskundigen. Deze mening is de Raad voor de Kinderbescherming zelf ook toegedaan. Bijlage C6

Over het raadsrapport schrijft prof. Dr. G.P. Hoefnagels, emeritus hoogleraar criminologie en familie- en jeugdrecht o.a. in december 1999: “Alle rapporten die ik onder ogen kreeg – dat zijn er inmiddels tientallen uit bijna alle arrondissementen – vertoonden elementaire gebreken van het gewone gezonde verstand; ik noem ze.

1.      Feiten en conclusies waren niet gescheiden, zelfs niet onderscheiden.

2.      De conclusies gingen vooraf aan de feiten en functioneerden als vooroordelen.

3.      Conclusie en advies berustten niet op feiten.

4.      De beweringen en verwijten … worden als feiten behandeld.

5.      … (alleen over scheidingsproblematiek)

6.      … (idem)

7.      Er werden te hooi en te gras zogenaamde ‘indrukken’ vermeld die op niets waren gebaseerd.

8.      Het rapport was een ‘feitenpakhuis’. Feiten, beweringen en waardeoordelen werden opgestapeld zonder dat duidelijk was welke relevantie deze hadden voor de vraagstelling.

9.      Beweringen werden zo vaak herhaald dat ze voor de lezer als feiten gingen functioneren. Voor de rapporteur was dat al zo.

10.  De lezer werd misleid door een onjuiste beeldvorming.

11.  … De partijdigheid van het psychologisch rapport werd ondersteund door de partijdigheid van het raadsrapport. Het vermoeden rijst dat deze rapporten in nauw overleg tussen beide instellingen tot stand waren gekomen. Dit was echter niet in de rapporten vermeld, zodat het kon lijken alsof twee onafhankelijke deskundige instituten tot dezelfde conclusie waren gekomen.

… Het is natuurlijk ook mogelijk dat zulke rapporten wel representatief zijn., want ze zijn goedgekeurd door verantwoordelijke chefs, werkleiders, unithoofden, en de adviezen zijn erop gebaseerd. Hetzelfde geldt voor de rapporten van het PAR en het MWKJ, voor de indiening waarvan de Raad verantwoordelijk is. Dezelfde aanwijsbare ondeskundige rapporteurs scheiden meer rapporten af.” Bijlage C7

En in Opstellen over rapportage:
“Kritiek op het rapport of het advies van de raad van de kinderbescherming komt bij de rechter die oordelen moet in kinderzaken zelden voor. Dubieuze adviezen gebaseerd op dubieuze rapporten worden al te gemakkelijk overgenomen. Het contra-rapport is niet gebruikelijk en wordt niet erg serieus genomen” Bijlage C8

Medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming leren in de interne opleiding rapporteren precies zoals Hoefnagels schrijft dat het niet moet: een motievenconstructie bouwen ter ondersteuning van het verzoekschrift tot ondertoezichtstelling.

Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming: ”Bij de selectie van het materiaal kan men als uitgangspunt hanteren, dat alleen het materiaal overblijft, dat te maken heeft met het doel van het onderzoek. … De gegevens worden zo geordend, dat zij een consistent geheel vormen.” Bijlage C9

Verder heeft de Raad voor de Kinderbescherming vele malen meegedeeld, niet aan ‘waarheidsvinding’ te doen. Bijlage C10 en nogmaals C6

Dit is merkwaardig, want “de raad voor de kinderbescherming fungeert als verlengstuk in het feitenonderzoek van de rechter. … Benoemen van de raad voor de kinderbescherming tot onafhankelijke deskundige betekent dus dat de rechter twijfelt over het feitenmateriaal van verzoeker.” (proefschrift Van den Berg, 1999) Bijlage C11

Prof. Slot schrijft: “… De professionaliteit in de gezinsvoogdij dient te worden verhoogd. …
Verder dienen gezinsvoogden meer planmatig te werken en daarin ondersteund te worden …
Professionaliteit gedijt slechts als aan de organisatorische randvoorwaarden is voldaan. In dat opzicht is er voor de gezinsvoogdij nog veel te doen.” Nogmaals bijlage C4

Samenvattend:

Veel medewerkers van Bureau Jeugdzorg, o.a. gezinsvoogden,  en van de Raad voor de Kinderbescherming, zijn opgeleid voor werk op uitvoerend niveau, maar moeten initiërend en indicerend werken. De situatie doet denken aan een doktersassistente die het werk van de huisarts moet doen. Merkwaardig is het verschil in beslissingsmacht tussen de gezinsvoogd en de doktersassistente (en zelfs de HBO-verpleegkundige).

Bovendien gaat deze beslissingsmacht samen met een groot verschil in feitelijkheid van het werkmateriaal: objectieve gegevens als laboratoriumuitslagen en lichaamstemperaturen zijn zeldzaam in de gezinsvoogdij, interpretatie en beleving overheersen.

De arts onderzoekt de patiënt, spreekt met hem, bestelt zelf de laboratoriumtests die hij nodig oordeelt, interpreteert die zelf.

De praktijkbegeleider heeft niet anders dan het rapport, opgesteld door de “doktersassistent”.

De praktijkbegeleider kan niet anders dan afgaan op het materiaal dat de gezinsvoogd aanlevert. De veldwerker bepaalt wat er in de rapportage terecht komt, en in welke bewoordingen (sfeer, interpretatie) het er terecht komt.

Het doel van Bureau Jeugdzorg is dat het DE toegang tot de jeugdzorg wordt, dat het dezelfde rol krijgt als de huisarts in de gezondheidszorg: diagnose stellen, indien mogelijk hulp verlenen en zo nodig doorverwijzen naar een specialist. Daar is op zichzelf niets tegen, maar de jeugdzorg heeft geen juist beeld van de gevolgen en effecten van de eigen werkwijze.

-         Een arts heeft een universitaire studie en jaren stage achter de rug.

Bij fouten kan hij op de vingers getikt worden door medisch tuchtcollege en inspectie.

  -     In Bureau Jeugdzorg werken veel mensen met een opleiding op het niveau van een
        doktersassistente. Enige vorm van tuchtrecht is op hen niet van toepassing.

        We zouden het niet accepteren dat een doktersassistente tot een gedwongen opname in
        een ziekenhuis zou kunnen besluiten. Het is echter in de praktijk de gezinsvoogd die
        tot uithuisplaatsing beslist.

-         Er is altijd toestemming van de patiënt nodig voor onderzoek en behandeling.

In de jeugdzorg leidt verschil van mening over behandeling vaak tot gedwongen behandeling. Ouders wordt dan de zeggenschap ontnomen.

D. Rechter toetst rechtmatigheid kinderbeschermingsmaatregelen marginaal;
     rechter heeft i.v.m. doelmatigheid zelden toetsingsmogelijkheid; geen beroepsfunctie.

Officieel kan de  medewerker van de raad voor de kinderbescherming of gezinsvoogdij-instelling alleen besluiten tot een verzoekschrift aan de kinderrechter.

In de rechterlijke motivering is de rapportage van de raad of gezinsvoogdij echter vaak het enige argument.

Proefschrift Bruning 2001 Bijlage D1:
“De eerder genoemde verlangens naar een deugdelijke rechterlijke motivering zijn simpelweg nooit in vervulling gegaan. … Hoewel de plicht tot motiveren van de rechter telkens weer wordt genoemd door de staatssecretaris, wordt vervolgens concreet niets ondernomen om gehoor te geven aan de roep om een betere rechterlijke motivering van beslissingen in kinderbeschermingszaken.” (pag. 266)
“Uitspraken van de rechter in eerste aanleg bestaan vaak uit standaardformuleringen, zoals
naar aanleiding van hetgeen op de zitting naar voren is gebracht en uit de stukken is gebleken, is de rechter van mening dat aan de grond … is voldaan.’ (pag. 281)

Nogmaals bijlage C11:

“Uit het praktijkonderzoek blijkt dat, ongeacht eventueel protest van ouders, in alle gevallen de rechter een eindbeslissing neemt zonder een inhoudelijke motivering.” (pag. 380)

“Op grond van het door verzoeker/raad voor de kinderbescherming ingediende deskundigenrapport(-en) wordt de eindbeslissing inhoudsloos gegeven.” (pag. 392)

“Indien ouders in een eerste ondertoezichtstelling- of ontheffingszaak protesteren tijdens het RvdK-onderzoek, zorgt de RvdK-onderzoeker voor een extern deskundigenrapport.

Wanneer deze externe deskundige over een goede reputatie beschikt, gaat de rechter van dit rapport uit.”  (pag. 394)  

“Van Nijnatten 1993: “Ik heb … de indruk dat psychologen en pedagogen niet zozeer om hun inhoudelijke expertise worden gevraagd maar omdat zij met hun hogere sociale status (dan raadsmedewerkers met een maatschappelijk werk-opleiding) wel in staat worden geacht het hoofd te bieden aan de vertrouwenscrisis tussen burgerij en kinderbescherming … De psychologie wordt politiek-strategisch ingezet.” (voetnoot pag. 122)

“Bij rechterlijke motivering wordt een verbinding gelegd tussen enerzijds de feiten en omstandigheden van het concrete geval, en anderzijds algemene rechtsregels. Als deze laatste onduidelijk zijn wordt motivering een hachelijke kwestie. Naar mijn mening is het recht van de KB-maatregelen inderdaad op sommige onderdelen zo vaag dat de rechter hierin weinig houvast kan vinden. Hij blijft op veilig terrein door in globale termen te motiveren en door te verwijzen naar rapportage over de feitelijke situatie.” (pag. 130) 

(Proefschrift Van Wijk 1999) Bijlage D2

Wel heeft de Hoge Raad op 26 september 2003 (Rechtspraak van de Week 150) beslist dat de rechter besluiten van een gezinsvoogdij-instelling volledig moet toetsen.

“De gewijzigde OTS-regeling, die naast een scheiding der machten tussen kinderrechter en GVI tot doel had de rechtswaarborgen van de belanghebbenden te versterken, heeft niet in alle opzichten haar doelstellingen gerealiseerd. De regeling van de schriftelijke aanwijzing, bedoeld om conflicten tussen gezinsvoogd (in opdracht van de GVI) en betrokkenen omtrent een uitvoeringsbeslissing van de OTS aan de kinderrechter te kunnen voorleggen, blijkt niet zonder problemen. … De gezinsvoogden blijken niet of nauwelijks schriftelijke aanwijzingen te geven. In dat geval is er ook geen toetsingsmogelijkheid van de uitvoeringsbeslissingen van de GVI bij de kinderrechter. … Tenslotte is hoger beroep tegen een aanwijzing wettelijk uitgesloten. Dit betekent dat alleen de kinderrechter in eerste aanleg een aanwijzing kan toetsen, waarbij dan nog enige terughoudendheid wordt betracht.” (Bijlage D1, pag. 160)

“Rechtsbescherming schiet tekort. Rechter raakt zoek in WIRWAR van regels.

…: wat kan de kinderrechter dan voor je betekenen? De kinderrechter kan een beslissing ‘vervallen verklaren’. Maar wat koop je daar als ouder voor? De kinderrechter kan er niet voor zorgen dat een kind weer thuis komt of dichter in de buurt in een tehuis komt wonen. … Schriftelijke aanwijzingen worden niet of nauwelijks gegeven. Dus die hoeft de kinderrechter niet te toetsen. Maar hoe zit het dan met mondelinge aanwijzingen, waar wel naar geluisterd moet worden, omdat anders een uithuisplaatsing kan volgen?” (Bijlage D3)  

“De gecompliceerdheid van de aanwijzingsprocedure -…-heeft ertoe geleid dat er zeer zelden van de aanwijzing gebruik wordt gemaakt.  … en anderzijds beroven zij de betrokkenen daarmee van een toetsingsmogelijkheid bij de rechter. …  Denkbaar is dat een gezinsvoogd aarzelt om een schriftelijke aanwijzing te geven, bijvoorbeeld omdat hij weet dat hij geen werkbare sanctie heeft, maar in dat geval moeten belanghebbenden de mogelijkheid hebben om tegen het uitblijven van een beslissing in beroep te gaan. …

De kinderrechter mag naar de tekst van de wettelijke regeling een aantal dingen niet waar soepele bevoegdheden een hoop zouden helpen.

In het voorgaande is op verschillende plaatsen naar voren gekomen dat beperking van de toegang tot de rechter middels slagboombepalingen belanghebbenden tekort doet en dus onwenselijk is. Datzelfde geldt, zoals we zagen, voor formele kaders die het stellen van een probleem op de wijze waarop het zich in de werkelijkheid voordoet beperken. Een voorbeeld: in de visie van de ouders moet het kind naar een internaat maar de gezinsvoogd neemt geen maatregelen. De ouders brengen dit ter gelegenheid van de verlengingszitting naar voren. De kinderrechter deelt hun mening maar kan daarover geen effectief besluit nemen. 

Vier jaar ervaring met de toepassing van de nieuwe wettelijke bepalingen leert dat vanuit de belanghebbenden grote behoefte bestaat aan de beroepsfunctie van de kinderrechter omdat andere vormen van effectieve en vertrouwenwekkende controle ontbreken, maar ook omdat het optreden van de gezinsvoogdij-instellingen niet altijd even doelmatig is.

Aan de andere kant is het uitgangspunt van de nieuwe wet, dat de rechter geen uitvoerder behoort te zijn maar rechter moet blijven, volstrekt juist. Het mengen van toetsing en uitvoering in de persoon van de kinderrechter heeft het risico van verlies van onafhankelijkheid en vertrouwen in zich, en ontneemt alle betrokkenen een buiten de conflicten staande beroepsinstantie.

… De beroepsprocedure bij de kinderrechter moet aan drie wenselijkheden tegemoetkomen: onafhankelijke toetsing, geen uitvoering, wel een snelle besluitvorming.

De oplossing is dat de aanwijzingsprocedure niet eindigt met de vervallenverklaring zoals in de huidige wettelijke regeling, want dat geeft tijdverlies.” (Vos e.a.; 2000) Bijlage D4

Haarlem, 23 september 2004

 

VOORBEELD 1

De twee oudste nog jonge kinderen van een gezin met drie kinderen worden door de gezinsvoogd onder begeleiding van politie van huis opgehaald een dag voor de zitting bij de kinderrechter die de machtiging uithuisplaatsing dus nog moet afgeven.

Zij blijven twee jaar uit huis geplaatst, de ouders voeren procedures. Zonder dat er in de thuissituatie iets is veranderd of zonder dat enige instantie geprobeerd heeft iets in de thuissituatie te veranderen komen de kinderen na 2 jaar terug in het gezin, dat inmiddels is uitgebreid met een vierde kind.

De familie verhuist van Haarlem naar Lelystad. Na de verhuizing krijgen de ouders van hun nieuwe huisarts hun medisch dossier; dan blijkt dat de schoolarts bezorgdheid had uitgesproken i.v.m. blauwe plekken. (Toen de vader nog in Haarlem de dossiers van schoolarts en gezinsvoogdij ging inkijken, zat het betreffende stuk er niet in.)

VOORBEELD 2

Marokkaans meisje van 6 jaar wordt in instelling geplaatst omdat vader door school wordt verdacht van mishandeling. Op advies KOG gaan ouders met andere kinderen naar Marokko, alleen vader komt i.v.m. zijn werk terug. Raad voor de kinderbescherming wil alle kinderen uit huis plaatsen (verdenking tegen vader niet onderzocht; kinderen met moeder bij familie), en belt KOG met verzoek vader over te halen zijn gezin terug te laten komen.

VOORBEELD 3 

15-jarig enig kind van alleenstaande moeder die docent verpleegkunde is aan HBO-opleiding, krijgt sexuele relatie met 29-jarige vrijwilliger in manege. De moeder probeert hier eind aan te maken: gezien leeftijd van het meisje misbruik volgens wetboek van strafrecht. Gedwarsboomde vrijwilliger brengt kind naar crisis-opvang. Moeder wendt zich tot raad voor de kinderbescherming, die adviseert ondertoezichtstelling aan te vragen, zodat het gezag van de gezinsvoogd zal helpen het kind te laten terugkeren. Moeder gelooft dit en volgt het advies. Ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, gezinsvoogd wil eerste 6 weken geen contact met de moeder, kind wordt in pleeggezin geplaatst waar alles mag. Door de moeder gevoerde procedures helpen niet (de dochter heeft gezegd dat er geen gewone moeder-dochter-relatie was). Na enige tijd trekt het kind in bij de man. Zij zwerft enkele maanden. Dit alles tegen de wil maar onder het toeziend oog van de gezinsvoogdij-instelling. Als zij inmiddels 17 is geworden moet de ondertoezichtstelling weer de jaarlijkse verlenging krijgen; zowel de moeder als de dochter schrijven aan de gezinsvoogdij-instelling dat zij nu elk contact met gvi weigeren. In hoger beroep wordt de averechts werkende ondertoezichtstelling opgeheven.

VOORBEELD 4

Meisje van 16 loopt weg wegens veelvuldige ruzies met haar vader. Zij wordt onder toezicht gesteld en in tehuis in Amsterdam geplaatst. Als zij zich ook daar niet aan de regels houdt wordt zij “geschorst”: enkele dagen zonder geld op straat. Ouders weten dit niet.
KOG spreekt met de leiding van het tehuis. Ja, dat was gebeurd. Ja, dat was een gewone maatregel. Uitlokking tot prostitutie? Ze moeten voelen dat er regels zijn.

Hoofdinspectie jeugdhulpverlening/ jeugdbescherming was niet verbaasd omdat deze straf al enkele malen was gemeld en het tehuis te horen had gekregen dat dit niet door de beugel kon. “Het tehuis trekt zich daar niets van aan.”

VOORBEELD 5 

Scholier van 16 loopt weg en trekt tegen wil van zijn ouders in bij klasgenoot die samen met zijn moeder een gezin vormt waar alles mag. Hij wordt onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst maar verlaat het tehuis na enkele dagen (hulpverleningsplan noemt als doelen: relatie met ouders verbeteren en plannen maken voor toekomst). Hij gaat werken in drugscafé. Na bericht via KOG dat zijn vader in ziekenhuis ligt en hem graag wil zien gaat hij naar huis, stomverbaasd maar heel blij dat zijn ouders hem nog als hun kind beschouwen.

(Hij bleek nooit uitgeschreven uit het tehuis hoewel hij er geen week was gebleven. Ouders ontvingen zeer hoge rekening na enkele jaren.)

VOORBEELD 6

Alleenstaande moeder vormt gezin met twee zonen. Met de oudste van 15 kan zij niet omgaan: hij ringeloort het gezin, is gewelddadig tegenover moeder en broertje van 12.

Zij verzoekt raad voor de kinderbescherming ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor de oudste. De rvdk vraagt ots en uithuisplaatsing voor beide kinderen.

Kinderrechter spreekt met het jongste kind apart en legt voor dit kind geen ots op.

VOORBEELD 7

Moeder (van eerste baby) met psychiatrische achtergrond wendt zich tot RIAGG en vraagt steun omdat zij bang is dat oude problemen de kop weer op zullen steken. Na huisbezoek schriftelijke afspraak voor tweede gesprek thuis. Voor die datum neemt RIAGG achter de rug van de ouders om contact op met raad voor de kinderbescherming met verzoek ots en uithuisplaatsing bij kinderrechter te vragen.

De hiervan onwetende moeder krijgt telefonisch verzoek naar RIAGG te komen. Zij gaat met baby in kinderwagen en vindt in de hal politiefunctionarissen die haar sommeren kind af te geven. Opgebelde en snel van zijn werk gekomen vader van kind kan evenmin als moeder iets uitrichten. Kind wordt op voor ouders geheimgehouden adres bij pleeggezin ondergebracht door inmiddels door kinderrechter via een voorlopige ondertoezichtstelling aangewezen gezinsvoogdij-instelling.

Na een bezoekweekend brengen ouders kind niet terug naar gezinsvoogdij-instelling waar pleegmoeder baby steeds ophaalt, na procedure is kindje na 1 jaar terug bij zijn ouders.

VOORBEELD 8

Ouders van adoptiekind bellen KOG: hun 17-jarige zoon is op hun verzoek opgenomen in tehuis wegens pogingen tot zelfdoding. Daar zegt men nu: wil je er een eind aan maken, ga je gang. Psychiatrische behandeling wordt hem geweigerd omdat er toch niets te doen zou zijn aan een geadopteerd kind. Ouders blijven klagen. Resultaat: ze mogen niet meer op het terrein komen, kunnen hun kind dus niet opzoeken. Zij zijn bang voor een ongeluk, en vrezen ook voor de 18e verjaardag: daarna kunnen zij hem tot niets meer verplichten.

KOG belt Hoofdinspectie die zegt officieel niets te kunnen maar het belang van enig ingrijpen te zien. Volgende dag al bellen ouders: zij mogen op bezoek komen en psychiatrische behandeling wordt geregeld.

VOORBEELD 9

Ouders plaatsen op advies huisarts vrijwillig hun zoontje van 7 in tehuis ter observatie: driftbuien en onzindelijkheid. Zij mogen niet met hem het terrein af, zij mogen niet mee als hij een medische behandeling krijgt. Geen verbetering in gedrag. Na 1 jaar krijgen zij te horen dat hij overgeplaatst wordt naar ander deel van het land. Zij geven geen toestemming maar krijgen de mededeling dat kinderrechter dan toestemming zal geven. Op advies KOG zetten zij hem in eigen auto bij het uitstappen uit het busje waar hij mee naar school wordt gebracht, moeder duikt met kind onder. Diezelfde dag komt politie (!) bij ouders kijken en in huis van oudste zuster van kind. Tehuis schakelt via raad voor de kinderbescherming kinderrechter in, op zitting zeggen ouders dat kind niet tevoorschijn komt als er beschermingsmaatregel wordt uitgesproken. Geen maatregel.

In dossier zit stuk dat verdenking incest meldt, brief kinderarts zou bevestigd hebben; opgevraagde brief blijkt niet te bevestigen. I.p.v. correctie toegevoegd: vervolg is bekend.

VOORBEELD 10

Vertrouwensarts constateert volgens rapport Advies- en Meldpunt Kindermishandeling bij alle drie kinderen (met moeder in Blijf-van-mijn-lijf-huis) beten en blauwe plekken.

AMK geeft na aandringen naam arts. Deze zegt geen rapport te hebben opgesteld, alleen zoals altijd te hebben aangekruist op voorgedrukte lijst. Bij 1 kind had hij niets geconstateerd, 1 kind had plekken, 1 kind gebitsafdrukken. Hij herinnert zich niet of het beten van volwassene of kind waren.

 

Bijlage A1            E. Oudejans; Een reus moet leren bukken; 2002. ISBN 90 6665 451 1 pag. 66 en 123
Bijlage A2            Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008, concept 110604, 30 oktober 2003, hfdst 2 pag. 1, hfdst 3 pag. 1,
                              bijlage 2 par. 3
Bijlage A2a          Reactie van stichting. KOG op Landelijk Beleidskader d.d. 25 juni 2004
Bijlage A3            e-mail bericht augustus 2004 deelnemer aan werkgroep Jeugdzorg van HKZ
Bijlage A4            doctoraalscriptie rechtsgeleerdheid 2004 Universiteit van Amsterdam pag. 53
Bijlage A5            Jaarverslag 2001 Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming pag. 5
Bijlage A6            M.W. Elling en T.W. Wormgoor; Jeugdzorg en jeugdbeleid; 2000. ISBN 90 1407 121 3  pag. 235/236
Bijlage A7            Brief van het Ministerie van Justitie aan een ouder d.d. 5 augustus 2003
Bijlage A8            Brief van het Ministerie van VWS aan KOG d.d. 25 februari 2004
Bijlage A9            Brief van het Ministerie van Justitie aan KOG d.d. 2 juni 2004
Bijlage A10          Brief van de Inspectie aan KOG d.d. 9 augustus 2004
Bijlage A11          Voorontwerp Prov. Beleidskader Jeugdzorg 2005-2008 Flevoland pag. 24
Bijlage A11a        Reactie van stichting KOG op dit Beleidskader d.d. 2 september 2004
Bijlage A12          Meerjarenplan Jaarwerkprogramma 2004 Inspectie jeugdzorg pag. 5, 18, 25
Bijlage B1            Brief van het Ministerie van Justitie aan een ouder d.d. 18 maart 2003
Bijlage B2            Brief van Regionaal Orgaan Amsterdam aan ouder d.d. 28 november 2003
Bijlage B3            Uitspraak Kinderrechter Zwolle d.d. 24 september 2002
Bijlage B4            Artikel in Algemeen Dagblad van 24 juli 2004
Bijlage B5            Raad voor de Kinderbescherming in Perspectief (uitg. Min. Justitie) april 2001
Bijlage B6            Gesprek met Hoofdinspecteur Jeugdzorg in Perspectief september 2003
Bijlage B7            Brief van KOG aan het Ministerie van VWS d.d. 3 september 2004
Bijlage B8            Brief van Regionaal Orgaan Amsterdam aan KOG d.d. 31 maart 2004
Bijlage C1            Brief van voorzitter cliëntenraad William Schrikker Stichting aan Inspectie  d.d. 9 juli 2002
Bijlage C2            Inspectierapport Toezicht WSS “Stuurbekrachtiging”, juni 2002
                             Algemene Conclusie en hoofdstuk 3 Algemene conclusies
Bijlage C3            Inspectierapport Rapportage reactief toezicht AJL “Aan het roer”, juni 2002
                             Algemene Conclusie en hoofdstuk 3 Algemene conclusies
Bijlage C4            W. Slot e.a.; 909 zorgen, een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling; 2e versie, 2002.
                             VU-rapport. ISBN 90 9015 467 1 pag. 82 
Bijlage C5            MO-groep en Vedivo; Programma Bureaus Jeugdzorg 2002/2003; 2002. pag. 12/13
Bijlage C6            Door Raad voor de Kinderbescherming gemaakt 
                             Verslag van het overleg Platform SCJF – Raad voor de Kinderbescherming op 11 juni 2001 pag. 2 
Bijlage C7            G.P. Hoefnagels; Menselijkheid is geen specialisme; 2 december 1999, tekst voor symposium 
                             Het familierecht in het perspectief van de 21ste eeuw, pag. 3-5
Bijlage C8            G.P. Hoefnagels; Opstellen over rapportage; 9e dr. 1996. ISBN 90 2323 171 6 pag. 101
Bijlage C9            Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming; 
                              uitg. Raad voor de Kinderbescherming, hoofdkantoor, 2000. ISBN 90 8060 152 7 pag. 79 
Bijlage C10          Door Raad voor de Kinderbescherming gemaakt 
                             Verslag van het overleg Platform SCJF – Raad voor de Kinderbescherming op 20 juni 2002 pag. 3
Bijlage C11          B. van den Berg; Deskundigheid in het geding; proefschrift Groningen 1999. 
                              ISBN 90 5454 107 5 pag. 185 en 394
Bijlage D1            M.R. Bruning; Rechtvaardiging van kinderbescherming; proefschrift VU 2001. 
                              ISBN 90 2683 863 8 pag. 160, 266, 281
Bijlage D2            G.J. van Wijk; Hoezo noodzakelijk? proefschrift Amsterdam 1999. 
                              ISBN 90 5170 595 1 pag. 122 en 130
Bijlage D3            M. van den Boogaard, kinderrechter; Rechter raakt zoek in WIRWAR van regels; Perspectief april 2001
Bijlage D4            A.T. Vos e.a.; De wettelijke regeling van de ondertoezichtstelling;
                              Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht mei 2000 pag. 106 en 108

 

6a. NIEUWE INFORMATIE VOOR DE RAAD VOOR 
      MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING
op 12 maart 2005


Geachte Dames en Heren,

Momenteel is het “falen” van de jeugdzorg in het geval van Savanna in het nieuws.
NRC-Handelsblad van heden schrijft op pag. 17 onder de kop ‘Dood Savanna wijst op systeemfout in jeugdzorg’: “… Daarbij is het al gauw de vraag of er eigenlijk niet sprake is van een systeemfout. … Dezelfde klachten blijven echter terugkeren en iedereen blijft naar de ander wijzen, zoals nu weer bij Savanna. We hadden in 2003 al een dodelijk drama met een probleemgezin in Roermond. Dat doet vrezen dat het negeren van het verleden deel uitmaakt van het probleem van de jeugdbescherming.”

In onze brief aan u d.d. 23 september 2004 hebben wij al onze zorg uitgesproken over o.a. het ontbreken van waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving en de onduidelijkheid van de verantwoordelijkheden voor de inhoud van de jeugdzorg, voor de kwaliteit.
In aansluiting op deze brief wijzen wij u op de op 3 maart aan Minister Donner aangeboden rapportage over het onderzoeksproject ‘Overtredende Overheden, Op zoek naar de omvang en oorzaken van regelovertreding door overheden’ (ISBN 90 5454 494 5). Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de stuurgroep ‘Handhaven op Niveau’ van het Ministerie van Justitie door de Vrije Universiteit (sector Bestuursrecht) en de B&A Groep.

In de rapportage worden als overheden beschouwd “instanties die bindende beslissingen voor de samenleving kunnen nemen en doorzetten”. Op pag. 80 vermeldt voetnoot 23:
“De instellingen voor jeugdhulpverlening betreffen doorgaans stichtingen, die volledig gesubsidieerd worden door de overheid (met name door de provincie en de rijksoverheid). Omdat ze duidelijk een publieke taak vervullen en ook geheel gefinancierd worden door de overheid, worden de instellingen in dit onderzoek gezien als overheden.”

Met name de volgende passages willen wij onder uw aandacht brengen:

’De inspectie is in 2002 met twee belangrijke ontwikkelingen geconfronteerd. Ten eerste zijn er diverse onderzoeken geweest naar aanleiding van incidenten, waarbij een brede vorm van reactief toezicht is uitgevoerd. Dit toezicht heeft veel capaciteit opgeslokt en tot het inzicht geleid dat het waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van de zorg voor jeugdigen regelmatig te wensen overlaat.’ (pag. 71)  

’Van strafrechtelijke overtredingen door jeugdzorginstellingen … is in dit onderzoek niet gebleken. De geselecteerde inspectieonderzoeken en interviews wijzen wel op een scala aan overtredingen van de relevante wet- en regelgeving met betrekking tot de jeugdhulpverlening. Hoewel niet beoordeeld kan worden of alle regels doorlopend overtreden worden, kan wel gesteld worden dat de regelnaleving op dit gebied vaak te wensen overlaat. De instellingen leven de normen zelden volledig na.’ (pag. 73)

’De wet- en regelgeving op dit gebied (de Wet op de Jeugdhulpverlening) poogt procedurele waarborgen te geven voor een goed verloop van het hulpverleningsproces door middel van het stellen van regels aan plaatsing van jeugdigen, behandelplannen, evaluaties, betrokkenheid van de ouders et cetera. De overtredingen liggen zodoende in de procedurele sfeer.’
(pag. 73/74)

 ‘Het lijkt er sterk op dat door nagenoeg alle betrokkenen in de jeugdsector, doorgaans onbewust, op een of andere wijze de gelegenheid voor regelovertreding wordt gecreëerd of in stand gehouden. Er is weinig draagvlak voor de regels en een eigen belangenafweging wordt legitiem gevonden. Regelovertreding door instellingen in de jeugdzorg is dus ook eerder toe te schrijven aan een gebrekkig functionerend systeem dan aan incidentele of individuele dwalingen van een instelling.’ (pag. 74)

’De correctiemechanismen binnen het systeem zouden mede moeten worden gevoed door toezicht en handhaving. … Van een stringente aanpak van regelovertreding lijkt geen sprake. De inspectie beschikt over een relatief klein apparaat, heeft weinig ‘harde’ sanctiemiddelen en zoekt naar een andere invulling van het toezicht. …Dit leidt er toe dat soms onvoldoende wordt geïntervenieerd, waardoor de situatie blijft voortbestaan. …
Om deze vicieuze cirkel te doorbreken moet de samenwerking tussen alle betrokkenen in de sector sterk verbeterd worden. Hierbij dienen structurele oplossingen op systeemniveau te worden gezocht met als sluitstuk een daadkrachtige aanpak van overtredingen. Regelovertreding valt in dit verband te zien als een uiting van het disfunctioneren van het systeem.’ (pag. 75/76)

’Regelovertreding brengt de effectiviteit, efficiency en legitimiteit van het overheidsoptreden in het geding.’ (pag. 76)

Hoogachtend,

7. BRIEF AAN HET CDA d.d. 24 SEPTEMBER 2004
    -
niet meer geld naar jeugdzorg zonder kwaliteitscriteria en -handhaving
 

Aan de CDA-fractie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
t.a.v. de secretaris, de weledelgestrenge heer mr ing. W.G.J.M. van de Camp
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Haarlem, 24 september 2004

Geachte Dames en Heren,

In Trouw van 23 september hebben wij gelezen, dat u het met D66 en VVD eens bent over wijzigingen in de regeringsplannen: u bent o.a. voorstander van extra geld voor jeugdzorg.

Wij zouden het betreuren indien u zou bewerkstelligen dat er nog meer geld naar jeugdzorg gaat, onder meer omdat de kwaliteit van jeugdzorg niet gehandhaafd wordt (niet handhaafbaar is), en de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit niet duidelijk is.

Over deze kwestie hebben wij in augustus contact gehad met de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Wij zenden u twee pagina’s van het dossier dat wij de Raad hebben gezonden. Op uw verzoek zullen wij u het hele dossier toesturen, of de kwestie schriftelijk of mondeling nader toelichten.

Hoogachtend, 

Bijlage: brief aan Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling d.d. 23 september 2004
              pag. 1 van het dossier kwaliteit jeugdzorg

Eenzelfde brief is verzonden aan D66 en VVD.

 

7a. BRIEF AAN DE PVDA d.d. 28 SEPTEMBER 2004
    -
niet meer geld naar jeugdzorg zonder kwaliteitscriteria en -handhaving
 

Aan de PvdA-fractie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Haarlem, 28 september 2004

Geachte Dames en Heren,

In de media lezen wij, dat u voorstander bent van extra geld voor jeugdzorg.

Wij zouden het betreuren als er meer geld naar jeugdzorg gaat, onder meer omdat de kwaliteit van jeugdzorg niet gehandhaafd wordt (niet handhaafbaar is), en de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit niet duidelijk is.

Het Landelijk beleidskader meldt op pag. 16: “…In dit kader is door HKZ (Harmonisatie Kwaliteitsbevordering in de Zorgsector) een certificatieschema ontwikkeld, dat als kwaliteitssysteem gebruikt kan worden.” Wij wijzen er op dat het door HKZ opgestelde certificatieschema voor jeugdzorg tot dit moment alleen nog procedurele zaken behandelt, inhoudelijke kwaliteitscriteria zijn voor jeugdzorg nog niet aan de orde.

Over deze kwestie hebben wij in augustus  contact gehad met de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. 
Wij zenden u twee pagina’s van het dossier dat wij de Raad hebben gezonden.

Op uw verzoek zullen wij u het hele dossier toesturen, of de kwestie schriftelijk of mondeling nader toelichten.

Hoogachtend,

 

 

8. BRIEF AAN STICHTING HARMONISATIE KWALITEITSBEOORDELING IN DE
    ZORGSECTOR d.d. 25 SEPTEMBER 2004

Aan Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector 

Haarlem, 25 september 2004

Geachte Stichting HKZ,  

Na bestudering van het ‘concept certificatieschema instellingen voor de jeugdzorg’ vinden wij als bestuur van stichting Kinderen-Ouders-Grootouders het nodig te reageren.

Het volstaat in geen geval, zoals de heer J. Buisman u aanbevolen heeft, het NPCF de algemene kwaliteitscriteria te laten aanpassen aan jeugdzorg. Deze criteria immers zijn geformuleerd met het oog op gezondheidszorg. In de gezondheidszorg zijn er toetsbare problemen en ook toetsbare bekwaamheden in de verschillende specialisaties en niveaus geconcretiseerd in minutieus beschreven opleidingen.

Een dergelijke basis ontbreekt in de jeugdzorg.  

I   In bovengenoemd document wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen:
a.      zorgvrager
b.      cliënt
c.      verantwoordelijke voor het kind
d.      “slachtoffer” (degene die volgens een derde hulp nodig heeft).

Wij als cliëntenorganisatie ervaren elke dag dat dit onderscheid niet gemaakt wordt; doordat de hulpvraag niet altijd serieus genomen wordt (wie is degene die hulp gevraagd heeft en welk antwoord krijgt deze) vindt er soms bemoeienis plaats met mensen die daar niet om gevraagd hebben en worden mensen met behoefte aan een advies niet als hulpvrager onderkend.

Het is daarom zorgwekkend dat in een certificatieschema deze valkuil overduidelijk aanwezig is. Het beschrijven van een proces waarbij bovengenoemde “rollen” dooreen lopen is op zijn minst zorgelijk.

II  Betreffende Concept-gebiedsbeschrijving van de Jeugdzorg pag. 11:
Het wordt ons met de dag onduidelijker wat er met jeugdzorg wordt bedoeld, en het schema op pag. 11 (Concept-gebiedsbeschrijving van de Jeugdzorg) draagt voor ons niet bij aan verheldering. “Ontstaan er ernstige opgroei- en opvoedproblemen dan kan jeugdzorg noodzakelijk zijn.” Bij opgroeiproblemen denken wij aan lichamelijke kwesties 
(te onderscheiden van opvoedproblemen, die hun oorzaak kunnen vinden in ouders of in kinderen). Maar nee, want de huisarts gaat verwijzen naar Bureau Jeugdzorg. We hebben het bij opgroeiproblemen dus niet over lichamelijke zaken. Bureau Jeugdzorg kan een indicatie afgeven voor de jeugd-ggz. En waarom een indicatie van de huisarts zelf na 1 januari 2005 niet meer voldoende is, heeft het Ministerie van VWS aan KOG geschreven op 13 april: “Omdat er vaak meer met kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische problemen heeft het bureau jeugdzorg deze taak ook voor de jeugd-GGZ.”

Kinderen met psychische problemen hebben misschien wel incompetente ouders dus.

Zijn opgroeiproblemen dan misschien problemen die het kind ondervindt bij het opgroeien (al of niet door de ouders veroorzaakt), en zijn opvoedproblemen problemen die ouders ondervinden bij het opvoeden (al of niet door het kind veroorzaakt)?

Op pag. 12 staat: “… jeugdigen met ernstige opvoedings- en opgroeiproblemen.” Niet dus.

III Kwaliteitseisen die aan een certificatieschema gesteld mogen worden (geïnspireerd op beoordelingscriteria van de Nationale Ombudsman):  
Eerste eis voor kwaliteit: heldere taal die niet voor meer dan één uitleg vatbaar is.
Nauwkeurig omschreven begrippen. Indicatiebesluiten die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn (rechtszekerheid/vertrouwen).
Tweede eis voor kwaliteit: motivering (juistheid, toereikendheid en kenbaarheid).
De artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht over motivering zijn rechtstreeks van toepassing op indicatiebesluiten of de weigering een bepaalde indicatie af te geven.
Dat betekent o.a. dat bij de bekendmaking van een besluit moet worden aangegeven of, waar en binnen welke termijn bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.
Niet snel zal mogen worden aangenomen dat geen behoefte bestaat aan motivering.
Derde eis voor kwaliteit: zo weinig mogelijk andere dan in taal gelegen aanleidingen voor misverstanden en gerechtelijke procedures. Een redelijke belangenafweging t.a.v. besluiten.
Voorbeeld: ouders komen met hun kindje van 3 bij Bureau Jeugdzorg wegens gedrags-moeilijkheden. Bjz vermoedt dat mishandeling door de ouders hieraan ten grondslag ligt en meldt de zaak voor onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming. Bjz indiceert dus niet voor welke vorm van hulp dan ook. De ouders willen uiteraard geen onderzoek door de RvdK, maar hulp en advies. Een besluit van Bjz om de RvdK om een onderzoek te verzoeken moet gezien worden als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Dit betekent dat voor ouders de mogelijkheid bestaat bezwaar te maken bij Bjz en eventueel daarna beroep in te stellen bij de kinderrechter. Bjz dient zich dus voor te bereiden op dit type klachten. De voorbereiding van een dergelijk besluit moet de toets van behoorlijk bestuur kunnen doorstaan  en duidelijk moet zijn, niet alleen voor de medewerkers maar vooral ook voor aanstaande cliënten, ouders, onder welke omstandigheden er vanwege spoedeisende omstandigheden van de ideale voorbereidingsprocedure afgeweken kan worden.   
Ouders moeten niet Bjz gaan mijden omdat daar soms van die voor hen onbegrijpelijke besluiten worden genomen. “Je vraagt hulp en krijgt iets anders.”
Vierde eis voor kwaliteit: deskundig onderzoek naar feiten (niet naar beleving dus, denk aan wegloopkinderen).
De RvdK doet expliciet niet aan waarheidsvinding (“wij zijn geen politie”). De Wet op de jeugdzorg spreekt hier niet van, maar er is meer wetgeving dan de Wjz. Afkeer van de werkelijkheid is in strijd met de eisen die de Algemene wet bestuursrecht stelt aan zorgvuldige voorbereiding van een besluit.
Vijfde eis voor kwaliteit: helderheid van de bevoegdheden en kwalificaties van de medewerkers van o.a. Bjz, duidelijkheid van de proceduremogelijkheden bij meningsverschil met Bjz (zie ook tweede eis).
Voorbeeld: ouders komen na diagnostisch onderzoek door een Riagg naar Bjz voor hun zoon van 14 van wie zij denken dat hij in een psychiatrische inrichting behandeld zou moeten worden. Het hele gezin gaat aan zijn gedrag ten onder. Bjz wil alleen indicatie geven voor thuisbehandeling, wat de zoon ook wil.
De ouders kunnen tegen dit besluit dat dus een beschikking is in de zin van de Awb bezwaar maken en beroep instellen, zij kunnen bovendien de onderzoekers van Bjz tuchtrechtelijk aanspreken op basis van de Wet-Big mits deze onderzoekers staan ingeschreven in het Big-register.
De zoon kan, als er wel een hulpverleningsplan tot stand komt, zich in de situatie bevinden dat hij een contractuele AANSPRAAK op jeugdzorg heeft, hij is cliënt, maar de ouders tekenen het hulpverleningsplan niet, want zij zijn het er immers niet mee eens. Zij menen AANSPRAAK te hebben op andere jeugdzorg, zij zijn cliënt. Is nu het hulpverleningsplan verbindend voor Bjz? De handtekening van een der partijen ontbreekt immers.
Zesde eis voor kwaliteit: deskundigheid. Opleiding van de medewerkers op het juiste niveau.
Voor de medewerkers zijn alleen de gebieden aangegeven waarop zij een kwalificatie moeten hebben, niet het niveau van die kwalificatie. Er zal bijvoorbeeld veel gewerkt worden
onder verantwoordelijkheid van o.a. een psycholoog. Wij houden ons hart vast: hoe minder kennis, hoe snellere diagnose. Iemand met alleen een EHBO-diploma “weet” alles, de specialist krabt zich nog wel eens achter het oor. De wet biedt de mogelijkheid regels te stellen m.b.t. disciplines en opleidingseisen. Achtergrond hiervan is dat het om een organisatie in ontwikkeling gaat en het Rijk dit kwaliteitsaspect wil kunnen beïnvloeden. Jeugdzorg wordt dus niet serieus genomen. Niemand zou toch een ziekenhuis willen laten draaien met de mededeling dat de praktijk wel zal uitwijzen hoe de medewerkers opgeleid moeten zijn.
Juist van de zijde van de cliënten moet aangedrongen worden op inhoudelijke (te onderscheiden van procedurele) kwaliteit. Inhoudelijke kwaliteit begint met opleidingen van medewerkers van jeugdzorg. Zonder nauwkeurig omschreven bekwaamheden die in de opleidingen worden verworven zijn medewerkers nauwelijks te beoordelen (door cliënten en door hun superieuren) op het toepassen van die bekwaamheden in de praktijk van de hulpverlening. Zelfs over de opleiding tot indicatiesteller wordt nog steeds nagedacht:
de indicatie is nota bene de SPIL van Bjz, DE toegang tot jeugdzorg. 
Zevende eis voor kwaliteit: zorgvuldigheid.
Ten aanzien van de
procesgang:     voortvarendheid, eerbiedigen van termijnvoorschriften
                                                     administratieve nauwkeurigheid
                                                     actieve en adequate informatieverstrekking (inzagerecht!)
Ten aanzien van
organisatie:            ter bescherming van privacy
                                                      ter bevordering van onpartijdigheid
                                                      toegankelijkheid, o.a. telefonische bereikbaarheid
Ten aanzien van
gedrag en houding: betonen van respect voor de integriteit van de cliënt
                                                      betrachten van wat in het algemeen vanuit overwegingen van fatsoen mag worden verlangd:
                                                                     achterwege laten van onbetamelijke opmerkingen
                                                                      tonen van de vereiste zelfbeheersing/sociale vaardigheden/professionaliteit
                                                                      respecteren van de privacy
                                                                     onbevooroordeeldheid (alle medewerkers van Bjz kijken met “beschermersogen”!)
                                                                      inlevingsvermogen, actieve en hulpvaardige opstelling
                                                                     goed vervullen van de zorgplicht t.a.v. de aan Bjz toevertrouwde belangen.

Wij vertrouwen hiermee een bijdrage te hebben geleverd aan het opstellen van een certificeringsschema dat verder gaat dan procedurele kwesties (waarmee wij het belang van procedures niet onderschatten). Inhoudelijke kwaliteit kent verscheidene aspecten, en moet door de medewerkers in duidelijk omschreven opleidingen worden verworven.

Met vriendelijke groet,  

  

9. BRIEF AAN HET CENTRAAL MEDISCH TUCHTCOLLEGE 
    d.d. 28 SEPTEMBER 2004 
    -
mogelijkheid kind te behandelen op verzoek uitsluitend één ouder met gezag

 

Geacht College,

De laatste tijd hebben ons berichten bereikt, dat een klacht tegen een arts of gezondheidszorg-psycholoog, inhoudende onderzoek of behandeling terwijl niet beide met ouderlijk gezag beklede ouders toestemming hadden gegeven, door een medisch tuchtcollege gegrond was verklaard.

Wilt u ons laten weten of er volgens u inderdaad toestemming van beide ouders moet zijn, alvorens een arts of andere in het Big-register ingeschreven hulpverlener tot onderzoek of behandeling kan overgaan?

Hoogachtend,

 

10. BRIEF AAN HET MINISTERIE VAN JUSTITIE d.d. 1 OKTOBER 2004
      -
besloten plaatsing
  

Aan het Ministerie van Justitie
Directie Justitieel Jeugdbeleid
Postbus 20301
2500 EH Den Haag


Haarlem, 1 oktober 2004


Geachte Dames en Heren,

Wij kennen de plaatsing in een gesloten inrichting, op grond van art. 1: 261, 3.

De laatste tijd lezen wij steeds over de besloten plaatsing. In het septembernummer 2004 van Perspectief staat op pag. 12: “Kinderen in een besloten setting mogen volgens de wet niet ‘opgesloten’ worden. …Du Prie heeft de minister en staatssecretaris gevraagd een aantal instellingen aan te wijzen die de mogelijkheid krijgen de deur soms op slot te doen.”

Een en ander roept bij ons de volgende vragen op:
1. Wat is een besloten plaatsing, een besloten setting?
2. Waarom zou het nodig zijn over instellingen te beschikken die de mogelijkheid hebben de deur soms op slot te doen: het staat
    de leiding van een gesloten instelling immers vrij kinderen “naar buiten” te laten?
3. Zal het Ministerie de minister en de staatssecretaris adviseren om ervoor te (blijven) waken in wet- en regelgeving dat
     minderjarigen niet zonder “een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter” opgesloten kunnen worden,
     ook niet in wat anders genoemd wordt dan gesloten inrichting?

Hoogachtend,

In kopie aan de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

11. BRIEF AAN HET CBP d.d. 29 OKTOBER 2004

Aan het College bescherming persoonsgegevens
Postbus 93374
2509 AJ Den Haag


Haarlem, 29 oktober 2004


Geachte Dames/Heren,

Naar aanleiding van een opmerking in een brief van het Ministerie van VWS (zie bijlage) hebben wij de gemeente Leeuwarden inlichtingen gevraagd over de in die gemeente gebruikte zorgmonitor. In deze envelop vindt u de CD-ROM die stichting KOG heeft ontvangen van de gemeente Leeuwarden. Het hierop gedemonstreerde systeem geeft zonder medeweten van betrokkenen informatie van instellingen van de gemeente aan scholen.

Graag willen wij van u vernemen of gebruik van een dergelijk systeem overeenkomstig de Wet bescherming 
persoonsgegevens is.

Hoogachtend,


Kopie ter informatie aan stichting Bits of Freedom

Bijlagen: brief van het Ministerie van VWS aan stichting KOG d.d. 12 augustus 2004
              CD-ROM van de gemeente Leeuwarden

 

12. BRIEF AAN DE LANDELIJKE VERENIGING VOOR THUISZORG d.d. 9 AUG. 2004
      -
n.a.v. artikel in Perspectief over omzeilen van beroepsgeheim

Aan de heer Bas van den Dungen
Landelijke Vereniging voor Thuiszorg
Postbus 100
3980 CC Bunnik


Haarlem, 9 augustus 2004


Geachte Heer,

In Perspectief nummer 5 zegt u op pag. 6: “Het is laagdrempelig voor kraamverzorgers en verloskundigen om aan het consultatiebureau te rapporteren. Zo omzeil je tevens gedeeltelijk het probleem van het beroepsgeheim.”
Wij zouden het zeer op prijs stellen wanneer u voor ons zou verhelderen wat we ons daar precies bij moeten voorstellen.

Met vriendelijke groet,

 

12a. TELEFONISCHE REACTIE VAN DE LVT 

Op 5 oktober komt er een telefonische reactie binnen van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg: Perspectief heeft de heer Van den Dungen verkeerd geciteerd. Dat is ook aan Perspectief gemeld, maar het blad heeft niet gerectificeerd.

De directeur van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg heeft in werkelijkheid gezegd, dat overdragen door kraamzorg aan het consultatiebureau, in overleg met de ouders, de gewone gang van zaken is. Er is geen sprake van iets nieuws of een enorme sprong voorwaarts zoals Perspectief suggereerde, en dus al helemaal niet omdat een kraamhulp makkelijker meldt aan het consultatiebureau dan aan de politie.

Er wordt afgesproken dat dit telefoongesprek op de website www.stichtingkog.info zal komen.

 

13. BRIEF AAN BUREAUS JEUGDZORG 
      -
stimuleert u beroepsregistratie voor uw maatschappelijk werkers niet?

 

Aan de Directie van Bureau Jeugdzorg Rotterdam
Postbus 21051
3001 AB Rotterdam


Haarlem, 21 maart 2005


Geachte Dames en Heren,

Het frappeert ons, dat Bureau jeugdzorg Rotterdam niet voorkomt op de lijst (in het Vademecum 2004-2005 van de Stichting Beroepsregister van Maatschappelijk Werkers) van werkgevers die de beroepsregistratie voor maatschappelijk werkers stimuleren, en dat in de lijst ingeschrevenen in het beroepsregister van maatschappelijk werkers op 1 juni 2004 slechts twee personen werkzaam bij een Bureau jeugdzorg in de grootstedelijke regio Rotterdam zijn opgenomen.

Graag willen wij van u vernemen of
de situatie wat betreft in het beroepsregister ingeschreven maatschappelijk werkers in Bureau jeugdzorg Rotterdam veranderd is sinds juni 2004, en

Bureau jeugdzorg Rotterdam thans wel behoort tot de werkgevers die de beroepsregistratie voor maatschappelijk werkers stimuleren?



Een soortgelijke brief is aan alle Bureaus jeugdzorg verzonden

 

13a. REACTIES VAN BUREAUS JEUGDZORG

 

 

 

Bovenstaand antwoord van Bjz Friesland is de laatste alinea van een brief die in zijn geheel is afgedrukt onder 16a.

 

14.  RAPPEL d.d. 1 NOVEMBER 2004 AAN REGERINGSCOMMISSARIS JEUGD-
      EN JONGERENBELEID OP BRIEVEN VAN KOG VAN MAART EN APRIL 2004

Tot heden zijn nog niet alle vragen die wij u gesteld hebben op 22 maart en 23 april 2004 beantwoord.

  -  Bent u met ons van mening, dat de hulpverlener (of leerkracht, voegen wij nu toe) die niet
     de toestemming van ouders verkrijgt om informatie over te dragen, niet eigenmachtig
     behoort te beslissen maar vervangende toestemming van de rechter behoeft?

Stemt u in met de uitspraak van
  -  de provincie Zeeland d.d. 6 april “dat wij het belang dat u hecht aan naleving van
      privacywetgeving onderschrijven.”
  -  de provincie Friesland d.d. 8 april “dat de Provincie Fryslan van de gesubsidieerde
      instellingen verlangt dat op het gebied van jeugdhulpverlening en jeugdbescherming de
      bestaande privacywetgeving onverkort wordt nageleefd.”
  -  de provincie Noord-Holland d.d. 15 april “Wij hechten er belang aan dat instellingen
      zorgvuldig omgaan met persoonlijke gegevens en het recht op privacy respecteren.”
  -  de Stadsregio Rotterdam d.d. 19 april “De door de stadsregio gesubsidieerde instellingen
      zullen zich vanuit hun eigen verantwoordelijkheid ook aan de op dit gebied bestaande
      wetgeving moeten houden. Wanneer het zo is, dat de instellingen zich niet aan de wet
      houden, zou dit voor ons een reden zijn, om de subsidiering te bezien.”

Wij zien uw reactie met grote belangstelling tegemoet.

Hoogachtend,

In kopie aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
                    de Commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                    de Hoofdinspectie jeugdzorg
                    het College bescherming persoonsgegevens
                    de provincie Zeeland
                    de provincie Friesland
                    de Noord-Holland
                    Stadsregio Rotterdam

 

14a. REACTIE VAN REGERINGSCOMMISSARIS JEUGD- EN JONGERENBELEID

14b. REACTIE VAN GRONINGEN EN ZUID-HOLLAND OP VRAAG OVER PRIVACY
       
(aansluitend bij nr 10 2004)

15. BRIEF AAN PROVINCIE LIMBURG d.d. 15 NOVEMBER 2004
      -
zittingen i.v.m. klachtbehandeling openbaar?

Aan het Hoofd van de Afdeling Zorg van de Provincie Limburg
Postbus 5700
6202 MA Maastricht


Haarlem, 15 november 2004

Geachte Heer / Mevrouw, 

Wilt u stichting KOG laten weten welke maatregelen de Provincie heeft genomen om te bevorderen dat per 1 januari 2005 Bureau jeugdzorg en de achterliggende voorzieningen in Limburg klachtbehandeling doen plaatsvinden in openbare hoorzittingen, evenals dat in de medische sector het geval is?


Met vriendelijke groet,

in kopie aan stichting Jeugd Zorg Vragers Limburg


Een soortgelijke brief is aan alle provincies verzonden

15a. REACTIE VAN LIMBURG

 

 

15b. BRIEF AAN PROVINCIE LIMBURG IN REACTIE OP BRIEF 15a

Aan Gedeputeerde Staten van Limburg
t.a.v. de weledelgeleerde heer drs P.P.M. Ernst, hoofd afdeling Zorg
Postbus 5700
6202 MA Maastricht


Uw kenmerk 2004/70145


Haarlem, 9 december 2004


Geachte Heer,

Dank voor uw brief d.d. 8 december. Mogen wij uit de laatste alinea van deze brief concluderen dat
  -   in de provincie Limburg klachtzittingen i.v.m. jeugdzorg openbaar zullen zijn evenals
       zittingen van de medische tuchtcolleges
  -   in de provincie Limburg de klachtencommissies de bevoegdheid zullen hebben sancties
      op te leggen, evenals de medische tuchtcolleges?

Wij zien uw antwoord met belangstelling tegemoet.

In kopie aan stichting Jeugd Zorg Vragers Limburg  

 

15c. TELEFONISCHE REACTIE VAN DE PROVINCIE OVERIJSSEL 
        OP DE VRAAG NAAR OPENBARE KLACHTBEHANDELING

Op 20 januari 2005 reageert de provincie Overijssel (mevrouw M. Veldkamp) telefonisch op de vraag naar openbare klachtbehandeling. De provincie heeft in dit verband niets ondernomen, en vooralsnog zijn hoorzittingen in het kader van een klacht over jeugdzorg niet openbaar. Wel is er ruime mogelijkheid buitenstaanders mee te brengen naar de zittingen.

Aanbevelingen van de inspectie worden door de provincie altijd met de instellingen besproken.
De provincie vraagt in principe de inspectie om hertoetsing om te bezien of inspectie-aanbevelingen in praktijk zijn gebracht. 
De beperkte mankracht van de inspectie staat daaraan soms in de weg.

15d. REACTIE VAN ZUID-HOLLAND

15e. BRIEF AAN ZUID-HOLLAND IN REACTIE OP BRIEF 15d

Aan het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland
t.a.v. de heer M.M. van der Kraan, hoofd afdeling Samenleving
Postbus 90602
2509 LP Den Haag
 
Uw kenmerk DMB/2004/14867

Haarlem, 27 januari 2005

Geacht College,

Wij danken u voor uw antwoord d.d. 25 januari op onze vraag van 16 november 2004.

U schrijft ons: “Voorzover onze informatie reikt vindt klachtenbehandeling niet plaats in openbare hoorzittingen omdat het minderjarige cliënten betreft.” Wij wijzen u er op, dat klachtenbehandeling bij de medische tuchtcolleges, ook als het om minderjarige patiënten gaat, wel in openbare hoorzittingen plaatsvindt.

Wellicht zou u de klachtbehandeling in openbare hoorzittingen kunnen doen plaatsvinden, met de bepaling dat de zitting achter gesloten deuren plaatsvindt indien (een) ouder(s) of jongere dit verzoekt.

Graag vernemen wij uw standpunt over deze constructie.

Hoogachtend,

15f. REACTIES VAN FRIESLAND, ROTTERDAM, GRONINGEN, ROA,
       NOORD-HOLLAND, HAAGLANDEN, NOORD-BRABANT, FLEVOLAND, LIMBURG

16. BRIEF AAN BUREAU JEUGDZORG FRIESLAND

Aan Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland
Postbus 312
8901 BC Leeuwarden

Haarlem, 2 februari 2005

Geachte Dames/Heren,

Van donateurs hebben wij uw informatieblad ‘Financiële zaken ten tijde van een ondertoezichtstelling’ toegezonden gekregen.
Dit roept bij ons enkele vragen op:

1) Wij lezen hierin dat u ouders aansprakelijk houdt voor de schoolkosten voor uit huis geplaatste kinderen.
Stichting KOG heeft op de website
www.stichtingkog.info  de informatie geplaatst dat ouders bij uithuisplaatsing alleen verplicht zijn de ouderbijdrage LBIO te betalen. Indien dit onjuist is, willen wij dit zo snel mogelijk herstellen.
Op grond van welke wet of regel blijven ouders van uit huis geplaatste kinderen verantwoordelijk voor de schoolkosten van hun kinderen?

2) “Bij een uithuisplaatsing is het mogelijk dat uw kind bij u meeverzekerd blijft. U dient er dan ook zelf voor te zorgen dat uw kind bij een uithuisplaatsing verzekerd is tegen ziektekosten. …”
Houdt dit in dat St. Bureau Jeugdzorg Friesland uit huis geplaatste kinderen alleen verzekert tegen ziektekosten indien de ouders meegedeeld hebben niet langer de verzekering tegen ziektekosten te betalen?

3) Verzekert St. Bureau Jeugdzorg Friesland uitsluitend ziektekosten, of welke andere risico’s verzekert St. Bureau Jeugdzorg Friesland voor uit huis geplaatste kinderen?

Ik hoop dat u bovenstaande drie vragen voor ons wilt beantwoorden.
 
Met vriendelijke groet,

 

16a. ANTWOORD VAN Bjz FRIESLAND D.D. 31 MAART 2005

16b. BRIEF AAN BUREAU JEUGDZORG FRIESLAND D.D. 19 SEPTEMBER 2005
      
  - wat moeten ouders van uit huis geplaatste kinderen betalen?



Aan de Directie van Bureau jeugdzorg Friesland
t.a.v. de heer G. van Hofwegen, directeur a.i.
Postbus 312
8901 BC Leeuwarden

Haarlem, 19 augustus 2005


Geachte Directie,

Deze week ontvingen wij opnieuw van een geschrokken donateur uw informatieblad ‘Financiële zaken ten tijde van een ondertoezichtstelling’ d.d. 8 december 2004. Wederom is gebleken dat ouders dit informatieblad als verwarrend ervaren.
Het brengt hen in de veronderstelling dat zij verplicht zijn meer te betalen dan de LBIO-bijdrage.

De brief van Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland d.d. 8 december 2004:
Afschaffing vergoeding bijkomende kosten:
Deze regeling is met ingang van heden afgeschaft. De reden is dat wij van de overheid geen vergoeding meer krijgen voor de betaling van dit soort kosten.
Ten onrechte denken ouders hierdoor dat zij verplicht zijn, naast de LBIO-bijdrage, deze kosten op zich te nemen.
Afschaffing vergoeding ziektekosten:
De verantwoordelijkheid voor de ziektekostenverzekering van uw kind(eren) komt nu volledig bij u als ouder(s) te liggen. Wij vragen u vriendelijk maar dringend …
Ten onrechte denken ouders hierdoor dat zij verplicht zijn, naast de LBIO-bijdrage, deze kosten op zich te nemen.
Wij vragen uw begrip voor het feit dat wij gedwongen worden om deze maatregelen te nemen.
Ten onrechte denken ouders dat wet- en regelgeving u dwingen om deze maatregelen te nemen, terwijl u slechts doelt op “gedwongen worden” door een krapper budget.

De bijlage ‘Financiële zaken ten tijde van een ondertoezichtstelling’:
Als uw kind uit huis geplaatst is blijft u verantwoordelijk voor de schoolkosten van uw kind.
Ten onrechte denken ouders dat zij verplicht zijn de kosten te betalen voor een school waarvoor zij hun kind niet zelf hebben opgegeven.
U dient er dan ook zelf voor te zorgen dan uw kind bij een uithuisplaatsing verzekerd is tegen ziektekosten.
Ten onrechte denken ouders dat zij verplicht zijn zorg te dragen voor verzekering tegen ziektekosten van hun uit huis geplaatste kind.

Wij begrijpen dat Bureau jeugdzorg Friesland moet werken met een krapper budget.
Het is voor ouders soms ook financieel gunstig bepaalde zaken zelf te betalen i.v.m. recht op kinderbijslag. Op de mogelijkheid recht op kinderbijslag te behouden bij uithuisplaatsing wijst u terecht in de Bijlage.

Toch verzoeken wij u de tekst van de brief en de bijlage ‘Financiële zaken ten tijde van een ondertoezichtstelling’ zo aan te passen dat het voor ouders glashelder wordt dat zij uitsluitend verplicht zijn tot het betalen van de LBIO-bijdrage, terwijl het voor Bureau jeugdzorg Friesland en voor henzelf financieel gunstiger kan zijn bovendien andere betalingen te doen.
Wilt u ons t.z.t. de nieuwe versie toesturen?

Uw antwoord d.d. 31 maart op onze brief d.d. 2 februari en deze brief en uw reactie hierop zullen wij plaatsen op website www.stichtinkog.info

Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)

In kopie aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Friesland

Aan het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân
Postbus 20120
8900 HM Leeuwarden
 

Haarlem, 19 augustus 2005

Geacht College,

Voor de goede orde zend ik u kopie van de brief van stichting KOG van heden aan de Directie van Bureau Jeugdzorg Friesland.
Het lijkt ons ongewenst dat ouders van uit huis geplaatste kinderen een informatieblad ontvangen over hun financiële verplichtingen dat bij niet zeer nauwkeurige lezers verwarring teweeg brengt, terwijl anderen de indruk kunnen krijgen dat Bureau Jeugdzorg hen bij de neus probeert te nemen.

Hoogachtend,

 

17. BRIEF AAN DE PROVINCIE UTRECHT  
     
- eisen aan indicatiesteller in bureau jeugdzorg

Aan het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht
Postbus 80300
3508 TH Utrecht

Haarlem, 15 februari 2005

Geacht College,

Vergeleken met de gezondheidszorg kent de jeugdzorg weinig voorzieningen voor kwaliteitscontrole, die buiten de instelling zelf zijn gelegen. De inspectie speelt hierin een zeer beperkte rol, in vergelijking met de inspectie voor de volksgezondheid.
In de gezondheidszorg kent men bovendien de medische tuchtcolleges, die als voornaamste doel hebben kwaliteitshandhaving van de beroepsgroepen. Bureau jeugdzorg is in principe zelf verantwoordelijk voor het organiseren en handhaven van kwaliteit. De Wet op de jeugdzorg biedt de mogelijkheid regels te stellen met betrekking tot disciplines en opleidingseisen.

Cliënten van Bureau jeugdzorg kunnen o.a. bezwaar en beroep instellen tegen (intrekking van) het indicatiebesluit, het niet afgeven daarvan, het besluit de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek te verzoeken. Het indicatiebesluit, en daarmee de indicatiesteller, lijkt de spil van Bureau jeugdzorg. De zorgaanbieders moeten op basis van de indicatiestelling aan de slag.

Stichting KOG zou graag van u vernemen welke eisen Bureau jeugdzorg in Utrecht stelt aan de indicatiesteller wat betreft bevoegdheid en bekwaamheid. Mocht het indicatiebesluit worden afgegeven door een team, dan zouden wij graag willen weten welke eisen gesteld worden aan de eindverantwoordelijke.
Bovendien willen wij graag vernemen welke eisen gesteld worden aan degene die het intakegesprek met de cliënt voert: hij immers bepaalt welke gegevens worden vastgelegd en misschien hoe ze worden vastgelegd.

Hoogachtend,


Een soortgelijke brief is aan alle provincies verzonden

 

17a. ANTWOORDEN VAN DE PROVINCIES

 

17aa. N.A.V. HET ANTWOORD VAN STADSREGIO ROTTERDAM IS 
          DE VOLGENDE BRIEF AAN VWS VERZONDEN d.d. 13 april 2005

 

Aan het Ministerie van VWS
t.a.v. de weledelgeleerde vrouwe drs G.E.M. Tielen, Directeur Jeugdbeleid
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag


Haarlem, 13 april 2005 

Geachte Mevrouw,

Naar aanleiding van een brief van Stadsregio Rotterdam aan stichting KOG d.d. 11 april 2005 wenden wij ons tot u met de volgende vraag:
Is het juist dat provincies en grootstedelijke regio’s niet de bevoegdheid hebben om zelf specifieke kwaliteitseisen te stellen t.a.v. de indicatiesteller?

Stadsregio Rotterdam meldt ons dat het bureau jeugdzorg in de stadsregio de eis stelt dat indicatiestellers een HBO-opleiding maatschappelijk werk, sociale dienstverlening of pedagogiek hebben, en dat de eisen aan de medewerkers van bureau jeugdzorg primair een verantwoordelijkheid zijn van bureau jeugdzorg.

Uiteraard zijn de eisen die gesteld worden aan medewerkers van de bureaus jeugdzorg primair een verantwoordelijkheid van de directies van de bureaus jeugdzorg.
Wij kunnen ons echter niet wel voorstellen, dat de directies van bureaus jeugdzorg een bepaalde eis mogen stellen aan medewerkers die een bepaalde functie vervullen, maar de voor (deze directies van) bureaus jeugdzorg verantwoordelijke provincies en grootstedelijke regio’s deze bevoegdheid niet zouden hebben.

Wij zouden het zeer op prijs stellen als u deze kwestie voor ons zou verhelderen.
Deze brief en uw antwoord plaatsen wij op website www.stichtingkog.info

Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)


Bijlagen: kopie van de brief van Stadsregio Rotterdam d.d. 11 april 2005
               folder Landelijke Organisatie Kinderen-Ouders-Grootouders

In kopie aan het Hoofd Sector Ontwikkeling van Stadsregio Rotterdam

 

17ab.  ANTWOORD VAN VWS d.d. 28 april OP BOVENSTAANDE BRIEF

 


17ac. BRIEF AAN ROTTERDAM N.A.V. ANTWOORD VAN VWS 
          -
u had groot gelijk!




Aan Stadsregio Rotterdam
t.a.v. de weledelgeleerde heer drs A. Frank, Hoofd Sector Ontwikkeling
Postbus 21051
3001 AB Rotterdam


Haarlem, 4 mei 2005

Uw kenmerk SR/2005/1013 d.d. 11 april 2005


Geachte Heer,

Zoals ik u op 13 april heb toegezegd, stuur ik u hierbij het antwoord van het Ministerie van VWS op de vraag van stichting KOG d.d. 13 april n.a.v. uw brief d.d. 11 april.

Hoewel wij het moeilijk te begrijpen vinden dat de provincies en grootstedelijke regio’s, verantwoordelijk immers voor de bureaus jeugdzorg, niet de bevoegdheid hebben de in de Wet op de jeugdzorg aan de medewerkers van de bureaus jeugdzorg gestelde vakbekwaamheidseisen nader in te vullen, blijkt u op dit punt volkomen gelijk te hebben. 
Het Ministerie van VWS schrijft dat de provincies en grootstedelijke regio’s de bureaus jeugdzorg niet mogen voorschrijven aan welke eisen hun personeel moet voldoen:
“Dit is voorbehouden aan de wetgever en voor zover de wetgever dit niet (nader) invult aan de bureaus jeugdzorg zelf.”

Stichting KOG hoopt dat de bureaus jeugdzorg er spoedig toe over zullen gaan dat te doen wat de wetgever nog niet heeft gedaan: niet alleen de terreinen, maar ook de niveaus vaststellen waarop kennis aanwezig moet zijn in de bureaus jeugdzorg.
Wij zijn ons ervan bewust dat nog steeds opleidingen voor sommige functies geheel ontbreken, dat er niet heel veel meer bestaat dan algemene, brede, maar niet zeer diepgravende opleidingen.
In ‘909 zorgen, een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling’ schrijft prof. Slot c.s. (2002): “De professionaliteit in de gezinsvoogdij dient te worden verhoogd. … 
De opleiding tot gezinsvoogd is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden veelal opleidingen met een brede basiskennis. Dat is niet genoeg om als gezinsvoogd aan de slag te kunnen. …
De opleidingsroute die de gezinsvoogdij-instellingen onder regie van Vedivo realiseren leidt een kommervol bestaan. Sommige gezinsvoogdij-instellingen zijn uit arren moede een eigen opleidingstraject begonnen en bij andere instellingen ontbreekt een systematisch aanbod. … Jeugdigen en ouders krijgen niet de hulp die ze nodig hebben en als ze die al krijgen moeten ze er vaak lang op wachten. …” (pag. 82/83)

Wat prof. Slot schrijft over de gezinsvoogdij geldt voor de jeugdzorg als geheel.

De term jeugdzorg doet denken aan gezondheidszorg, waar de opleidingen op alle niveaus minutieus beschreven zijn en waar deze opleidingen inderdaad bestaan en geëist worden (om van andere verschillen tussen jeugdzorg en gezondheidszorg nog te zwijgen). Deze positieve associatie opgeroepen door de benaming ‘jeugdzorg’ kan bij de huidige stand van opleidingen/bekwaamheden, dus van de kwaliteit, niet anders dan vaak een verkeerde blijken.

In de Commissie voor VWS van de Tweede Kamer werd bij de voorbereiding van de Wet op de jeugdzorg gesproken over “keiharde kwaliteitseisen”. Nog steeds zijn vrijwel de enige kwaliteitseisen die gesteld (kunnen) worden procedurele.
Hierover schrijft prof. Huberts c.s. in ‘Overtredende overheden’ (2005) bovendien:
“Voor de jeugdzorg bleek dat de (veelal procedurele) normen en regels over de wijze waarop jongeren behandeld moeten worden op bepaalde onderdelen massaal overtreden worden.”  (pag. 160).
“De oorzaken van regelovertreding in de jeugdsector zijn gebrekkige en bureaucratische regels, een kloof tussen beleid en regelgeving enerzijds en uitvoering anderzijds, belangenafwegingen waarbij het eigen belang van de organisatie voorop gesteld wordt, gebrek aan draagvlak voor de naleving van de regels en de afwezigheid van handhaving en toezicht.” (pag. 168)
“De inspectie Jeugd heeft geen ‘harde’ sanctionerende bevoegdheden, de inspectie heeft alleen de beschikking over ‘zachte’ handhavingsinstrumenten, zoals aanmoediging en overredingskracht. Onderzoeken monden uit in rapportages, overleg met instellingen, provincies en gemeenten en aanbevelingen voor verbeterplannen. Handhaving door de inspectie richt zich met name op een correct gebruik van de subsidie.” (pag. 171)

Stichting KOG hoopt dan ook van harte dat alle bevoegdheden zullen worden benut om de medewerkers in de jeugdzorg op alle niveaus toe te rusten met de vakbekwaamheden die hun werk eist. Al hebben provincies en grootstedelijke regio’s dan niet de bevoegdheid om bekwaamheidseisen te stellen aan de medewerkers van de bureaus jeugdzorg, hopelijk zullen zij wegen vinden om professionalisering van de jeugdzorg te bevorderen.

De meldweek jeugdzorg in februari 2005 van de provincie Groningen, door stichting KOG gewaardeerd met de uitreiking van De Gouden Greep op 6 april, is een eerste stap van een provincie om haar verantwoordelijkheid voor jeugdzorg daadwerkelijk te nemen.

Wilt u stichting KOG laten weten wat Stadsregio Rotterdam onderneemt / op zeer korte termijn zal ondernemen om zich eveneens op de hoogte te stellen van de ervaringen van gezinnen met jeugdzorg, en de professionaliteit van de medewerkers van Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te bevorderen?
Deze brief en uw reactie zullen geplaatst worden op www.stichtingkog.info .

Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)


3 pagina’s en bijlage: brief van het Ministerie van VWS aan stichting KOG d.d. 28 april 2005

Kopie van de brief van het Ministerie van VWS aan stichting KOG d.d. 28 april 2005 met kopie van deze brief van stichting KOG aan Stadsregio Rotterdam d.d. 4 mei 2005 aan:
Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam
MO-groep branchecommissie Directeuren Bureaus jeugdzorg
MO-groep branche jeugdzorg gebied professionalisering
Hoofdinspectie Jeugdzorg
Provincie Groningen
Ministerie van VWS
Commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

 

17b. VOOR ANTWOORD IS DOORVERWEZEN NAAR BUREAU JEUGDZORG DOOR
        FRIESLAND, FLEVOLAND, LIMBURG, ROA

 

17c. NADERE VRAAG N.A.V. DE REACTIES

Aan de Directie van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland
Versteegstraat 2
2273 VB Voorburg

Haarlem, 14 maart 2005


Geachte Dames en Heren,

Het frappeert ons, dat Bureau jeugdzorg Zuid-Holland niet voorkomt op de lijst (in het Vademecum 2004-2005 van de Stichting Beroepsregister van Maatschappelijk Werkers) van werkgevers die de beroepsregistratie voor maatschappelijk werkers stimuleren, en dat in de lijst ingeschrevenen in het beroepsregister van maatschappelijk werkers op 1 juni 2004 slechts één persoon werkzaam bij een Bureau jeugdzorg in de provincie Zuid-Holland is opgenomen.

Graag willen wij van u vernemen of
de situatie wat betreft in het beroepsregister ingeschreven maatschappelijk werkers in Bureau jeugdzorg Zuid-Holland veranderd is sinds juni 2004, en
Bureau jeugdzorg Zuid-Holland thans wel behoort tot de werkgevers die de beroepsregistratie voor maatschappelijk werkers stimuleren?

Hoogachtend,

In kopie aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

Een soortgelijke brief is verzonden aan alle Bureaus jeugdzorg waarheen doorverwezen is


17d. REACTIES VAN BUREAU JEUGDZORG LIMBURG EN ROA

 

17e. BRIEF AAN NIP d.d. 9 mei 2005 (soortgelijke brief ook aan NVO verzonden)
         
- is handelwijze van voor de indicatiestelling verantwoordelijke psycholoog 
          in overeenstemming met beroepscode?

 

Aan het Nederlands Instituut van Psychologen
t.a.v. de weledelgestrenge heer mr R.F. Baneke, directeur-secretaris
Postbus 9921
1006 AP Amsterdam


Haarlem, 9 mei 2005


Geachte Heer,

Het Ministerie van VWS heeft stichting KOG in een brief d.d. 28 april 2005 geschreven: “Daarnaast is in het uitvoeringsbesluit geregeld dat het bureau jeugdzorg geen indicatiebesluit mag nemen dan nadat een ontwerp van dit besluit is voorgelegd aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper.”
Dit brengt dus met zich mee dat gedragswetenschappers hun handtekening zetten onder een indicatiebesluit, terwijl zij zelf geen contact hebben gehad met de mensen op wie het indicatiebesluit betrekking heeft. Zij kennen de kwestie uitsluitend van papier.

Onze vraag aan het NIP is, of deze werkwijze van NIP-leden in overeenstemming is met hun beroepscode.
Deze brief en uw antwoord plaatsen wij op website www.stichtingkog.info


Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)

In kopie aan de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling

 

17ee ANTWOORDEN VAN NIP EN NVO

 

17f. BRIEF AAN LANDELIJKE COMMISSIE TOEZICHT INDICATIESTELLING 
       d.d. 9 mei 2005 en rappel

Aan de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
Postbus 19521
2500 CM Den Haag


Haarlem, 9 mei 2005


Geachte Dames / Heren,

Bij deze brief vindt u kopieën van de brieven van stichting KOG van heden aan NIP en NVO.
Gaarne vernemen wij uw visie op de daarin aangesneden kwestie.

Deze brief en uw reactie zullen wij plaatsen op www.stichtingkog.info

 

Aan de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
Postbus 19521
2500 CM Den Haag


Haarlem, 20 juli 2005


Geachte Dames / Heren,

Op 9 mei 2005 heeft stichting KOG u gevraagd naar uw visie op de omstandigheid dat binnen de bureaus jeugdzorg de indicatiestelling veelal ondertekend wordt door iemand die uitsluitend afgaat op wat hem door andere werknemers van de bureaus jeugdzorg wordt meegedeeld. Wilt u deze vraag voor ons beantwoorden?
 
Ons verzoek en uw reactie zullen wij plaatsen op www.stichtingkog.info

Hoogachtend,



17g. REACTIE VAN LCTI

17h. ANTWOORD VAN KOG OP 17g

 

Aan de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
t.a.v. de weledelzeergeleerde vrouwe mevrouw dr R. Gonggrijp, secretaris
Postbus 19521
2500 CM Den Haag


Haarlem, 8 augustus 2005


Geachte Mevrouw,

Uw brief d.d. 4 augustus hebben wij in goede orde ontvangen. Wij waarderen het dat in de vergadering in september het verzoek van stichting KOG besproken zal worden.
Wij hopen uiteraard dat de LCTI een standpunt zal innemen in de in onze brief d.d. 9 mei aangesneden kwestie.

U schrijft dat er twee redenen zijn voor aanvankelijke niet-beantwoording van onze brief d.d. 9 mei, waarvan de eerste is dat het gaat om een uitspraak in een brief aan stichting KOG die u verder niet bekend is. Om dit bezwaar te ondervangen stuur ik u hierbij kopie van de brief in kwestie: brief d.d. 28 april 2005 van het Ministerie van VWS aan stichting KOG.

Met vriendelijke groet,

De meegestuurde brief is 17ab 

 

17i. ANTWOORD VAN LCTI 

 

 

18. BRIEF AAN DE COMMISSIE VOOR VWS  
     
- de verschillen in redenatie over verpleeghuizen en jeugdzorg


Aan de commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Haarlem, 20 februari 2005

Geachte Commissie,

I.v.m.het debat over de verpleeghuizen op 23 februari attendeer ik u op het volgende:

Over zorg voor ouderen en zorg voor jongeren wordt binnen het Ministerie van VWS op zeer verschillende manieren gedacht.
Ouderen: In Trouw van 18 februari 2005 schrijft GroenLinks-Kamerlid Evelien Tonkens in het manifest ‘Ross, red de verpleeghuizen!’ dat uit recent onderzoek van Twijnstra en Gudde en van Berenschot blijkt dat het management van verpleeghuizen overwegend goed is, en de efficiëntie zeer hoog. Deze gegevens zou de staatssecretaris al een half jaar achtergehouden hebben. “Geen wonder: ze ondermijnen haar boodschap, dat het van dit geld prima kan en dat de verpleeghuizen zelf de schuld zijn van ondermaatse zorg.”
Jongeren: Op 31 januari 2004 zegt de staatssecretaris op de televisie in gesprek met Andries Knevel dat veel wat niet goed gaat in de jeugdzorg niet beter zal worden zolang er niet meer geld beschikbaar is.
In Trouw van 14 juni 2004 zegt de staatssecretaris dat jongeren steeds vaker in problemen komen en dat jeugdzorg daarom meer geld en meer bevoegdheden moet krijgen.
Op de vraag van stichting KOG naar welke onderzoeken zij verwijst, antwoordt zij:
“Deze uitlating is niet rechtstreeks op een specifiek onderzoek gebaseerd. Zij is het resultaat van de informatie uit de praktijk die ik opdoe via gesprekken met professionals in de jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg en maatschappelijke opvang en op rapporten naar aanleiding van bijvoorbeeld het dramatische voorval in Roermond.”
(Brief van VWS d.d. 12 augustus kenmerk PG/BB 2.506.935, onderwerp Operatie Jong)
DUS:
Zorg voor (over)grootouders : -
Informatie uit de praktijk onbelangrijk 
                                                (verpleeghuisartsen nemen uit protest tegen ontoereikende zorg ontslag)
                                             
-Onderzoek dat deze informatie ondersteunt wordt achtergehouden
                                              -Beleid is en moet blijven: het ligt aan de praktijk, niet meer geld.
Zorg voor kinderen: -
Informatie uit de praktijk belangrijk (jeugdzorg is steeds meer nodig)
                               -
Onderzoek dat deze informatie ondersteunt maar dat niet bestaat wordt gesuggereerd
                                -
Beleid is en moet blijven: het ligt niet aan de praktijk, meer geld.


18a. ONTVANGSTBEVESTIGING VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VWS



18b. BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN VWS: 
       
- rapporten inspectie jeugdzorg net als rapporten over verpleeghuizen allemaal openbaar?
        

Haarlem, 8 februari 2005

Excellentie,

Op 3 februari jl. heb u in NOVA gezegd, dat alle inspectierapporten betreffende verpleeghuizen openbaar zijn. Dit lijkt ons een goed en belangrijk besluit, aangezien openbaarheid de goedkoopste vorm van kwaliteitsbewaking is.

Wilt u ons laten weten dat vanaf heden alle rapporten van de inspectie jeugdzorg openbaar zijn (liefst op de website van de inspectie), dan wel waarom u daartoe niet zult besluiten?

Met gevoelens van hoogachting,

 

18c. ANTWOORD VAN DE STAATSSECRETARIS

 

18d. BRIEF AAN GROEN LINKS N.A.V. MANIFEST VAN KAMERLID TONKENS
       
(zie nummer 18)

Aan de Tweede Kamer fractie van Groen Links
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Haarlem, 18 februari 2005

Geachte Dames en Heren,

Tot ons genoegen lazen wij hedenmorgen het Manifest van mevrouw Tonkens in Trouw.
Het verwoordt heel duidelijk dat feiten niet alleen-bepalend zijn voor het beleid van VWS.

Bijgesloten treft u de reactie van stichting KOG aan, die gemailed is aan o.a. Trouw. Mevrouw Tonkens heeft deze reactie eveneens per mail ontvangen.

Met vriendelijke groet,


18e. OPEN BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN VWS

Zijn ambtenaren de baas op VWS? Zijn er groepen die strijden om de pot met geld voor zorg?
In zorg voor ouderen en in zorg voor jongeren wordt op zeer verschillende manieren gedacht.

Ouderen:
In Trouw van 18 februari schrijft GL-Kamerlid Evelien Tonkens in het manifest ‘Ross, red de verpleeghuizen!’ dat uit recent onderzoek van Twijnstra en Gudde en van Berenschot blijkt dat het management van verpleeghuizen overwegend goed is, en de efficiëntie zeer hoog. Deze gegevens zou de staatssecretaris al een half jaar achtergehouden hebben. “Geen wonder: ze ondermijnen haar boodschap, dat het van dit geld prima kan en dat de verpleeghuizen zelf de schuld zijn van ondermaatse zorg.”

Jongeren:
Op 31 januari 2004 zegt de staatssecretaris op de televisie dat veel wat niet goed gaat in de jeugdzorg niet beter zal worden zolang er niet meer geld beschikbaar is.
In Trouw van 14 juni zegt de staatssecretaris dat jongeren steeds vaker in problemen komen en dat jeugdzorg daarom meer geld en meer bevoegdheden moet krijgen.
Op de vraag van stichting KOG naar welke onderzoeken zij verwijst, antwoordt zij: “Deze uitlating is niet rechtstreeks op een specifiek onderzoek gebaseerd. Zij is het resultaat van de informatie uit de praktijk die ik opdoe via gesprekken met professionals in de jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg en maatschappelijke opvang en op rapporten naar aanleiding van bijvoorbeeld het dramatische voorval in Roermond.”

Zorg voor ouderen :
Informatie uit de praktijk onbelangrijk (verpleeghuisartsen nemen uit
                                 protest tegen ontoereikende zorg ontslag)
                                
Onderzoek dat deze informatie ondersteunt wordt achtergehouden
                                 Beleid is en moet blijven: het ligt aan de praktijk, niet meer geld.
Zorg voor jongeren:
Informatie uit de praktijk belangrijk (jeugdzorg is steeds meer nodig)
                                
Onderzoek dat deze informatie ondersteunt maar dat niet bestaat
                                 wordt gesuggereerd
                                
Beleid is en moet blijven: het ligt niet aan de praktijk, meer geld.

Zijn ambtenaren nou echt de baas? De staatssecretaris staat voor schut en dupeert door haar beleid grote groepen mensen.

Haarlem, 18 februari 2005
Truus Barendse, secretaris

Opmerking:  
niet geplaatst door Trouw



19. PSYCHOLOOG SUGGEREERT TEN ONRECHTE ONDER 
      NIP-TUCHTRECHT TE VALLEN

Aan het Nederlands Instituut van Psychologen
t.a.v. de weledelgestrenge heer mr R.F. Baneke, directeur-secretaris
Postbus 9921
1006 AP Amsterdam

Haarlem, 1 maart 2005


Geachte Heer,

Een van de donateurs van stichting KOG heeft ons meegedeeld dat mevrouw M. Visser, die ten onrechte volgens het NIP op haar website
www.visser-vanlith.nl nog eind januari 2005 meedeelde dat zij NIP-lid was, op uw verzoek weliswaar de tekst gewijzigd heeft, maar op zodanige wijze dat de verwarring o.i. alleen vergroot wordt.

Het gaat om de volgende wijziging: Lid van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) is veranderd in “Buitengewoon Lid van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP)”.

In een brief d.d. 01-09-2004 schrijft het NIP aan de donateur van KOG:

“Hierbij bevestigen wij dat mevrouw Marieke Visser te Hoorn in het ledenbestaand van het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen) niet voorkomt als lid van de vereniging maar als buitengewoon deelnemer van een sectie of werkgroep. Dit betekent dat werkzaamheden van mevrouw Visser niet vallen onder de Beroepscode voor Psychologen en dat zij niet noodzakelijkerwijs hoeft te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor NIP-lidmaatschap.” 

Wilt u ons laten weten of iemand die geen lid is van het NIP maar wel deelneemt in activiteiten van het NIP zich mag afficheren als buitengewoon lid van het NIP?

Hoogachtend,

19a. REACTIE VAN HET NIP

 

19b. BRIEF AAN NIP
       
- Visser trek zich niets van u aan!

Aan het Nederlands Instituut van Psychologen
t.a.v. de weledelgestrenge heer mr R.F. Baneke, directeur-secretaris
Postbus 9921
1006 AP Amsterdam


Haarlem, 8 augustus 2005


Geachte Heer,

Mevrouw Marieke Visser te Hoorn meldde op haar website www.visser-vanlith.nl  nog eind januari 2005 dat zij NIP-lid was. Ten onrechte, zoals blijkt uit een brief van het NIP d.d.
1 september 2004 aan mevrouw …:
“Hierbij bevestigen wij dat mevrouw Marieke Visser te Hoorn in het ledenbestand van het NIP (…) niet voorkomt als lid van de vereniging maar als buitengewoon deelnemer van een sectie of werkgroep.
Dit betekent dat werkzaamheden van mevrouw Visser niet vallen onder de Beroepscode voor Psychologen en dat zij niet noodzakelijkerwijs hoeft te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor NIP-lidmaatschap.”

Op verzoek van het NIP heeft zij de onjuiste mededeling dat zij NIP-lid was, veranderd.
Zij heeft zich echter vervolgens “Buitengewoon Lid van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP)” genoemd.

Op 11 april 2005 hebt u stichting KOG laten weten dat een buitengewoon deelnemer aan een sectie van het NIP zich niet dient te afficheren als buitengewoon lid van het NIP omdat de term ‘lid’ verkeerde verwachtingen kan scheppen. U zou mevrouw Visser op de hoogte brengen van deze mening.

Heden is ons gebleken dat mevrouw Visser doorgaat op haar website de verkeerde verwachting te scheppen dat zij NIP-lid is, namelijk buitengewoon lid. Mevrouw Visser wekt de indruk dat zij  niet schroomt een onware mededeling te doen en een mededeling te doen die de lezer op het verkeerde been kan zetten:
   -   zich ten onrechte NIP-lid noemen,
   -   betrapt worden en dan de term ‘buitengewoon lid van het NIP’ introduceren,
   -   weer betrapt worden maar de mening van het NIP dat zij hiermee verkeerde
        verwachtingen kan scheppen zonder gevolgen laten.

Mevrouw Visser, op wier werkzaamheden de beroepscode van het NIP niet van toepassing is en die wellicht niet voldoet aan de eisen die gesteld worden aan het NIP-lidmaatschap, profiteert door deze onwaarachtige handelwijze van de respectabiliteit van het NIP.

Stichting KOG verwacht dat het NIP gebruik zal maken van de mogelijkheden die het NIP ten dienste staan om ervoor te zorgen dat een en ander niet zonder consequenties blijft.
Graag worden wij op de hoogte gehouden van de stappen die u zult zetten.

Hoogachtend,



19c. BRIEF AAN NVO

Aan het bestuur van de NVO
Korte Elisabethstraat 11
3511 JG Utrecht

Haarlem, 17 september 2005

Geacht Bestuur,

Handelen van mevrouw Visser, werkzaam bij bureau Visser & Van Lith te Alkmaar, lid van uw beroepsvereniging, doet ons twijfelen aan de waarde van registratie als NVO-lid.

Zij handelt als professional onbegrijpelijk:

  -  Op de website van bureau Visser & Van Lith vermeldde zij aanvankelijk een NIP-
      lidmaatschap. Navraag heeft uitgewezen dat zij geen NIP-lid was; het NIP heeft haar
      verzocht de website te wijzigen. Daarna heeft zij van ‘NIP-lid’ ‘buitengewoon NIP-lid’
      gemaakt. Hierop gewezen heeft het NIP op 11 april 2005 aan stichting KOG geschreven:
      “Een buitengewoon deelnemer aan een sectie van het NIP dient zich niet te afficheren als
      buitengewoon lid van het NIP omdat de term ‘lid’ verkeerde verwachtingen kan scheppen.
      … Ik zal mevrouw Visser op de hoogte brengen van mijn mening.”
      Vandaag, 17 september 2005, meldt de website van bureau Visser & Van Lith
      onveranderd dat mevrouw Visser buitengewoon NIP-lid is.

  -  Mevrouw Visser die niet bevoegd is tot onderzoek levert Leger des Heils, dat voogdijtaken
      uitvoert, een rapportage d.d. 21 juli 2005 van twee gesprekken met een veertienjarig
      meisje, wetend waarvoor deze gebruikt zou gaan worden: als advies van een onafhankelijk
      deskundige ter onderbouwing van een verzoekschrift aan de kinderrechter.
      Op 5 september 2005 zijn de ongefundeerde, want niet op onderzoek gebaseerde,
      beweringen van dit NVO-lid inderdaad gebruikt als deskundigenrapport voor een
      verzoekschrift aan de rechter.

  -   Mevrouw Visser spreekt schimmig over de aard van haar werk:
      * er is geen onderzoek, want tot onderzoek is zij niet bevoegd, zoals zij zelf schrijft in
         haar verweerschrift aan NVO: “Ik ben geen onderzoeker” (maar zij presenteert wel
         resultaten)
      * er was begeleide omgang (maar er is geen dossier)
      * het was toch geen begeleide omgang maar mediation (maar er is geen overeenkomst)
      * het was alleen een gesprek.

Na het eerste contact tussen mevrouw Visser, de moeder en de dochter (begeleide omgang in augustus 2003), heeft de moeder een klacht over mevrouw Visser ingediend bij de NVO.
Uw College van Toezicht heeft op 9 maart 2005 een waarschuwing uitgesproken. Vervolgens heeft de moeder op 6 juni op de niet-gegrond verklaarde punten een klacht ingediend voor uw College van Beroep bij de heer Bosman, uw Directeur. Tijdens de hoorzitting van uw College van Beroep op 31 augustus 2005, die ik als vertrouwenspersoon van de moeder heb bijgewoond, heeft mevrouw Visser verklaard dat zij de heer Bosman had gevraagd of zij ondanks een klacht wel gesprekken met de dochter kon voeren. De heer Bosman zou gezegd hebben dat een klacht geen beletsel was.

Mocht het zo zijn dat de NVO van mening is dat 
-een klacht een NVO-lid niet hoeft te belemmeren om zolang de klacht niet behandeld is door te gaan met dat waarover
 geklaagd is,
-een NVO-lid onderzoeksresultaten mag presenteren zonder onderzoek mits hij de term ‘onderzoek’ of ‘onderzoeksresultaten’
 niet gebruikt
-een NVO-lid een ouder zonder ouderlijk gezag geen inzage in het dossier hoeft te geven
 (in strijd met alleen al art. 1: 377c BW), dan begrijpen wij de kwaliteitsgarantie van het NVO-lidmaatschap voor ouders
 en kinderen niet.

Ik verzoek u stichting KOG mee te delen dat de NVO deze meningen niet is toegedaan, of waarom NVO-lidmaatschap ondanks deze meningen toch garant staat voor betrouwbaar professioneel handelen van pedagogen en onderwijskundigen.


Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)


In kopie aan het College van Toezicht NVO
                    het College van Beroep NVO
                    drs Bosman, directeur NVO
                    het Nederlands Instituut voor Psychologen
                    mevrouw Visser (bureau Visser en Van Lith)

Aan het bestuur van de NVO
Korte Elisabethstraat 11
3511 JG Utrecht


19d. RAPPEL

 
Haarlem, 10 november 2005


Geacht Bestuur,

Op 17 september 2005 heb ik u een brief geschreven met vragen in verband met de waarde van registratie als NVO-lid. Wilt u zo vriendelijk zijn deze brief thans te beantwoorden?

Deze correspondentie zal geplaatst worden op de website van KOG  www.stichtingkog.info  .

Voor uw gemak sluit ik kopie bij van de brief d.d. 17 september.

Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)


In kopie aan het College van Toezicht NVO
                     het College van Beroep NVO
                     drs J.G. Bosman, directeur NVO

 

19e. REACTIE VAN NVO

 

20. BRIEF AAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN  
      -
mogelijkheid politieassistentie bij omgangsbeschikking?

Aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken
Postbus 20011
2500 EA Den Haag
                
Haarlem, 1 november 2004

Geachte Dames / Heren,

Wij wenden ons tot u met het volgende probleem:

Wanneer ouders een omgangsbeschikking van de kinderrechter hebben is het vaak onmogelijk deze te doen uitvoeren. Ik spreek hier in de eerste plaats over ouders die uit elkaar zijn gegaan en elkaars wederpartij zijn geweest bij de rechter, maar ook over ouders die zich tegengewerkt voelen door een (gezins)voogdij-instelling of een pleeggezin. Ouders willen in een dergelijk geval soms een beroep doen op de politie, maar vinden zelden gehoor voor hun wens onder begeleiding van een politiefunctionaris te laten gebeuren wat de rechter heeft bevolen.
Voor het betrokken politiekorps blijkt medewerking meestal “geen prioriteit”.

Stichting KOG zou graag weten:
  -  of er sprake is van landelijk beleid op dit punt
  -  waar wij kennis kunnen nemen van dit beleid indien dit bestaat
  -  waar wij invloed kunnen proberen uit te oefenen om een dergelijk beleid in de door ons
      gewenste richting om te buigen of tot stand te brengen?

Beantwoording van deze vragen zouden wij bijzonder op prijs stellen.

Hoogachtend,


20a. RAPPEL OP BRIEF 20

Aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken
Postbus 20011
2500 EA Den Haag
                
Haarlem, 16 februari 2005

Geachte Dames / Heren,

Op 1 november 2004 heeft stichting KOG u drie vragen voorgelegd i.v.m. het beroep dat ouders mogelijk kunnen doen op de politie als het erom gaat een rechterlijke beschikking over omgang met een kind te doen uitvoeren. Kopie van deze brief gaat hierbij.
Mogen wij nu spoedig een antwoord tegemoet zien?
 
Hoogachtend,


20b. ANTWOORD VAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN OP 
        VRAAG NAAR MOGELIJKHEID VAN POLITIEASSISTENTIE


 

21. BRIEF AAN DE COMMISSIE VOOR JUSTITIE 
      -
op 3 maart aan de Minister van Justitie aangeboden onderzoek: in jeugdzorg weinig respect voor
        wet- en regelgeving

Aan de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Haarlem, 11 maart 2005

Geachte Dames en Heren,

Met het oog op de discussie over jeugdzorg n.a.v. een eventuele strafrechtelijke vervolging van de gezinsvoogd van Savanna  wijzen wij u op de op 3 maart aan Minister Donner aangeboden rapportage over het onderzoeksproject ‘Overtredende Overheden, Op zoek naar de omvang en oorzaken van regelovertreding door overheden’ (ISBN 90 5454 494 5).
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de stuurgroep ‘Handhaven op Niveau’ van het Ministerie van Justitie door de Vrije Universiteit (sector Bestuursrecht) en de B&A Groep.

In de rapportage worden als overheden beschouwd “instanties die bindende beslissingen voor de samenleving kunnen nemen en doorzetten”. Op pag. 80 vermeldt voetnoot 23:
“De instellingen voor jeugdhulpverlening betreffen doorgaans stichtingen, die volledig gesubsidieerd worden door de overheid (met name door de provincie en de rijksoverheid). Omdat ze duidelijk een publieke taak vervullen en ook geheel gefinancierd worden door de overheid, worden de instellingen in dit onderzoek gezien als overheden.”

De volgende passages willen wij in het bijzonder onder uw aandacht brengen:

’De inspectie is in 2002 met twee belangrijke ontwikkelingen geconfronteerd. Ten eerste zijn er diverse onderzoeken geweest naar aanleiding van incidenten, waarbij een brede vorm van reactief toezicht is uitgevoerd. Dit toezicht heeft veel capaciteit opgeslokt en tot het inzicht geleid dat het waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van de zorg voor jeugdigen regelmatig te wensen overlaat.’ (pag. 71)  

’Van strafrechtelijke overtredingen door jeugdzorginstellingen … is in dit onderzoek niet gebleken. De geselecteerde inspectieonderzoeken en interviews wijzen wel op een scala aan overtredingen van de relevante wet- en regelgeving met betrekking tot de jeugdhulpverlening. Hoewel niet beoordeeld kan worden of alle regels doorlopend overtreden worden, kan wel gesteld worden dat de regelnaleving op dit gebied vaak te wensen overlaat. De instellingen leven de normen zelden volledig na.’ (pag. 73)

’De wet- en regelgeving op dit gebied (de Wet op de Jeugdhulpverlening) poogt procedurele waarborgen te geven voor een goed verloop van het hulpverleningsproces door middel van het stellen van regels aan plaatsing van jeugdigen, behandelplannen, evaluaties, betrokkenheid van de ouders et cetera. De overtredingen liggen zodoende in de procedurele sfeer.’
(pag. 73/74)

 ‘Het lijkt er sterk op dat door nagenoeg alle betrokkenen in de jeugdsector, doorgaans onbewust, op een of andere wijze de gelegenheid voor regelovertreding wordt gecreëerd of in stand gehouden. Er is weinig draagvlak voor de regels en een eigen belangenafweging wordt legitiem gevonden. Regelovertreding door instellingen in de jeugdzorg is dus ook eerder toe te schrijven aan een gebrekkig functionerend systeem dan aan incidentele of individuele dwalingen van een instelling.’ (pag. 74)

’De correctiemechanismen binnen het systeem zouden mede moeten worden gevoed door toezicht en handhaving. … Van een stringente aanpak van regelovertreding lijkt geen sprake. De inspectie beschikt over een relatief klein apparaat, heeft weinig ‘harde’ sanctiemiddelen en zoekt naar een andere invulling van het toezicht. …Dit leidt er toe dat soms onvoldoende wordt geïntervenieerd, waardoor de situatie blijft voortbestaan. …
Om deze vicieuze cirkel te doorbreken moet de samenwerking tussen alle betrokkenen in de sector sterk verbeterd worden. Hierbij dienen structurele oplossingen op systeemniveau te worden gezocht met als sluitstuk een daadkrachtige aanpak van overtredingen. Regelovertreding valt in dit verband te zien als een uiting van het disfunctioneren van het systeem.’ (pag. 75/76)

’Regelovertreding brengt de effectiviteit, efficiency en legitimiteit van het overheidsoptreden in het geding.’ (pag. 76)


Wij doen met name een beroep op u om de positie van de Inspectie Jeugdzorg te versterken door uitbreiding van de omvang en door verlening van de bevoegdheid zelfstandig sancties uit te (doen) voeren.
 
Hoogachtend,

(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)

In kopie aan de Hoofdinspectie Jeugdzorg

 

Een soortgelijke brief is verzonden aan de Commissie voor VWS

 

21a. REACTIES VAN DE COMMISSIES VOOR VWS EN VOOR JUSTITIE

 

21b. INGEZONDEN BRIEF AAN TROUW EN NRC 11 maart 2005 (niet geplaatst)

 

Jeugdzorg in Nederland

De Tweede Kamer wil n.a.v. het strafrechtelijk onderzoek naar een gezinsvoogd een onderzoek naar het functioneren van Jeugdzorg in Nederland. In een spoeddebat op 10 maart is de vraag aan de orde geweest of de dood van Savanna een incident was of een gevolg van het systeem. In dit verband wijs ik op het op 3 maart aan Minister Donner aangeboden rapport “Overtredende overheden” van prof. L. Huberts e.a. (ISBN 90 5454 494 5). Enkele citaten:

’Van strafrechtelijke overtredingen door jeugdzorginstellingen … is in dit onderzoek niet gebleken. De geselecteerde inspectieonderzoeken en interviews wijzen wel op een scala aan overtredingen van de relevante wet- en regelgeving met betrekking tot de jeugdhulpverlening. Hoewel niet beoordeeld kan worden of alle regels doorlopend overtreden worden, kan wel gesteld worden dat de regelnaleving op dit gebied vaak te wensen overlaat.’
 ‘Het lijkt er sterk op dat door nagenoeg alle betrokkenen in de jeugdsector, doorgaans onbewust, op een of andere wijze de gelegenheid voor regelovertreding wordt gecreëerd of in stand gehouden. Er is weinig draagvlak voor de regels en een eigen belangenafweging wordt legitiem gevonden. Regelovertreding door instellingen in de jeugdzorg is dus ook eerder toe te schrijven aan een gebrekkig functionerend systeem dan aan incidentele of individuele dwalingen van een instelling.’

’De correctiemechanismen binnen het systeem zouden mede moeten worden gevoed door toezicht en handhaving. … Van een stringente aanpak van regelovertreding lijkt geen sprake. De inspectie beschikt over een relatief klein apparaat, heeft weinig ‘harde’ sanctiemiddelen en zoekt naar een andere invulling van het toezicht. …Dit leidt er toe dat soms onvoldoende wordt geïntervenieerd, waardoor de situatie blijft voortbestaan. …
Om deze vicieuze cirkel te doorbreken moet de samenwerking tussen alle betrokkenen in de sector sterk verbeterd worden. Hierbij dienen structurele oplossingen op systeemniveau te worden gezocht met als sluitstuk een daadkrachtige aanpak van overtredingen.’

’Regelovertreding brengt de effectiviteit, efficiency en legitimiteit van het overheidsoptreden in het geding.’

 

22. INTERVIEW MET HOOFDINSPECTEUR JEUGDZORG IN JUSTITIE MAGAZINE 
      -
jeugdzorg ontbeert kwaliteit en criteria
(december 2004)

Opmerking:
Justitie Magazine
beleidsinformatieblad van het Ministerie van Justitie
gratis abonnement schriftelijk aanvragen bij
Ministerie van Justitie, directie Voorlichting, t.a.v. secretariaat, Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

22a. INGEZONDEN BRIEF AAN NRC 30 MAART 2005
      -
jeugdzorg ontbeert opleidingen en criteria

Heel veel zorgen

In NRC van 29 maart staan twee artikelen ‘Maak de Jeugdzorg minder machtig’ en ‘Vechten om een kind bij de moeder weg te houden’. In beide artikelen worden schrijnende gevallen beschreven van kinderen die na een uithuisplaatsing terug moesten naar incompetente ouders.

Ik zou uit de praktijk van ouderorganisatie Kinderen-Ouders-Grootouders schrijnende gevallen kunnen beschrijven van kinderen die niet terug mochten naar ouders die de problemen grondig opgeruimd hadden.

Wat is de conclusie? Het ontbreken van criteria voor ondertoezichtstelling, zelfs voor uithuisplaatsing en terugkeer naar huis, is slecht voor iedereen: voor kinderen en hun ouders en voor de werkers in de jeugdzorg, denk aan de gezinsvoogd van Savanna. In het proefschrift ‘Rechtvaardiging van kinderbescherming’ betwijfelt mevrouw Bruning zelfs of de open normen in de Nederlandse wetgeving m.b.t. maatregelen van kinderbescherming niet botsen met ‘sufficient precision’, waartoe het EVRM verplicht.
Niet alleen criteria ontbreken, ook de opleiding voor gezinsvoogd ontbreekt. Deze neemt zonder criteria beslissingen die soms voorgelegd moeten worden aan de rechter, die weer voornamelijk oordeelt op grond van het rapport van de gezinsvoogd.

Het VU-onderzoek ‘909 zorgen’ (2002) zegt: “De opleiding tot gezinsvoogd is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden veelal opleidingen met een brede basiskennis. Dat is niet genoeg om als gezinsvoogd aan de slag te kunnen. Bovendien komen veel gezinsvoogden uit andere opleidingen en uit minder verwante werksoorten. De opleidingsroute … leidt een kommervol bestaan. Sommige gezinsvoogdij-instellingen zijn uit arren moede een eigen opleidingstraject begonnen en bij andere instellingen ontbreekt een systematisch aanbod.”
En niet alleen ontbreken opleidingen en inhoudelijke criteria, de veelal procedurele normen en regels voor jeugdzorg worden op bepaalde onderdelen massaal overtreden. “Ze worden als bureaucratisch en onverstandig gezien en het lijkt bijna gebruik in deze een ‘eigen afweging’ te maken. … Voor de provincies en de grootstedelijke regio’s geldt dat de aandacht voor de jeugdsector niet in alle organisaties even groot is. … Het niveau van handhaving door deze overheden is sterk wisselend. Er is vaak nog geen echte handhavingscultuur.” (L. Huberts e.a.; Overtredende overheden; 2005) De Inspectie Jeugdzorg is onderbemand, heeft geen reële bevoegdheid en ziet keer op keer haar aanbevelingen in de wind geslagen.
In dezelfde krant is er aandacht voor schadeclaims in de medische sector. Wanneer zullen de eerste ouders hun schadeclaims neerleggen bij de sinds 1 januari voor jeugdzorg verantwoordelijke Provincies?

Truus Barendse, secretaris stichting Kinderen-Ouders-Grootouders

Opmerking:  
niet geplaatst door NRC

 

23  BRIEF AAN BJZ FRIESLAND d.d. 2 februari 2005 
    
- over financiële verplichtingen bij uithuisplaatsing

 

Aan Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland
Postbus 312
8901 BC Leeuwarden



Haarlem, 2 februari 2005


Geachte Dames/Heren,

Van donateurs hebben wij uw informatieblad ‘Financiële zaken ten tijde van een ondertoezichtstelling’ toegezonden gekregen. Dit roept bij ons enkele vragen op:

1) Wij lezen hierin dat u ouders aansprakelijk houdt voor de schoolkosten voor uit huis geplaatste kinderen.
Stichting KOG heeft op de website
www.stichtingkog.info  de informatie geplaatst dat ouders bij uithuisplaatsing alleen verplicht zijn de ouderbijdrage LBIO te betalen. Indien dit onjuist is, willen wij dit zo snel mogelijk herstellen.
Op grond van welke wet of regel blijven ouders van uit huis geplaatste kinderen verantwoordelijk voor de schoolkosten van hun kinderen?

2) “Bij een uithuisplaatsing is het mogelijk dat uw kind bij u meeverzekerd blijft. U dient er dan ook zelf voor te zorgen dat uw kind bij een uithuisplaatsing verzekerd is tegen ziektekosten. …”
Houdt dit in dat St. Bureau Jeugdzorg Friesland uit huis geplaatste kinderen alleen verzekert tegen ziektekosten indien de ouders meegedeeld hebben niet langer de verzekering tegen ziektekosten te betalen?

3) Verzekert St. Bureau Jeugdzorg Friesland uitsluitend ziektekosten, of welke andere risico’s verzekert St. Bureau Jeugdzorg Friesland voor uit huis geplaatste kinderen?

Ik hoop dat u bovenstaande drie vragen voor ons wilt beantwoorden.
 
Met vriendelijke groet,

 

23b. BRIEF AAN BJZ OVERIJSSEL MET TWEE VRAGEN  (ook aan de andere Bjz's verzonden)
      - worden ouders duidelijk ingelicht over hun financiële verplichtingen bij een uithuisplaatsing
      - worden ouders duidelijk ingelicht over de voorwaarden om een uithuisplaatsing te beëindigen?

 

Aan de Directie van Bureau Jeugdzorg Overijssel
Postbus 568
8000 AN Zwolle



Betreft: financiële bijdragen voor uit huis geplaatste kinderen, en
             voorwaarden beëindiging beschermingsmaatregel

Haarlem, 4 april 2005

 

Geachte Directie,

Stichting KOG heeft op dit moment twee vragen die wij u in één brief voorleggen.

Vraag 1) Benadert Bjz Overijssel ouders van uit huis geplaatste kinderen om bijdragen in de voor deze kinderen gemaakte / te maken kosten van hen te krijgen, en zo ja, maakt u volkomen helder dat behalve de bijdrage aan het LBIO geen gelden verplicht zijn?

Vraag 2) Behoort standaard tot de werkwijze van Bjz Overijssel schriftelijk vast te leggen wat een gezagdragende ouder kan doen om de beschermingsmaatregel te doen eindigen of
– indien van toepassing – om een verderstrekkende maatregel af te wenden?

Wij zullen beantwoording van deze vragen zeer op prijs stellen. Deze brief en uw reactie plaatsen wij op website www.stichtingkog.info .

In deze envelop vindt u een stapeltje folders waaruit duidelijk wordt wat KOG is en doet.
Wij hopen dat u deze een plek zult laten geven in uw foldermolen. Als u meer exemplaren wilt ontvangen, sturen wij u die graag toe.

Met vriendelijke groet,

 

23c. REACTIES VAN BUREAUS JEUGDZORG 



24 BRIEF AAN HET INFORMATIE EN KLACHTENBUREAU GEZONDHEIDSZORG
    - bedreiging privacy aan alle kanten (zie ook brief 12)

 

Aan het Informatie- en Klachtenbureau Gezondheidszorg
Kaap Hoorndreef 38
3563 AV Utrecht


Haarlem, 11 februari 2005


Geachte Dames / Heren,

Van een donateur hebben wij kopie gekregen van een formulier dat zij moest invullen volgens de Thuiszorgorganisatie waar zij na indicatiestelling een beroep op had gedaan voor uitsluitend huishoudelijke hulp i.v.m. ziekte. Door invulling en ondertekening van het formulier zou zij de Thuiszorgorganisatie machtigen om haar medische dossiers in te zien en overleg te voeren met haar artsen. Telefonisch contact met de Thuiszorgorganisatie leerde haar dat er geen sprake was van een misverstand. Er werd zelfs gedreigd dat zij geen huishoudelijke hulp zou krijgen als zij haar privacy beschermde. Toen zij voet bij stuk hield en het duidelijk werd dat zij het er niet bij zou laten, is de organisatie overstag gegaan: geen inzage of overleg, wel huishoudelijke hulp. De Landelijke Vereniging voor Thuiszorg heeft ons inmiddels gemeld dat e.e.a. geen initiatief is van de LVT.

Van de gemeente Leeuwarden hebben wij een CD-ROM ontvangen waarmee scholen informatie van gemeente-instellingen (GGD, schoolarts) over hun leerlingen kunnen raadplegen. Wij hebben op 29 oktober 2004 het College bescherming persoonsgegevens de CD-ROM gestuurd, maar op onze brief nog geen reactie ontvangen.

Een en ander verontrust ons zeer. Medische gegevens komen achter de rug van betrokkenen om in handen van mensen die op geen enkele wijze bij een behandeling zijn betrokken en ook niet de scholing hebben om de gegevens op de juiste wijze te interpreteren.
Het leek ons juist u hiervan in kennis te stellen.

Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)


Bijlage: brief d.d. 29 oktober 2004 aan het College bescherming persoonsgegevens
In kopie aan het CBP  

 

24a. NIEUWSBRIEF CBP 
       
over o.a. bovengenoemd onderwerp


----- Original Message -----
From: College bescherming persoonsgegevens <nieuwsbrief@cbpweb.nl>
To: CBP nieuwsbrief <nieuwsbrief@cbpweb.nl>
Sent: Thursday, June 23, 2005 2:08 PM
Subject: 23 juni 2005: Het gebruik van medische gegevens


CBP Nieuwsbrief, 23 juni 2005

Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) attendeert u op de volgende
berichten:


* Het gebruik van medische gegevens

Het CBP heeft drie nieuwe informatiebladen uitgebracht over het gebruik van
medische gegevens. Ze zijn bestemd voor zowel hulpverleners als patiënten.
Met de informatiebladen wil het CBP antwoord geven op veel voorkomende
vragen op het gebied van het medisch beroepsgeheim, de bewaartermijn van
medische gegevens, het elektronisch patiëntdossier, wetenschappelijk
onderzoek, beveiliging van het medisch dossier en de rechten van patiënten.
http://www.cbpweb.nl/documenten/med_20050623_inf_med_gegevens.shtml

------------

* Advies wijziging Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

Het voorstel tot wijziging van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens moet meer duidelijkheid verschaffen over de voorwaarden
waaronder gemeenten gegevens aan ‘vrije derden’ zoals incassobureaus, banken
en verzekeraars mogen verstrekken. Het CBP adviseert de Minister voor
Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijkrelaties (BVK) expliciete uitspraken
te doen over de mogelijkheid voor gemeenten om gegevens uit de gemeentelijke
basisadministratie (GBA) te verstrekken aan vrije derden.
http://www.cbpweb.nl/documenten/med_adv_z2005-0527.shtml

------------

* Minister moet noodzaak verstrekken informatie over
persoonlijkheidsstoornissen nader onderbouwen

Het CBP heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om
toelichting gevraagd over de noodzaak om het gegeven
‘persoonlijkheidsstoornis’ aan zorgkantoren te verstrekken. Bij de
verlengingsaanvraag van het aantal zittingen psychotherapie van cliënten met
een persoonlijkheidsstoornis, wil het zorgkantoor de
persoonlijkheidsstoornis en de classificatie hiervan, de zogenaamde DSM IV,
weten.
http://www.cbpweb.nl/documenten/med_uit_z2004-1710.shtml


---------------
Over het CBP

Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) houdt -onder de Wet
bescherming persoonsgegevens (WBP)- toezicht op de naleving van wetten die
het gebruik van persoonsgegevens regelen. Bij het CBP moet het gebruik van
persoonsgegevens worden gemeld, tenzij hiervoor een vrijstelling geldt.

Het CBP adviseert de regering en organisaties over de bescherming van
persoonsgegevens en onderwerpen die daarmee samenhangen. Het CBP toetst
gedragscodes en bemiddelt in geschillen tussen burgers en gebruikers van
persoonsgegevens. Op eigen initiatief of op verzoek van een belanghebbende
kan het CBP onderzoeken of de manier waarop persoonsgegevens in een bepaalde
situatie zijn gebruikt, in overeenstemming is met de wet en daaraan zonodig
gevolgen verbinden. Voor in gebreke blijven bij de melding kan een boete
worden opgelegd. Bij overtreding van de wet of daarop gebaseerde regelingen
kan het CBP overgaan tot bestuursdwang of een dwangsom opleggen. Meer
informatie vindt u op http://www.cbpweb.nl.
---------------

Voor contact met het CBP kunt u gebruik maken van mailto:info@cbpweb.nl. Een
direct antwoord op deze e-mail wordt niet verwerkt. Aan- en afmelden kunt u
via http://www.cbpweb.nl/indexen/ind_nieuwsbrief.shtml

 

25 BRIEF AAN AJL
     -
vraag over verplichting gezinsvoogd

Aan de heer D.J. van den Hoek 
directeur van Leger des Heils / Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL)
Plesmanstraat 2
3833 LA Leusden
 

Haarlem, 14 juni 2005


Geachte Heer,

In de Leeuwarder Courant van 10 juni lees ik in het artikel ‘Britsumers vechten voor gezag over kinderen’, dat de gezinsvoogd in dienst van het AJL verplicht is een zwangerschap te melden bij het AMK indien in het gezin al een kind uit huis is geplaatst.

Ik zou het zeer op prijs stellen als u KOG zou laten weten of
-         deze mededeling juist is
-         zo ja, of deze verplichting berust op een interne regeling van het AJL, dan wel
-         op welke regelgeving deze verplichting berust.

Met vriendelijke groet,

 

25a. REACTIE OP DE BRIEF VAN 14 JUNI

25b. HERHALING VAN DE VRAAG VAN 14 JUNI

Aan de heer D.J. van den Hoek, directeur van Leger des Heils / Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL)
Plesmanstraat 2
3833 LA Leusden

Haarlem, 29 juni 2005


Geachte Heer,

Uw brief d.d. 28 juni 2005 heb ik in goede orde ontvangen.
In de brief van stichting KOG d.d. 14 juni 2005 wordt geen informatie gevraagd over het gezin in het artikel ‘Britsumers vechten voor gezag over kinderen’ in de Leeuwarder Courant van 10 juni 2005, maar informatie over regelgeving. Ik sluit kopie van de brief van 14 juni bij, en verzoek u de vragen alsnog te beantwoorden.

Met vriendelijke groet,


In kopie aan mevrouw P. van Kempen, redactie Leeuwarder Courant

 

25c 'ANTWOORD' OP DE VRAAG

 

26 INGEZONDEN BRIEF AAN TROUW d.d. 23 juni 
    
- n.a.v. berichtgeving over internationale kinderontvoering

Pappen en nathouden is niet genoeg

Reageert de Tweede Kamer voornamelijk op spectaculaire gebeurtenissen? De Kamer wil volgens Trouw van 23 juni dat de regering hard optreedt tegen landen die niet meewerken aan de terugkeer van ontvoerde kinderen. 
Een van de redenen om kinderen te ontvoeren is (dreiging van) verbreking van contact tussen kind en ouder. Als contactverbreking een plaats krijgt in het wetboek van strafrecht zoals in België al gebeurd is, is de relatie van duizenden kinderen met allebei hun ouders beschermd. Uiteraard is bijvoorbeeld mediation van groot belang, maar een sanctie als een verzorgende ouder zonder reden die de rechter overtuigt omgang blijft weigeren is onontbeerlijk. Pappen en nathouden is niet genoeg, om met Van Bommel te spreken (hij doelde alleen op internationale ontvoering). Nationale ontvoering, en frustrering van de omgang zonder dat verzorgende ouder en kind verhuizen, is nog altijd iets waarmee men weg komt door het een te beloven en daarna toch weer het ander te doen. Regering en Kamer reageren op die situatie met alleen maar pappen en nathouden.
Bescherm omgang op dezelfde manier en met dezelfde middelen als onttrekking aan het ouderlijk gezag. Dat zal voor duizenden kinderen de relatie met allebei hun ouders beschermen en veel gevallen van eigenrichting voorkomen, waaronder internationale ontvoering.

Truus Barendse, secretaris stichting Kinderen-Ouders-Grootouders



27.  GAAN WE TERUG NAAR AF WAT BETREFT EXTERNE ONDERZOEKEN?


Aan de Forensisch Psychiatrische Dienst
Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag


Haarlem, 20 mei 2005


Geachte Dames en Heren,

Wij hebben vernomen dat de FPD, die momenteel onderzoeken verricht i.v.m. problemen in het veld van jeugdzorg en familierecht, deze onderzoeken kan laten verrichten door psychologen en pedagogen die daartoe door de FPD worden aangezocht of die zich bij de FPD hebben gemeld.

Wilt u stichting KOG laten weten dat
  -  de FPD de door het Ministerie van Justitie vastgestelde Richtlijnen voor het (laten) verrichten van extern onderzoek, die deel uitmaken van het Normenrapport Raad voor de Kinderbescherming, onverkort hanteert
  -  de FPD erop toeziet dat de in dienst van of in opdracht van de FPD werkende psychologen en pedagogen deze Richtlijnen onverkort hanteren?

Wilt u stichting KOG voorts laten weten
  -  welke maatregelen de FPD heeft genomen om te bevorderen dat deze Richtlijnen bij de betrokken psychologen en pedagogen bekend zijn?
  -  welke eisen de FPD stelt aan de betrokken psychologen en pedagogen behalve een doctoraal-diploma in hun vakgebied?

Deze brief en uw reactie zullen wij plaatsen op www.stichtingkog.info

Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)

In kopie aan het NIP en de NVO

 

27a. REACTIE VAN DE FORENSISCH PSYCHIATRISCHE DIENST

 

 

28. INGEZONDEN BRIEF AAN DE TELEGRAAF d.d. 9 augustus 2005
      -
De Telegraaf geeft verkeerd beeld van ouders in jeugdzorg en overdrijft aantallen (niet geplaatst)

Schrikbarend

In De Telegraaf van 6 augustus staat het artikel ‘Thuissituatie 160.000 gevallen schrikbarend’ dat een verkeerd beeld geeft van ouders in Nederland en de klanten van de Bureaus jeugdzorg in het bijzonder:
1) “Het aantal ouders dat aanklopt bij Bureau Jeugdzorg omdat ze de opvoeding van hun kinderen niet aan kunnen, stijgt dramatisch. In vijf jaar is het aantal noodkreten om hulp van ontspoorde ouders en kinderen met dertig procent toegenomen.”

Met de Wet op de jeugdzorg en de Bureaus jeugdzorg in alle provincies is er nu juist één laagdrempelige toegang tot opvoedingsadvies en -hulp geschapen. Veel scholen maken reclame voor opvoed-spreekuren van de GGD, die vooral bedoeld zijn om door te verwijzen naar Bureau jeugdzorg. Het zijn niet “ontspoorde ouders” die hier gebruik van maken, er is ook lang niet altijd sprake van “noodkreten om hulp”. De bedoeling van de Bureaus jeugdzorg is nu juist het niet zo ver te laten komen.

2) Het wordt almaar erger: “Inmiddels wonen zeker 160.000 kinderen in een huis waar de situatie problematisch tot onhoudbaar is. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechter dan ook steeds vaker om een beschermingsmaatregel.”

Volgens het Jaarbericht 2004 van de Raad voor de Kinderbescherming heeft de Raad in 2004 voor 7.115 minderjarigen een beschermingsmaatregel verzocht. Het artikel meldt zelf ook dat er in de eerste 4 maanden van 2005 2400 verzoeken om een beschermingsmaatregel gedaan zijn. Zou de Raad nu werkelijk tienduizenden kinderen onbeschermd laten “in een huis waar de situatie problematisch tot onhoudbaar is”?

Truus Barendse, secretaris stichting Kinderen-Ouders-Grootouders

 



29. BRIEF AAN BUREAU JEUGDZORG FRIESLAND D.D. 23 SEPTEMBER 2005
      -
kan een uit huis geplaatste minderjarige zomaar zelf de uhp opheffen?

 

Aan de Directie van Bureau Jeugdzorg Friesland
t.a.v. de directeur a.i., de heer G. van Hofwegen
Postbus 312
8901 BC Leeuwarden


Haarlem, 23 augustus 2005


Geachte Heer,

Vorige week werd stichting KOG door de familie H., op de hoogte gesteld van de verontrustende gang van zaken m.b.t. hun van huis weggelopen en daarna uit huis geplaatste dochter ….

De ouders berichten als volgt:
Zonder deugdelijk onderzoek naar mishandeling of verwaarlozing wordt het kind onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een pleeggezin.
De ouders mogen zich vervolgens nergens meer mee bemoeien.
De zestienjarige dochter loopt weg uit het pleeggezin en trekt in bij een vriendje van begin 20.
De gezinsvoogdes meldt de moeder telefonisch:
1) de ouders hoeven geen LBIO-bijdrage meer te betalen omdat het kind niet langer verblijft
     in een door Bjz aangewezen voorziening
2) de ouders zijn nu weer volledig verantwoordelijk voor dit kind, dus ook financieel
3) de ondertoezichtstelling zal niet worden opgeheven.

Wilt u de familie H. laten weten of Bureau Jeugdzorg Friesland stappen zal ondernemen om niet alleen de uithuisplaatsing, maar ook de ondertoezichtstelling op te heffen, zo nee, waarom niet. Wilt u de familie H. bovendien meedelen wanneer van de beëindiging uithuisplaatsing melding is gedaan aan de raad voor de kinderbescherming.

Wilt u stichting KOG laten weten of het beleid van Bjz Friesland i.v.m. van huis weggelopen kinderen overeenkomt met de hierboven geschetste gang van zaken.

Wij hopen uiteraard dat dit een uitzonderlijk geval is:
  -  zonder deugdelijk onderzoek uithuisplaatsing tegen de wil van de ouders die Bjz Friesland
      laat voortduren
  -  wanneer het kind zich tegenover Bjz Friesland net zo gedraagt als tegenover de ouders
      (om eigen wil door te zetten weglopen) uit onmacht uhp beëindigen, kind en ouders
      achterlatend met een verstoorde relatie
  -   geen verzoek opheffing ondertoezichtstelling naar de Kinderrechter, hoewel Bjz Friesland
      dus niets vermag t.o.v. het kind en het enige resultaat van deze ots wellicht de
      subsidiepositie van Bjz Friesland kan zijn.


Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)


In kopie aan de familie H.
                   
het College van Gedeputeerde Staten van Friesland
                    de Hoofdinspectie Jeugdzorg

 

29a. BRIEF AAN MOEDER VAN BUREAU JEUGDZORG FRIESLAND 
        -
betaalt voor wegloopster zodat zij ook na opheffing uhp kan doen wat haar ouders 
         niet goed vinden

 

 

29b. REACTIE VAN DE MOEDER OP 29a