|
Verzonden
en ontvangen stukken
Iedereen mag alle teksten uit deze
map overnemen
Verwerkt vanaf 2005
1 brief aan
Marijnissen (SP) d.d. 7 januari 2005 over structurele fouten in jeugdzorg
2 antwoord van justitie d.d. 3
januari 2005 op brief d.d. 19 oktober 2004 (zie
nr 12 in 2004)
3 ingezonden brieven over AWBZ (aansluitend
bij nr 2 in 2004)
3a ingezonden brieven over jeugdzorg
4 antwoord van AKJ d.d. 27
december 2004 op brief d.d. 27 augustus 2004
(aansluitend bij nr 14 in 2004)
4a reactie van KOG d.d. 30 december
2004
4b reactie per e-mail van BKJ d.d. 30
november 2004 op brief d.d. 26 november van KOG
(vgl. brief aan AKJ d.d. 27 augustus)
4c antwoord per mail van directeur AKJ op
brief van 30 december 2004
4d 1 - visiedocument AKJ
2 - gedragscode vertrouwenspersonen AKJ
3 - taak- en functieomschrijving
Vertrouwenspersoon AKJ
4e verzoek aan AKJ d.d. 20 mei 2005 om
nadere informatie over dubbelfunctie medewerkers
4f reactie d.d. 26 mei op bovenstaande
brief
4g brief aan AKJ d.d. 29 augustus 2005 over
vertrouwelijkheid en onafhankelijkheid
4h antwoord d.d. 7 september op 4g
4i nieuwe vragen over vertrouwelijkheid en
onafhankelijkheid d.d. 9 september 2005
4j antwoord d.d. 27 september op 4i
4k gesprek met AKJ op 12 oktober 2005
5 commentaar op beleidskader
jeugdzorg
6 informatie verzonden aan de
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling op 23 september 2004
6a nieuwe informatie voor de Raad
voor Maatschappelijke Ontwikkeling op 12 maart 2005
7 brief aan het CDA d.d. 24
september 2004
- niet meer geld naar jeugdzorg zonder
kwaliteitscriteria en -handhaving
7a brief aan de PvdA d.d. 28
september 2004
- niet meer geld naar jeugdzorg zonder
kwaliteitscriteria en -handhaving
8 brief aan Stichting
Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector d.d. 25 september 2004
- gebrek aan kwaliteitscriteria in jeugdzorg
9 brief aan het Centraal
Medisch Tuchtcollege d.d. 28 september 2004
- mogelijkheid kind te behandelen op verzoek van
uitsluitend één ouder met gezag
10 brief aan de Minister van Justitie
d.d. 1 oktober 2004
- de zgn. besloten plaatsing
11 brief aan het CBP d.d. 29 oktober
2004
12 brief aan de Landelijke Vereniging
voor Thuiszorg d.d. 9 augustus 2004 (zie ook
brief 24)
- n.a.v. artikel in Perspectief over
omzeilen van beroepsgeheim
12a telefonische reactie van de LVT: is
allemaal misverstand
13 brief aan Bureaus jeugdzorg
- stimuleert u beroepsregistratie voor uw
maatschappelijk werkers niet?
13a reactie van Bureaus jeugdzorg
14 rappel d.d. 1 november 2004 aan
regeringscommissaris jeugd- en jongerenbeleid
op brieven van KOG van maart en april 2004 (aansluitend
bij nr 10 2004)
14a reactie regeringscommissaris jeugd- en
jongerenbeleid
14b reactie van Groningen en Zuid-Holland
op vraag over privacy (aansluitend bij nr 10 2004)
15 brief aan provincie Limburg d.d.
15 november 2004 (ook aan de andere provincies
verzonden)
- zittingen
i.v.m. klachtbehandeling openbaar?
15a reactie van provincie Limburg
15b brief aan provincie Limburg in reactie
op brief 15a
15c telefonische reactie van de provincie
Overijssel op de vraag naar openbare klachtbehandeling
15d reactie van de provincie Zuid-Holland
15e brief aan Zuid-Holland in reactie op
brief 15d
15f reacties van Friesland,
Rotterdam, Groningen, ROA, Noord-Holland, Haaglanden, Noord-Brabant,
Flevoland, Limburg
16 brief aan Bureau Jeugdzorg
Friesland d.d. 2 februari 2005
- kosten voor uit huis geplaatste kinderen
16a antwoord van Bjz Friesland d.d. 31
maart 2005
16b brief aan Bureau jeugdzorg Friesland
d.d. 19 september 2005
- wat moeten ouders van uit huis geplaatste
kinderen betalen? (zie ook brief 16)
17 brief aan Utrecht
- eisen aan indicatiesteller in
Bureau jeugdzorg (ook aan de andere
provincies verzonden)
17a antwoord van Overijssel, Noord-Holland,
Utrecht, Haaglanden
17aa n.a.v. het antwoord van Stadsregio
Rotterdam is
de volgende brief aan VWS
verzonden d.d. 13 april 2005
17ab antwoord van VWS d.d. 28 april op 17aa
17ac brief aan Rotterdam n.a.v. antwoord
van VWS
- u had groot gelijk!
17b voor een antwoord is doorverwezen naar
Bureau jeugdzorg door
Friesland, Flevoland, Limburg, ROA
17c nadere vraag n.a.v. reacties
17d reacties van Bureau jeugdzorg Limburg
en ROA
17e brief aan NIP d.d. 9 mei 2005 (soortgelijke
brief ook aan NVO verzonden)
- is handelwijze van voor de
indicatiestelling verantwoordelijke psycholoog
in overeenstemming met
beroepscode?
17ee antwoorden van NIP en NVO
17f brief aan Landelijke Commissie
Toezicht Indicatiestelling d.d. 9 mei 2005
17g reactie van LCTI
17h antwoord van KOG op 17g
17i antwoord van LCTI
18 brief aan de commissie voor
VWS
- de verschillen in redenatie over
verpleeghuizen en jeugdzorg
18a ontvangstbevestiging van de vaste
commissie voor VWS
18b brief aan de Staatssecretaris van VWS:
rapporten inspectie jeugdzorg net als rapporten over
verpleeghuizen allemaal openbaar?
18c antwoord van de Staatssecretaris van
VWS
18d brief aan Groen Links n.a.v. manifest
van kamerlid Tonkens (zie nummer 18)
18e open brief aan de Staatssecretaris van
VWS
19 brief aan NIP
- 'psycholoog' Visser suggereert ten
onrechte onder NIP-tuchtrecht te vallen
19a reactie van het NIP
19b brief aan NIP: Visser trekt zich niets
van u aan!
19c brief aan NVO
19d rappel
19e reactie van NVO
20 brief aan het Ministerie van
Binnenlandse Zaken
- mogelijkheid
de politie assistentie te vragen bij realiseren omgangsbeschikking
20a rappel op brief 20
20b antwoord van het Ministerie van
Binnenlandse Zaken op de vraag naar mogelijke politieassistentie
21 brief aan de commissie voor
justitie
- op 3 maart aan de Minister van Justitie
aangeboden onderzoek wijst uit
dat er in jeugdzorg weinig
respect is voor wet- en regelgeving
21a reacties van de commissies voor VWS en
Justitie
21b ingezonden brief aan Trouw en NRC
11 maart 2005 (niet geplaatst)
22 interview met
hoofdinspecteur jeugdzorg in Justitie Magazine december 2004
- jeugdzorg ontbeert kwaliteit en criteria
22a ingezonden brief aan NRC 30 maart
2005
- jeugdzorg ontbeert opleidingen en
criteria (niet geplaatst)
23 brief aan Bjz Friesland d.d. 2
februari 2005 over financiële verplichtingen bij uithuisplaatsing
23b brief aan Bjz Overijssel met twee
vragen (ook aan de andere Bjz's verzonden)
- worden ouders duidelijk ingelicht over
hun financiële verplichtingen bij een uithuisplaatsing
- worden ouders duidelijk ingelicht over de
voorwaarden om een uithuisplaatsing te beëindigen?
23c reacties van Bjz's
24 brief aan het Informatie en
Klachtenbureau Gezondheidszorg d.d. 11 februari 2005
- bedreiging privacy aan alle kanten (zie
ook brief 12)
24a nieuwsbrief CBP d.d. 23 juni over o.a.
bovengenoemd onderwerp
25 brief aan AJL met vraag over
verplichting gezinsvoogd d.d. 14 juni
25a reactie op de brief van 14 juni
25b herhaling van de vraag van 14 juni
25c 'antwoord' op de vraag
26 ingezonden brief aan Trouw d.d. 23
juni n.a.v. berichtgeving over internationale kinderontvoering
(niet geplaatst)
27 brief aan de Forensisch
Psychiatrische Dienst d.d. 20 mei 2005
- gaan we terug naar af wat betreft externe
onderzoeken?
27a reactie van de Forensisch
Psychiatrische Dienst
28 ingezonden brief aan De Telegraaf
d.d. 9 augustus 2005
- De Telegraaf
geeft verkeerd beeld van ouders in jeugdzorg en overdrijft aantallen (niet
geplaatst)
29 brief aan Bureau jeugdzorg
Friesland d.d. 23 september 2005
-
kan een uit huis geplaatste minderjarige zomaar zelf de uhp opheffen?
29a
brief aan moeder van Bjz Friesland
- betaalt voor wegloopster zodat zij ook na
opheffing uhp kan doen wat haar ouders
niet goed vinden
29b
reactie van de moeder op 29a (zie ook map Uw
verhaal)
29c
reactie van de Inspectie jeugdzorg
30
brief aan Zuid-Holland d.d. 2 september 2005 (ook
aan de andere provincies verzonden)
- meldweek Jeugdzorg: volg Gronings voorbeeld (zie
map Actualiteit)
30a
reacties van de provincies
30b
brief aan cliëntenraad Bjz Friesland d.d. 30 september 2005
31
ingezonden brief aan Trouw over Bjz Noord-Holland d.d. 12 december 2005
1. BRIEF AAN MARIJNISSEN (SP)
- structurele fouten in jeugdzorg
Haarlem, 7 januari 2005
Geachte Heer,
Op
2 januari hebben wij u in het programma Buitenhof gezien. Uw woorden
hebben bij ons de gedachte doen postvatten, dat wij bij u gehoor zullen
vinden voor een structureel probleem.
Per 1 januari 2005 is de Wet op de jeugdzorg van kracht geworden; na twee
jaar zal de wet worden geëvalueerd. Wij vinden het echter onverantwoord
de fouten die van de Wet op de jeugdhulpverlening overgegaan zijn naar de
Wet op de jeugdzorg weer twee jaar te laten bestaan. Het betreft vooral de
volgende kwesties:
Waarborgen
voor kwaliteitstoetsing en –handhaving kent jeugdzorg niet.
Dat is geen wonder, want er bestaan nog geen kwaliteitscriteria. In de
gezondheidszorg zijn de opleidingen inhoudelijk minutieus beschreven en is
kwaliteit van werk dus in principe goed te beoordelen. In de jeugdzorg is
nauwelijks sprake van opleidingen. Op de Bureaus jeugdzorg heeft het
merendeel van de medewerkers een opleiding op mbo-niveau. Ook in
ziekenhuizen werken veel mensen op mbo-niveau, maar de mbo-opleiding tot
verpleegkundige is gedetailleerd vastgelegd, omvat concrete en toetsbare
vaardigheden.
In 2002 is een rapport van de Vrije Universiteit verschenen: ‘909
zorgen’.
“De opleiding tot gezinsvoogd is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden
veelal opleidingen met een brede basiskennis. Dat is niet genoeg om als
gezinsvoogd aan de slag te kunnen. …
De opleidingsroute die de gezinsvoogdij-instellingen … realiseren leidt
een kommervol bestaan. Sommige gezinsvoogdij-opleidingen zijn uit arren
moede een eigen opleidingstraject begonnen en bij andere instellingen
ontbreekt een systematisch aanbod.” (pag. 82)
Voor de jeugdzorg bestaat het Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening
en het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij en gezinsvoogdij, beide
AmvB’s bij de Wet op de Jeugdhulpverlening; deze betreffen procedurele
zaken en bij gebrek aan opleidingen niet nader te concretiseren
algemeenheden. (Bijv. Besluit Kwaliteitsregels art. 3 “Het bestand van
personeel … is zowel kwalitatief als kwantitatief afgestemd op de op
basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en op
de doelgroep.”) In de gezondheidszorg heeft een dergelijke formulering
inhoud omdat de functies en opleidingen gedetailleerd beschreven zijn.
Uiteraard zijn er inzichten uit de gezondheidszorg toe te passen wanneer
er sprake is van analoge toepassing binnen de jeugdzorg. Stichting
Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector overweegt de
Nederlandse Patiënten Cliënten Federatie te verzoeken regels uit de
gezondheidszorg enigszins aan te passen
en daarmee geschikt te maken voor jeugdzorg.
Dit betreft echter geen inhoudelijke
criteria.
Vergeleken met de gezondheidszorg kent de jeugdzorg weinig voorzieningen
voor kwaliteitscontrole die buiten de instelling zelf zijn gelegen. De
inspectie heeft zeer beperkte
mogelijkheden
door gebrek aan bevoegdheden en door omvang.
De provincies en grootstedelijke overheden hebben nu o.a. de bevoegdheid
bestuursleden of leden van de raad van toezicht van de Bureaus jeugdzorg
te ontslaan. Hiermee is de bevoegdheid tot het uitoefenen van
bestuursdwang tevens gegeven. Wij vrezen echter dat het onwaarschijnlijk
is, dat deze overheden wel zullen slagen waar de Rijksoverheid tot 2005
niet is geslaagd: optreden tegen onverantwoorde kwaliteit van zorg.
Openbaarheid, de goedkoopste vorm van kwaliteitscontrole, wordt voor
zittingen in het kader van klachtprocedures niet aangemoedigd door enige
overheid. Ook komen niet alle inspectierapporten op de website van de
Inspectie of worden anderszins beschikbaar gesteld op grond van de Wet
openbaarheid van bestuur.
Verantwoordelijkheden
voor de inhoud van de jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of
krijgen geen invulling.
Bij
ontevredenheid over de kwaliteit van de uitvoering van een
kinderbeschermingsmaatregel wenden ouders zich tot de Rechter.
-
De Rechter verwijst naar de Inspectie en kan geen uitspraken doen
over de uitvoering van
de
maatregel, uitgezonderd al of niet uithuisplaatsen en contact met ouders.
-
De Inspectie verwijst naar de Minister van Justitie.
MAAR
-
De Minister van Justitie schrijft: “Een (gezins)voogdij-instelling
is een zelfstandige
organisatie
die niet ondergeschikt is aan de Minister van Justitie en niet namens de
Minister
bevoegdheden uitoefent. Er bestaat geen wettelijke bepaling op grond
waarvan
de Minister van Justitie een (gezins)voogdij-instelling algemene of
bijzondere
aanwijzingen
kan geven.” (10 oktober 2003)
Deze constructie is uniek: (gezins-)voogdijinstellingen / Bureaus
jeugdzorg vinden nergens een corrigerende hand. Zij zijn a.h.w. slagers
die ongekeurd vlees mogen verkopen in een omgeving die net zo onhygiënisch
mag zijn als zij zelf willen. Dat is vragen om problemen. Ook in de
jeugdzorg werken geen onfeilbare heiligen, maar gewone mensen. Op dit
moment maken wij mee dat een voogdij-instelling tot twee maal toe een
beslissing van de rechter over contact van het kind met een ouder niet
naleeft. Deze instelling legt ook de aanbevelingen die de Inspectie
Jeugdzorg na onderzoek in een rapport heeft geformuleerd naast zich neer.
Ambtenaren van het Ministerie van Justitie herhalen op 4 januari 2005
mondeling wat de Minister in 2003 heeft geschreven.
Samengevat: daar gaan wij niet over. Maar wie gaat er dan wel over?
Niemand.
In 2002 schrijft E. Oudejans, voormalig directeur van een (gezins)voogdij-instelling:
“… moet worden opgemerkt dat de huidige stand van zaken, … niet de
‘schuld’ is van gezinsvoogden. Doorgaans hebben zij er in zeer
onvoldoende omstandigheden (zoals gebrek aan tijd, geld, het ontbreken van
een gerichte methodiek en bijbehorende opleiding en vaardigheden), met
veel inzet, volharding, wijsheid en deskundigheid maar zonder voldoende
steun van een methodisch goed uitgewerkte opdracht alles aan gedaan hun
jeugdbescherming-cliënten verder te helpen. De
hele samenleving stond erbij en keer ernaar en accepteerde een bepaalde
manier van functioneren van de jeugdbescherming.”
(Een reus moet leren bukken; pag. 123)
Wij verwachten uiteraard dat de SP meer zal doen dan erbij staan en ernaar
kijken.
Er zou al een wereld gewonnen zijn als de Inspectie werkelijke
bevoegdheden zou krijgen, die dus verder gaan dan “een schriftelijk
bevel geven om onmiddellijk maatregelen te nemen, indien zij een situatie
aantreft die acuut bedreigend is voor een cliënt. … alleen aan bureaus
jeugdzorg en zorgaanbieders.” (Inspectie jeugdzorg in zicht, pag. 11,
2004)
Ook zou een equivalent van het Britse ‘contempt of court’ nuttig
kunnen zijn.
Wij hopen op een reactie die meer informatie vraagt of misschien zelfs
actie aankondigt.
Met
vriendelijke groet,
Op deze brief is op 31 maart 2005 nog niet
gereageerd.
2. ANTWOORD VAN JUSTITIE d.d.
3-01-2005 OP BRIEF d.d. 19-10-2004 (zie nr 12
in 2004)


3. INGEZONDEN BRIEF OVER AWBZ (aansluitend
bij nr 2 in 2004)
AWBZ wordt uitgekleed, maar krijgt ook nieuw jasje
De AWBZ wordt uitgekleed. Weinig bekend is dat de AWBZ 1 januari 2005 ook
een nieuw jasje aan krijgt. Dan zal kortdurende psychologische en
psychiatrische hulp voor kinderen uit de AWBZ gefinancierd worden, maar
uitsluitend op indicatie van een Bureau jeugdzorg.
De AWBZ is er toch voor onverzekerbare kosten? VWS heeft in april
geschreven aan stichting Kinderen-Ouders-Grootouders, dat psychologische
hulp juist moet lopen via Bureau jeugdzorg “omdat er vaak meer met
kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische
problemen.” En Bureau jeugdzorg zal speuren naar wat er “meer met
kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische
problemen.” Ouders, wees gewaarschuwd. VWS is niet voor niets zo stil
over deze vorm van zorg. Verzeker u (voor weinig geld) bij, zodat u niet
verplicht wordt naar Bureau jeugdzorg te gaan.
(gestuurd
aan Trouw, niet geplaatst)
Wantrouwen en regelzucht
In
NRC van 6 december staat het artikel ‘Ban de bureaucratie eens uit’
van Agnes Kant en Jan Marijnissen, dat stichting
Kinderen-Ouders-Grootouders uit het hart gegrepen is.
”De Regionale Indicatie Organen die zijn ingesteld om AWBZ-zorg te
beoordelen, leiden tot onnodige vertraging, veel papierwerk en ook tot
dubbel werk.”
Precies. Als het om psychologische of psychiatrische AWBZ-zorg voor
kinderen gaat is het niet voldoende dat de huisarts voor deze zorg
indiceert, maar mag deze alleen naar Bureau jeugdzorg verwijzen en moet
Bureau jeugdzorg, waar niemand het kind of het gezin kent, de indicatie
stellen. Onnodige vertraging, veel papierwerk en dubbel werk.
In
antwoord op een brief van KOG hierover schreef VWS op 13 april 2004 dat
dit zo moet, “omdat er vaak meer met kinderen aan de hand is dan
psychische of psychiatrische problemen”.
”Een overheid die doortrokken is van wantrouwen en regelzucht,”
schrijven Kant en Marijnissen. Juist. En waar leidt dat toe? Onnodige
vertraging, veel papierwerk en dubbel werk.
(gestuurd
aan NRC, niet geplaatst)
3a. INGEZONDEN BRIEVEN OVER
JEUGDZORG
EEN
GEBOUW ZONDER FUNDAMENT
In
Trouw van 29 december staat een artikel “Ross: ‘Kinderen eerder uit
huis plaatsen’.” Volgens dit artikel heeft de staatssecretaris van VWS
opvallende uitspraken gedaan in het Radio 1-journaal.
Jeugdzorg, waar kinderbeschermingsmaatregelen als de uithuisplaatsing
onderdeel van zijn, is een gebouw waar steeds zijvleugels aan gebouwd
worden, terwijl er geen fundament is:
-
in het decembernummer 2004 van Justitiemagazine zegt de
hoofdinspecteur Jeugdzorg dat er geen kwaliteitscriteria voor jeugdzorg
bestaan (Zijn er kwaliteitscriteria voor jeugdzorg? ‘Ook naar de vraag
hoe je kinderen zo effectief mogelijk kunt helpen, is onderzoek gaande.
Zowel bij Justitie als bij VWS. De uitkomsten daarvan worden op elkaar
afgestemd en dat is heel goed. We moeten meer evidence based gaan
werken.’).Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving kent
jeugdzorg (dus) niet.
- verantwoordelijkheden
voor de inhoud van jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen
geen invulling.
-
kwaliteit van jeugdzorg behoeft dringend verbetering. Hierover leze
men het VU-rapport uit 2002 ‘909 zorgen’.
-
rechter toetst rechtmatigheid kinderbeschermingsmaatregelen
marginaal; hij heeft i.v.m. doelmatigheid zelden toetsingsmogelijkheid;
hij heeft geen beroepsfunctie.
Zou het niet wijs zijn de uitbreiding van het gebouw maar eens een poosje
stil te zetten en eerst te zorgen voor een fundament van duidelijke
verantwoordelijkheden, opleidingen, kwaliteitscriteria en
handhavingsmogelijkheden?
(gestuurd
aan Trouw, niet geplaatst)
JEUGDZORG
Trouw
van 24 september meldt, dat de toepassing van de AWBZ in de zorg een
ratjetoe is.
Ook
kortdurende psychologische behandeling van jongeren wordt vergoed uit de
AWBZ, maar uitsluitend op indicatie van een bureau jeugdzorg. Na 1 januari
2005 is indicatie door de eigen huisarts niet meer voldoende. Waarom
dubbele kosten? VWS heeft op 13 april aan stichting
Kinderen-Ouders-Grootouders geschreven dat mensen op deze manier gedwongen
worden tot contact met een bureau jeugdzorg “omdat er vaak meer met
kinderen aan de hand is dan alleen psychische of psychiatrische
problemen”. Bureau Jeugdzorg krijgt op deze manier dus gedwongen nering.
Op
8 september heeft de Staatssecretaris van VWS in Twee Vandaag gezegd, dat
er in de jeugdzorg in totaal, dus de vrijwillige jeugdhulpverlening (voor
rekening van VWS) en de kinderbeschermingsmaatregelen (voor rekening van
Justitie),
€ 60.000.000.000 omgaat (zestig miljard euro).
“De
kwaliteit van de jeugdzorg in Nederland laat te wensen over.” schrijft
de Inspectie Jeugdzorg op 24 september.
Natuurlijk
laat de kwaliteit te wensen over. Want al kost jeugdzorg in 2004 zestig
miljard euro, er zijn geen inhoudelijke kwaliteitscriteria, kwaliteit
wordt niet getoetst of gehandhaafd, waar de verantwoordelijkheid ligt voor
kwaliteit is niet helder.
De onderbemande Inspectie mag rapporteren, maar zelden kijken of
aanbevelingen voor verbetering opgevolgd zijn.
Vergelijk
die situatie eens met de gezondheidszorg. Als er in de jeugdzorg dingen
goed gaan, is dat bijna een wonder.
Als jeugdzorg niet de moeite waard is om (criteria voor en toetsing en
handhaving van) de kwaliteit te regelen, waarom wordt er dan wel zestig
miljard euro belastinggeld aan uitgegeven, en waarom worden gezinnen
gedwongen zich te wagen aan contact met bureau jeugdzorg?
Jeugdzorg
is grotendeels schone schijn. En een gigantisch werkgelegenheidsproject
(gestuurd
aan Trouw, niet geplaatst)
JEUGDZORG
“De
kwaliteit van de jeugdzorg in Nederland laat te wensen over.” Dit staat
in het op 24 september verschenen rapport van de Inspectie Jeugdzorg,
aldus NRC.
Op
8 september heeft de Staatssecretaris van VWS in Twee Vandaag gezegd, dat
er in de jeugdzorg in totaal, dus de vrijwillige jeugdhulpverlening (voor
rekening van VWS) en de kinderbeschermingsmaatregelen (voor rekening van
Justitie),
€ 60.000.000.000 omgaat (zestig miljard euro).
Natuurlijk
laat de kwaliteit te wensen over. Want al kost jeugdzorg in 2004 zestig
miljard euro, er zijn geen inhoudelijke kwaliteitscriteria, kwaliteit
wordt niet getoetst of gehandhaafd, waar de verantwoordelijkheid ligt voor
kwaliteit is niet helder.
De onderbemande Inspectie mag rapporteren, maar zelden kijken of
aanbevelingen voor verbetering opgevolgd zijn.
Vergelijk
die situatie eens met de gezondheidszorg. Als jeugdzorg niet de moeite
waard is, waarom wordt er dan wel zestig miljard euro belastinggeld aan
uitgegeven?
Jeugdzorg
is grotendeels schone schijn. En een gigantisch werkgelegenheidsproject.
(gestuurd
aan NRC, niet geplaatst)
NOG
MEER SAVANNA’S
In
de Telegraaf van 28 september staat het artikel ‘Hoeveel Savanna’s
nog?’.
Stichting
Kinderen-Ouders-Grootouders vreest dat Savanna niet het laatste
slachtoffer is van tekortschietende jeugdbescherming. En meer geld voor
jeugdzorg zal dat niet voorkomen.
De
Staatssecretaris van VWS heeft op 8 september in Twee Vandaag gemeld, dat
de totale jeugdzorg in 2004 € 60.000.000.000 (zestig miljard euro)
belastinggeld kost. Het is kennelijk niet de moeite waard op te letten of
zo’n habbekrats goed besteed wordt.
Jeugdzorg
kent namelijk geen waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving (de
inspectie heeft bijvoorbeeld niets in te brengen, vergelijk dat eens met
de inspecties voor voedingsmiddelen). En wie waar verantwoordelijk voor is
weet niemand.
De rijksoverheid zou verantwoordelijk moeten zijn voor jeugdbescherming,
maar de minister van justitie schrijft aan KOG
op 2 juni 2004: “Ikzelf heb daartoe als Minister van Justitie geen
bevoegdheid.” Maar, schrijft de Minister (opgelucht?) in dezelfde brief:
“1 januari 2005. … wordt de aansturing van de Bureau’s Jeugdzorg met
name bij de provincies gelegd,
die zonodig ook een aanwijzing kunnen geven.”
Natuurlijk,
als de provincies maar verantwoordelijk zijn, dan komt het vast wel goed.
(gestuurd
aan De Telegraaf, niet geplaatst)
WAT
VOOR GEZINNEN KRIJGEN EEN ONDERTOEZICHTSTELLING?
In
NRC van 28 september zegt een gezinsvoogd in het artikel ‘Eens per zes
weken op gezinsbezoek’ (n.a.v. de dood van de onder toezicht gestelde
gedode Savanna) dat beleidsmakers misschien “niet echt weten om wat voor
een gezinnen het gaat”.
Dan volgen voorbeelden van seksueel misbruik en verkrachting, die de lezer
die weinig weet van dit terrein doen vermoeden dat kinderen met een
ondertoezichtstelling heel rare ouders hebben. Zo zou het ook moeten zijn,
maar zo is het lang niet altijd.
Voor
een training van het Leger des Heils voor kinderen om zich te weren tegen
pesten op school moeten de ouders eerst een ondertoezichtstelling
aanvragen;
ouders van weggelopen kinderen vragen vaak op advies van de Raad voor de
Kinder-bescherming of van maatschappelijk werk een ondertoezichtstelling
aan. (Zijn dat rare ouders omdat immers hun kinderen weglopen? Vaak zijn
het ouders die weigeren toe te staan dat hun dochtertje misbruikt wordt
door een “liefde” van de dubbele leeftijd);
sommige scholieren praten liever onder lestijd met de
schoolmaatschappelijk werker dan zich te laten overhoren, dan moet je wel
een zielig verhaal vertellen maar dan word je ook doorgestuurd naar Bureau
jeugdzorg, niemand controleert het verhaal en je kunt voor je gevoel niet
meer terug, ots volgt;
een vrouw die i.v.m. psychiatrische problematiek in het verleden zich na
de geboorte van haar eerste baby tot een RIAGG wendde uit angst voor
herhaling van die problemen, werd geconfronteerd met een ots en
uithuisplaatsing van het kind op een geheimgehouden adres.
Beleidsmakers
kunnen inderdaad “niet echt weten om wat voor een gezinnen het gaat”.
Het
gaat namelijk om alle soorten gezinnen, niet alleen om mishandelende,
incestueuze,
alcoholverslaafde, criminele ouders.
(gestuurd
aan NRC, niet geplaatst)
BIJZIEND
OOG
In
Trouw van 5 oktober neemt Annelies Huygen het op voor de Jeugdzorg in het
artikel Bijziend oog. Zij doet tegelijkertijd een oproep aan de lezer om
zich op te geven als pleegouder. “Aan pleeggezinnen is een tekort,”
schrijft zij. Dat is juist, maar als kinderen die bij familie terecht
kunnen daar ook geplaatst zouden worden, zou dat tekort al kleiner zijn.
Dat kinderen in zo’n geval alleen in een crisis-situatie bij vreemden
geplaatst worden, zoals men wel hoort van de gezinsvoogdij-instellingen,
is eenvoudig niet waar.
“Het
alternatief is thuis blijven met veel begeleiding,” schrijft Annelies
Huygen. Precies. En het is juist die begeleiding waar het aan ontbreekt.
Prof. J. van Acker heeft met zijn gezinsproject aangetoond dat het kan.
Hij heeft ook uitgerekend dat 5 maatschappelijk werkers zich fulltime met
een gezin kunnen bezighouden voor de prijs van 1 uithuisplaatsing in een
instelling. Waar wachten we nou toch op?
(gestuurd
aan Trouw, niet geplaatst)
4. REACTIE VAN AKJ d.d.
27-12-2004 OP BRIEF d.d. 27-09-2004
(aansluitend bij nr 14 in 2004)
Geachte mevrouw,
Binnen het AKJ zijn de afgelopen maanden
maatregelen getroffen om de rolzuiverheid van de medewerk(st)ers te
regelen.
De maatregelen zijn:
- een visie document;
- gedragsregels;
- splitsing van de functie
vertrouwenspersoon VP in V(volwassenen) en J(jeugdigen);
- tewerkstellingsovereenkomst.
Daarbij komt dat de functie VP niet in de
eerste plaats gericht is op klachten o.i.d.
Waar het om gaat is de functie VP in te
zetten t.b.v. de versterking en ondersteuning van de clienten in de
jeugdzorg: onafhankelijk van BJZ en de aanbieders van zorg.
Dat is in veilige handen van het AKJ.
Mocht u meer informatie willen hebben dan
ben ik hiertoe gaarne bereid.
Het BKJ is opgenomen binnen het AKJ.
Met vriendelijke groet,
Kees Veringmeier
4a. REACTIE VAN KOG d.d.
30-12-2004
Haarlem, 30 december 2004
Geachte heer Veringmeier,
Dank voor uw e-mailbericht van 27 december in antwoord op onze brief van
27 augustus.
Graag zouden wij een exemplaar ontvangen van het visiedocument en van de
gedragsregels.
Ook willen wij graag weten of de mogelijkheid bestaat dat een
klachtondersteuner op andere momenten werkt als cliëntvertrouwenspersoon.
Met vriendelijke groet,
4b. REACTIE PER E-MAIL VAN BKJ d.d.
30 NOVEMBER 2004 OP BRIEF
d.d. 26 NOVEMBER VAN KOG (vgl. BRIEF AAN
AKJ d.d. 27 AUGUSTUS)
Geachte mevrouw Barendse,
Uw brief hebben wij besproken in ons noordelijk overleg. Uw vraag heeft u
voorgelegd aan Groningen en Drenthe en niet aan Friesland. Voordat we in
kunnen gaan op uw brief, willen we u eerst een aantal vragen voorleggen:
1. Welke knelpunten ziet u en waarom?
2. Waarvoor heeft u deze informatie nodig?
3. Wat gaat u met de informatie doen.
Graag zie ik uw antwoord tegemoet.
Met vriendelijke groet,
Lilian Hoekstra, BKJ Drenthe
4c ANTWOORD DIRECTEUR AKJ OP BRIEF
VAN 30 DECEMBER 2004 (per e-mail)
Geachte
mevrouw Barendse,
Hierbij meld ik u dat ik u de versie van het Visiedocument op korte
termijn kan toemailen. De versie die is opgeslgen
als Worddocument behoefte enige correcties.
Ik
zal u de versie zoals deze is verzonden wel alvast per gewone post
toezenden.
Om de rolzuiverheid van de vertrouwenspersonen te regelen
-
is
het visiedocument opgesteld;
-
wordt
een principiële splitsing gehanteerd tussen vertrouwenspersonen voor
jeugdigen (VP-J) en vertrouwenspersonen voor
volwassenen (VP-V), tenzij dit door een te
geringe beschikbare personeelsformatie per provincie niet kan;
-
worden
de afstemmingsafspraken tussen de instellingen voor jeugdzorg en het AKJ
in daartoe op maat opgestelde overeenkomsten per instelling geregeld.
De functie vertrouwenspersoon wordt ingezet ter versterking en
ondersteuning van cliënten in de jeugdzorg. Dit gebeurt door
informatieverstrekking tot en met het bijstaan van cliënten tijdens
formele klachtenprocedures. De vertrouwenspersonen zijn werknemers van het
AKJ en zijn verantwoording over hun inhoudelijk handelen verschuldigd aan
de directie van het AKJ. Zij werken onafhankelijk van instellingen voor
jeugdzorg. In gevallen waarbij hier naar het oordeel van de cl;iënt
geen sprake van is verzoek ik u de cliënt te adviseren direct contact te
zoeken met de directie van het AKJ.
Ik hoop u c.q. de stichting KOG op deze wijze
voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
J.G. Zandijk
Directeur a.i.
4d
1 - VISIEDOCUMENT AKJ
2 - GEDRAGSCODE VERTROUWENSPERSONEN AKJ
3 - TAAK- EN FUNCTIEOMSCHRIJVING
VERTROUWENSPERSOON AKJ
1
- VISIEDOCUMENT AKJ
Wat
doet het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg
Missie
van het AKJ
Het
AKJ is een onafhankelijke en laagdrempelige stichting die de positie van
cliënten in de jeugdzorg versterkt door:
1.
hen informatie te verschaffen over hun rechten;
2.
hen advies en ondersteuning te geven wanneer zij onvrede ervaren over de
geboden hulpverlening;
3.
(structurele) tekortkomingen te signaleren binnen de jeugdzorg met als
doel een bijdrage te leveren aan een verbetering van de kwaliteit van de
jeugdzorg.
Het
AKJ doet dit vanuit de overtuiging dat iedere cliënt er op moet kunnen
rekenen dat hij als gelijkwaardige en actieve medespeler wordt gezien in
de relatie met de hulpverlening. Ook moet de cliënt er op kunnen rekenen
dat zijn rechten worden gerespecteerd. Als dit niet het geval lijkt te
zijn moet hij een beroep kunnen doen op de cliëntgerichte en
onafhankelijke ondersteuning van (een vertrouwenspersoon van) het AKJ. Dit
is in de Wet op de jeugdzorg geregeld.
De
Wet op de jeugdzorg en het AKJ
Uitgangspunten
van de wet
Het
doel van de Wet op de jeugdzorg is de zorg aan jeugdigen en hun
ouders/verzorgers te verbeteren en hun positie te versterken. Belangrijke
uitgangspunten van de Wet zijn dat
1.
de vraag van de cliënt centraal staat en niet het aanbod van de
voorzieningen;
2.
er één centrale toegang tot de jeugdzorg bestaat, namelijk het Bureau
Jeugdzorg;
3.
een cliënt recht op jeugdzorg heeft, dus als Bureau Jeugdzorg een
indicatie heeft gesteld kan de cliënt hier aanspraak op maken;
4.
de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, jeugdreclassering en
gezinsvoogdij zijn geïntegreerd in Bureau Jeugdzorg.
Het
uitgangspunt ‘de cliënt centraal’ is voor het AKJ van groot belang.
Daarnaast is het gezien de afhankelijkheid van cliënten in
jeugdzorginstellingen belangrijk dat de functie van vertrouwenspersoon in
de Wet op de jeugdzorg is verankerd. De rechten van cliënten kunnen mede
hierdoor worden gewaarborgd. Ondersteuning door vertrouwenspersonen blijkt
zinvol om onvrede tussen cliënten en jeugdzorginstellingen op te lossen.
Daarnaast blijkt het voor veel cliënten helaas vaak moeilijk om
klachtenprocedures zelfstandig te doorlopen. Daarbij is het AKJ dan
ook ondersteunend.
De
provincies en grootstedelijke regio’s (ROA, Rotterdam en Haaglanden)
zijn verantwoordelijk voor de financiering van de functie
vertrouwenspersoon en voor de uitvoering van de bepalingen van de Wet. De
AKJ-vertrouwenspersonen werken voor alle
cliënten van de jeugdzorginstellingen in de provincies Zuid-Holland,
Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Flevoland en de
grootstedelijke regio’s Amsterdam, Rotterdam en Haaglanden. Daarnaast
zijn er vertrouwenspersonen actief ten behoeve van cliënten van de
William Schrikkergroep en de Raad voor de Kinderbescherming directie
Zuidwest. Voornoemde organisaties financieren de vertrouwenspersoon uit
eigen middelen.
Naast
de inzet van vertrouwenspersonen biedt het AKJ, via de landelijk
opererende Telefonische Adviesdienst (TAD), aan iedereen die vragen of
klachten heeft over de jeugdzorg de mogelijkheid telefonisch informatie en
advies in te winnen.
Klachtrecht
In
de Wet op de jeugdzorg wordt bepaald dat in jeugdzorginstellingen de
behandeling van klachten door onafhankelijke klachtencommissies plaats
moet vinden. De leden zijn dus niet aan de betrokken instelling verbonden.
Het AKJ helpt cliënten via advisering en aanwezigheid en ondersteuning
tijdens zittingen van de commissies.
Het
AKJ verwoordt de vragen en klachten van de cliënt. Het AKJ is geen direct
betrokkene in het hulpverleningsproces.
Voor
cliënten die onvrede ervaren bij jeugdzorginstellingen zijn steun en
advies van een onafhankelijke vertrouwenspersoon belangrijk, zo blijkt uit
evaluatieonderzoek*. Zij willen er zeker van zijn dat het AKJ niet de
belangen van de instellingen waar zij klachten over hebben mee laat wegen.
Om iedere schijn van beïnvloeding door de instellingen waar klachten
tegen zijn te voorkomen, wordt de ondersteuning aan de cliënt vanuit een
onafhankelijke positie geboden, dus onafhankelijk van Bureaus Jeugdzorg,
zorgaanbieders, Raad voor de Kinderbescherming, cliëntenorganisaties en
financiers.
*
Ambulant Vertrouwen door het Verwey Jonker Instituut, Evaluatie
Klachtrecht
en medezeggenschap door Research voor Beleid, Met recht
onder
toezicht gesteld (evaluatie OTS) door het Verwey Jonker Instituut
Beschrijving
AKJ en gehanteerde kernbegrippen
Het
AKJ is een op cliënten gerichte, onafhankelijke en laagdrempelige
organisatie met als doel verbetering van de positie van alle
cliënten van de jeugdzorg. Hierbij heeft het AKJ als doel door zijn
interventies de verhoudingen tussen cliënt en hulpverleners te
verbeteren.
Het
AKJ is met name gericht op de bewaking en versterking van de positie van
de cliënten. Dit laatste doet het AKJ door deel te nemen aan
maatschappelijk debat over regelgeving, aan overlegorganen, via het
uitbrengen van publicaties en het doen van onderzoek.
Het
AKJ werkt samen en pleegt overleg met cliëntenorganisaties, cliëntenraden,
jongerenraden en aanverwante instellingen (BKJ, Stichting PVP,
kinderrechtswinkels, etc.) om gemeenschappelijke doelstellingen te
bereiken.
Het
AKJ streeft naar structureel overleg met jeugdzorginstellingen, financiers
en Inspecties.
Een
belangrijke voorwaarde voor het goed kunnen functioneren van de
AKJ-medewerkers is dat zij zich in principe houden aan een
geheimhoudingsplicht. Dit is voor cliënten van essentieel belang.
Cliënten
moeten geen drempels ervaren om contact met het AKJ te zoeken. Bij hoge
drempels zullen cliënten misschien geen beroep op ondersteuning van het
AKJ doen, terwijl zij deze steun wel hard nodig hebben.
Dit betekent:
-
gratis dienstverlening door het AKJ;
-
directe toegang door middel van telefoon, brieven en e-mail via de
AKJ-website of via het mailadres van de individuele vertrouwenspersonen;
-
vertrouwenspersonen die eventueel direct benaderbaar zijn op locatie;
-
voldoende en duidelijk informatiemateriaal over het AKJ, de
aanwezigheidstijden en de bereikbaarheid van de vertrouwenspersonen en van
de TAD.
Het
AKJ adviseert desgewenst cliëntenraden ten aanzien van onderwerpen die de
positie van cliënten in die instelling betreffen.
Deskundigheidsbevordering
Het
AKJ houdt de deskundigheid van de vertrouwenspersonen op peil door
regelmatige werkbegeleiding, intervisie, juridische advisering en deelname
aan trainingen, symposia en cursussen.
Het
AKJ streeft ernaar dat de taakuitoefening door de vertrouwenspersonen in
elke provincie waarin het AKJ actief is op een zo uniform mogelijke wijze
plaatsvindt opdat iedere cliënt
van het AKJ weet wat hij kan verwachten van ‘zijn’ vertrouwenspersoon.
Het
AKJ is in principe verplicht om ervoor te zorgen dat vertrouwenspersonen
binnen haar werkgebied beschikbaar zijn voor alle
cliënten in de jeugdzorg. De wijze waarop daar invulling aan wordt
gegeven verschilt per provincie en grootstedelijke regio’s door
verschillen in financiering.
Voorkomen
van belangentegenstellingen
Veel
jongeren zeggen dat als ‘hun’ vertrouwenspersoon ook voor hun ouders
zou werken, zij geen beroep meer op hem of haar zouden doen. De
vertrouwenspersoon zal dus altijd duidelijk maken dat hij niet zonder
instemming van iedereen voor zowel de jeugdige als diens ouders zal
optreden. Bij een onoverbrugbare belangentegenstelling streeft het AKJ
naar het inschakelen van een tweede vertrouwenspersoon.
April
2005
2
- GEDRAGSCODE VERTROUWENSPERSONEN AKJ






3
- TAAK- EN FUNCTIEOMSCHRIJVING VERTROUWENSPERSOON AKJ


4e
VERZOEK AAN AKJ OM NADERE INFORMATIE OVER
DUBBELFUNCTIE MEDEWERKERS
Aan de heer J. Zandijk, interim-directeur van het AKJ
Nijenburg 150
1081 GG Amsterdam
Haarlem, 20 mei 2005
Geachte heer Zandijk,
Dank voor de toezending (per post en per e-mail!) van
‘De visie van het AKJ’. Bij de eerste update van de website zullen
wij, zoals afgesproken, dit document plaatsen.
Na bestudering van het stuk menen wij begrepen te hebben dat het AKJ nu
werkgever is van één soort werknemers: vertrouwenspersonen, van wie een
van de taken is ondersteuning van cliënten bij het indienen van klachten.
Het is dus mogelijk dat het voor de klachtondersteuners een kwestie van
“sterke knieën” is in hoeverre zij zich bij klachtondersteuning laten
beïnvloeden door hun mogelijke eigen belangen bij een redelijk goede
relatie met een instelling.
Wilt u ons laten weten welke maatregelen het AKJ heeft genomen om het
de werknemers makkelijker te maken “de knieën recht te houden”?
Deze brief en uw antwoord zullen wij eveneens plaatsen op www.stichtingkog.info
.
Met vriendelijke groet,
4f. REACTIE d.d. 26 MEI OP
BOVENSTAANDE BRIEF
----- Original Message -----
Sent: Thursday, May 26, 2005 7:10 AM
Subject: uw brief d.d. 20 mei 2005
Geachte
mevrouw Barendse,
In
reactie op uw brief meld ik het volgende.
1.
Het
AKJ is nu inderdaad werkgever van één soort werknemers, namelijk
vertrouwenspersonen. Deze functie is sinds 1 januari 2005 vastgelegd in
de nieuwe Wet op de jeugdzorg.Alle cliënten in de jeugdzorg moeten een
beroep kunnen doen op deze onafhankelijke vertrouwenspersoon en het is
aan de provinciale overheden om er financiën voor beschikbaar te
stellen.
2.
Het
is in het belang van alle betrokkenen bij een klacht, dat escalatie
wordt voorkomen. Meestal leidt escalatie tot verstoorde verhoudingen die
niet dienstbaar zijn aan een goed hulpverleningsproces.
3.
De
vertrouwenspersoon zal altijd achter de cliënt staan, ook als dat zou
kunnen leiden tot een verstoorde verhouding met de
hulpverleningsinstelling.
4.
Het
AKJ heeft gedragsregels voor de vertrouwenspersoon, waaraan deze zich
dient te houden. Hierin staat onder meer vermeld, dat de cliënt de
actie bepaalt die de vertrouwenspersoon binnen redelijke grenzen zal
ondernemen. De cliënt is te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de
acties die de vertrouwenspersoon onderneemt. Deze handelt in principe
niet zonder de toestemming van de cliënt.
5.
Kort
geleden zijn nieuwe folders verschenen waarin het AKJ haar werkzaamheden
beschreven heeft. Er zijn folders voor jonge kinderen, jongeren,
ouder(s) en verzorger(s) en hulpverleners. Ik zal u enige exemplaren
doen toekomen. Cliënten die de ondersteuning door het AkJ
inroepen kunnen altijd vragen om deze folders toegestuurd te krijgen.
6.
Bij
vragen over of problemen met het functioneren van de vertrouwenspersoon,
gaat het AKJ er van uit, dat deze eerst direct met de betrokkene worden
besproken. Als het gesprek hierover niet leidt tot een beter begrip en
goede onderlinge afstemming kan een klacht worden ingediend bij de
directie van het AKJ.
Ik
hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met
vriendelijke groet,
J.G. Zandijk
Directeur
4g BRIEF AAN AKJ d.d. 29 AUGUSTUS
2005
- VERTROUWELIJKHEID EN ONAFHANKELIJKHEID
Aan de heer J.G. Zandijk, Directeur AKJ
Nijenburg 150
1081 GG Amsterdam
Haarlem, 29 augustus 2005
Geachte Heer Zandijk,
Heden is mij het volgende onder ogen gekomen in een verzoekschrift van AJL:
“De volgende dag heeft de VP de AJL laten weten het contact met de
moeder te hebben verbroken. De VP heeft de moeder aangeraden professionele
hulp voor zichzelf te zoeken.”
Gaarne verneem ik
1) uw opinie over de omstandigheid dat de VP de gezinsvoogdij-instelling
inlicht over de
inhoud van een
gesprek met een ouder
2) de (eventuele) maatregelen die het AKJ heeft genomen / op zeer korte
termijn gaat nemen
om te voorkomen
dat informatie uit contacten met ouders bij instanties terechtkomt.
Evenals de vroegere correspondentie tussen AKJ en KOG zullen deze brief en
uw reactie geplaatst worden op website www.stichtingkog.info
.
Met vriendelijke groet,
4h ANTWOORD d.d. 7 SEPTEMBER OP 4g

4i NIEUWE VRAGEN d.d. 9 SEPTEMBER
2005
- VERTROUWELIJKHEID EN ONAFHANKELIJKHEID
Aan de heer J.G. Zandijk, directeur AKJ
Geldersekade 101
1011 EM Amsterdam
Haarlem, 9 september 2005
Betreft: uw kenmerk JZ-05/574
Geachte heer Zandijk,
Mijn dank voor uw (weer zeer snelle!) beantwoording van de brief d.d. 29
augustus.
De brief roept de volgende vragen op:
- Langs welke weg bent u in kennis gesteld van de kwestie waarin een
vertrouwenspersoon
heeft gelekt naar AJL, zodat
u inhoudelijke mededelingen zou kunnen doen?
- “… dat in de werkbegeleiding van vertrouwenspersonen nu al voldoende
aandacht wordt
besteed aan hoe het AKJ
omgaat met privacygevoelige informatie richting organisaties …”
Waarom wordt in de
werkbegeleiding niet eenvoudig geleerd dat vertrouwenspersonen
GEEN informatie geven aan
organisaties?
- Moeten wij de laatste zin “Als zich incidenten voordoen zal ik
invoeren dat ik … meteen
word geïnformeerd”
verstaan als: ‘als zich herhaaldelijk incidenten als het door KOG
gesignaleerde voordoen zal
ik in de toekomst invoeren dat ik word geïnformeerd’ of als
‘ik zal nu onmiddellijk
invoeren dat ik bij incidenten word geïnformeerd’?
-
Wat bedoelt u met “incidenten”?
- Bent u bereid bovendien in te voeren dat de vertrouwenspersonen geen
mondelinge /
telefonische, maar
uitsluitend schriftelijke inlichtingen verschaffen aan organisaties?
- Bent u bereid bovendien in te voeren dat de (schriftelijke) inlichtingen
met de ouder die het
betreft van te voren worden
besproken (vgl. “ik zal dit altijd eerst met jou bespreken” in de
grote folder voor jongeren)?
- Bent u bereid bovendien in te voeren dat de ouder in kwestie dezelfde
informatie op
hetzelfde moment krijgt als
de organisatie?
Ik meen uit uw brief te begrijpen, dat “vertrouwenspersonen van het AKJ
verstrekken in principe geen inlichtingen aan organisaties …over
(gesprekken met) cliënten” betekent, dat vertrouwenspersonen van het
AKJ uitsluitend inlichtingen verschaffen aan organisaties wanneer er
sprake is van “uitzonderlijk zwaarwegende omstandigheden”.
In de kleine informatiefolder voor jongeren staat “… in vertrouwen …
vertellen. Dat betekent dat hij niet zomaar je verhaal bespreekt
… . … heeft in principe een geheimhoudingsplicht”.
In de grote informatiefolder voor jongeren staat “Ik vertel jouw verhaal
dus niet door aan de groepsleiding of anderen. Behalve als je mij iets
vertelt dat voor jou of anderen gevaarlijk is, dan moet ik het wel
vertellen. Ik zal dit altijd eerst met jou bespreken.”
Is “niet zomaar” en “in principe” in de kleine folder voor
jongeren te verstaan als “behalve als je iets vertelt dat voor jou of
anderen gevaarlijk is”?
In de informatiefolder voor ouders en verzorgers staat “… in
vertrouwen … vertellen. Dit betekent dat hij niet zomaar uw
verhaal met de instelling bespreekt. De vertrouwenspersoon heeft in
principe een geheimhoudingsplicht.”
Is dit “niet zomaar” en “in principe” te verstaan als “behalve
als u iets vertelt dat voor anderen gevaarlijk is”?
In de informatiefolder voor hulpverleners staat “De vertrouwenspersoon
behandelt de informatie die hij van de cliënt krijgt vertrouwelijk, tenzij
zwaarwegende argumenten zich hiertegen verzetten. De cliënt … de
acties die de vertrouwenspersoon onderneemt. Deze handelt in principe niet
zonder zijn toestemming.”
Is “tenzij zwaarwegende argumenten zich hiertegen verzetten” en “in
principe” te verstaan als “behalve als de vertrouwenspersoon iets
gevaarlijks is verteld”?
In de vergadering van het KOG-bestuur zijn de folders besproken. Aangezien
niemand, zelfs niet iemands advocaat, een voor anderen gevaarlijk
voornemen (moord, gijzeling) mag verzwijgen, vroegen wij ons af wat
bedoeld wordt met “in principe” en “tenzij zwaarwegende
argumenten…”. Iets vanzelfsprekends zet men immers niet in een
informatiefolder.
Het zou helpen om onze gedachten te ordenen wanneer u een voorbeeld zou
geven van “(uitzonderlijk) zwaarwegende omstandigheden / argumenten”.
In de informatiefolder voor hulpverleners staat ook: ”Per organisatie
worden afspraken op maat gemaakt. De afspraken hebben betrekking op …, de
rechten en plichten van de vertrouwenspersoon.”
Is het zo dat de rechten en plichten van de vertrouwenspersoon per
organisatie verschillen? Ook op dit punt zou een voorbeeld kunnen helpen
om onze gedachten te ordenen.
Behalve beantwoording van de vragen verzoek ik u toezending van de
functieomschrijving van de medewerkers en de gedragsregels voor de
medewerkers.
Uw brief van 7 september, deze brief, de beantwoording van de vragen en
het door u toe te zenden materiaal zullen geplaatst worden op www.stichtingkog.info
.
Met vriendelijke groet,
4j ANTWOORD d.d. 27 SEPTEMBER OP 4i

De bijlagen zijn geplaatst onder 4d.
4k GESPREK MET AKJ OP 12 OKTOBER
2005
Naar aanleiding van de brief van het AKJ van
27 september heeft er op 12 oktober een gesprek plaatsgevonden tussen
het AKJ (de interim-directeur Jan Zandijk en vertrouwenspersoon Ron
Buys) en KOG (Truus Barendse en Alice Jansen).
De vraag wanneer een vertrouwenspersoon niet gebonden
is door zijn geheimhoudingsplicht en aan welke instantie (instelling?
politie?) hij in dat geval een melding zou doen, wordt nog in 2005
besproken in een overleg van vertrouwenspersonen in dienst van het AKJ
en van andere instanties. Stichting KOG zal op de hoogte gesteld worden
van de resultaten van dit overleg.
5. COMMENTAAR OP BELEIDSKADER
JEUGDZORG
Opmerkingen naar aanleiding van Landelijk
beleidskader 2005 t/m 2008 versie 100604
ad 2. Verbetering kwaliteit bureau jeugdzorg en aanpak
bureaucratie
A. Kwaliteitssysteem en referentiewerkmodel
Reeds in de Wet op de
jeugdhulpverlening is met name in de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk III
gepoogd het systeem van indicatiestelling en de toewijzing van de meest
aangewezen zorg te regelen. Dit zijn in feite ‘dode letters’ gebleven.
Ook artikel 35 van de wet, het kwaliteits-artikel, met het daarop
gebaseerde Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening is in veel
opzichten nooit nageleefd. Zo heeft in de jaren 1998/1999 de inspectie
voor de jeugd-hulpverlening en jeugdbescherming erop gewezen dat veel
jeugdigen zonder deugdelijke diagnose en indicatie en zonder
hulpverleningsplan in residentiële voorzieningen voor jeugdhulpverlening
zijn opgenomen. Volgens de kwaliteitsregels vastgelegd in de wet en de
besluiten zou dat niet kunnen.
De Projectgroep Toegang heeft inmiddels een aantal systeemeisen
geformuleerd die verder gaan dan de passages over kwaliteit van de hulp
zoals die in de wet en de besluiten zijn geformuleerd.
Op basis van een artikel in Trouw van de Raad voor Maatschappelijke
Ontwikkeling stellen wij voor, dat de betrokken bewindslieden vanuit Den
Haag ‘kwaliteitsconcurrentie’ aanwakkeren:
In regelmatig gehouden bijeenkomsten bespreekt de minister vergelijkende
statistieken van de prestaties van de bureaus jeugdzorg. Hij spreekt de
directeuren aan op het aantal en de snelheid van behandelingen, de
tevredenheid van de cliënten, de aantallen aangetoonde fouten, de kosten.
Elke volgende bijeenkomst moet er voortgang zijn en hij rekent hen af op
hun professionele kwaliteit ten overstaan van hun collega’s. Deze
werkwijze heeft transparantie tot gevolg. Dergelijke professionele druk
leidt er onvermijdelijk toe dat de directeuren stuiten op regels die
verbeteringen in de weg staan. De minister spreekt met de directeuren af
dat alle regels die aantoonbaar kwaliteitsverbetering in de weg staan,
afgeschaft worden.
De benoeming van de Regeringscommissaris Jeugd- en Jongerenbeleid biedt
een uitgelezen mogelijkheid om een dergelijke aanpak te verwezenlijken.
B. Indicatiestelling
”De
provincies geven in het provinciale beleidskader aan hoe in hun provincie
een verantwoorde indicatiestelling wordt gewaarborgd.”:
Het lijkt erop dat de
rijksoverheid de provincies uitnodigt om ieder voor zich het wiel uit te
vinden. Waarborging van een verantwoorde indicatiestelling lijkt ons bij
uitstek een taak voor de rijksoverheid.
E. Aanpak bureaucratie
Zie onder A bij aanwakkering kwaliteitsconcurrentie vanuit Den Haag.
F. Jeugdbescherming
”Provincies bevorderen dat de bureaus jeugdzorg gebruik maken van
de Forensisch Psychiatrische Dienst in die gevallen waarin zij voor
forensische diagnostiek een beroep moeten doen op externe
deskundigheid.”:
Verkorting van doorlooptijden en verhoging van doelmatigheid
van aanvragen kan hiermee waarschijnlijk bereikt worden, maar verhoging
van de kwaliteit van rapportages lijkt ons niet wel bereikbaar door
totstandkoming van een nieuwe “grote-vaste-klant-verhouding”, ditmaal
tussen de bureaus jeugdzorg en de Forensisch Psychiatrische Dienst.
Wij bevelen u aan geen invloed uit te oefenen op de provincies teneinde de
bureaus jeugdzorg gebruik te doen maken van één bepaald
onderzoeksbureau.
Ad 3. Verbetering kwaliteit en effectiviteit zorgaanbod
A. Kwaliteitssysteem
Implementatie van het certificatieschema dient niet beschouwd te
worden als eigen verantwoordelijkheid van bureaus jeugdzorg of
instellingen, maar verplichtend te worden opgelegd.
Het ontgaat ons waarom ook voor het hulpverleningsplan dat voldoet aan de
eisen van de wet respijt wordt verleend.
B. Effectiviteit van jeugdzorg
”Provincies bevorderen dat met inwerkingtreding van de wet
zorgaanbieders rapporteren over de effectiviteit van geleverde zorg.”:
Rapportage
bevorderen lijkt ons niet voldoende, provincies moeten dit eisen van de
zorgaanbieders. In deze rapportages dient de mening van de cliënten over
de effectiviteit van de zorg prominent aanwezig te zijn. Dit zal met zich
meebrengen dat iedere cliënt regelmatig bevraagd wordt op dit punt.
Voorts lijkt het onmogelijk dat de zorgaanbieders deskundig en
waarheidsgetrouw over zichzelf rapporteren, vgl. over de
ondertoezichtstelling Slot en Theunissen in ‘909 zorgen’: “Daarnaast
is duidelijk geworden dat 70% niet verbetert waaronder ruim 30% die
achteruitgaat. Wij kunnen onmogelijk beweren dat de maatregel in zijn
algemeenheid doelmatig is.” Dit is geschreven in 2002.
Ad 4.
Toegankelijke dienstverlening en betrokkenheid cliënt
B. Communicatie en (bezwaar)procedures
Zittingen in het kader van bezwaarprocedures dienen openbaar te zijn,
zoals zittingen van de medische tuchtcolleges.
Openbaarheid is de goedkoopste vorm van kwaliteitscontrole.
Ad 5. Doelmatigheid bevorderen en terugdringen van wachttijden
”Dit betekent dat er doelmatigheidswinst geboekt moet worden
waardoor met de beschikbare middelen meer cliënten geholpen kunnen
worden. Provincies spannen zich tot het uiterste in om
doelmatigheidswinst te realiseren en maken in hun provinciale beleidskader
zichtbaar welke inspanningen zij daartoe plegen”:
Wij herhalen hier wat wij geschreven hebben voor het toenmalige
Platform SCJF in ‘Jongleur over de schreef’ (pag. 15/16):
“Het heeft er alle schijn van, dat beter en goedkoper samengaan.
A Niet
uithuisplaatsen.
Al in 1990 is verschenen van Prof. Dr. J. van Acker: ‘Ouders en kinderen
in conflict, …’ …
”Met de verpleegprijs van de tehuizen en ZIB-internaten zouden 3 tot
5 maatschappelijk werkers full-time per gezin kunnen worden aangesteld.”
(pag. 168) …
E.S.P. Oudejans, directeur van stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland,
wond er op de themadag ‘Hulpverlenen of straffen?’ in oktober 1998
geen doekjes om. Hij zei: “Met enkele duizenden guldens per jaar per cliënt
zou naar onze oprechte overtuiging een groot deel van de uithuisgeplaatste
jongeren thuis kunnen blijven en zouden wij in staat zijn echt iets voor
die jongeren en hun gezinnen te doen. Wij leven met de werkelijkheid
dat veel jeugdigen om economische redenen uit huis worden geplaatst omdat
we nu eenmaal geacht worden iets te doen.”
We geven het geld verkeerd uit. Er moet niet meer geld beschikbaar komen,
het voor jeugdzorg beschikbare geld moet anders verdeeld worden.
B
Een deel van het werk
laten verrichten door vrijwilligers, gekozen door de ouders.
… Eigen-Kracht
Conferenties.
De kerngedachte hiervan is dat een onafhankelijk coördinator alle
belangrijke familieleden van een kind dat hulp nodig heeft bij elkaar
roept. De hulpverlener presenteert het probleem en de familie maakt een
plan hoe zij de problemen gaat oplossen. De hulpverlener is daar niet bij
aanwezig. Hij toetst alleen of het plan voldoende is. Men laat zo de
verantwoordelijkheid en de oplossing in handen van de familie. …
C Grote
besparingen zijn ook te behalen in verband met ‘wegloopkinderen’.”
Met name i.v.m. de Eigen-Kracht Conferenties kan de rijksoverheid invloed
uitoefenen door de provincies gelden te verstrekken, uitsluitend bestemd
voor deze vorm van hulpverlening.
Door Eigen-Kracht Conferenties krijgen families de mogelijkheid problemen
i.v.m. jongeren zelf op te lossen, met inschakeling van professionals voor
zover zij dit nodig vinden.
In 80% van de gevallen lukt dit blijkens de 4 deelrapporten van
onderzoeksbureau WESP.
(In 2002 heeft Eigen-Kracht de tweejaarlijkse Simon Slootenprijs ontvangen
als het meest vernieuwende project in de jeugdzorg, en in 2003 de
lustrumprijs van de Vereniging voor Ortho-agogische Activiteiten.) In de
resterende 20% van de gevallen wordt het probleem geheel neergelegd bij de
jeugdzorg. De hulpvraag is dus in ieder geval veilig gesteld.
6. INFORMATIE VERZONDEN AAN DE
RMO op 23 september 2004
Op 8 september 2004 zegt de Staatssecretaris van VWS in het
televisieprogramma
Twee Vandaag, dat er in de jeugdzorg in totaal, dus de vrijwillige
jeugdhulpverlening
(voor rekening van VWS) en de kinderbeschermingsmaatregelen (voor rekening
van Justitie),
€ 60.000.000.000 omgaat (zestig miljard euro).
A.
Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving kent
jeugdzorg niet
B. Verantwoordelijkheden voor de inhoud van de jeugdzorg, voor
kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen geen invulling
C. Kwaliteit van de jeugdzorg behoeft dringend verbetering
D. Rechter toetst rechtmatigheid
kinderbeschermingsmaatregelen marginaal;
rechter heeft i.v.m. doelmatigheid zelden
toetsingsmogelijkheid; geen beroepsfunctie
Ad A. Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en
-handhaving kent jeugdzorg niet
Waar
in de gezondheidszorg de opleidingen inhoudelijk minutieus beschreven zijn
en kwaliteit van geleverd werk dus in principe goed te beoordelen is, is
er in de jeugdzorg nauwelijks sprake van opleidingen. Op de Bureaus
jeugdzorg werken enkele gezondheids-zorgpsychologen, maar de overige
medewerkers hebben hooguit een opleiding aan een sociale academie gevolgd,
het merendeel van hen heeft niet meer dan een opleiding op mbo-niveau. (In
ziekenhuizen werken veel verpleegkundigen op mbo-niveau, maar de
mbo-opleiding tot verpleegkundige is gedetailleerd vastgelegd, omvat
concrete en toetsbare vaardigheden.)
“Alhoewel
Vedivo (de inmiddels opgeheven stichting Vereniging Directeuren
Gezins-voogdijinstellingen, KOG) al jaren geleden heeft vastgesteld dat
het beschermen van kinderen een vak apart is, is tot nu toe geen sprake
geweest van een gerichte opleiding tot dat vak en nog minder van een goede
doordenking van de methodische grondslagen van het
jeugdbeschermingsvak.” (aldus in 2002 E. Oudejans, directeur van
stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland, thans Bureau Jeugdzorg
Noord-Holland) Bijlage A1 pag. 66
In
het concept Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008 is te lezen in bijlage 2,
Een kwaliteits-impuls voor de jeugdzorg, paragraaf 3, Kwaliteit en
innovatie:
“Een
goede indicatiestelling is van cruciaal belang in het nieuwe stelsel; …
Inhoudelijke criteria moeten nog worden ontwikkeld. … Hierbij zal
ook aandacht zijn voor … een opleiding tot indicatiesteller.” Bijlage
A2 laatste vel
Stichting
KOG heeft op 25 juni 2004 gereageerd op dit concept. Bijlage A2a
In 2004 zijn er nog steeds geen inhoudelijke
kwaliteitscriteria voor de jeugdzorg.
Wel bestaat het Besluit kwaliteitsregels
jeugdhulpverlening en het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en
gezinsvoogdij, beide AmvB’s bij de Wet op de Jeugdhulpverlening; deze
betreffen procedurele zaken en bij gebrek aan opleidingen niet nader te
concretiseren algemeenheden. (Besluit Kwaliteitsregels art. 3 “Het
bestand van personeel … is zowel kwalitatief als kwantitatief afgestemd
op de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en
werkzaamheden en op de doelgroep.” In de gezondheidszorg heeft een
dergelijke formulering inhoud omdat de functies en opleidingen nauwkeurig
beschreven zijn.)
‘Harmonisatie Kwaliteitsbevordering in de
Zorgsector, werkgroep Jeugdzorg’ gaat nu waarschijnlijk de Nederlandse
Patiënten Cliënten Federatie verzoeken de algemene kwaliteitscriteria
geschikt te maken voor jeugdzorg. Bijlage A3
Uiteraard zijn er wel aan het bestuursrecht ontleende
behoorlijkheidscriteria toe te passen en inzichten uit de gezondheidszorg
wanneer er sprake is van analoge toepassing binnen de jeugdzorg. Dat
betreft echter geen inhoudelijke criteria.
Het is zelfs voorgekomen dat een jeugdzorginstelling
meende dat kritiek op de inhoudelijke kwaliteit van de geleverde jeugdzorg
onterecht was gelet op de kwaliteit van haar mede-werkers (mismanagement,
zie hierboven art. 3 Besluit Kwaliteitsregels, zou dus gebrek aan
kwaliteit rechtvaardigen).
(Doctoraalscriptie 2004 van ambtelijk secretaris
provinciale klachtencommissie) Bijlage A4
Wel legt artikel 10 van de Wet op de jeugdzorg de
verplichting op aan Bureau Jeugdzorg in het openbare jaarverslag aan te
geven op welke wijze cliënten bij het kwaliteitsbeleid zijn betrokken en
hoe en hoe vaak binnen de stichting in het verslagjaar
kwaliteitsbeoordeling heeft plaatsgevonden en met welk resultaat. Artikel
23 legt dezelfde verplichtingen op aan de zorgaanbieders.
Vergeleken met de gezondheidszorg kent de jeugdzorg
weinig voorzieningen voor kwaliteits-controle die buiten de instelling
zelf zijn gelegen. De inspectie heeft beperkte mogelijkheden.
“Gewenste effecten van toezicht heeft de inspectie
echter slechts ten dele zelf in de hand: immers de instrumenten van de
inspectie gaan in de vigerende regelgeving, na rapportage en advisering,
niet verder dan signalering, aansporing, overreding en openbaarheid.
‘Hardere’ instrumenten en sancties staan haar
niet ter beschikking, maar zijn voorbehouden aan de subsidiërende
overheden.”
(Voorwoord Jaarverslag 2001 Inspectie Jeugdhulpverlening en
Jeugdbescherming) Bijlage A5
In de gezondheidszorg kent men behalve de inspectie
het medisch tuchtrecht, dat als voornaamste doel heeft
kwaliteitshandhaving van de beroepsgroepen. De medische tuchtcolleges zijn
de laatste fase in een getrapt klachtrecht. Vertrouwensartsen die werken
voor de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, onderdeel van Bureaus
jeugdzorg, vallen onder het medisch tuchtrecht.
In de Bureaus jeugdzorg kunnen psychologen of
pedagogen werken die als gezondheidszorg-psycholoog ingeschreven zijn in
het BIG-register en daardoor onder het medisch tuchtrecht vallen. Ook kan
verenigingstuchtrecht incidenteel van toepassing zijn.
Als zij niet ingeschreven staan, vallen zij niet
onder enig tuchtrecht.
Niet onmogelijk is dat de Bureaus Jeugdzorg bij AmvB
gehouden zullen worden een of meer beroepsbeoefenaren in de zin van de BIG
in dienst te hebben. Wat betreft Bureau Jeugdzorg en de uitvoerders die
niet onder de AWBZ vallen zal het kwaliteitseffect op instellingsniveau
hooguit van geringe betekenis zijn.
Alle overige medewerkers (dus bijna alle) vallen niet
onder enig tuchtrecht.
In 1997 is een regeling voor klachten in werking
getreden voor de totale jeugdhulpverlenings- en jeugdbeschermingssector,
met enkele uitzonderingen.
In de Wet op de jeugdzorg (die per 1 januari 2005 de
Wet op de Jeugdhulpverlening opvolgt, dus grotendeels vervangt) wordt een
fundamenteel andere weg ingeslagen met het klachtrecht, ten gevolge
waarvan o.a. de provinciale en grootstedelijke klachteninstantie vervalt.
Klachtrecht is echter, vergeleken met tuchtrecht,
altijd een minder effectief middel om kwaliteit van beroepsuitoefening te
handhaven of te verhogen. Een kenmerk van klachtprocedures is immers dat
zij niet tot rechtens bindende uitspraken leiden.
Zowel wat betreft Bureau jeugdzorg als de
zorgaanbieders wordt in de MvT bij de Wjz aansluiting gezocht bij de
Kwaliteitswet zorginstellingen voor het regelen van de kwaliteit van
Bureau Jeugdzorg. Dit houdt in dat de Bureaus Jeugdzorg in principe zelf
verantwoordelijk zijn voor het organiseren en handhaven van kwaliteit en
daarbij aan dezelfde eisen moeten voldoen als zorgaanbieders die onder de
Wkz vallen. De wet biedt wel de mogelijkheid om regels te stellen m.b.t.
disciplines en opleidingseisen van het personeel. Achtergrond hiervan is
dat het om een organisatie in ontwikkeling gaat en het Rijk dit
kwaliteitsaspect wil kunnen beïnvloeden. Ook kunnen bij AMvB nadere eisen
worden gesteld aan verantwoorde uitoefening van de taken en
kwaliteitsbewaking. Wat betreft handhaving staan het provinciale (en
grootstedelijke) bestuur dezelfde mogelijkheden ter beschikking als aan de
minister op grond van de Wkz (een schriftelijke aanwijzing geven en een
termijn om daaraan te voldoen). Ook krijgen de provincies de bevoegdheid
bestuursleden of leden van de raad van toezicht te ontslaan en om
tijdelijk te voorzien in de leiding van het Bureau. Met deze bevoegdheden
is de bevoegdheid tot het uitoefenen van bestuursdwang tevens gegeven.
KOG vreest echter dat het onwaarschijnlijk is, dat de
provincies en grootstedelijke overheden wel zullen slagen waar de
Rijksoverheid tot 2005 niet is geslaagd: optreden tegen onverantwoorde
kwaliteit van zorg.
“In de Wet op de jeugdhulpverlening is geprobeerd
om het systeem van indicatiestelling en de toewijzing van de meest
aangewezen zorg te regelen. Met name de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk
III waren daarvoor bedoeld. De artikelen 17 tot en met 22 bevatten
bepalingen met betrekking tot de jeugdhulpadviesteams en een gezamenlijk
opname-, hulpverlenings- en hulpverlenersbeleid. Dit zijn in feite
‘dode letters’ gebleven. Ook artikel 35 van de wet, het
kwaliteitsartikel, met het daarop gebaseerde uitvoerige Besluit
kwaliteitsregels jeugdhulp-verlening is in veel opzichten nooit nageleefd.
Zo heeft in de jaren 1998/1999 de inspectie voor de jeugdhulpverlening en
jeugdbescherming erop gewezen dat veel jeugdigen zonder deugdelijke
diagnose en indicatie en zonder hulpverleningsplan in residentiële
voorzieningen voor jeugdhulpverlening zijn opgenomen. Volgens de
kwaliteitsregels vastgelegd in de wet en de besluiten zou dat niet
kunnen.” (Elling en Wormgoor; Jeugdzorg en Jeugdbeleid; 2000) Bijlage
A6
In het concept Landelijk beleidskader
2005 t/m 2008 schrijft de Rijksoverheid dan ook in hoofdstuk 3,
Verbetering kwaliteit en effectiviteit zorgaanbod: “In 2005 beschikt 30%
van de zorg-aanbieders over een kwaliteitssysteem, oplopend tot 100% in
2007. Daarnaast moeten alle cliënten uit de jeugdzorg per 1 januari 2005
een hulpverleningsplan hebben dat voldoet aan de eisen van de wet.”
Het ontgaat KOG waarom zelfs voor een
hulpverleningsplan dat voldoet aan de eisen van de wet nog steeds (sinds
1989) respijt wordt verleend.
In het Landelijk beleidskader staat voorts “De provincies geven in
het provinciale beleids-kader aan hoe in hun provincie een verantwoorde
indicatiestelling wordt gewaarborgd.”
Het lijkt er dus op dat de rijksoverheid de
provincies uitnodigt om ieder voor zich het wiel uit te vinden.
Waarborging van een verantwoorde indicatiestelling lijkt KOG bij uitstek
een taak voor de rijksoverheid. Nogmaals bijlage A2 en bijlage A2a
Wanneer de inspectie na onderzoek tekortkomingen
constateert en aanbevelingen doet, volgt zelden hertoetsing om te bezien
of de aanbevelingen zijn uitgevoerd.
(Brieven van de Ministeries van Justitie en VWS en de Inspectie) Bijlage
A7, A8, A9, A10
De provincies, die na 1 januari 2005 verantwoordelijk
zullen zijn voor de jeugdzorg in hun gebied, presenteren door de inspectie
gedane aanbevelingen niet altijd als verplichtend. (Provincie
Flevoland) Bijlage A11 en A11a
Openbaarheid, de goedkoopste vorm van
kwaliteitscontrole, wordt door de rijksoverheid in het Landelijk
beleidskader 2005 t/m 2008 voor zittingen in het kader van
klachtprocedures niet verplicht gesteld of aangemoedigd. Nogmaals
bijlage A2a
De zittingen van de medische tuchtcolleges zijn
openbaar en worden in de rechtbanken waar zij zullen plaatsvinden van te
voren bekendgemaakt.
De huidige en de komende (1 januari 2005) wet
vergelijkend ziet men dat er geen groot verschil is te verwachten in de
wijze waarop de inspectie het toezicht zal kunnen houden op de
jeugdzorginstellingen. In de WHJV heet deze Inspectie jeugdhulpverlening
en jeugd-bescherming. De naam is per 1 januari 2004 al veranderd in
Inspectie Jeugdzorg.
Deze ressorteert onder het ministerie van VWS en
verricht haar taken ten aanzien van de Bureaus Jeugdzorg, de aanbieders
van jeugdzorg waarop de wet aanspraak geeft, de justitiële
jeugdinrichtingen en de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspersoon
waarbij minderjarige asielzoekers onder voogdij staan. De bevoegdheden van
de ambtenaren van de inspectie zijn in beide wetten gelijk wat betreft het
toezicht op de Bureaus Jeugdzorg en de zorgaanbieders; analoge toepassing
van de artikelen 5:23 (ambtenaar van inspectie moet zich kunnen
legitimeren), 5:13 (evenredigheidsbeginsel), 5:15 (bevoegdheid tot
binnentreden) en 5:20 (verplichte medewerking van instelling behoudens
verschoningsrecht) geeft deze bevoegdheden. Voor de andere gebieden die
onder deze inspectie vallen worden geen expliciete bevoegdheden genoemd.
De inspectie verricht onderzoeken uit eigen beweging of in opdracht van de
respectievelijke verantwoordelijke overheden t.a.v. het gedeelte waarover
deze wettelijke verantwoordelijkheid dragen. De aanwijzingen van de
betrokken bewindslieden dienen in aanmerking te worden genomen.
In het Meerjarenplan Jaarwerkprogramma 2004 schrijft
de Inspectie jeugdzorg:
“Via dit werkmodel heeft de inspectie …
prioriteiten gesteld. Dit is noodzakelijk omdat de inspectie, gezien haar
omvang, niet aan alle toezichtswensen kan voldoen. Zij kiest dan met name
voor die gebieden waar zij verwacht dat de jeugdigen zelf de meeste
risico’s lopen.” (Voorwoord) en
“stelt de inspectie zich ten doel om zicht te
hebben en te houden op ontwikkelingen in het totale werkveld.” (Nadere
toelichting en motivering van keuzes) en
“In de komende jaren wil de inspectie met de
uitkomsten van toezicht meer effect sorteren op beleid en uitvoering om te
komen tot effectieve, resultaatgerichte en cliëntgerichte zorg: een
inspectie met impact. …
Bovendien wil de inspectie meer hertoetsen uitvoeren
dan tot nu toe mogelijk is gebleken.
Om dat binnen de beschikbare capaciteit te kunnen
doen, wordt een hertoets uitgevoerd op de effecten van aanbevelingen ofwel
gemaakte afspraken voor verbetering van de kwaliteit. Hertoetsen worden
deels opgenomen in het jaarwerkprogramma en zitten deels in de jaarlijks
te reserveren capaciteit voor reactief toezicht naar aanleiding van
meldingen en calamiteiten.”
(Ontwikkelingen in het toezicht) Bijlage A12
Ad B. Verantwoordelijkheden voor de inhoud van
de jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen geen invulling.
De
Minister
van Justitie,
eindverantwoordelijke voor kinderbeschermingsmaatregelen, kan niet
aangesproken worden op de uitvoering van de maatregelen. Wederom
bijlage A9 en B1
Provinciale
en grootstedelijke overheden
verwijzen voor beschermingsmaatregelen, uitgevoerd door landelijk werkende
voorzieningen, naar de
Minister van Justitie. Bijlage B2
Maar:
zie alinea 1
De
Inspectie heeft
geen sanctiemiddelen en verwijst bij niet-nakomen door instellingen van
aanbevelingen (soms aan de Minister van Justitie) van de inspectie naar de
Minister.
Maar:
zie alinea 1.
De
Kinderrechter:
“Het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit van de hulpverlening ligt
bij de Raad voor de Kinderbescherming en bij de Inspectie
Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming en niet bij de kinderrechter.”
(Kinderrechter Zwolle) Bijlage B3
De
Raad voor de Kinderbescherming (onderdeel
van het Ministerie van Justitie) neemt zijn verantwoordelijkheid niet of
weet niet deze te dragen, of wordt in de onmogelijkheid gebracht deze te
dragen.
In
het Algemeen Dagblad van 24 juli 2004 meldt het artikel ‘Paniekvoetbal
bij gezinsvoogdij’ dat volgens prof. W. Slot (VU) de
toetsende taak van de Raad voor de
Kinderbescherming,
indertijd in de wet opgenomen om de macht van de gezinsvoogdij te
beteugelen, nooit uit de verf is
gekomen
waar het gaat om controle op beëindiging door een
gezinsvoogdij-instelling van een uithuisplaatsing.
De
Directie Noord-West van de raad oefent
deze taak helemaal niet meer uit.
Landelijk
beleid is volgens het hoofdkantoor van de Raad “dat er marginaal wordt
getoetst en alleen in die gevallen waarin de kinderrechter er niet aan te
pas is gekomen.”
Prof.
Slot hekelt het niet uitvoeren van de taak en vindt het marginaal toetsen
veel te mager. Bijlage B4
De
Raad voor de Kinderbescherming schrijft in 2001: “De Raad kreeg in 1995
ook een nieuwe taak: toetsing. Zowel het niet verlengen van een OTS of van
een machtiging uithuisplaatsing (MUHP), als het feitelijk beëindigen van
een uithuisplaatsing moet de GVI melden aan de Raad. Daarnaast toetst de
Raad de verzoeken die de GVI aan de kinderrechter doet, zoals een
verlenging van de OTS en een vervanging toestemming van de ouder voor een
medische behandeling. De Raad vraagt zonodig zelf een verlenging OTS of
MUHP of stuurt aan op de vervanging van de GVI. Uit het onderzoek blijkt
dat de wet de toetsende taak weliswaar helder omschrijft, maar dat niet
helder is hoe deze taak moet worden uitgevoerd. Ook voor de kinderrechters
en de GVI blijkt het onduidelijk. Het landelijke afstemmings-protocol
(V)OTS biedt procedurele handvatten, maar geeft voor de interne werkwijze
van de Raad onvoldoende aanknopingspunten.
Een
ander probleem dat de evaluatie signaleert is dat er geen sancties zijn
voor een GVI die een ‘niet-verlenging OTS/MUHP’ of een ‘beëindiging
UHP’ te laat meldt. De Raad is dan niet in staat zijn taak uit te
oefenen.
De
problemen rond de toetsende taak zijn dus grofweg in tweeën te delen:
onduidelijkheid over hoe de toetsende taak dient te worden uitgevoerd en
een haperende samenwerking tussen Raad en GVI.”
Bijlage B5
Dus:
Bij
ontevredenheid over de kwaliteit van uitvoering van een
kinderbeschermingsmaatregel wenden ouders zich tot de Rechter.
De
Rechter verwijst naar de Raad voor de Kinderbescherming en de Inspectie. Bijlage
B3
De
Inspectie verwijst naar de Minister van Justitie.
Ook
de provincie verwijst naar de Minister. Bijlage B2
M
AAR
De
Minister van Justitie schrijft: “Een (gezins)voogdij-instelling is een
zelfstandige organisatie die niet ondergeschikt is aan de Minister van
Justitie en niet namens de Minister bevoegdheden uitoefent. Er bestaat
geen wettelijke bepaling op grond waarvan de Minister van Justitie een
(gezins)voogdij-instelling algemene of bijzondere aanwijzingen kan
geven.” Nogmaals bijlage A9 en B1
Worden
de verantwoordelijkheden helderder in de Wet op de Jeugdzorg?
“Kan
de Inspectie naleving van de wettelijke regels – indicatiestelling en
hulpverleningsplan zijn nu al verplicht – ook afdwingen? Volgens De
Vries is dat een taak
van de provincies:
‘Die worden onder de nieuwe Wet op de Jeugdzorg hoofdfinancier en zullen
met onze bevindingen in de hand naar de instellingen gaan om aan de
financiering voorwaarden te stellen. Elke provincie heeft natuurlijk haar
eigen verantwoordelijkheid, maar wij zullen hen stevig adviseren dit zo
aan te pakken. ‘… Wordt er dan maar wat aangerommeld in de pleegzorg?
‘Nee hoor, er wordt heel hard gewerkt, alleen moeten ze op een andere
manier gaan werken, wat systematischer en doelgerichter. …’
Onder
de Wet op de Jeugdzorg krijgt de Inspectie – op aandringen van de Tweede
Kamer – een geheel nieuw wapen in handen. Joke de Vries: ‘Als wij
constateren dat de zorg beneden ieder peil is en er gevaarlijke situaties
dreigen, dan kunnen wij straks een bevel
afgeven. Maar in de praktijk is publiciteit ook nu al een heel zwaar
wapen, en daarnaast hebben we de mogelijkheid aanbevelingen te doen, die
de regering altijd serieus neemt – ze moet wel, want de aanbevelingen
gaan ook naar de Tweede Kamer. Verder maken we in rechtstreeks contact met
de instellingen afspraken over verbeteringen.’ Bijlage B6
Publiciteit:
Niet alle inspectierapporten komen op de website van de Inspectie;
een door KOG op 10 december 2003 gedaan Wob-verzoek om een
inspectierapport te mogen ontvangen is in september 2004 nog niet
gehonoreerd Bijlage B7
Aanbevelingen:
De instellingen kunnen die ongestraft (en vaak ongezien) naast zich
neerleggen
(evenals uitspraken van de rechter; raad voor de kinderbescherming kunnen
zij omzeilen.)
In
het Landelijk beleidskader legt de rijksoverheid implementatie van het
certificatie-schema niet verplichtend op: eigen verantwoordelijkheid. Nogmaals
bijlage A2 en A2a
En
als een provincie of grootstedelijk gebied wel in haar programma opneemt
dat de instellingen op enig moment gecertificeerd dienen te zijn, wordt de
inhoudelijke uitwerking hiervan aan de instellingen zelf overgelaten. Bijlage
B8
Ook
moedigt het Landelijk beleidskader provincies niet aan rapportage over de
effectiviteit van geleverde zorg te eisen, slechts deze te bevorderen. Nogmaals
bijlage A2 en A2a
C. Kwaliteit van de jeugdzorg behoeft dringend
verbetering
De noodzaak de kwaliteit te verbeteren klemt te meer
gezien de verschillen, nog afgezien van opleidingen en functies, tussen de
gezondheidszorg en de jeugdzorg:
Gezondheidszorg
Jeugdzorg
Cliënt
Degene met het probleem;
Jeugdige met omgeving;
bij uitzondering met omgeving
bij uitzondering de jeugdige alleen
Vrijwilligheid
Bij uitzondering geen vrijwilligheid
Vaak op basis beschermingsmaatregel,
Meestal keuze hulpverlener
dan in beginsel geen keuze hulpverlener.
Ook bij vrijwillige hulp geen keuze:
één regionale voorziening
Indicatie
De facto gekozen eigen huisarts
Regionaal Bureau Jeugdzorg, optredend als
monopolist
“Het
rapport gelezen hebbend, kan de cliëntenraad stellen, dat veel van de
geplaatste opmerkingen herkenbaar zijn voor cliënten van de William
Schrikker Stichting: Onvolledige hulpverleningsplannen, verwisseling van
doel en middelen, verlies van waardevolle informatie, niet-gerapporteerde
behaalde tussenliggende doelen, ontbreken van positieve signalen,
onvolledige en tendentieuze rapportage, onduidelijkheid over toegevoegde
waarde (in de zin van pedagogische remedie) van een Onder Toezicht
Stelling, inconsequentie en snel tevreden over eigen werk dat niet af is
….”
(Brief d.d. 9 juli 2002 aan de Hoofdinspectie van de voorzitter van de cliëntenraad
van de William Schrikker Stichting n.a.v. het inspectierapport Toezicht
WSS uit juni 2002, waarin KOG klachten van veel ouders ook over andere
gezinsvoogdij-instellingen herkent.)
Bijlage
C1
Vergelijking
van twee willekeurige inspectierapporten doet vermoeden, dat de Inspectie
steeds weer dezelfde onvolkomenheden aantreft: Toezicht WSS
“Stuurbekrachtiging”,
’s-Hertogenbosch,
en Rapportage reactief toezicht AJL “Aan het roer”, Haarlem, beide
juni 2002. Van deze twee rapporten zijn o.a. de eerste pagina’s gelijk,
zo niet letterlijk dan toch inhoudelijk “constateert de inspectie dat de
gezinsvoogden van AJL vaak volhouders zijn.” en “constateert de
inspectie dat de gezinsvoogden van de WSS vaak blijk geven van een lange
adem.”, en zijn bovendien de conclusies (hoofdstuk 3 in beide gevallen)
vrijwel identiek.
Een
van de conclusies is, dat gezinsvoogden wel procedureel worden
aangestuurd, maar niet inhoudelijk, niet op kwaliteit:
“De
inspectie trekt hieruit de conclusie dat de WSS op uitvoerend niveau
onvoldoende inhoudelijke aansturing geeft en te weinig ondersteuning
hiervoor biedt in haar voorschriften.” en
“De
inspectie concludeert hieruit dat AJL op uitvoerend niveau onvoldoende
inhoudelijk aanstuurt.” Bijlage C2 en C3
“Ter
voorkoming van verkeerde beeldvorming moet worden opgemerkt dat de huidige
stand van zaken, …, niet de ‘schuld’ is van gezinsvoogden. Doorgaans
hebben zij er in zeer onvoldoende omstandigheden (zoals gebrek aan tijd,
geld, het ontbreken van een gerichte methodiek en bijbehorende opleiding
en vaardigheden), met veel inzet, volharding, wijsheid en deskundigheid
maar zonder voldoende steun van een methodisch goed uitgewerkte opdracht
alles aan gedaan hun
jeugdbeschermingscliënten verder te helpen.
De hele
samenleving stond erbij en keek ernaar en accepteerde een bepaalde manier
van functioneren van de jeugdbescherming.”
(E.
Oudejans pag.123) Bijlage A1
Het
niveau van de gezinsvoogd is exemplarisch voor dat van de meeste
medewerkers van Bjz:
“De
opleiding tot gezinsvoogd is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden veelal
opleidingen met een brede basiskennis. Dat is niet genoeg om als
gezinsvoogd aan de slag te kunnen. … De opleidingsroute die de
gezinsvoogdij-instellingen onder regie van Vedivo
realiseren leidt een kommervol bestaan.
Sommige
gezinsvoogdij-opleidingen zijn uit arren moede een eigen opleidingstraject
begonnen en bij andere instellingen ontbreekt een systematisch aanbod.”
(W. Slot / A. Theunissen; 909 zorgen; 2002 pag. 82) Bijlage C4
In
mei 2002 heeft de Maatschappelijk Ondernemers Groep in samenwerking met
Vedivo het Programma Bureaus Jeugdzorg 2002/2003 opgesteld.
Pag. 12/13: “Opleiding en deskundigheid. Problemen en kansen: De nieuwe
taakstelling, de meerwaarde van multidisciplinaire oordeelsvorming van
Bureaus Jeugdzorg maakt een herbezinning op de benodigde diversiteit aan
deskundigheden, beroepsprofielen, scholing en opleiding noodzakelijk. …
Activiteiten: Inventariseren aanwezige, gewenste en noodzakelijke
deskundigheden en/of beroepsgroepen binnen Bureaus Jeugdzorg …
Inventariseren aanwezige en gewenste deskundigheidsbevorderings- en
opleidingsmogelijkheden, waarbij onderscheid gemaakt moet worden tussen
basisopleidingen en aanvullende opleidingen … Mogelijk laten ontwikkelen
functie/competentiescholing voor beginnende werkers in een Bureau
Jeugdzorg. Ontwikkelen ideeën voor permanent leren, action learning
binnen Bureau Jeugdzorg.” Bijlage C5
Wanneer
Bureau Jeugdzorg dit raadzaam oordeelt, licht het de Raad voor de
Kinder-bescherming in over een gezin. Bureau Jeugdzorg oordeelt dit o.a.
nodig wanneer ouders voorgestelde hulp afwijzen of in gang gezette hulp
afbreken. Op deze wijze “stelt men de hulpvraag veilig.” De Raad voor
de Kinderbescherming krijgt dan de beschikking over het dossier van het
gezin, hetgeen de ouders niet van te voren hebben geweten.
De
Raad verzoekt indien hij dit aangewezen acht de kinderrechter om een
kinder-beschermingsmaatregel. Het verzoekschrift wordt onderbouwd met een
rapport, eventueel aangevuld met een deskundigenonderzoek.
De
deskundigen handelen niet altijd als deskundigen. Deze mening is de Raad
voor de Kinderbescherming zelf ook toegedaan. Bijlage C6
Over
het raadsrapport schrijft prof. Dr. G.P. Hoefnagels, emeritus hoogleraar
criminologie en familie- en jeugdrecht o.a. in december 1999: “Alle
rapporten die ik onder ogen kreeg – dat zijn er inmiddels tientallen uit
bijna alle arrondissementen – vertoonden elementaire gebreken van het
gewone gezonde verstand; ik noem ze.
1.
Feiten en conclusies waren niet gescheiden, zelfs niet
onderscheiden.
2.
De conclusies gingen vooraf aan de feiten en functioneerden als
vooroordelen.
3.
Conclusie en advies berustten niet op feiten.
4.
De beweringen en verwijten … worden als feiten behandeld.
5.
… (alleen over scheidingsproblematiek)
6.
… (idem)
7.
Er werden te hooi en te gras zogenaamde ‘indrukken’ vermeld die
op niets waren gebaseerd.
8.
Het rapport was een ‘feitenpakhuis’. Feiten, beweringen en
waardeoordelen werden opgestapeld zonder dat duidelijk was welke
relevantie deze hadden voor de vraagstelling.
9.
Beweringen werden zo vaak herhaald dat ze voor de lezer als feiten
gingen functioneren. Voor de rapporteur was dat al zo.
10.
De lezer werd misleid door een onjuiste beeldvorming.
11.
… De partijdigheid van het psychologisch rapport werd ondersteund
door de partijdigheid van het raadsrapport. Het vermoeden rijst dat deze
rapporten in nauw overleg tussen beide instellingen tot stand waren
gekomen. Dit was echter niet in de rapporten vermeld, zodat het kon lijken
alsof twee onafhankelijke deskundige instituten tot dezelfde conclusie
waren gekomen.
…
Het is natuurlijk ook mogelijk dat zulke rapporten wel representatief
zijn., want ze zijn goedgekeurd door verantwoordelijke chefs, werkleiders,
unithoofden, en de adviezen zijn erop gebaseerd. Hetzelfde geldt voor de
rapporten van het PAR en het MWKJ, voor de indiening waarvan de Raad
verantwoordelijk is. Dezelfde aanwijsbare ondeskundige rapporteurs
scheiden meer rapporten af.” Bijlage C7
En
in Opstellen over rapportage:
“Kritiek op het rapport of het advies van de raad van de
kinderbescherming komt bij de rechter die oordelen moet in kinderzaken
zelden voor. Dubieuze adviezen gebaseerd op dubieuze rapporten worden al
te gemakkelijk overgenomen. Het contra-rapport is niet gebruikelijk en
wordt niet erg serieus genomen” Bijlage C8
Medewerkers
van de Raad voor de Kinderbescherming leren in de interne opleiding
rapporteren precies zoals Hoefnagels schrijft dat het niet moet: een
motievenconstructie bouwen ter ondersteuning van het verzoekschrift tot
ondertoezichtstelling.
Wegwijzer
Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming: ”Bij de selectie van het
materiaal kan men als uitgangspunt hanteren, dat alleen het materiaal
overblijft, dat te maken heeft met het doel van het onderzoek. … De
gegevens worden zo geordend, dat zij een consistent geheel vormen.” Bijlage
C9
Verder
heeft de Raad voor de Kinderbescherming vele malen meegedeeld, niet aan
‘waarheidsvinding’ te doen. Bijlage C10 en nogmaals C6
Dit
is merkwaardig, want “de raad voor de kinderbescherming fungeert als
verlengstuk in het feitenonderzoek van de rechter. … Benoemen van de
raad voor de kinderbescherming tot onafhankelijke deskundige betekent dus
dat de rechter twijfelt over het feitenmateriaal van verzoeker.”
(proefschrift Van den Berg, 1999) Bijlage C11
Prof.
Slot schrijft: “… De professionaliteit in de gezinsvoogdij dient te
worden verhoogd. …
Verder dienen gezinsvoogden meer planmatig te werken en daarin ondersteund
te worden …
Professionaliteit gedijt slechts als aan de organisatorische
randvoorwaarden is voldaan. In dat opzicht is er voor de gezinsvoogdij nog
veel te doen.” Nogmaals bijlage C4
Samenvattend:
Veel
medewerkers van Bureau Jeugdzorg, o.a. gezinsvoogden,
en van de Raad voor de Kinderbescherming, zijn opgeleid voor werk
op uitvoerend niveau, maar moeten initiërend en indicerend werken. De
situatie doet denken aan een doktersassistente die het werk van de
huisarts moet doen. Merkwaardig is het verschil in beslissingsmacht tussen
de gezinsvoogd en de doktersassistente (en zelfs de HBO-verpleegkundige).
Bovendien
gaat deze beslissingsmacht samen met een groot verschil in feitelijkheid
van het werkmateriaal: objectieve gegevens als laboratoriumuitslagen en
lichaamstemperaturen zijn zeldzaam in de gezinsvoogdij, interpretatie en
beleving overheersen.
De
arts onderzoekt de patiënt, spreekt met hem, bestelt zelf de
laboratoriumtests die hij nodig oordeelt, interpreteert die zelf.
De
praktijkbegeleider heeft niet anders dan het rapport, opgesteld door de
“doktersassistent”.
De
praktijkbegeleider kan niet anders dan afgaan op het materiaal dat de
gezinsvoogd aanlevert. De veldwerker bepaalt wat er in de rapportage
terecht komt, en in welke bewoordingen (sfeer, interpretatie) het er
terecht komt.
Het
doel van Bureau Jeugdzorg is dat het DE toegang tot de jeugdzorg wordt,
dat het dezelfde rol krijgt als de huisarts in de gezondheidszorg:
diagnose stellen, indien mogelijk hulp verlenen en zo nodig doorverwijzen
naar een specialist. Daar is op zichzelf niets tegen, maar de jeugdzorg
heeft geen juist beeld van de gevolgen en effecten van de eigen werkwijze.
-
Een arts heeft een universitaire studie en jaren stage achter de
rug.
Bij
fouten kan hij op de vingers getikt worden door medisch tuchtcollege en
inspectie.
- In
Bureau Jeugdzorg werken veel mensen met een opleiding op het niveau van
een
doktersassistente. Enige vorm van tuchtrecht is op hen niet van
toepassing.
We zouden het niet accepteren dat een doktersassistente tot een
gedwongen opname in
een ziekenhuis zou kunnen besluiten. Het is echter in de praktijk
de gezinsvoogd die
tot uithuisplaatsing beslist.
-
Er is altijd toestemming van de patiënt nodig voor onderzoek en
behandeling.
In
de jeugdzorg leidt verschil van mening over behandeling vaak tot gedwongen
behandeling. Ouders wordt dan de zeggenschap ontnomen.
D. Rechter toetst rechtmatigheid
kinderbeschermingsmaatregelen marginaal;
rechter heeft i.v.m. doelmatigheid zelden
toetsingsmogelijkheid; geen beroepsfunctie.
Officieel
kan de medewerker van de raad
voor de kinderbescherming of gezinsvoogdij-instelling alleen besluiten tot
een verzoekschrift aan de kinderrechter.
In
de rechterlijke motivering is de rapportage van de raad of gezinsvoogdij
echter vaak het enige argument.
Proefschrift Bruning 2001 Bijlage D1:
“De eerder genoemde verlangens naar een deugdelijke rechterlijke
motivering zijn simpelweg nooit in vervulling gegaan. … Hoewel de plicht
tot motiveren van de rechter telkens weer wordt genoemd door de
staatssecretaris, wordt vervolgens concreet niets ondernomen om gehoor te
geven aan de roep om een betere rechterlijke motivering van beslissingen
in kinderbeschermingszaken.” (pag. 266)
“Uitspraken van de rechter in eerste aanleg bestaan vaak uit
standaardformuleringen, zoals
’naar aanleiding van hetgeen op de zitting naar voren is gebracht en
uit de stukken is gebleken, is de rechter van mening dat aan de grond …
is voldaan.’ (pag. 281)
Nogmaals
bijlage C11:
“Uit
het praktijkonderzoek blijkt dat, ongeacht eventueel protest van ouders,
in alle gevallen de rechter een eindbeslissing neemt zonder een
inhoudelijke motivering.” (pag. 380)
“Op
grond van het door verzoeker/raad voor de kinderbescherming ingediende
deskundigenrapport(-en) wordt de eindbeslissing inhoudsloos gegeven.”
(pag. 392)
“Indien
ouders in een eerste ondertoezichtstelling- of ontheffingszaak protesteren
tijdens het RvdK-onderzoek, zorgt de RvdK-onderzoeker voor een extern
deskundigenrapport.
Wanneer
deze externe deskundige over een goede reputatie beschikt, gaat de rechter
van dit rapport uit.” (pag.
394)
“Van
Nijnatten 1993: “Ik heb … de indruk dat psychologen en pedagogen niet
zozeer om hun inhoudelijke expertise worden gevraagd maar omdat zij met
hun hogere sociale status (dan raadsmedewerkers met een maatschappelijk
werk-opleiding) wel in staat worden geacht het hoofd te bieden aan de
vertrouwenscrisis tussen burgerij en kinderbescherming … De psychologie
wordt politiek-strategisch ingezet.” (voetnoot pag. 122)
“Bij
rechterlijke motivering wordt een verbinding gelegd tussen enerzijds de
feiten en omstandigheden van het concrete geval, en anderzijds algemene
rechtsregels. Als deze laatste onduidelijk zijn wordt motivering een
hachelijke kwestie. Naar mijn mening is het recht van de KB-maatregelen
inderdaad op sommige onderdelen zo vaag dat de rechter hierin weinig
houvast kan vinden. Hij blijft op veilig terrein door in globale termen te
motiveren en door te verwijzen naar rapportage over de feitelijke
situatie.” (pag. 130)
(Proefschrift
Van Wijk 1999) Bijlage D2
Wel
heeft de Hoge Raad op 26 september 2003 (Rechtspraak van de Week 150)
beslist dat de rechter besluiten van een gezinsvoogdij-instelling volledig
moet toetsen.
“De
gewijzigde OTS-regeling, die naast een scheiding der machten tussen
kinderrechter en GVI tot doel had de rechtswaarborgen van de
belanghebbenden te versterken, heeft niet in alle opzichten haar
doelstellingen gerealiseerd. De regeling van de schriftelijke aanwijzing,
bedoeld om conflicten tussen gezinsvoogd (in opdracht van de GVI) en
betrokkenen omtrent een uitvoeringsbeslissing van de OTS aan de
kinderrechter te kunnen voorleggen, blijkt niet zonder problemen. … De
gezinsvoogden blijken niet of nauwelijks schriftelijke aanwijzingen te
geven. In dat geval is er ook geen toetsingsmogelijkheid van de
uitvoeringsbeslissingen van de GVI bij de kinderrechter. … Tenslotte is
hoger beroep tegen een aanwijzing wettelijk uitgesloten. Dit betekent dat
alleen de kinderrechter in eerste aanleg een aanwijzing kan
toetsen, waarbij dan nog enige terughoudendheid wordt betracht.” (Bijlage
D1, pag. 160)
“Rechtsbescherming
schiet tekort. Rechter raakt zoek in WIRWAR van regels.
…:
wat kan de kinderrechter dan voor je betekenen? De kinderrechter kan een
beslissing ‘vervallen verklaren’. Maar wat koop je daar als ouder
voor? De kinderrechter kan er niet voor zorgen dat een kind weer thuis
komt of dichter in de buurt in een tehuis komt wonen. … Schriftelijke
aanwijzingen worden niet of nauwelijks gegeven. Dus die hoeft de
kinderrechter niet te toetsen. Maar hoe zit het dan met mondelinge
aanwijzingen, waar wel naar geluisterd moet worden, omdat anders een
uithuisplaatsing kan volgen?” (Bijlage
D3)
“De
gecompliceerdheid van de aanwijzingsprocedure -…-heeft ertoe geleid dat
er zeer zelden van de aanwijzing gebruik wordt gemaakt.
… en anderzijds beroven zij de betrokkenen daarmee van een
toetsingsmogelijkheid bij de rechter. …
Denkbaar is dat een gezinsvoogd aarzelt om een schriftelijke
aanwijzing te geven, bijvoorbeeld omdat hij weet dat hij geen werkbare
sanctie heeft, maar in dat geval moeten belanghebbenden de mogelijkheid
hebben om tegen het uitblijven van een beslissing in beroep te gaan. …
De
kinderrechter mag naar de tekst van de wettelijke regeling een aantal
dingen niet waar soepele bevoegdheden een hoop zouden helpen.
In
het voorgaande is op verschillende plaatsen naar voren gekomen dat
beperking van de toegang tot de rechter middels slagboombepalingen
belanghebbenden tekort doet en dus onwenselijk is. Datzelfde geldt, zoals
we zagen, voor formele kaders die het stellen van een probleem op de wijze
waarop het zich in de werkelijkheid voordoet beperken. Een voorbeeld: in
de visie van de ouders moet het kind naar een internaat maar de
gezinsvoogd neemt geen maatregelen. De ouders brengen dit ter gelegenheid
van de verlengingszitting naar voren. De kinderrechter deelt hun mening
maar kan daarover geen effectief besluit nemen.
…
Vier
jaar ervaring met de toepassing van de nieuwe wettelijke bepalingen leert
dat vanuit de belanghebbenden grote behoefte bestaat aan de beroepsfunctie
van de kinderrechter omdat andere vormen van effectieve en
vertrouwenwekkende controle ontbreken, maar ook omdat het optreden van de
gezinsvoogdij-instellingen niet altijd even doelmatig is.
Aan
de andere kant is het uitgangspunt van de nieuwe wet, dat de rechter geen
uitvoerder behoort te zijn maar rechter moet blijven, volstrekt juist. Het
mengen van toetsing en uitvoering in de persoon van de kinderrechter heeft
het risico van verlies van onafhankelijkheid en vertrouwen in zich, en
ontneemt alle betrokkenen een buiten de conflicten staande
beroepsinstantie.
…
De beroepsprocedure bij de kinderrechter moet aan drie wenselijkheden
tegemoetkomen: onafhankelijke toetsing, geen uitvoering, wel een snelle
besluitvorming.
De
oplossing is dat de aanwijzingsprocedure niet eindigt met de
vervallenverklaring zoals in de huidige wettelijke regeling, want dat
geeft tijdverlies.” (Vos e.a.; 2000) Bijlage D4
Haarlem,
23 september 2004
VOORBEELD
1
De twee oudste nog jonge kinderen van een gezin met
drie kinderen worden door de gezinsvoogd onder begeleiding van politie van
huis opgehaald een dag voor de zitting bij de kinderrechter die de
machtiging uithuisplaatsing dus nog moet afgeven.
Zij blijven twee jaar uit huis geplaatst, de ouders
voeren procedures. Zonder dat er in de thuissituatie iets is veranderd of
zonder dat enige instantie geprobeerd heeft iets in de thuissituatie te
veranderen komen de kinderen na 2 jaar terug in het gezin, dat inmiddels
is uitgebreid met een vierde kind.
De familie verhuist van Haarlem naar Lelystad. Na de
verhuizing krijgen de ouders van hun nieuwe huisarts hun medisch dossier;
dan blijkt dat de schoolarts bezorgdheid had uitgesproken i.v.m. blauwe
plekken. (Toen de vader nog in Haarlem de dossiers van schoolarts en
gezinsvoogdij ging inkijken, zat het betreffende stuk er niet in.)
VOORBEELD
2
Marokkaans meisje van 6 jaar wordt in instelling
geplaatst omdat vader door school wordt verdacht van mishandeling. Op
advies KOG gaan ouders met andere kinderen naar Marokko, alleen vader komt
i.v.m. zijn werk terug. Raad voor de kinderbescherming wil alle kinderen
uit huis plaatsen (verdenking tegen vader niet onderzocht; kinderen met
moeder bij familie), en belt KOG met verzoek vader over te halen zijn
gezin terug te laten komen.
VOORBEELD
3
15-jarig enig kind van alleenstaande moeder die
docent verpleegkunde is aan HBO-opleiding, krijgt sexuele relatie met
29-jarige vrijwilliger in manege. De moeder probeert hier eind aan te
maken: gezien leeftijd van het meisje misbruik volgens wetboek van
strafrecht. Gedwarsboomde vrijwilliger brengt kind naar crisis-opvang.
Moeder wendt zich tot raad voor de kinderbescherming, die adviseert
ondertoezichtstelling aan te vragen, zodat het gezag van de gezinsvoogd
zal helpen het kind te laten terugkeren. Moeder gelooft dit en volgt het
advies. Ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, gezinsvoogd wil eerste 6
weken geen contact met de moeder, kind wordt in pleeggezin geplaatst waar
alles mag. Door de moeder gevoerde procedures helpen niet (de dochter
heeft gezegd dat er geen gewone moeder-dochter-relatie was). Na enige tijd
trekt het kind in bij de man. Zij zwerft enkele maanden. Dit alles tegen
de wil maar onder het toeziend oog van de gezinsvoogdij-instelling. Als
zij inmiddels 17 is geworden moet de ondertoezichtstelling weer de
jaarlijkse verlenging krijgen; zowel de moeder als de dochter schrijven
aan de gezinsvoogdij-instelling dat zij nu elk contact met gvi weigeren.
In hoger beroep wordt de averechts werkende ondertoezichtstelling
opgeheven.
VOORBEELD
4
Meisje van 16 loopt weg wegens veelvuldige ruzies met
haar vader. Zij wordt onder toezicht gesteld en in tehuis in Amsterdam
geplaatst. Als zij zich ook daar niet aan de regels houdt wordt zij
“geschorst”: enkele dagen zonder geld op straat. Ouders weten dit
niet.
KOG spreekt met de leiding van het tehuis. Ja, dat was gebeurd. Ja, dat
was een gewone maatregel. Uitlokking tot prostitutie? Ze moeten voelen dat
er regels zijn.
Hoofdinspectie jeugdhulpverlening/ jeugdbescherming
was niet verbaasd omdat deze straf al enkele malen was gemeld en het
tehuis te horen had gekregen dat dit niet door de beugel kon. “Het
tehuis trekt zich daar niets van aan.”
VOORBEELD
5
Scholier van 16 loopt weg en trekt tegen wil van zijn
ouders in bij klasgenoot die samen met zijn moeder een gezin vormt waar
alles mag. Hij wordt onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst maar
verlaat het tehuis na enkele dagen (hulpverleningsplan noemt als doelen:
relatie met ouders verbeteren en plannen maken voor toekomst). Hij gaat
werken in drugscafé. Na bericht via KOG dat zijn vader in ziekenhuis ligt
en hem graag wil zien gaat hij naar huis, stomverbaasd maar heel blij dat
zijn ouders hem nog als hun kind beschouwen.
(Hij bleek nooit uitgeschreven uit het tehuis hoewel
hij er geen week was gebleven. Ouders ontvingen zeer hoge rekening na
enkele jaren.)
VOORBEELD
6
Alleenstaande moeder vormt gezin met twee zonen. Met
de oudste van 15 kan zij niet omgaan: hij ringeloort het gezin, is
gewelddadig tegenover moeder en broertje van 12.
Zij verzoekt raad voor de kinderbescherming
ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor de oudste. De rvdk vraagt
ots en uithuisplaatsing voor beide kinderen.
Kinderrechter spreekt met het jongste kind apart en
legt voor dit kind geen ots op.
VOORBEELD
7
Moeder (van eerste baby) met psychiatrische
achtergrond wendt zich tot RIAGG en vraagt steun omdat zij bang is dat
oude problemen de kop weer op zullen steken. Na huisbezoek schriftelijke
afspraak voor tweede gesprek thuis. Voor die datum neemt RIAGG achter de
rug van de ouders om contact op met raad voor de kinderbescherming met
verzoek ots en uithuisplaatsing bij kinderrechter te vragen.
De hiervan onwetende moeder krijgt telefonisch
verzoek naar RIAGG te komen. Zij gaat met baby in kinderwagen en vindt in
de hal politiefunctionarissen die haar sommeren kind af te geven.
Opgebelde en snel van zijn werk gekomen vader van kind kan evenmin als
moeder iets uitrichten. Kind wordt op voor ouders geheimgehouden adres bij
pleeggezin ondergebracht door inmiddels door kinderrechter via een
voorlopige ondertoezichtstelling aangewezen gezinsvoogdij-instelling.
Na een bezoekweekend brengen ouders kind niet terug
naar gezinsvoogdij-instelling waar pleegmoeder baby steeds ophaalt, na
procedure is kindje na 1 jaar terug bij zijn ouders.
VOORBEELD
8
Ouders van adoptiekind bellen KOG: hun 17-jarige zoon
is op hun verzoek opgenomen in tehuis wegens pogingen tot zelfdoding. Daar
zegt men nu: wil je er een eind aan maken, ga je gang. Psychiatrische
behandeling wordt hem geweigerd omdat er toch niets te doen zou zijn aan
een geadopteerd kind. Ouders blijven klagen. Resultaat: ze mogen niet meer
op het terrein komen, kunnen hun kind dus niet opzoeken. Zij zijn bang
voor een ongeluk, en vrezen ook voor de 18e verjaardag: daarna
kunnen zij hem tot niets meer verplichten.
KOG belt Hoofdinspectie die zegt officieel niets te
kunnen maar het belang van enig ingrijpen te zien. Volgende dag al bellen
ouders: zij mogen op bezoek komen en psychiatrische behandeling wordt
geregeld.
VOORBEELD
9
Ouders plaatsen op advies huisarts vrijwillig hun
zoontje van 7 in tehuis ter observatie: driftbuien en onzindelijkheid. Zij
mogen niet met hem het terrein af, zij mogen niet mee als hij een medische
behandeling krijgt. Geen verbetering in gedrag. Na 1 jaar krijgen zij te
horen dat hij overgeplaatst wordt naar ander deel van het land. Zij geven
geen toestemming maar krijgen de mededeling dat kinderrechter dan
toestemming zal geven. Op advies KOG zetten zij hem in eigen auto bij het
uitstappen uit het busje waar hij mee naar school wordt gebracht, moeder
duikt met kind onder. Diezelfde dag komt politie (!) bij ouders kijken en
in huis van oudste zuster van kind. Tehuis schakelt via raad voor de
kinderbescherming kinderrechter in, op zitting zeggen ouders dat kind niet
tevoorschijn komt als er beschermingsmaatregel wordt uitgesproken. Geen
maatregel.
In dossier zit stuk dat verdenking incest meldt,
brief kinderarts zou bevestigd hebben; opgevraagde brief blijkt niet te
bevestigen. I.p.v. correctie toegevoegd: vervolg is bekend.
VOORBEELD
10
Vertrouwensarts constateert volgens rapport Advies-
en Meldpunt Kindermishandeling bij alle drie kinderen (met moeder in
Blijf-van-mijn-lijf-huis) beten en blauwe plekken.
AMK geeft na aandringen naam arts. Deze zegt geen
rapport te hebben opgesteld, alleen zoals altijd te hebben aangekruist op
voorgedrukte lijst. Bij 1 kind had hij niets geconstateerd, 1 kind had
plekken, 1 kind gebitsafdrukken. Hij herinnert zich niet of het beten van
volwassene of kind waren.
Bijlage A1
E. Oudejans; Een reus moet leren bukken; 2002. ISBN 90 6665 451 1
pag. 66 en 123
Bijlage A2
Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008, concept 110604, 30 oktober
2003, hfdst 2 pag. 1, hfdst 3 pag. 1,
bijlage 2 par. 3
Bijlage A2a
Reactie van stichting. KOG op Landelijk Beleidskader d.d. 25 juni
2004
Bijlage A3
e-mail bericht augustus 2004 deelnemer aan werkgroep Jeugdzorg van
HKZ
Bijlage A4
doctoraalscriptie rechtsgeleerdheid 2004 Universiteit van Amsterdam
pag. 53
Bijlage A5
Jaarverslag 2001 Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming
pag. 5
Bijlage A6
M.W. Elling en T.W. Wormgoor; Jeugdzorg en jeugdbeleid; 2000. ISBN
90 1407 121 3 pag. 235/236
Bijlage A7
Brief van het Ministerie van Justitie aan een ouder d.d. 5 augustus
2003
Bijlage A8
Brief van het Ministerie van VWS aan KOG d.d. 25 februari 2004
Bijlage A9
Brief van het Ministerie van Justitie aan KOG d.d. 2 juni 2004
Bijlage A10
Brief van de Inspectie aan KOG d.d. 9 augustus 2004
Bijlage A11
Voorontwerp Prov. Beleidskader Jeugdzorg 2005-2008 Flevoland pag.
24
Bijlage A11a
Reactie van stichting KOG op dit Beleidskader d.d. 2 september 2004
Bijlage A12
Meerjarenplan Jaarwerkprogramma 2004 Inspectie jeugdzorg pag. 5,
18, 25
Bijlage B1
Brief van het Ministerie van Justitie aan een ouder d.d. 18 maart
2003
Bijlage B2
Brief van Regionaal Orgaan Amsterdam aan ouder d.d. 28 november
2003
Bijlage B3
Uitspraak Kinderrechter Zwolle d.d. 24 september 2002
Bijlage B4
Artikel in Algemeen Dagblad van 24 juli 2004
Bijlage B5
Raad voor de Kinderbescherming in Perspectief (uitg. Min.
Justitie) april 2001
Bijlage B6
Gesprek met Hoofdinspecteur Jeugdzorg in Perspectief september 2003
Bijlage B7
Brief van KOG aan het Ministerie van VWS d.d. 3 september 2004
Bijlage B8
Brief van Regionaal Orgaan Amsterdam aan KOG d.d. 31 maart 2004
Bijlage C1
Brief van voorzitter cliëntenraad William Schrikker Stichting aan
Inspectie d.d. 9 juli 2002
Bijlage C2
Inspectierapport Toezicht WSS “Stuurbekrachtiging”, juni 2002
Algemene Conclusie en hoofdstuk 3 Algemene conclusies
Bijlage C3
Inspectierapport Rapportage reactief toezicht AJL “Aan het
roer”, juni 2002
Algemene Conclusie en hoofdstuk 3 Algemene conclusies
Bijlage C4
W. Slot e.a.; 909 zorgen, een onderzoek naar de doelmatigheid van
de ondertoezichtstelling; 2e versie, 2002.
VU-rapport. ISBN 90 9015 467 1 pag. 82
Bijlage C5
MO-groep en Vedivo; Programma Bureaus Jeugdzorg 2002/2003; 2002.
pag. 12/13
Bijlage C6
Door Raad voor de Kinderbescherming gemaakt
Verslag van het overleg Platform SCJF – Raad voor de Kinderbescherming
op 11 juni 2001 pag. 2
Bijlage C7
G.P. Hoefnagels; Menselijkheid is geen specialisme; 2 december
1999, tekst voor symposium
Het familierecht in het perspectief van de 21ste eeuw, pag. 3-5
Bijlage C8
G.P. Hoefnagels; Opstellen over rapportage; 9e dr. 1996.
ISBN 90 2323 171 6 pag. 101
Bijlage C9
Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming;
uitg. Raad voor de Kinderbescherming, hoofdkantoor, 2000. ISBN 90 8060 152
7 pag. 79
Bijlage C10
Door Raad voor de Kinderbescherming gemaakt
Verslag van het overleg Platform SCJF – Raad voor de Kinderbescherming
op 20 juni 2002 pag. 3
Bijlage C11
B. van den Berg; Deskundigheid in het geding; proefschrift
Groningen 1999.
ISBN 90 5454 107 5 pag. 185 en 394
Bijlage D1
M.R. Bruning; Rechtvaardiging van kinderbescherming; proefschrift
VU 2001.
ISBN 90 2683 863 8 pag. 160, 266, 281
Bijlage D2
G.J. van Wijk; Hoezo noodzakelijk? proefschrift Amsterdam 1999.
ISBN 90 5170 595 1 pag. 122 en 130
Bijlage D3
M. van den Boogaard, kinderrechter; Rechter raakt zoek in WIRWAR
van regels; Perspectief april 2001
Bijlage D4
A.T. Vos e.a.; De wettelijke regeling van de ondertoezichtstelling;
Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht mei 2000 pag. 106 en 108
6a. NIEUWE INFORMATIE VOOR DE RAAD VOOR
MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING op 12
maart 2005
Geachte Dames en Heren,
Momenteel is het “falen” van de jeugdzorg in het geval van Savanna in
het nieuws.
NRC-Handelsblad van heden schrijft op pag. 17 onder de kop ‘Dood Savanna
wijst op systeemfout in jeugdzorg’: “… Daarbij is het al gauw de
vraag of er eigenlijk niet sprake is van een systeemfout. … Dezelfde
klachten blijven echter terugkeren en iedereen blijft naar de ander
wijzen, zoals nu weer bij Savanna. We hadden in 2003 al een dodelijk drama
met een probleemgezin in Roermond. Dat doet vrezen dat het negeren van het
verleden deel uitmaakt van het probleem van de jeugdbescherming.”
In onze brief aan u d.d. 23 september 2004 hebben wij al onze zorg
uitgesproken over o.a. het ontbreken van waarborgen voor
kwaliteitstoetsing en –handhaving en de onduidelijkheid van de
verantwoordelijkheden voor de inhoud van de jeugdzorg, voor de kwaliteit.
In aansluiting op deze brief wijzen wij u op de op 3 maart aan Minister
Donner aangeboden rapportage over het onderzoeksproject ‘Overtredende
Overheden, Op zoek naar de omvang en oorzaken van regelovertreding door
overheden’ (ISBN 90 5454 494 5). Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht
van de stuurgroep ‘Handhaven op Niveau’ van het Ministerie van
Justitie door de Vrije Universiteit (sector Bestuursrecht) en de B&A
Groep.
In de rapportage worden als overheden beschouwd “instanties die bindende
beslissingen voor de samenleving kunnen nemen en doorzetten”. Op pag. 80
vermeldt voetnoot 23:
“De instellingen voor jeugdhulpverlening betreffen doorgaans
stichtingen, die volledig gesubsidieerd worden door de overheid (met name
door de provincie en de rijksoverheid). Omdat ze duidelijk een publieke
taak vervullen en ook geheel gefinancierd worden door de overheid, worden
de instellingen in dit onderzoek gezien als overheden.”
Met
name de volgende passages willen wij onder uw aandacht brengen:
’De inspectie is in 2002 met twee belangrijke ontwikkelingen
geconfronteerd. Ten eerste zijn er diverse onderzoeken geweest naar
aanleiding van incidenten, waarbij een brede vorm van reactief toezicht is
uitgevoerd. Dit toezicht heeft veel capaciteit opgeslokt en tot het
inzicht geleid dat het waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van
de zorg voor jeugdigen regelmatig te wensen overlaat.’ (pag. 71)
’Van strafrechtelijke overtredingen door jeugdzorginstellingen … is in
dit onderzoek niet gebleken. De geselecteerde inspectieonderzoeken en
interviews wijzen wel op een scala aan overtredingen van de relevante wet-
en regelgeving met betrekking tot de jeugdhulpverlening. Hoewel niet
beoordeeld kan worden of alle regels doorlopend overtreden worden, kan wel
gesteld worden dat de regelnaleving op dit gebied vaak te wensen overlaat.
De instellingen leven de normen zelden volledig na.’ (pag. 73)
’De wet- en regelgeving op dit gebied (de Wet op de Jeugdhulpverlening)
poogt procedurele waarborgen te geven voor een goed verloop van het
hulpverleningsproces door middel van het stellen van regels aan plaatsing
van jeugdigen, behandelplannen, evaluaties, betrokkenheid van de ouders et
cetera. De overtredingen liggen zodoende in de procedurele sfeer.’
(pag. 73/74)
‘Het lijkt er sterk op dat
door nagenoeg alle betrokkenen in de jeugdsector, doorgaans onbewust, op
een of andere wijze de gelegenheid voor regelovertreding wordt gecreëerd
of in stand gehouden. Er is weinig draagvlak voor de regels en een eigen
belangenafweging wordt legitiem gevonden. Regelovertreding door
instellingen in de jeugdzorg is dus ook eerder toe te schrijven aan een
gebrekkig functionerend systeem dan aan incidentele of individuele
dwalingen van een instelling.’ (pag. 74)
’De
correctiemechanismen binnen het systeem zouden mede moeten worden gevoed
door toezicht en handhaving. … Van een stringente aanpak van
regelovertreding lijkt geen sprake. De inspectie beschikt over een
relatief klein apparaat, heeft weinig ‘harde’ sanctiemiddelen en zoekt
naar een andere invulling van het toezicht. …Dit leidt er toe dat soms
onvoldoende wordt geïntervenieerd, waardoor de situatie blijft
voortbestaan. …
Om deze vicieuze cirkel te doorbreken moet de samenwerking tussen alle
betrokkenen in de sector sterk verbeterd worden. Hierbij dienen
structurele oplossingen op systeemniveau te worden gezocht met als
sluitstuk een daadkrachtige aanpak van overtredingen. Regelovertreding
valt in dit verband te zien als een uiting van het disfunctioneren van het
systeem.’ (pag. 75/76)
’Regelovertreding
brengt de effectiviteit, efficiency en legitimiteit van het
overheidsoptreden in het geding.’ (pag. 76)
Hoogachtend,
7. BRIEF AAN HET CDA d.d.
24 SEPTEMBER 2004
- niet meer geld naar jeugdzorg zonder
kwaliteitscriteria en -handhaving
Aan
de CDA-fractie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
t.a.v. de secretaris, de weledelgestrenge heer mr ing. W.G.J.M. van de
Camp
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Haarlem,
24 september 2004
Geachte
Dames en Heren,
In Trouw van 23 september hebben wij gelezen, dat u het met D66 en VVD
eens bent over wijzigingen in de regeringsplannen: u bent o.a. voorstander
van extra geld voor jeugdzorg.
Wij
zouden het betreuren indien u zou bewerkstelligen dat er nog meer geld
naar jeugdzorg gaat, onder meer omdat de kwaliteit van jeugdzorg niet
gehandhaafd wordt (niet handhaafbaar is), en de verantwoordelijkheid voor
de kwaliteit niet duidelijk is.
Over
deze kwestie hebben wij in augustus contact gehad met de Raad voor
Maatschappelijke Ontwikkeling. Wij zenden u twee pagina’s van het
dossier dat wij de Raad hebben gezonden. Op uw verzoek zullen wij u het
hele dossier toesturen, of de kwestie schriftelijk of mondeling nader
toelichten.
Hoogachtend,
Bijlage:
brief aan Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling d.d. 23 september
2004
pag. 1 van het dossier kwaliteit jeugdzorg
Eenzelfde
brief is verzonden aan D66 en VVD.
7a.
BRIEF AAN DE PVDA d.d. 28 SEPTEMBER 2004
- niet meer geld naar jeugdzorg zonder
kwaliteitscriteria en -handhaving
Aan
de PvdA-fractie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Haarlem,
28 september 2004
Geachte
Dames en Heren,
In
de media lezen wij, dat u voorstander bent van extra geld voor jeugdzorg.
Wij
zouden het betreuren als er meer geld naar jeugdzorg gaat, onder meer
omdat de kwaliteit van jeugdzorg niet gehandhaafd wordt (niet handhaafbaar
is), en de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit niet duidelijk is.
Het
Landelijk beleidskader meldt op pag. 16: “…In dit kader is door HKZ
(Harmonisatie Kwaliteitsbevordering in de Zorgsector) een
certificatieschema ontwikkeld, dat als kwaliteitssysteem gebruikt kan
worden.” Wij wijzen er op dat het door HKZ opgestelde certificatieschema
voor jeugdzorg tot dit moment alleen nog procedurele zaken behandelt,
inhoudelijke kwaliteitscriteria zijn voor jeugdzorg nog niet aan de orde.
Over
deze kwestie hebben wij in augustus contact
gehad met de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Wij zenden u twee pagina’s van het dossier dat wij de Raad hebben
gezonden.
Op
uw verzoek zullen wij u het hele dossier toesturen, of de kwestie
schriftelijk of mondeling nader toelichten.
Hoogachtend,
8. BRIEF AAN STICHTING HARMONISATIE
KWALITEITSBEOORDELING IN DE
ZORGSECTOR d.d. 25 SEPTEMBER 2004
Aan
Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector
Haarlem,
25 september 2004
Geachte
Stichting HKZ,
Na
bestudering van het ‘concept certificatieschema instellingen voor de
jeugdzorg’ vinden wij als bestuur van stichting
Kinderen-Ouders-Grootouders het nodig te reageren.
Het
volstaat in geen geval, zoals de heer J. Buisman u aanbevolen heeft, het
NPCF de algemene kwaliteitscriteria te laten aanpassen aan jeugdzorg. Deze
criteria immers zijn geformuleerd met het oog op gezondheidszorg. In de
gezondheidszorg zijn er toetsbare
problemen
en ook toetsbare
bekwaamheden in de verschillende specialisaties en niveaus geconcretiseerd
in minutieus beschreven opleidingen.
Een
dergelijke basis ontbreekt in de jeugdzorg.
I
In bovengenoemd document wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt
tussen:
a.
zorgvrager
b.
cliënt
c.
verantwoordelijke voor het kind
d.
“slachtoffer” (degene die volgens een derde hulp nodig heeft).
Wij
als cliëntenorganisatie ervaren elke dag dat dit onderscheid niet gemaakt
wordt; doordat de hulpvraag niet altijd serieus genomen wordt (wie is
degene die hulp gevraagd heeft en welk antwoord krijgt deze) vindt er soms
bemoeienis plaats met mensen die daar niet om gevraagd hebben en worden
mensen met behoefte aan een advies niet als hulpvrager onderkend.
Het
is daarom zorgwekkend dat in een certificatieschema deze valkuil
overduidelijk aanwezig is. Het beschrijven van een proces waarbij
bovengenoemde “rollen” dooreen lopen is op zijn minst zorgelijk.
II
Betreffende Concept-gebiedsbeschrijving van de Jeugdzorg pag. 11:
Het wordt ons met de dag onduidelijker wat er met jeugdzorg wordt bedoeld,
en het schema op pag. 11 (Concept-gebiedsbeschrijving van de Jeugdzorg)
draagt voor ons niet bij aan verheldering. “Ontstaan er ernstige
opgroei- en opvoedproblemen dan kan jeugdzorg noodzakelijk zijn.” Bij
opgroeiproblemen denken wij aan lichamelijke kwesties
(te onderscheiden van opvoedproblemen, die hun oorzaak kunnen vinden in
ouders of in kinderen). Maar nee, want de huisarts gaat verwijzen naar
Bureau Jeugdzorg. We hebben het bij opgroeiproblemen dus niet over
lichamelijke zaken. Bureau Jeugdzorg kan een indicatie afgeven voor de
jeugd-ggz. En waarom een indicatie van de huisarts zelf na 1 januari 2005
niet meer voldoende is, heeft het Ministerie van VWS aan KOG geschreven op
13 april: “Omdat er vaak meer met kinderen aan de hand is dan alleen
psychische of psychiatrische problemen heeft het bureau jeugdzorg deze
taak ook voor de jeugd-GGZ.”
Kinderen
met psychische problemen hebben misschien wel incompetente ouders dus.
Zijn
opgroeiproblemen dan misschien problemen die het kind ondervindt bij het
opgroeien (al of niet door de ouders veroorzaakt), en zijn opvoedproblemen
problemen die ouders ondervinden bij het opvoeden (al of niet door het
kind veroorzaakt)?
Op
pag. 12 staat: “… jeugdigen met ernstige opvoedings- en
opgroeiproblemen.” Niet dus.
III
Kwaliteitseisen die aan een certificatieschema gesteld mogen worden (geïnspireerd
op beoordelingscriteria van de Nationale Ombudsman):
Eerste
eis voor
kwaliteit: heldere taal die niet voor meer dan één uitleg vatbaar is.
Nauwkeurig omschreven begrippen. Indicatiebesluiten die niet voor tweeërlei
uitleg vatbaar zijn (rechtszekerheid/vertrouwen).
Tweede
eis
voor kwaliteit: motivering (juistheid, toereikendheid en kenbaarheid).
De artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht over motivering zijn
rechtstreeks van toepassing op indicatiebesluiten of de weigering een
bepaalde indicatie af te geven.
Dat betekent o.a. dat bij de bekendmaking van een besluit moet worden
aangegeven of, waar en binnen welke termijn bezwaar kan worden gemaakt of
beroep kan worden ingesteld.
Niet snel zal mogen worden aangenomen dat geen behoefte bestaat aan
motivering.
Derde
eis
voor kwaliteit: zo weinig mogelijk andere dan in taal gelegen aanleidingen
voor misverstanden en gerechtelijke procedures. Een redelijke
belangenafweging t.a.v. besluiten.
Voorbeeld:
ouders komen met hun kindje van 3 bij Bureau Jeugdzorg wegens
gedrags-moeilijkheden. Bjz vermoedt dat mishandeling door de ouders
hieraan ten grondslag ligt en meldt de zaak voor onderzoek bij de Raad
voor de Kinderbescherming. Bjz indiceert dus niet voor welke vorm van hulp
dan ook. De ouders willen uiteraard geen onderzoek door de RvdK, maar hulp
en advies. Een besluit van Bjz om de RvdK om een onderzoek te verzoeken
moet gezien worden als een beschikking in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht.
Dit betekent dat voor ouders de mogelijkheid bestaat bezwaar te maken bij
Bjz en eventueel daarna beroep in te stellen bij de kinderrechter. Bjz
dient zich dus voor te bereiden op dit type klachten. De voorbereiding van
een dergelijk besluit moet de toets van behoorlijk bestuur kunnen
doorstaan en duidelijk
moet zijn, niet alleen voor de medewerkers maar vooral ook voor aanstaande
cliënten, ouders, onder welke omstandigheden er vanwege spoedeisende
omstandigheden van de ideale voorbereidingsprocedure afgeweken kan worden.
Ouders moeten niet Bjz gaan mijden omdat daar soms van die voor hen
onbegrijpelijke besluiten worden genomen. “Je vraagt hulp en krijgt iets
anders.”
Vierde
eis
voor kwaliteit: deskundig onderzoek naar feiten
(niet naar beleving dus, denk aan wegloopkinderen).
De RvdK doet expliciet niet aan waarheidsvinding (“wij zijn geen
politie”). De Wet op de jeugdzorg spreekt hier niet van, maar er is meer
wetgeving dan de Wjz. Afkeer van de werkelijkheid is in strijd met de
eisen die de Algemene wet bestuursrecht stelt aan zorgvuldige
voorbereiding van een besluit.
Vijfde
eis
voor kwaliteit: helderheid van de bevoegdheden en kwalificaties van de
medewerkers van o.a. Bjz, duidelijkheid van de proceduremogelijkheden bij
meningsverschil met Bjz (zie ook tweede eis).
Voorbeeld: ouders komen na diagnostisch onderzoek door een Riagg
naar Bjz voor hun zoon van 14 van wie zij denken dat hij in een
psychiatrische inrichting behandeld zou moeten worden. Het hele gezin gaat
aan zijn gedrag ten onder. Bjz wil alleen indicatie geven voor
thuisbehandeling, wat de zoon ook wil.
De ouders kunnen tegen dit besluit dat dus een beschikking is in de zin
van de Awb bezwaar maken en beroep instellen, zij kunnen bovendien de
onderzoekers van Bjz tuchtrechtelijk aanspreken op basis van de Wet-Big
mits deze onderzoekers staan ingeschreven in het Big-register.
De zoon kan, als er wel een hulpverleningsplan tot stand komt, zich in de
situatie bevinden dat hij een contractuele AANSPRAAK op jeugdzorg heeft,
hij is cliënt, maar de ouders tekenen het hulpverleningsplan niet, want
zij zijn het er immers niet mee eens. Zij menen AANSPRAAK te hebben op
andere jeugdzorg, zij zijn cliënt. Is nu het hulpverleningsplan
verbindend voor Bjz? De handtekening van een der partijen ontbreekt
immers.
Zesde
eis
voor kwaliteit: deskundigheid. Opleiding van de medewerkers op het juiste
niveau.
Voor de medewerkers zijn alleen de gebieden aangegeven waarop zij een
kwalificatie moeten hebben, niet het niveau van die kwalificatie. Er zal
bijvoorbeeld veel gewerkt worden onder
verantwoordelijkheid van o.a. een
psycholoog. Wij houden ons hart vast: hoe minder kennis, hoe snellere
diagnose. Iemand met alleen een EHBO-diploma “weet” alles, de
specialist krabt zich nog wel eens achter het oor. De wet biedt de
mogelijkheid regels te stellen m.b.t. disciplines en opleidingseisen.
Achtergrond hiervan is dat het om een organisatie in ontwikkeling gaat en
het Rijk dit kwaliteitsaspect wil kunnen beïnvloeden. Jeugdzorg wordt dus
niet serieus genomen. Niemand zou toch een ziekenhuis willen laten draaien
met de mededeling dat de praktijk wel zal uitwijzen hoe de medewerkers
opgeleid moeten zijn.
Juist van de zijde van de cliënten moet aangedrongen worden op
inhoudelijke (te onderscheiden van procedurele) kwaliteit. Inhoudelijke
kwaliteit begint met opleidingen van medewerkers van jeugdzorg. Zonder
nauwkeurig omschreven bekwaamheden die in de opleidingen worden verworven
zijn medewerkers nauwelijks te beoordelen (door cliënten en door hun
superieuren) op het toepassen van die bekwaamheden in de praktijk van de
hulpverlening. Zelfs over de opleiding tot indicatiesteller wordt nog
steeds nagedacht:
de indicatie is nota bene de SPIL van Bjz, DE toegang tot jeugdzorg.
Zevende
eis
voor kwaliteit: zorgvuldigheid.
Ten aanzien van de procesgang:
voortvarendheid, eerbiedigen van termijnvoorschriften
administratieve nauwkeurigheid
actieve en adequate informatieverstrekking (inzagerecht!)
Ten aanzien van organisatie:
ter bescherming van privacy
ter bevordering van onpartijdigheid
toegankelijkheid, o.a. telefonische bereikbaarheid
Ten aanzien van gedrag en houding:
betonen van respect voor de integriteit van de cliënt
betrachten
van wat in het algemeen vanuit overwegingen van fatsoen mag worden
verlangd:
achterwege laten van onbetamelijke opmerkingen
tonen
van de vereiste zelfbeheersing/sociale vaardigheden/professionaliteit
respecteren
van de privacy
onbevooroordeeldheid
(alle medewerkers van Bjz kijken met “beschermersogen”!)
inlevingsvermogen,
actieve en hulpvaardige opstelling
goed
vervullen van de zorgplicht t.a.v. de aan Bjz toevertrouwde belangen.
Wij
vertrouwen hiermee een bijdrage te hebben geleverd aan het opstellen van
een certificeringsschema dat verder gaat dan procedurele kwesties (waarmee
wij het belang van procedures niet onderschatten). Inhoudelijke kwaliteit
kent verscheidene aspecten, en moet door de medewerkers in duidelijk
omschreven opleidingen worden verworven.
Met
vriendelijke groet,
9. BRIEF AAN HET CENTRAAL
MEDISCH TUCHTCOLLEGE
d.d. 28 SEPTEMBER 2004
- mogelijkheid kind te behandelen op verzoek
uitsluitend één ouder met gezag
Geacht
College,
De laatste tijd hebben ons berichten bereikt, dat een klacht tegen een
arts of gezondheidszorg-psycholoog, inhoudende onderzoek of behandeling
terwijl niet beide met ouderlijk gezag beklede ouders toestemming hadden
gegeven, door een medisch tuchtcollege gegrond was verklaard.
Wilt
u ons laten weten of er volgens u inderdaad toestemming van beide ouders
moet zijn, alvorens een arts of andere in het Big-register ingeschreven
hulpverlener tot onderzoek of behandeling kan overgaan?
Hoogachtend,
10. BRIEF AAN HET MINISTERIE VAN JUSTITIE d.d. 1
OKTOBER 2004
- besloten plaatsing
Aan het Ministerie van Justitie
Directie Justitieel Jeugdbeleid
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Haarlem, 1 oktober 2004
Geachte Dames en Heren,
Wij kennen de plaatsing in een gesloten inrichting, op grond van art. 1:
261, 3.
De laatste tijd lezen wij steeds over de besloten
plaatsing. In het septembernummer 2004 van Perspectief staat op pag. 12:
“Kinderen in een besloten setting mogen volgens de wet niet
‘opgesloten’ worden. …Du Prie heeft de minister en staatssecretaris
gevraagd een aantal instellingen aan te wijzen die de mogelijkheid krijgen
de deur soms op slot te doen.”
Een en ander roept bij ons de volgende vragen op:
1. Wat is een besloten plaatsing, een besloten setting?
2. Waarom zou het nodig zijn over instellingen te beschikken die de
mogelijkheid hebben de deur soms op slot te doen: het staat
de leiding van een gesloten instelling immers vrij
kinderen “naar buiten” te laten?
3. Zal het Ministerie de minister en de staatssecretaris adviseren om
ervoor te (blijven) waken in wet- en regelgeving dat
minderjarigen niet zonder “een uitdrukkelijk
daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter” opgesloten kunnen
worden,
ook niet in wat anders genoemd wordt dan gesloten
inrichting?
Hoogachtend,
In kopie aan de Commissie voor Justitie van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal
11. BRIEF AAN HET CBP d.d. 29
OKTOBER 2004
Aan het College bescherming persoonsgegevens
Postbus 93374
2509 AJ Den Haag
Haarlem, 29 oktober 2004
Geachte Dames/Heren,
Naar aanleiding van een opmerking in een brief van het Ministerie van VWS
(zie bijlage) hebben wij de gemeente Leeuwarden inlichtingen gevraagd over
de in die gemeente gebruikte zorgmonitor. In deze envelop vindt u de
CD-ROM die stichting KOG heeft ontvangen van de gemeente Leeuwarden. Het
hierop gedemonstreerde systeem geeft zonder medeweten van betrokkenen
informatie van instellingen van de gemeente aan scholen.
Graag willen wij van u vernemen of gebruik van een dergelijk systeem
overeenkomstig de Wet bescherming
persoonsgegevens is.
Hoogachtend,
Kopie ter informatie aan stichting Bits of Freedom
Bijlagen: brief van het Ministerie van VWS aan
stichting KOG d.d. 12 augustus 2004
CD-ROM van de gemeente Leeuwarden
12. BRIEF AAN DE LANDELIJKE
VERENIGING VOOR THUISZORG d.d. 9 AUG. 2004
- n.a.v. artikel in Perspectief
over omzeilen van beroepsgeheim
Aan
de heer Bas van den Dungen
Landelijke Vereniging voor Thuiszorg
Postbus 100
3980 CC Bunnik
Haarlem, 9 augustus 2004
Geachte Heer,
In Perspectief nummer 5 zegt u op pag. 6: “Het is laagdrempelig voor
kraamverzorgers en verloskundigen om aan het consultatiebureau te
rapporteren. Zo omzeil je tevens gedeeltelijk het probleem van het
beroepsgeheim.”
Wij zouden het zeer op prijs stellen wanneer u voor ons zou verhelderen
wat we ons daar precies bij moeten voorstellen.
Met vriendelijke groet,
12a.
TELEFONISCHE REACTIE VAN DE LVT
Op 5 oktober komt er een telefonische reactie binnen
van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg: Perspectief heeft de heer Van
den Dungen verkeerd geciteerd. Dat is ook aan Perspectief gemeld, maar het
blad heeft niet gerectificeerd.
De directeur van de Landelijke Vereniging voor
Thuiszorg heeft in werkelijkheid gezegd, dat overdragen door kraamzorg aan
het consultatiebureau, in overleg met de ouders, de gewone gang van zaken
is. Er is geen sprake van iets nieuws of een enorme sprong voorwaarts
zoals Perspectief suggereerde, en dus al helemaal niet omdat een kraamhulp
makkelijker meldt aan het consultatiebureau dan aan de politie.
Er wordt afgesproken dat dit telefoongesprek op de
website www.stichtingkog.info
zal komen.
13. BRIEF AAN BUREAUS JEUGDZORG
- stimuleert u beroepsregistratie voor
uw maatschappelijk werkers niet?
Aan
de Directie van Bureau Jeugdzorg Rotterdam
Postbus 21051
3001 AB Rotterdam
Haarlem, 21 maart 2005
Geachte Dames en Heren,
Het
frappeert ons, dat Bureau jeugdzorg Rotterdam niet voorkomt op de lijst
(in het Vademecum 2004-2005 van de Stichting Beroepsregister van
Maatschappelijk Werkers) van werkgevers die de beroepsregistratie voor
maatschappelijk werkers stimuleren, en dat in de lijst ingeschrevenen in
het beroepsregister van maatschappelijk werkers op 1 juni 2004 slechts
twee personen werkzaam bij een Bureau jeugdzorg in de grootstedelijke
regio Rotterdam zijn opgenomen.
Graag willen wij van u vernemen of
de situatie wat betreft in het beroepsregister ingeschreven
maatschappelijk werkers in Bureau jeugdzorg Rotterdam veranderd is sinds
juni 2004, en
Bureau
jeugdzorg Rotterdam thans wel behoort tot de werkgevers die de
beroepsregistratie voor maatschappelijk werkers stimuleren?
Een soortgelijke brief is aan alle Bureaus
jeugdzorg verzonden
13a. REACTIES VAN BUREAUS JEUGDZORG







Bovenstaand antwoord van Bjz Friesland is de
laatste alinea van een brief die in zijn geheel is afgedrukt onder 16a.

14. RAPPEL d.d. 1 NOVEMBER
2004 AAN REGERINGSCOMMISSARIS JEUGD-
EN JONGERENBELEID OP BRIEVEN VAN KOG
VAN MAART EN APRIL 2004
Tot heden zijn nog niet alle vragen die wij u gesteld
hebben op 22 maart en 23 april 2004 beantwoord.
-
Bent u met ons van mening, dat de hulpverlener (of leerkracht,
voegen wij nu toe) die niet
de
toestemming van ouders verkrijgt om informatie over te dragen, niet
eigenmachtig
behoort te
beslissen maar vervangende toestemming van de rechter behoeft?
Stemt u in met de
uitspraak van
-
de provincie Zeeland d.d. 6 april “dat wij het belang dat u hecht
aan naleving van
privacywetgeving
onderschrijven.”
-
de provincie Friesland d.d. 8 april “dat de Provincie Fryslan van
de gesubsidieerde
instellingen
verlangt dat op het gebied van jeugdhulpverlening en jeugdbescherming de
bestaande
privacywetgeving onverkort wordt nageleefd.”
-
de provincie Noord-Holland d.d. 15 april “Wij hechten er belang
aan dat instellingen
zorgvuldig
omgaan met persoonlijke gegevens en het recht op privacy respecteren.”
-
de Stadsregio Rotterdam d.d. 19 april “De door de stadsregio
gesubsidieerde instellingen
zullen
zich vanuit hun eigen verantwoordelijkheid ook aan de op dit gebied
bestaande
wetgeving
moeten houden. Wanneer het zo is, dat de instellingen zich niet aan de wet
houden,
zou dit voor ons een reden zijn, om de subsidiering te bezien.”
Wij zien uw reactie met grote belangstelling
tegemoet.
Hoogachtend,
In kopie aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport
de Commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
de Hoofdinspectie jeugdzorg
het College bescherming persoonsgegevens
de provincie Zeeland
de provincie Friesland
de Noord-Holland
Stadsregio
Rotterdam
14a. REACTIE VAN
REGERINGSCOMMISSARIS JEUGD- EN JONGERENBELEID

14b. REACTIE VAN GRONINGEN EN
ZUID-HOLLAND OP VRAAG OVER PRIVACY
(aansluitend
bij nr 10 2004)


15. BRIEF AAN PROVINCIE LIMBURG
d.d. 15 NOVEMBER 2004
- zittingen i.v.m. klachtbehandeling
openbaar?
Aan het Hoofd van de Afdeling Zorg van de Provincie
Limburg
Postbus 5700
6202 MA Maastricht
Haarlem, 15 november 2004
Geachte Heer / Mevrouw,
Wilt u stichting KOG laten weten welke maatregelen de
Provincie heeft genomen om te bevorderen dat per 1 januari 2005 Bureau
jeugdzorg en de achterliggende voorzieningen in Limburg klachtbehandeling
doen plaatsvinden in openbare hoorzittingen, evenals dat in de medische
sector het geval is?
Met vriendelijke groet,
in kopie aan stichting Jeugd Zorg Vragers Limburg
Een soortgelijke brief is aan alle provincies
verzonden
15a. REACTIE VAN LIMBURG

15b. BRIEF AAN PROVINCIE LIMBURG IN
REACTIE OP BRIEF 15a
Aan
Gedeputeerde Staten van Limburg
t.a.v. de weledelgeleerde heer drs P.P.M. Ernst, hoofd afdeling Zorg
Postbus 5700
6202 MA Maastricht
Uw kenmerk 2004/70145
Haarlem, 9 december 2004
Geachte Heer,
Dank voor uw brief d.d. 8 december. Mogen wij uit de laatste alinea van
deze brief concluderen dat
-
in de provincie Limburg klachtzittingen i.v.m. jeugdzorg openbaar
zullen zijn evenals
zittingen
van de medische tuchtcolleges
-
in de provincie Limburg de klachtencommissies de bevoegdheid zullen
hebben sancties
op
te leggen, evenals de medische tuchtcolleges?
Wij zien uw antwoord met belangstelling tegemoet.
In kopie aan stichting Jeugd Zorg Vragers Limburg
15c. TELEFONISCHE REACTIE VAN DE
PROVINCIE OVERIJSSEL
OP DE VRAAG NAAR OPENBARE
KLACHTBEHANDELING
Op 20 januari 2005 reageert de provincie Overijssel (mevrouw M. Veldkamp)
telefonisch op de vraag naar openbare klachtbehandeling. De provincie
heeft in dit verband niets ondernomen, en vooralsnog zijn
hoorzittingen in het kader van een klacht over jeugdzorg niet openbaar.
Wel is er ruime mogelijkheid buitenstaanders mee te brengen naar de
zittingen.
Aanbevelingen van de inspectie worden door de provincie altijd met de
instellingen besproken.
De provincie vraagt in principe de inspectie om hertoetsing om te bezien
of inspectie-aanbevelingen in praktijk zijn gebracht.
De beperkte mankracht van de inspectie staat daaraan soms in de weg.
15d.
REACTIE VAN ZUID-HOLLAND

15e.
BRIEF AAN ZUID-HOLLAND IN REACTIE OP BRIEF 15d
Aan
het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland
t.a.v. de heer M.M. van der Kraan, hoofd afdeling Samenleving
Postbus 90602
2509 LP Den Haag
Uw kenmerk DMB/2004/14867
Haarlem, 27 januari 2005
Geacht College,
Wij danken u voor uw antwoord d.d. 25 januari op onze vraag van 16
november 2004.
U schrijft ons: “Voorzover onze informatie reikt vindt
klachtenbehandeling niet plaats in openbare hoorzittingen omdat het
minderjarige cliënten betreft.” Wij wijzen u er op, dat
klachtenbehandeling bij de medische tuchtcolleges, ook als het om
minderjarige patiënten gaat, wel in openbare hoorzittingen plaatsvindt.
Wellicht zou u de klachtbehandeling in openbare hoorzittingen kunnen doen
plaatsvinden, met de bepaling dat de zitting achter gesloten deuren
plaatsvindt indien (een) ouder(s) of jongere dit verzoekt.
Graag vernemen wij uw standpunt over deze constructie.
Hoogachtend,
15f. REACTIES VAN FRIESLAND,
ROTTERDAM, GRONINGEN, ROA,
NOORD-HOLLAND, HAAGLANDEN,
NOORD-BRABANT, FLEVOLAND, LIMBURG













16. BRIEF AAN BUREAU JEUGDZORG
FRIESLAND
Aan
Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland
Postbus 312
8901 BC Leeuwarden
Haarlem, 2 februari 2005
Geachte Dames/Heren,
Van donateurs hebben wij uw informatieblad ‘Financiële zaken ten tijde
van een ondertoezichtstelling’ toegezonden gekregen.
Dit roept bij ons enkele vragen op:
1) Wij lezen hierin dat u ouders aansprakelijk houdt voor de schoolkosten
voor uit huis geplaatste kinderen.
Stichting KOG heeft op de website www.stichtingkog.info
de informatie geplaatst dat ouders bij uithuisplaatsing alleen
verplicht zijn de ouderbijdrage LBIO te betalen. Indien dit onjuist is,
willen wij dit zo snel mogelijk herstellen.
Op grond van welke wet of regel blijven ouders van uit huis geplaatste
kinderen verantwoordelijk voor de schoolkosten van hun kinderen?
2) “Bij een uithuisplaatsing is het mogelijk dat uw kind bij u
meeverzekerd blijft. U dient er dan ook zelf voor te zorgen dat uw kind
bij een uithuisplaatsing verzekerd is tegen ziektekosten. …”
Houdt dit in dat St. Bureau Jeugdzorg Friesland uit huis geplaatste
kinderen alleen verzekert tegen ziektekosten indien de ouders meegedeeld
hebben niet langer de verzekering tegen ziektekosten te betalen?
3)
Verzekert St. Bureau Jeugdzorg Friesland uitsluitend ziektekosten, of
welke andere risico’s verzekert St. Bureau Jeugdzorg Friesland voor uit
huis geplaatste kinderen?
Ik hoop dat u bovenstaande drie vragen voor ons wilt beantwoorden.
Met vriendelijke groet,
16a.
ANTWOORD VAN Bjz FRIESLAND D.D. 31 MAART 2005


16b.
BRIEF AAN BUREAU JEUGDZORG FRIESLAND D.D. 19 SEPTEMBER 2005
- wat moeten ouders van uit huis geplaatste kinderen betalen?
Aan de Directie van Bureau jeugdzorg Friesland
t.a.v. de heer G. van Hofwegen, directeur a.i.
Postbus 312
8901 BC Leeuwarden
Haarlem, 19 augustus 2005
Geachte Directie,
Deze week ontvingen wij opnieuw van een geschrokken
donateur uw informatieblad ‘Financiële zaken ten tijde van een
ondertoezichtstelling’ d.d. 8 december 2004. Wederom is gebleken dat
ouders dit informatieblad als verwarrend ervaren.
Het brengt hen in de veronderstelling dat zij verplicht zijn meer
te betalen dan de LBIO-bijdrage.
De brief van Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland d.d. 8 december 2004:
Afschaffing vergoeding bijkomende kosten:
Deze regeling is met ingang van heden afgeschaft. De reden is dat wij van
de overheid geen vergoeding meer krijgen voor de betaling van dit soort
kosten.
Ten onrechte denken ouders hierdoor dat zij verplicht zijn, naast de
LBIO-bijdrage, deze kosten op zich te nemen.
Afschaffing vergoeding ziektekosten:
De verantwoordelijkheid voor de ziektekostenverzekering van uw kind(eren)
komt nu volledig bij u als ouder(s) te liggen. Wij vragen u vriendelijk
maar dringend …
Ten onrechte denken ouders hierdoor dat zij verplicht zijn, naast de
LBIO-bijdrage, deze kosten op zich te nemen.
Wij vragen uw begrip voor het feit dat wij gedwongen worden om deze
maatregelen te nemen.
Ten onrechte denken ouders dat wet- en regelgeving u dwingen om deze
maatregelen te nemen, terwijl u slechts doelt op “gedwongen worden”
door een krapper budget.
De bijlage ‘Financiële zaken ten tijde van een
ondertoezichtstelling’:
Als uw kind uit huis geplaatst is blijft u verantwoordelijk voor de
schoolkosten van uw kind.
Ten onrechte denken ouders dat zij verplicht zijn de kosten te betalen
voor een school waarvoor zij hun kind niet zelf hebben opgegeven.
U dient er dan ook zelf voor te zorgen dan uw kind bij een
uithuisplaatsing verzekerd is tegen ziektekosten.
Ten onrechte denken ouders dat zij verplicht zijn zorg te dragen voor
verzekering tegen ziektekosten van hun uit huis geplaatste kind.
Wij begrijpen dat Bureau jeugdzorg Friesland moet werken met een krapper
budget.
Het is voor ouders soms ook financieel gunstig bepaalde zaken zelf te
betalen i.v.m. recht op kinderbijslag. Op de mogelijkheid recht op
kinderbijslag te behouden bij uithuisplaatsing wijst u terecht in de
Bijlage.
Toch verzoeken wij u de tekst van de brief en de
bijlage ‘Financiële zaken ten tijde van een ondertoezichtstelling’ zo
aan te passen dat het voor ouders glashelder wordt dat zij uitsluitend verplicht
zijn tot het betalen van de LBIO-bijdrage, terwijl het voor Bureau
jeugdzorg Friesland en voor henzelf financieel gunstiger kan zijn
bovendien andere betalingen te doen.
Wilt u ons t.z.t. de nieuwe versie toesturen?
Uw antwoord d.d. 31 maart op onze brief d.d. 2 februari en deze brief en
uw reactie hierop zullen wij plaatsen op website www.stichtinkog.info
Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Friesland
Aan
het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân
Postbus 20120
8900 HM Leeuwarden
Haarlem,
19 augustus 2005
Geacht
College,
Voor de goede orde zend ik u kopie van de brief van stichting KOG van
heden aan de Directie van Bureau Jeugdzorg Friesland.
Het lijkt ons ongewenst dat ouders van uit huis geplaatste kinderen een
informatieblad ontvangen over hun financiële verplichtingen dat bij niet
zeer nauwkeurige lezers verwarring teweeg brengt, terwijl anderen de
indruk kunnen krijgen dat Bureau Jeugdzorg hen bij de neus probeert te
nemen.
Hoogachtend,
17.
BRIEF AAN DE PROVINCIE UTRECHT
- eisen aan indicatiesteller in bureau
jeugdzorg
Aan het College van Gedeputeerde Staten van de
Provincie Utrecht
Postbus 80300
3508 TH Utrecht
Haarlem,
15 februari 2005
Geacht
College,
Vergeleken met de gezondheidszorg kent de jeugdzorg weinig voorzieningen
voor kwaliteitscontrole, die buiten de instelling zelf zijn gelegen. De
inspectie speelt hierin een zeer beperkte rol, in vergelijking met de
inspectie voor de volksgezondheid.
In de gezondheidszorg kent men bovendien de medische tuchtcolleges, die
als voornaamste doel hebben kwaliteitshandhaving van de beroepsgroepen.
Bureau jeugdzorg is in principe zelf verantwoordelijk voor het organiseren
en handhaven van kwaliteit. De Wet op de jeugdzorg biedt de mogelijkheid
regels te stellen met betrekking tot disciplines en opleidingseisen.
Cliënten
van Bureau jeugdzorg kunnen o.a. bezwaar en beroep instellen tegen
(intrekking van) het indicatiebesluit, het niet afgeven daarvan, het
besluit de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek te verzoeken.
Het indicatiebesluit, en daarmee de indicatiesteller, lijkt de spil van
Bureau jeugdzorg. De zorgaanbieders moeten op basis van de
indicatiestelling aan de slag.
Stichting KOG zou graag van u vernemen welke eisen Bureau jeugdzorg in
Utrecht stelt aan de indicatiesteller wat betreft bevoegdheid en
bekwaamheid. Mocht het indicatiebesluit worden afgegeven door een team,
dan zouden wij graag willen weten welke eisen gesteld worden aan de
eindverantwoordelijke.
Bovendien willen wij graag vernemen welke eisen gesteld worden aan degene
die het intakegesprek met de cliënt voert: hij immers bepaalt welke
gegevens worden vastgelegd en misschien hoe ze worden vastgelegd.
Hoogachtend,
Een soortgelijke brief is aan alle
provincies verzonden
17a. ANTWOORDEN VAN DE PROVINCIES







17aa. N.A.V. HET ANTWOORD VAN
STADSREGIO ROTTERDAM IS
DE VOLGENDE
BRIEF AAN VWS VERZONDEN d.d. 13 april 2005
Aan het Ministerie van VWS
t.a.v. de weledelgeleerde vrouwe drs G.E.M. Tielen, Directeur Jeugdbeleid
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag
Haarlem, 13 april 2005
Geachte Mevrouw,
Naar aanleiding van een brief van Stadsregio Rotterdam aan stichting KOG
d.d. 11 april 2005 wenden wij ons tot u met de volgende vraag:
Is het juist dat provincies en grootstedelijke regio’s niet de
bevoegdheid hebben om zelf specifieke kwaliteitseisen te stellen t.a.v. de
indicatiesteller?
Stadsregio Rotterdam meldt ons dat het bureau jeugdzorg in de stadsregio
de eis stelt dat indicatiestellers een HBO-opleiding maatschappelijk werk,
sociale dienstverlening of pedagogiek hebben, en dat de eisen aan de
medewerkers van bureau jeugdzorg primair een verantwoordelijkheid zijn van
bureau jeugdzorg.
Uiteraard zijn de eisen die gesteld worden aan medewerkers van de bureaus
jeugdzorg primair een verantwoordelijkheid van de directies van de bureaus
jeugdzorg.
Wij kunnen ons echter niet wel voorstellen, dat de directies van bureaus
jeugdzorg een bepaalde eis mogen stellen aan medewerkers die een bepaalde
functie vervullen, maar de voor (deze directies van) bureaus jeugdzorg
verantwoordelijke provincies en grootstedelijke regio’s deze bevoegdheid
niet zouden hebben.
Wij zouden het zeer op prijs stellen als u deze kwestie voor ons zou
verhelderen.
Deze brief en uw antwoord plaatsen wij op website www.stichtingkog.info
Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
Bijlagen: kopie van de brief van Stadsregio Rotterdam d.d. 11 april 2005
folder Landelijke Organisatie Kinderen-Ouders-Grootouders
In kopie aan het Hoofd Sector Ontwikkeling van Stadsregio Rotterdam
17ab. ANTWOORD VAN VWS d.d.
28 april OP BOVENSTAANDE BRIEF


17ac. BRIEF AAN ROTTERDAM N.A.V. ANTWOORD VAN VWS
- u had groot
gelijk!
Aan Stadsregio Rotterdam
t.a.v. de weledelgeleerde heer drs A. Frank, Hoofd Sector Ontwikkeling
Postbus 21051
3001 AB Rotterdam
Haarlem, 4 mei 2005
Uw kenmerk SR/2005/1013 d.d. 11 april 2005
Geachte Heer,
Zoals ik u op 13 april heb toegezegd, stuur ik u hierbij het antwoord van
het Ministerie van VWS op de vraag van stichting KOG d.d. 13 april n.a.v.
uw brief d.d. 11 april.
Hoewel wij het moeilijk te begrijpen vinden dat de provincies en
grootstedelijke regio’s, verantwoordelijk immers voor de bureaus
jeugdzorg, niet de bevoegdheid hebben de in de Wet op de jeugdzorg aan de
medewerkers van de bureaus jeugdzorg gestelde vakbekwaamheidseisen nader
in te vullen, blijkt u op dit punt volkomen gelijk te hebben.
Het Ministerie van VWS schrijft dat de provincies en grootstedelijke
regio’s de bureaus jeugdzorg niet mogen voorschrijven aan welke eisen
hun personeel moet voldoen:
“Dit is voorbehouden aan de wetgever en voor zover de wetgever dit niet
(nader) invult aan de bureaus jeugdzorg zelf.”
Stichting KOG hoopt dat de bureaus jeugdzorg er spoedig toe over zullen
gaan dat te doen wat de wetgever nog niet heeft gedaan: niet alleen de
terreinen, maar ook de niveaus vaststellen waarop kennis aanwezig moet
zijn in de bureaus jeugdzorg.
Wij zijn ons ervan bewust dat nog steeds opleidingen voor sommige functies
geheel ontbreken, dat er niet heel veel meer bestaat dan algemene, brede,
maar niet zeer diepgravende opleidingen.
In ‘909 zorgen, een onderzoek naar de doelmatigheid van de
ondertoezichtstelling’ schrijft prof. Slot c.s. (2002): “De
professionaliteit in de gezinsvoogdij dient te worden verhoogd. …
De opleiding tot gezinsvoogd is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden
veelal opleidingen met een brede basiskennis. Dat is niet genoeg om als
gezinsvoogd aan de slag te kunnen. …
De opleidingsroute die de gezinsvoogdij-instellingen onder regie van
Vedivo realiseren leidt een kommervol bestaan. Sommige
gezinsvoogdij-instellingen zijn uit arren moede een eigen
opleidingstraject begonnen en bij andere instellingen ontbreekt een
systematisch aanbod. … Jeugdigen en ouders krijgen niet de hulp die ze
nodig hebben en als ze die al krijgen moeten ze er vaak lang op wachten.
…” (pag. 82/83)
Wat prof. Slot schrijft over de gezinsvoogdij geldt voor de jeugdzorg als
geheel.
De term jeugdzorg doet denken aan gezondheidszorg, waar de opleidingen op
alle niveaus minutieus beschreven zijn en waar deze opleidingen inderdaad
bestaan en geëist worden (om van andere verschillen tussen jeugdzorg en
gezondheidszorg nog te zwijgen). Deze positieve associatie opgeroepen door
de benaming ‘jeugdzorg’ kan bij de huidige stand van
opleidingen/bekwaamheden, dus van de kwaliteit, niet anders dan vaak een
verkeerde blijken.
In de Commissie voor VWS van de Tweede Kamer werd bij de voorbereiding van
de Wet op de jeugdzorg gesproken over “keiharde kwaliteitseisen”. Nog
steeds zijn vrijwel de enige kwaliteitseisen die gesteld (kunnen) worden
procedurele.
Hierover schrijft prof. Huberts c.s. in ‘Overtredende overheden’
(2005) bovendien:
“Voor de jeugdzorg bleek dat de (veelal procedurele) normen en regels
over de wijze waarop jongeren behandeld moeten worden op bepaalde
onderdelen massaal overtreden worden.”
(pag. 160).
“De oorzaken van regelovertreding in de jeugdsector zijn gebrekkige en
bureaucratische regels, een kloof tussen beleid en regelgeving enerzijds
en uitvoering anderzijds, belangenafwegingen waarbij het eigen belang van
de organisatie voorop gesteld wordt, gebrek aan draagvlak voor de naleving
van de regels en de afwezigheid van handhaving en toezicht.” (pag. 168)
“De inspectie Jeugd heeft geen ‘harde’ sanctionerende bevoegdheden,
de inspectie heeft alleen de beschikking over ‘zachte’
handhavingsinstrumenten, zoals aanmoediging en overredingskracht.
Onderzoeken monden uit in rapportages, overleg met instellingen,
provincies en gemeenten en aanbevelingen voor verbeterplannen. Handhaving
door de inspectie richt zich met name op een correct gebruik van de
subsidie.” (pag. 171)
Stichting KOG hoopt dan ook van harte dat alle bevoegdheden zullen
worden benut om de medewerkers in de jeugdzorg op alle niveaus toe te
rusten met de vakbekwaamheden die hun werk eist. Al hebben provincies
en grootstedelijke regio’s dan niet de bevoegdheid om bekwaamheidseisen
te stellen aan de medewerkers van de bureaus jeugdzorg, hopelijk zullen
zij wegen vinden om professionalisering van de jeugdzorg te bevorderen.
De meldweek jeugdzorg in februari 2005 van de provincie Groningen, door
stichting KOG gewaardeerd met de uitreiking van De Gouden Greep op 6
april, is een eerste stap van een provincie om haar verantwoordelijkheid
voor jeugdzorg daadwerkelijk te nemen.
Wilt u stichting KOG laten weten wat Stadsregio Rotterdam onderneemt / op
zeer korte termijn zal ondernemen om zich eveneens op de hoogte te stellen
van de ervaringen van gezinnen met jeugdzorg, en de professionaliteit van
de medewerkers van Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te bevorderen?
Deze brief en uw reactie zullen geplaatst worden op www.stichtingkog.info
.
Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
3 pagina’s en bijlage: brief van het Ministerie van VWS aan stichting
KOG d.d. 28 april 2005
Kopie van de brief van het Ministerie van VWS aan stichting KOG d.d. 28
april 2005 met kopie van deze brief van stichting KOG aan Stadsregio
Rotterdam d.d. 4 mei 2005 aan:
Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam
MO-groep branchecommissie Directeuren Bureaus jeugdzorg
MO-groep branche jeugdzorg gebied professionalisering
Hoofdinspectie Jeugdzorg
Provincie Groningen
Ministerie van VWS
Commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
17b. VOOR ANTWOORD IS DOORVERWEZEN
NAAR BUREAU JEUGDZORG DOOR
FRIESLAND, FLEVOLAND, LIMBURG,
ROA
17c. NADERE VRAAG N.A.V. DE
REACTIES
Aan
de Directie van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland
Versteegstraat 2
2273 VB Voorburg
Haarlem, 14 maart 2005
Geachte Dames en Heren,
Het
frappeert ons, dat Bureau jeugdzorg Zuid-Holland niet voorkomt op de lijst
(in het Vademecum 2004-2005 van de Stichting Beroepsregister van
Maatschappelijk Werkers) van werkgevers die de beroepsregistratie voor
maatschappelijk werkers stimuleren, en dat in de lijst ingeschrevenen in
het beroepsregister van maatschappelijk werkers op 1 juni 2004 slechts
één persoon werkzaam bij een Bureau jeugdzorg in de provincie
Zuid-Holland is opgenomen.
Graag willen wij van u vernemen of
de situatie wat betreft in het beroepsregister ingeschreven
maatschappelijk werkers in Bureau jeugdzorg Zuid-Holland veranderd is
sinds juni 2004, en
Bureau jeugdzorg Zuid-Holland thans wel behoort tot de werkgevers die de
beroepsregistratie voor maatschappelijk werkers stimuleren?
Hoogachtend,
In
kopie aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland
Een soortgelijke brief is
verzonden aan alle Bureaus jeugdzorg waarheen doorverwezen is
17d. REACTIES VAN BUREAU JEUGDZORG LIMBURG EN ROA

17e. BRIEF AAN NIP d.d. 9 mei 2005 (soortgelijke
brief ook aan NVO verzonden)
-
is handelwijze van voor de indicatiestelling verantwoordelijke psycholoog
in overeenstemming
met beroepscode?
Aan
het Nederlands Instituut van Psychologen
t.a.v. de weledelgestrenge heer mr R.F. Baneke, directeur-secretaris
Postbus 9921
1006 AP Amsterdam
Haarlem, 9 mei 2005
Geachte Heer,
Het Ministerie van VWS heeft stichting KOG in een brief d.d. 28 april 2005
geschreven: “Daarnaast is in het uitvoeringsbesluit geregeld dat het
bureau jeugdzorg geen indicatiebesluit mag nemen dan nadat een ontwerp van
dit besluit is voorgelegd aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper.”
Dit brengt dus met zich mee dat gedragswetenschappers hun handtekening
zetten onder een indicatiebesluit, terwijl zij zelf geen contact hebben
gehad met de mensen op wie het indicatiebesluit betrekking heeft. Zij
kennen de kwestie uitsluitend van papier.
Onze vraag aan het NIP is, of deze werkwijze van NIP-leden in
overeenstemming is met hun beroepscode.
Deze brief en uw antwoord plaatsen wij op website www.stichtingkog.info
Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
17ee ANTWOORDEN VAN NIP EN NVO


17f. BRIEF AAN LANDELIJKE COMMISSIE
TOEZICHT INDICATIESTELLING
d.d. 9 mei 2005 en rappel
Aan
de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
Postbus 19521
2500 CM Den Haag
Haarlem, 9 mei 2005
Geachte Dames / Heren,
Bij deze brief vindt u kopieën van de brieven van stichting KOG van heden
aan NIP en NVO.
Gaarne vernemen wij uw visie op de daarin aangesneden kwestie.
Deze brief en uw reactie zullen wij plaatsen op www.stichtingkog.info
Aan
de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
Postbus 19521
2500 CM Den Haag
Haarlem, 20 juli 2005
Geachte Dames / Heren,
Op 9 mei 2005 heeft stichting KOG u gevraagd naar uw visie op de
omstandigheid dat binnen de bureaus jeugdzorg de indicatiestelling veelal
ondertekend wordt door iemand die uitsluitend afgaat op wat hem door
andere werknemers van de bureaus jeugdzorg wordt meegedeeld. Wilt u deze
vraag voor ons beantwoorden?
Ons verzoek en uw reactie zullen wij plaatsen op www.stichtingkog.info
Hoogachtend,
17g. REACTIE VAN LCTI

17h. ANTWOORD VAN KOG OP 17g
Aan
de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
t.a.v. de weledelzeergeleerde vrouwe mevrouw dr R. Gonggrijp, secretaris
Postbus 19521
2500 CM Den Haag
Haarlem, 8 augustus 2005
Geachte Mevrouw,
Uw brief d.d. 4 augustus hebben wij in goede orde ontvangen. Wij waarderen
het dat in de vergadering in september het verzoek van stichting KOG
besproken zal worden.
Wij hopen uiteraard dat de LCTI een standpunt zal innemen in de in onze
brief d.d. 9 mei aangesneden kwestie.
U schrijft dat er twee redenen zijn voor aanvankelijke niet-beantwoording
van onze brief d.d. 9 mei, waarvan de eerste is dat het gaat om een
uitspraak in een brief aan stichting KOG die u verder niet bekend is. Om
dit bezwaar te ondervangen stuur ik u hierbij kopie van de brief in
kwestie: brief d.d. 28 april 2005 van het Ministerie van VWS aan stichting
KOG.
Met vriendelijke groet,
De meegestuurde brief is 17ab
17i. ANTWOORD VAN LCTI


18. BRIEF AAN DE COMMISSIE VOOR VWS
- de verschillen in redenatie over
verpleeghuizen en jeugdzorg
Aan de commissie voor VWS van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Haarlem, 20 februari 2005
Geachte
Commissie,
I.v.m.het debat over de verpleeghuizen op 23 februari attendeer ik u op
het volgende:
Over
zorg voor ouderen en zorg voor jongeren wordt binnen het Ministerie van
VWS op zeer verschillende manieren gedacht.
Ouderen:
In Trouw van 18 februari 2005 schrijft GroenLinks-Kamerlid Evelien Tonkens
in het manifest ‘Ross, red de verpleeghuizen!’ dat uit recent
onderzoek van Twijnstra en Gudde en van Berenschot blijkt dat het
management van verpleeghuizen overwegend goed is, en de efficiëntie zeer
hoog. Deze gegevens zou de staatssecretaris al een half jaar
achtergehouden hebben. “Geen wonder: ze ondermijnen haar boodschap, dat
het van dit geld prima kan en dat de verpleeghuizen zelf de schuld zijn
van ondermaatse zorg.”
Jongeren:
Op 31 januari 2004 zegt de staatssecretaris op de televisie in gesprek met
Andries Knevel dat veel wat niet goed gaat in de jeugdzorg niet beter zal
worden zolang er niet meer geld beschikbaar is.
In Trouw van 14 juni 2004 zegt de staatssecretaris dat jongeren steeds
vaker in problemen komen en dat jeugdzorg daarom meer geld en meer
bevoegdheden moet krijgen.
Op de vraag van stichting KOG naar welke onderzoeken zij verwijst,
antwoordt zij:
“Deze uitlating is niet rechtstreeks op een specifiek onderzoek
gebaseerd. Zij is het resultaat van de informatie uit de praktijk die ik
opdoe via gesprekken met professionals in de jeugdzorg,
jeugdgezondheidszorg en maatschappelijke opvang en op rapporten naar
aanleiding van bijvoorbeeld het dramatische voorval in Roermond.”
(Brief van VWS d.d. 12 augustus kenmerk PG/BB 2.506.935, onderwerp
Operatie Jong)
DUS:
Zorg voor (over)grootouders : -Informatie
uit de praktijk onbelangrijk
(verpleeghuisartsen nemen uit protest tegen ontoereikende zorg ontslag)
-Onderzoek
dat deze informatie ondersteunt wordt
achtergehouden
-Beleid is en moet blijven: het ligt aan de praktijk, niet meer
geld.
Zorg voor kinderen: -Informatie
uit de praktijk belangrijk
(jeugdzorg is steeds meer nodig)
-Onderzoek
dat deze informatie ondersteunt maar dat
niet bestaat wordt gesuggereerd
-Beleid
is en moet blijven: het ligt niet aan de praktijk, meer geld.
18a. ONTVANGSTBEVESTIGING VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR
VWS

18b. BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN
VWS:
- rapporten inspectie
jeugdzorg net als rapporten over verpleeghuizen allemaal openbaar?
Haarlem, 8 februari 2005
Excellentie,
Op 3 februari jl. heb u in NOVA gezegd, dat alle
inspectierapporten betreffende verpleeghuizen openbaar zijn. Dit lijkt ons
een goed en belangrijk besluit, aangezien openbaarheid de goedkoopste vorm
van kwaliteitsbewaking is.
Wilt u ons laten weten dat vanaf heden alle rapporten van de inspectie
jeugdzorg openbaar zijn (liefst op de website van de inspectie), dan wel
waarom u daartoe niet zult besluiten?
Met gevoelens van hoogachting,
18c. ANTWOORD VAN DE STAATSSECRETARIS

18d. BRIEF AAN GROEN LINKS N.A.V. MANIFEST VAN
KAMERLID TONKENS
(zie
nummer 18)
Aan
de Tweede Kamer fractie van Groen Links
Postbus
20018
2500 EA Den Haag
Haarlem, 18 februari 2005
Geachte Dames en Heren,
Tot ons genoegen lazen wij hedenmorgen het Manifest van mevrouw Tonkens in
Trouw.
Het verwoordt heel duidelijk dat feiten niet alleen-bepalend zijn voor het
beleid van VWS.
Bijgesloten treft u de reactie van stichting KOG aan, die gemailed is aan
o.a. Trouw. Mevrouw Tonkens heeft deze reactie eveneens per mail
ontvangen.
Met vriendelijke groet,
18e. OPEN BRIEF AAN DE
STAATSSECRETARIS VAN VWS
Zijn
ambtenaren de baas op VWS? Zijn er groepen die strijden om de pot met geld
voor zorg?
In zorg voor ouderen en in zorg voor jongeren wordt op zeer verschillende
manieren gedacht.
Ouderen:
In Trouw van 18 februari schrijft GL-Kamerlid Evelien Tonkens in het
manifest ‘Ross, red de verpleeghuizen!’ dat uit recent onderzoek van
Twijnstra en Gudde en van Berenschot blijkt dat het management van
verpleeghuizen overwegend goed is, en de efficiëntie zeer hoog. Deze
gegevens zou de staatssecretaris al een half jaar achtergehouden hebben.
“Geen wonder: ze ondermijnen haar boodschap, dat het van dit geld prima
kan en dat de verpleeghuizen zelf de schuld zijn van ondermaatse zorg.”
Jongeren:
Op 31 januari 2004 zegt de staatssecretaris op de televisie dat veel wat
niet goed gaat in de jeugdzorg niet beter zal worden zolang er niet meer
geld beschikbaar is.
In Trouw van 14 juni zegt de staatssecretaris dat jongeren steeds vaker in
problemen komen en dat jeugdzorg daarom meer geld en meer bevoegdheden
moet krijgen.
Op de vraag van stichting KOG naar welke onderzoeken zij verwijst,
antwoordt zij: “Deze uitlating is niet rechtstreeks op een specifiek
onderzoek gebaseerd. Zij is het resultaat van de informatie uit de
praktijk die ik opdoe via gesprekken met professionals in de jeugdzorg,
jeugdgezondheidszorg en maatschappelijke opvang en op rapporten naar
aanleiding van bijvoorbeeld het dramatische voorval in Roermond.”
Zorg voor ouderen : Informatie
uit de praktijk onbelangrijk
(verpleeghuisartsen nemen uit
protest tegen ontoereikende zorg ontslag)
Onderzoek
dat deze informatie ondersteunt wordt
achtergehouden
Beleid is en moet blijven: het ligt aan de praktijk, niet meer
geld.
Zorg voor jongeren: Informatie
uit de praktijk belangrijk
(jeugdzorg is steeds meer nodig)
Onderzoek
dat deze informatie ondersteunt maar dat
niet bestaat
wordt gesuggereerd
Beleid
is en moet blijven: het ligt niet aan de praktijk, meer geld.
Zijn
ambtenaren nou echt de baas? De staatssecretaris staat voor schut en
dupeert door haar beleid grote groepen mensen.
Haarlem, 18 februari 2005
Truus Barendse, secretaris
Opmerking:
niet geplaatst door Trouw
19. PSYCHOLOOG SUGGEREERT TEN ONRECHTE ONDER
NIP-TUCHTRECHT TE VALLEN
Aan
het Nederlands Instituut van Psychologen
t.a.v. de weledelgestrenge heer mr R.F. Baneke, directeur-secretaris
Postbus 9921
1006 AP Amsterdam
Haarlem, 1 maart 2005
Geachte Heer,
Een van de donateurs van stichting KOG heeft ons meegedeeld dat mevrouw M.
Visser, die ten onrechte volgens het NIP op haar website www.visser-vanlith.nl
nog eind januari 2005 meedeelde dat zij NIP-lid was, op uw verzoek
weliswaar de tekst gewijzigd heeft, maar op zodanige wijze dat de
verwarring o.i. alleen vergroot wordt.
Het
gaat om de volgende wijziging: Lid van het Nederlands Instituut voor
Psychologen (NIP) is veranderd in “Buitengewoon Lid van het Nederlands
Instituut voor Psychologen (NIP)”.
In een brief d.d. 01-09-2004 schrijft het NIP aan de
donateur van KOG:
“Hierbij bevestigen wij dat mevrouw Marieke Visser
te Hoorn in het ledenbestaand van het NIP (Nederlands Instituut van
Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen) niet voorkomt
als lid van de vereniging maar als buitengewoon deelnemer van een sectie
of werkgroep. Dit betekent dat werkzaamheden van mevrouw Visser niet
vallen onder de Beroepscode voor Psychologen en dat zij niet
noodzakelijkerwijs hoeft te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor
NIP-lidmaatschap.”
Wilt u ons laten weten of iemand die geen lid is van het NIP maar wel
deelneemt in activiteiten van het NIP zich mag afficheren als buitengewoon
lid van het NIP?
Hoogachtend,
19a.
REACTIE VAN HET NIP

19b.
BRIEF AAN NIP
- Visser trek zich niets
van u aan!
Aan
het Nederlands Instituut van Psychologen
t.a.v. de weledelgestrenge heer mr R.F. Baneke, directeur-secretaris
Postbus 9921
1006 AP Amsterdam
Haarlem, 8 augustus 2005
Geachte Heer,
Mevrouw Marieke Visser te Hoorn meldde op haar website www.visser-vanlith.nl
nog eind januari 2005 dat zij NIP-lid was. Ten onrechte, zoals
blijkt uit een brief van het NIP d.d.
1 september 2004 aan mevrouw …:
“Hierbij bevestigen wij dat mevrouw Marieke Visser te Hoorn in het
ledenbestand van het NIP (…) niet voorkomt als lid van de vereniging
maar als buitengewoon deelnemer van een sectie of werkgroep. Dit
betekent dat werkzaamheden van mevrouw Visser niet vallen onder de
Beroepscode voor Psychologen en dat zij niet noodzakelijkerwijs hoeft te
voldoen aan de voorwaarden die gelden voor NIP-lidmaatschap.”
Op verzoek van het NIP heeft zij de onjuiste mededeling dat zij NIP-lid
was, veranderd.
Zij heeft zich echter vervolgens “Buitengewoon Lid van het Nederlands
Instituut voor Psychologen (NIP)” genoemd.
Op 11 april 2005 hebt u stichting KOG laten weten dat een buitengewoon
deelnemer aan een sectie van het NIP zich niet dient te afficheren als
buitengewoon lid van het NIP omdat de term ‘lid’ verkeerde
verwachtingen kan scheppen. U zou mevrouw Visser op de hoogte brengen van
deze mening.
Heden is ons gebleken dat mevrouw Visser doorgaat op haar website de
verkeerde verwachting te scheppen dat zij NIP-lid is, namelijk
buitengewoon lid. Mevrouw Visser wekt de indruk dat zij
niet schroomt een onware mededeling te doen en een mededeling te
doen die de lezer op het verkeerde been kan zetten:
-
zich ten onrechte NIP-lid noemen,
-
betrapt worden en dan de term ‘buitengewoon lid van het NIP’
introduceren,
-
weer betrapt worden maar de mening van het NIP dat zij hiermee
verkeerde
verwachtingen kan scheppen zonder gevolgen laten.
Mevrouw Visser, op wier werkzaamheden de beroepscode van het NIP niet van
toepassing is en die wellicht niet voldoet aan de eisen die gesteld worden
aan het NIP-lidmaatschap, profiteert door deze onwaarachtige handelwijze
van de respectabiliteit van het NIP.
Stichting KOG verwacht dat het NIP gebruik zal maken van de mogelijkheden
die het NIP ten dienste staan om ervoor te zorgen dat een en ander niet
zonder consequenties blijft.
Graag worden wij op de hoogte gehouden van de stappen die u zult zetten.
Hoogachtend,
19c.
BRIEF AAN NVO
Aan het bestuur van de NVO
Korte Elisabethstraat 11
3511 JG Utrecht
Haarlem, 17 september 2005
Geacht Bestuur,
Handelen van mevrouw Visser, werkzaam bij bureau
Visser & Van Lith te Alkmaar, lid van uw beroepsvereniging, doet ons
twijfelen aan de waarde van registratie als NVO-lid.
Zij handelt als professional onbegrijpelijk:
-
Op de website van bureau Visser & Van Lith vermeldde zij
aanvankelijk een NIP-
lidmaatschap.
Navraag heeft uitgewezen dat zij geen NIP-lid was; het NIP heeft haar
verzocht
de website te wijzigen. Daarna heeft zij van ‘NIP-lid’ ‘buitengewoon
NIP-lid’
gemaakt.
Hierop gewezen heeft het NIP op 11 april 2005 aan stichting KOG
geschreven:
“Een
buitengewoon deelnemer aan een sectie van het NIP dient zich niet te
afficheren als
buitengewoon
lid van het NIP omdat de term ‘lid’ verkeerde verwachtingen kan
scheppen.
…
Ik zal mevrouw Visser op de hoogte brengen van mijn mening.”
Vandaag,
17 september 2005, meldt de website van bureau Visser & Van Lith
onveranderd
dat mevrouw Visser buitengewoon NIP-lid is.
-
Mevrouw Visser die niet bevoegd is tot onderzoek levert Leger des
Heils, dat voogdijtaken
uitvoert,
een rapportage d.d. 21 juli 2005 van twee gesprekken met een veertienjarig
meisje,
wetend waarvoor deze gebruikt zou gaan worden: als advies van een
onafhankelijk
deskundige
ter onderbouwing van een verzoekschrift aan de kinderrechter.
Op 5
september 2005 zijn de ongefundeerde, want niet op onderzoek gebaseerde,
beweringen
van dit NVO-lid inderdaad gebruikt als deskundigenrapport voor een
verzoekschrift
aan de rechter.
-
Mevrouw Visser spreekt schimmig over de aard van haar werk:
* er
is geen onderzoek, want tot onderzoek is zij niet bevoegd, zoals zij zelf
schrijft in
haar verweerschrift aan NVO: “Ik ben geen onderzoeker” (maar
zij presenteert wel
resultaten)
* er
was begeleide omgang (maar er is geen dossier)
*
het was toch geen begeleide omgang maar mediation (maar er is geen
overeenkomst)
*
het was alleen een gesprek.
Na het eerste contact tussen mevrouw Visser, de
moeder en de dochter (begeleide omgang in augustus 2003), heeft de moeder
een klacht over mevrouw Visser ingediend bij de NVO.
Uw College van Toezicht heeft op 9 maart 2005 een waarschuwing
uitgesproken. Vervolgens heeft de moeder op 6 juni op de niet-gegrond
verklaarde punten een klacht ingediend voor uw College van Beroep bij de
heer Bosman, uw Directeur. Tijdens de hoorzitting van uw College van
Beroep op 31 augustus 2005, die ik als vertrouwenspersoon van de moeder
heb bijgewoond, heeft mevrouw Visser verklaard dat zij de heer Bosman had
gevraagd of zij ondanks een klacht wel gesprekken met de dochter kon
voeren. De heer Bosman zou gezegd hebben dat een klacht geen beletsel was.
Mocht het zo zijn dat de NVO van mening is dat
-een klacht een NVO-lid niet hoeft te belemmeren om zolang de klacht niet
behandeld is door te gaan met dat waarover
geklaagd is,
-een NVO-lid onderzoeksresultaten mag presenteren zonder onderzoek mits
hij de term ‘onderzoek’ of ‘onderzoeksresultaten’
niet gebruikt
-een NVO-lid een ouder zonder ouderlijk gezag geen inzage in het dossier
hoeft te geven
(in strijd met alleen al art. 1: 377c BW), dan
begrijpen wij de kwaliteitsgarantie van het NVO-lidmaatschap voor ouders
en kinderen niet.
Ik verzoek u stichting KOG mee te delen dat de NVO deze meningen niet is
toegedaan, of waarom NVO-lidmaatschap ondanks deze meningen toch garant
staat voor betrouwbaar professioneel handelen van pedagogen en
onderwijskundigen.
Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan het College van Toezicht NVO
het College van Beroep NVO
drs Bosman, directeur NVO
het Nederlands Instituut voor Psychologen
mevrouw Visser (bureau Visser en Van Lith)
Aan het bestuur van de NVO
Korte Elisabethstraat 11
3511 JG Utrecht
19d.
RAPPEL
Haarlem, 10 november 2005
Geacht Bestuur,
Op 17 september 2005 heb ik u een brief geschreven met vragen in verband
met de waarde van registratie als NVO-lid. Wilt u zo vriendelijk zijn deze
brief thans te beantwoorden?
Deze correspondentie zal geplaatst worden op de website van KOG
www.stichtingkog.info
.
Voor
uw gemak sluit ik kopie bij van de brief d.d. 17 september.
Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan het College van Toezicht NVO
het College van Beroep NVO
drs J.G. Bosman, directeur NVO
19e.
REACTIE VAN NVO

20.
BRIEF AAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN
- mogelijkheid politieassistentie bij
omgangsbeschikking?
Aan
het Ministerie van Binnenlandse Zaken
Postbus 20011
2500 EA Den Haag
Haarlem, 1 november 2004
Geachte Dames / Heren,
Wij wenden ons tot u met het volgende probleem:
Wanneer ouders een omgangsbeschikking van de kinderrechter hebben is het
vaak onmogelijk deze te doen uitvoeren. Ik spreek hier in de eerste plaats
over ouders die uit elkaar zijn gegaan en elkaars wederpartij zijn geweest
bij de rechter, maar ook over ouders die zich tegengewerkt voelen door een
(gezins)voogdij-instelling of een pleeggezin. Ouders willen in een
dergelijk geval soms een beroep doen op de politie, maar vinden zelden
gehoor voor hun wens onder begeleiding van een politiefunctionaris te
laten gebeuren wat de rechter heeft bevolen.
Voor het betrokken politiekorps blijkt medewerking meestal “geen
prioriteit”.
Stichting KOG zou graag weten:
-
of er sprake is van landelijk beleid op dit punt
-
waar wij kennis kunnen nemen van dit beleid indien dit bestaat
-
waar wij invloed kunnen proberen uit te oefenen om een dergelijk
beleid in de door ons
gewenste
richting om te buigen of tot stand te brengen?
Beantwoording van deze vragen zouden wij bijzonder op prijs stellen.
Hoogachtend,
20a.
RAPPEL OP BRIEF 20
Aan
het Ministerie van Binnenlandse Zaken
Postbus 20011
2500 EA Den Haag
Haarlem, 16 februari 2005
Geachte Dames / Heren,
Op 1 november 2004 heeft stichting KOG u drie vragen voorgelegd i.v.m. het
beroep dat ouders mogelijk kunnen doen op de politie als het erom gaat een
rechterlijke beschikking over omgang met een kind te doen uitvoeren. Kopie
van deze brief gaat hierbij.
Mogen wij nu spoedig een antwoord tegemoet zien?
Hoogachtend,
20b.
ANTWOORD VAN HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN OP
VRAAG NAAR MOGELIJKHEID VAN
POLITIEASSISTENTIE


21.
BRIEF AAN DE COMMISSIE VOOR JUSTITIE
- op 3 maart aan de Minister van
Justitie aangeboden onderzoek: in jeugdzorg weinig respect voor
wet- en regelgeving
Aan de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus
20018
2500 EA Den Haag
Haarlem, 11 maart 2005
Geachte Dames en Heren,
Met het oog op de discussie over jeugdzorg n.a.v. een eventuele
strafrechtelijke vervolging van de gezinsvoogd van Savanna
wijzen wij u op de op 3 maart aan Minister Donner aangeboden
rapportage over het onderzoeksproject ‘Overtredende Overheden, Op zoek
naar de omvang en oorzaken van regelovertreding door overheden’ (ISBN 90
5454 494 5).
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de stuurgroep ‘Handhaven op
Niveau’ van het Ministerie van Justitie door de Vrije Universiteit
(sector Bestuursrecht) en de B&A Groep.
In de rapportage worden als overheden beschouwd “instanties die bindende
beslissingen voor de samenleving kunnen nemen en doorzetten”. Op pag. 80
vermeldt voetnoot 23:
“De instellingen voor jeugdhulpverlening betreffen doorgaans
stichtingen, die volledig gesubsidieerd worden door de overheid (met name
door de provincie en de rijksoverheid). Omdat ze duidelijk een publieke
taak vervullen en ook geheel gefinancierd worden door de overheid, worden
de instellingen in dit onderzoek gezien als overheden.”
De volgende passages willen wij in het bijzonder onder uw aandacht
brengen:
’De inspectie is in 2002 met twee belangrijke ontwikkelingen
geconfronteerd. Ten eerste zijn er diverse onderzoeken geweest naar
aanleiding van incidenten, waarbij een brede vorm van reactief toezicht is
uitgevoerd. Dit toezicht heeft veel capaciteit opgeslokt en tot het
inzicht geleid dat het waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van
de zorg voor jeugdigen regelmatig te wensen overlaat.’ (pag. 71)
’Van strafrechtelijke overtredingen door jeugdzorginstellingen … is in
dit onderzoek niet gebleken. De geselecteerde inspectieonderzoeken en
interviews wijzen wel op een scala aan overtredingen van de relevante wet-
en regelgeving met betrekking tot de jeugdhulpverlening. Hoewel niet
beoordeeld kan worden of alle regels doorlopend overtreden worden, kan wel
gesteld worden dat de regelnaleving op dit gebied vaak te wensen overlaat.
De instellingen leven de normen zelden volledig na.’ (pag. 73)
’De wet- en regelgeving op dit gebied (de Wet op de Jeugdhulpverlening)
poogt procedurele waarborgen te geven voor een goed verloop van het
hulpverleningsproces door middel van het stellen van regels aan plaatsing
van jeugdigen, behandelplannen, evaluaties, betrokkenheid van de ouders et
cetera. De overtredingen liggen zodoende in de procedurele sfeer.’
(pag. 73/74)
‘Het lijkt er sterk op dat
door nagenoeg alle betrokkenen in de jeugdsector, doorgaans onbewust, op
een of andere wijze de gelegenheid voor regelovertreding wordt gecreëerd
of in stand gehouden. Er is weinig draagvlak voor de regels en een eigen
belangenafweging wordt legitiem gevonden. Regelovertreding door
instellingen in de jeugdzorg is dus ook eerder toe te schrijven aan een
gebrekkig functionerend systeem dan aan incidentele of individuele
dwalingen van een instelling.’ (pag. 74)
’De correctiemechanismen binnen het systeem zouden mede moeten worden
gevoed door toezicht en handhaving. … Van een stringente aanpak van
regelovertreding lijkt geen sprake. De inspectie beschikt over een
relatief klein apparaat, heeft weinig ‘harde’ sanctiemiddelen en zoekt
naar een andere invulling van het toezicht. …Dit leidt er toe dat soms
onvoldoende wordt geïntervenieerd, waardoor de situatie blijft
voortbestaan. …
Om deze vicieuze cirkel te doorbreken moet de samenwerking tussen alle
betrokkenen in de sector sterk verbeterd worden. Hierbij dienen
structurele oplossingen op systeemniveau te worden gezocht met als
sluitstuk een daadkrachtige aanpak van overtredingen. Regelovertreding
valt in dit verband te zien als een uiting van het disfunctioneren van het
systeem.’ (pag. 75/76)
’Regelovertreding brengt de effectiviteit, efficiency en legitimiteit
van het overheidsoptreden in het geding.’ (pag. 76)
Wij doen met name een beroep op u om de positie van de Inspectie Jeugdzorg
te versterken door uitbreiding van de omvang en door verlening van de
bevoegdheid zelfstandig sancties uit te (doen) voeren.
Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In
kopie aan de Hoofdinspectie Jeugdzorg
Een soortgelijke brief is
verzonden aan de Commissie voor VWS
21a.
REACTIES VAN DE COMMISSIES VOOR VWS EN VOOR JUSTITIE


21b.
INGEZONDEN BRIEF AAN TROUW EN NRC 11 maart 2005 (niet
geplaatst)
Jeugdzorg
in Nederland
De
Tweede Kamer wil n.a.v. het strafrechtelijk onderzoek naar een gezinsvoogd
een onderzoek naar het functioneren van Jeugdzorg in Nederland. In een
spoeddebat op 10 maart is de vraag aan de orde geweest of de dood van
Savanna een incident was of een gevolg van het systeem. In dit verband
wijs ik op het op 3 maart aan Minister Donner aangeboden rapport
“Overtredende overheden” van prof. L. Huberts e.a. (ISBN 90 5454 494
5). Enkele citaten:
’Van strafrechtelijke overtredingen door jeugdzorginstellingen … is in
dit onderzoek niet gebleken. De geselecteerde inspectieonderzoeken en
interviews wijzen wel op een scala aan overtredingen van de relevante wet-
en regelgeving met betrekking tot de jeugdhulpverlening. Hoewel niet
beoordeeld kan worden of alle regels doorlopend overtreden worden, kan wel
gesteld worden dat de regelnaleving op dit gebied vaak te wensen
overlaat.’
‘Het lijkt er sterk op dat
door nagenoeg alle betrokkenen in de jeugdsector, doorgaans onbewust, op
een of andere wijze de gelegenheid voor regelovertreding wordt gecreëerd
of in stand gehouden. Er is weinig draagvlak voor de regels en een eigen
belangenafweging wordt legitiem gevonden. Regelovertreding door
instellingen in de jeugdzorg is dus ook eerder toe te schrijven aan een
gebrekkig functionerend systeem dan aan incidentele of individuele
dwalingen van een instelling.’
’De
correctiemechanismen binnen het systeem zouden mede moeten worden gevoed
door toezicht en handhaving. … Van een stringente aanpak van
regelovertreding lijkt geen sprake. De inspectie beschikt over een
relatief klein apparaat, heeft weinig ‘harde’ sanctiemiddelen en zoekt
naar een andere invulling van het toezicht. …Dit leidt er toe dat soms
onvoldoende wordt geïntervenieerd, waardoor de situatie blijft
voortbestaan. …
Om deze vicieuze cirkel te doorbreken moet de samenwerking tussen alle
betrokkenen in de sector sterk verbeterd worden. Hierbij dienen
structurele oplossingen op systeemniveau te worden gezocht met als
sluitstuk een daadkrachtige aanpak van overtredingen.’
’Regelovertreding
brengt de effectiviteit, efficiency en legitimiteit van het
overheidsoptreden in het geding.’
22.
INTERVIEW MET HOOFDINSPECTEUR JEUGDZORG IN JUSTITIE MAGAZINE
- jeugdzorg ontbeert kwaliteit en
criteria (december 2004)


Opmerking:
Justitie Magazine
beleidsinformatieblad van het Ministerie van Justitie
gratis abonnement schriftelijk aanvragen bij
Ministerie van Justitie, directie Voorlichting, t.a.v. secretariaat,
Postbus 20301, 2500 EH Den Haag
22a.
INGEZONDEN BRIEF AAN NRC 30 MAART 2005
- jeugdzorg ontbeert opleidingen en
criteria
Heel
veel zorgen
In
NRC van 29 maart staan twee artikelen ‘Maak de Jeugdzorg minder
machtig’ en ‘Vechten om een kind bij de moeder weg te houden’. In
beide artikelen worden schrijnende gevallen beschreven van kinderen die na
een uithuisplaatsing terug moesten naar incompetente ouders.
Ik
zou uit de praktijk van ouderorganisatie Kinderen-Ouders-Grootouders
schrijnende gevallen kunnen beschrijven van kinderen die niet terug
mochten naar ouders die de problemen grondig opgeruimd hadden.
Wat
is de conclusie? Het ontbreken van criteria voor ondertoezichtstelling,
zelfs voor uithuisplaatsing en terugkeer naar huis, is slecht voor
iedereen: voor kinderen en hun ouders en voor de werkers in de jeugdzorg,
denk aan de gezinsvoogd van Savanna. In het proefschrift
‘Rechtvaardiging van kinderbescherming’ betwijfelt mevrouw Bruning
zelfs of de open normen in de Nederlandse wetgeving m.b.t. maatregelen van
kinderbescherming niet botsen met ‘sufficient precision’, waartoe het
EVRM verplicht.
Niet alleen criteria ontbreken, ook de opleiding voor gezinsvoogd
ontbreekt. Deze neemt zonder criteria beslissingen die soms voorgelegd
moeten worden aan de rechter, die weer voornamelijk oordeelt op grond van
het rapport van de gezinsvoogd.
Het
VU-onderzoek ‘909 zorgen’ (2002) zegt: “De opleiding tot gezinsvoogd
is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden veelal opleidingen met een brede
basiskennis. Dat is niet genoeg om als gezinsvoogd aan de slag te kunnen.
Bovendien komen veel gezinsvoogden uit andere opleidingen en uit minder
verwante werksoorten. De opleidingsroute … leidt een kommervol bestaan.
Sommige gezinsvoogdij-instellingen zijn uit arren moede een eigen
opleidingstraject begonnen en bij andere instellingen ontbreekt een
systematisch aanbod.”
En niet alleen ontbreken opleidingen en inhoudelijke criteria, de veelal
procedurele normen en regels voor jeugdzorg worden op bepaalde onderdelen
massaal overtreden. “Ze worden als bureaucratisch en onverstandig gezien
en het lijkt bijna gebruik in deze een ‘eigen afweging’ te maken. …
Voor de provincies en de grootstedelijke regio’s geldt dat de aandacht
voor de jeugdsector niet in alle organisaties even groot is. … Het
niveau van handhaving door deze overheden is sterk wisselend. Er is vaak
nog geen echte handhavingscultuur.” (L. Huberts e.a.; Overtredende
overheden; 2005) De Inspectie Jeugdzorg is onderbemand, heeft geen reële
bevoegdheid en ziet keer op keer haar aanbevelingen in de wind geslagen.
In dezelfde krant is er aandacht voor schadeclaims in de medische sector.
Wanneer zullen de eerste ouders hun schadeclaims neerleggen bij de sinds 1
januari voor jeugdzorg verantwoordelijke Provincies?
Truus
Barendse, secretaris stichting Kinderen-Ouders-Grootouders
Opmerking:
niet geplaatst door NRC
23
BRIEF AAN BJZ FRIESLAND d.d. 2 februari 2005
-
over financiële verplichtingen bij
uithuisplaatsing
Aan
Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland
Postbus 312
8901 BC Leeuwarden
Haarlem, 2 februari 2005
Geachte Dames/Heren,
Van donateurs hebben wij uw informatieblad ‘Financiële zaken ten tijde
van een ondertoezichtstelling’ toegezonden gekregen. Dit roept bij ons
enkele vragen op:
1) Wij lezen hierin dat u ouders aansprakelijk houdt voor de schoolkosten
voor uit huis geplaatste kinderen.
Stichting KOG heeft op de website www.stichtingkog.info
de informatie geplaatst dat ouders bij uithuisplaatsing alleen
verplicht zijn de ouderbijdrage LBIO te betalen. Indien dit onjuist is,
willen wij dit zo snel mogelijk herstellen.
Op grond van welke wet of regel blijven ouders van uit huis geplaatste
kinderen verantwoordelijk voor de schoolkosten van hun kinderen?
2) “Bij een uithuisplaatsing is het mogelijk dat uw kind bij u
meeverzekerd blijft. U dient er dan ook zelf voor te zorgen dat uw kind
bij een uithuisplaatsing verzekerd is tegen ziektekosten. …”
Houdt dit in dat St. Bureau Jeugdzorg Friesland uit huis geplaatste
kinderen alleen verzekert tegen ziektekosten indien de ouders meegedeeld
hebben niet langer de verzekering tegen ziektekosten te betalen?
3)
Verzekert St. Bureau Jeugdzorg Friesland uitsluitend ziektekosten, of
welke andere risico’s verzekert St. Bureau Jeugdzorg Friesland voor uit
huis geplaatste kinderen?
Ik hoop dat u bovenstaande drie vragen voor ons wilt beantwoorden.
Met vriendelijke groet,
23b.
BRIEF AAN BJZ OVERIJSSEL MET TWEE VRAGEN
(ook aan de andere Bjz's verzonden)
- worden ouders duidelijk ingelicht over hun financiële
verplichtingen bij een uithuisplaatsing
- worden ouders duidelijk ingelicht over de
voorwaarden om een uithuisplaatsing te beëindigen?
Aan
de Directie van Bureau Jeugdzorg Overijssel
Postbus 568
8000 AN Zwolle
Betreft:
financiële bijdragen voor uit huis geplaatste kinderen, en
voorwaarden beëindiging beschermingsmaatregel
Haarlem,
4 april 2005
Geachte
Directie,
Stichting KOG heeft op dit moment twee vragen die wij u in één brief
voorleggen.
Vraag
1)
Benadert Bjz Overijssel ouders van uit huis geplaatste kinderen om
bijdragen in de voor deze kinderen gemaakte / te maken kosten van hen te
krijgen, en zo ja, maakt u volkomen helder dat behalve de bijdrage aan het
LBIO geen gelden verplicht zijn?
Vraag
2) Behoort
standaard tot de werkwijze van Bjz Overijssel schriftelijk vast te leggen
wat een gezagdragende ouder kan doen om de beschermingsmaatregel te doen
eindigen of
– indien van toepassing – om een verderstrekkende maatregel af te
wenden?
Wij
zullen beantwoording van deze vragen zeer op prijs stellen. Deze brief en
uw reactie plaatsen wij op website www.stichtingkog.info
.
In deze envelop vindt u een stapeltje folders waaruit duidelijk wordt wat
KOG is en doet.
Wij hopen dat u deze een plek zult laten geven in uw foldermolen. Als u
meer exemplaren wilt ontvangen, sturen wij u die graag toe.
Met vriendelijke groet,
23c.
REACTIES VAN BUREAUS JEUGDZORG















24
BRIEF AAN HET INFORMATIE EN KLACHTENBUREAU GEZONDHEIDSZORG
- bedreiging privacy aan alle kanten (zie
ook brief 12)
Aan
het Informatie- en Klachtenbureau Gezondheidszorg
Kaap Hoorndreef 38
3563 AV Utrecht
Haarlem, 11 februari 2005
Geachte Dames / Heren,
Van een donateur hebben wij kopie gekregen van een formulier dat zij moest
invullen volgens de Thuiszorgorganisatie waar zij na indicatiestelling een
beroep op had gedaan voor uitsluitend huishoudelijke hulp i.v.m. ziekte.
Door invulling en ondertekening van het formulier zou zij de
Thuiszorgorganisatie machtigen om haar medische dossiers in te zien en
overleg te voeren met haar artsen. Telefonisch contact met de
Thuiszorgorganisatie leerde haar dat er geen sprake was van een
misverstand. Er werd zelfs gedreigd dat zij geen huishoudelijke hulp zou
krijgen als zij haar privacy beschermde. Toen zij voet bij stuk hield en
het duidelijk werd dat zij het er niet bij zou laten, is de organisatie
overstag gegaan: geen inzage of overleg, wel huishoudelijke hulp. De
Landelijke Vereniging voor Thuiszorg heeft ons inmiddels gemeld dat e.e.a.
geen initiatief is van de LVT.
Van de gemeente Leeuwarden hebben wij een CD-ROM ontvangen waarmee scholen
informatie van gemeente-instellingen (GGD, schoolarts) over hun leerlingen
kunnen raadplegen. Wij hebben op 29 oktober 2004 het College bescherming
persoonsgegevens de CD-ROM gestuurd, maar op onze brief nog geen reactie
ontvangen.
Een en ander verontrust ons zeer. Medische gegevens komen achter de rug
van betrokkenen om in handen van mensen die op geen enkele wijze bij een
behandeling zijn betrokken en ook niet de scholing hebben om de gegevens
op de juiste wijze te interpreteren.
Het leek ons juist u hiervan in kennis te stellen.
Met
vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
Bijlage: brief d.d. 29 oktober 2004 aan het College bescherming
persoonsgegevens
In kopie aan het CBP
24a.
NIEUWSBRIEF CBP
over o.a. bovengenoemd
onderwerp
----- Original Message -----
From: College bescherming persoonsgegevens <nieuwsbrief@cbpweb.nl>
To: CBP nieuwsbrief <nieuwsbrief@cbpweb.nl>
Sent: Thursday, June 23, 2005 2:08 PM
Subject: 23 juni 2005: Het gebruik van medische gegevens
CBP Nieuwsbrief, 23 juni 2005
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) attendeert u op de volgende
berichten:
* Het gebruik van medische gegevens
Het CBP heeft drie nieuwe informatiebladen uitgebracht over het gebruik
van
medische gegevens. Ze zijn bestemd voor zowel hulpverleners als patiënten.
Met de informatiebladen wil het CBP antwoord geven op veel voorkomende
vragen op het gebied van het medisch beroepsgeheim, de bewaartermijn van
medische gegevens, het elektronisch patiëntdossier, wetenschappelijk
onderzoek, beveiliging van het medisch dossier en de rechten van patiënten.
http://www.cbpweb.nl/documenten/med_20050623_inf_med_gegevens.shtml
------------
* Advies wijziging Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Het voorstel tot wijziging van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens moet meer duidelijkheid verschaffen over de voorwaarden
waaronder gemeenten gegevens aan ‘vrije derden’ zoals incassobureaus,
banken
en verzekeraars mogen verstrekken. Het CBP adviseert de Minister voor
Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijkrelaties (BVK) expliciete uitspraken
te doen over de mogelijkheid voor gemeenten om gegevens uit de
gemeentelijke
basisadministratie (GBA) te verstrekken aan vrije derden.
http://www.cbpweb.nl/documenten/med_adv_z2005-0527.shtml
------------
* Minister moet noodzaak verstrekken informatie over
persoonlijkheidsstoornissen nader onderbouwen
Het CBP heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om
toelichting gevraagd over de noodzaak om het gegeven
‘persoonlijkheidsstoornis’ aan zorgkantoren te verstrekken. Bij de
verlengingsaanvraag van het aantal zittingen psychotherapie van cliënten
met
een persoonlijkheidsstoornis, wil het zorgkantoor de
persoonlijkheidsstoornis en de classificatie hiervan, de zogenaamde DSM
IV,
weten.
http://www.cbpweb.nl/documenten/med_uit_z2004-1710.shtml
---------------
Over het CBP
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) houdt -onder de Wet
bescherming persoonsgegevens (WBP)- toezicht op de naleving van wetten die
het gebruik van persoonsgegevens regelen. Bij het CBP moet het gebruik van
persoonsgegevens worden gemeld, tenzij hiervoor een vrijstelling geldt.
Het CBP adviseert de regering en organisaties over de bescherming van
persoonsgegevens en onderwerpen die daarmee samenhangen. Het CBP toetst
gedragscodes en bemiddelt in geschillen tussen burgers en gebruikers van
persoonsgegevens. Op eigen initiatief of op verzoek van een belanghebbende
kan het CBP onderzoeken of de manier waarop persoonsgegevens in een
bepaalde
situatie zijn gebruikt, in overeenstemming is met de wet en daaraan
zonodig
gevolgen verbinden. Voor in gebreke blijven bij de melding kan een boete
worden opgelegd. Bij overtreding van de wet of daarop gebaseerde
regelingen
kan het CBP overgaan tot bestuursdwang of een dwangsom opleggen. Meer
informatie vindt u op http://www.cbpweb.nl.
---------------
Voor contact met het CBP kunt u gebruik maken van mailto:info@cbpweb.nl.
Een
direct antwoord op deze e-mail wordt niet verwerkt. Aan- en afmelden kunt
u
via http://www.cbpweb.nl/indexen/ind_nieuwsbrief.shtml
25
BRIEF AAN AJL
- vraag over verplichting gezinsvoogd
Aan
de heer D.J. van den Hoek
directeur van
Leger des Heils / Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL)
Plesmanstraat 2
3833 LA Leusden
Haarlem,
14 juni 2005
Geachte Heer,
In de Leeuwarder Courant van 10 juni lees ik in het artikel ‘Britsumers
vechten voor gezag over kinderen’, dat de gezinsvoogd in dienst van het
AJL verplicht is een zwangerschap te melden bij het AMK indien in het
gezin al een kind uit huis is geplaatst.
Ik
zou het zeer op prijs stellen als u KOG zou laten weten of
-
deze mededeling juist is
-
zo ja, of deze verplichting berust op een interne regeling van het
AJL, dan wel
-
op welke regelgeving deze verplichting berust.
Met
vriendelijke groet,
25a.
REACTIE OP DE BRIEF VAN 14 JUNI

25b.
HERHALING VAN DE VRAAG VAN 14 JUNI
Aan
de heer D.J. van den Hoek, directeur van
Leger des Heils / Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (AJL)
Plesmanstraat 2
3833 LA Leusden
Haarlem,
29 juni 2005
Geachte Heer,
Uw brief d.d. 28 juni 2005 heb ik in goede orde ontvangen.
In de brief van stichting KOG d.d. 14 juni 2005 wordt geen informatie
gevraagd over het gezin in het artikel ‘Britsumers vechten voor gezag
over kinderen’ in de Leeuwarder Courant van 10 juni 2005, maar
informatie over regelgeving. Ik sluit kopie van de brief van 14 juni bij,
en verzoek u de vragen alsnog te beantwoorden.
Met vriendelijke groet,
In kopie aan mevrouw P. van Kempen, redactie Leeuwarder
Courant
25c
'ANTWOORD' OP DE VRAAG

26
INGEZONDEN BRIEF AAN TROUW d.d. 23 juni
- n.a.v. berichtgeving over internationale
kinderontvoering
Pappen en nathouden is niet genoeg
Reageert de Tweede Kamer voornamelijk op spectaculaire gebeurtenissen? De
Kamer wil volgens Trouw van 23 juni dat de regering hard optreedt tegen
landen die niet meewerken aan de terugkeer van ontvoerde kinderen.
Een van de redenen om kinderen te ontvoeren is (dreiging van) verbreking
van contact tussen kind en ouder. Als contactverbreking een plaats krijgt
in het wetboek van strafrecht zoals in België al gebeurd is, is de
relatie van duizenden kinderen met allebei hun ouders beschermd. Uiteraard
is bijvoorbeeld mediation van groot belang, maar een sanctie als een
verzorgende ouder zonder reden die de rechter overtuigt omgang blijft
weigeren is onontbeerlijk. Pappen en nathouden is niet genoeg, om met Van
Bommel te spreken (hij doelde alleen op internationale ontvoering).
Nationale ontvoering, en frustrering van de omgang zonder dat verzorgende
ouder en kind verhuizen, is nog altijd iets waarmee men weg komt door het
een te beloven en daarna toch weer het ander te doen. Regering en Kamer
reageren op die situatie met alleen maar pappen en nathouden.
Bescherm omgang op dezelfde manier en met dezelfde middelen als
onttrekking aan het ouderlijk gezag. Dat zal voor duizenden kinderen de
relatie met allebei hun ouders beschermen en veel gevallen van
eigenrichting voorkomen, waaronder internationale ontvoering.
Truus
Barendse, secretaris stichting Kinderen-Ouders-Grootouders
27.
GAAN WE TERUG NAAR AF WAT BETREFT EXTERNE ONDERZOEKEN?
Aan de Forensisch Psychiatrische Dienst
Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag
Haarlem, 20 mei 2005
Geachte Dames en Heren,
Wij hebben vernomen dat de FPD, die momenteel onderzoeken verricht i.v.m.
problemen in het veld van jeugdzorg en familierecht, deze onderzoeken kan
laten verrichten door psychologen en pedagogen die daartoe door de FPD
worden aangezocht of die zich bij de FPD hebben gemeld.
Wilt u stichting KOG laten weten dat
-
de FPD de door het Ministerie van Justitie vastgestelde Richtlijnen
voor het (laten) verrichten van extern onderzoek, die deel uitmaken van
het Normenrapport Raad voor de Kinderbescherming, onverkort hanteert
-
de FPD erop toeziet dat de in dienst van of in opdracht van de FPD
werkende psychologen en pedagogen deze Richtlijnen onverkort hanteren?
Wilt u stichting KOG voorts laten weten
-
welke maatregelen de FPD heeft genomen om te bevorderen dat deze
Richtlijnen bij de betrokken psychologen en pedagogen bekend zijn?
-
welke eisen de FPD stelt aan de betrokken psychologen en pedagogen
behalve een doctoraal-diploma in hun vakgebied?
Deze brief en uw reactie zullen wij plaatsen op www.stichtingkog.info
Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan het NIP en de NVO
27a.
REACTIE VAN DE FORENSISCH PSYCHIATRISCHE DIENST

28.
INGEZONDEN BRIEF AAN DE TELEGRAAF d.d. 9 augustus 2005
- De
Telegraaf geeft verkeerd beeld van ouders in jeugdzorg en overdrijft
aantallen (niet geplaatst)
Schrikbarend
In De Telegraaf van 6 augustus staat het artikel
‘Thuissituatie 160.000 gevallen schrikbarend’ dat een verkeerd beeld
geeft van ouders in Nederland en de klanten van de Bureaus jeugdzorg in
het bijzonder:
1) “Het aantal ouders dat aanklopt bij Bureau Jeugdzorg omdat ze de
opvoeding van hun kinderen niet aan kunnen, stijgt dramatisch. In vijf
jaar is het aantal noodkreten om hulp van ontspoorde ouders en kinderen
met dertig procent toegenomen.”
Met de Wet op de jeugdzorg en de Bureaus jeugdzorg in
alle provincies is er nu juist één laagdrempelige toegang tot
opvoedingsadvies en -hulp geschapen. Veel scholen maken reclame voor
opvoed-spreekuren van de GGD, die vooral bedoeld zijn om door te verwijzen
naar Bureau jeugdzorg. Het zijn niet “ontspoorde ouders” die hier
gebruik van maken, er is ook lang niet altijd sprake van “noodkreten om
hulp”. De bedoeling van de Bureaus jeugdzorg is nu juist het niet zo ver
te laten komen.
2) Het wordt almaar erger: “Inmiddels wonen zeker
160.000 kinderen in een huis waar de situatie problematisch tot onhoudbaar
is. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechter dan ook steeds
vaker om een beschermingsmaatregel.”
Volgens het Jaarbericht 2004 van de Raad voor de
Kinderbescherming heeft de Raad in 2004 voor 7.115 minderjarigen een
beschermingsmaatregel verzocht. Het artikel meldt zelf ook dat er in de
eerste 4 maanden van 2005 2400 verzoeken om een beschermingsmaatregel
gedaan zijn. Zou de Raad nu werkelijk tienduizenden kinderen onbeschermd
laten “in een huis waar de situatie problematisch tot onhoudbaar is”?
Truus Barendse, secretaris stichting
Kinderen-Ouders-Grootouders
29.
BRIEF AAN BUREAU JEUGDZORG FRIESLAND D.D. 23 SEPTEMBER 2005
- kan een uit huis geplaatste
minderjarige zomaar zelf de uhp opheffen?
Aan de Directie van Bureau Jeugdzorg Friesland
t.a.v. de directeur a.i., de heer G. van Hofwegen
Postbus 312
8901 BC Leeuwarden
Haarlem, 23 augustus 2005
Geachte Heer,
Vorige week werd stichting KOG door de familie H., op de hoogte gesteld
van de verontrustende gang van zaken m.b.t. hun van huis weggelopen en
daarna uit huis geplaatste dochter ….
De ouders berichten als volgt:
Zonder deugdelijk onderzoek naar mishandeling of verwaarlozing wordt het
kind onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een pleeggezin.
De ouders mogen zich vervolgens nergens meer mee bemoeien.
De zestienjarige dochter loopt weg uit het pleeggezin en trekt in bij een
vriendje van begin 20.
De gezinsvoogdes meldt de moeder telefonisch:
1) de ouders hoeven geen LBIO-bijdrage meer te betalen omdat het kind niet
langer verblijft
in een
door Bjz aangewezen voorziening
2) de ouders zijn nu weer volledig verantwoordelijk voor dit kind, dus ook
financieel
3) de ondertoezichtstelling zal niet worden opgeheven.
Wilt u de familie H. laten weten of Bureau Jeugdzorg Friesland
stappen zal ondernemen om niet alleen de uithuisplaatsing, maar ook de
ondertoezichtstelling op te heffen, zo nee, waarom niet. Wilt u de familie
H. bovendien meedelen wanneer van de beëindiging uithuisplaatsing melding
is gedaan aan de raad voor de kinderbescherming.
Wilt u stichting KOG laten weten of het beleid van Bjz Friesland
i.v.m. van huis weggelopen kinderen overeenkomt met de hierboven
geschetste gang van zaken.
Wij hopen uiteraard dat dit een uitzonderlijk geval
is:
-
zonder deugdelijk onderzoek uithuisplaatsing tegen de wil van de
ouders die Bjz Friesland
laat
voortduren
-
wanneer het kind zich tegenover Bjz Friesland net zo gedraagt als
tegenover de ouders
(om
eigen wil door te zetten weglopen) uit onmacht uhp beëindigen, kind en
ouders
achterlatend
met een verstoorde relatie
-
geen verzoek opheffing ondertoezichtstelling naar de Kinderrechter,
hoewel Bjz Friesland
dus
niets vermag t.o.v. het kind en het enige resultaat van deze ots wellicht
de
subsidiepositie
van Bjz Friesland kan zijn.
Hoogachtend,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan de familie H.
het College van Gedeputeerde Staten van Friesland
de Hoofdinspectie Jeugdzorg
29a.
BRIEF AAN MOEDER VAN BUREAU JEUGDZORG FRIESLAND
-betaalt voor wegloopster
zodat zij ook na opheffing uhp kan doen wat haar ouders
niet goed vinden

29b.
REACTIE VAN DE MOEDER OP 29a


|