|
Verzonden
en ontvangen stukken
Iedereen mag alle teksten uit deze
map overnemen
Verwerkt vanaf 2006
1 advies over opnemen gesprekken met
Raad voor de Kinderbescherming
(n.a.v.
advies Nationale Ombudsman over opnemen politieverhoren)
- brief aan de Minister van
Justitie d.d. 23 januari 2006
1a persbericht over opnemen gesprekken met
Raad voor de Kinderbescherming
1b verslag telefoongesprek met ANP n.a.v.
persbericht
1c brief aan de Landelijk Directeur van de
Raad voor de Kinderbescherming d.d. 23 januari 2006
1d brief aan de Hoofdinspectie Jeugdzorg
d.d. 23 januari 2006
1e brief aan de Commissie voor Justitie
d.d. 23 januari 2006
1f brief aan de Landelijk Directeur RvdK
d.d. 30 januari 2006
- wilt u in de raadsfolders vermelden dat gesprekken
worden opgenomen?
1ff reactie van de Raad op de brieven d.d.
30 januari ( nr. 1f ) en 8 februari ( nr. 3 )
1fff vragen n.a.v. reactie van de
Raad ( nr. 1 ff )
1g brief aan de Raad Amsterdam d.d. 15
februari 2006
- wat gaat u eraan doen om te zorgen dat uw
medewerkers weten dat er mag worden opgenomen?
1 gg reactie van de Raad op de brief d.d.
15 februari 2006
1h artikel van Marty van Kerkhof in 0/25 (
vaktijdschrift over jeugdwelzijn, jeugdzorg
en jeugdbeleid )
- de politie
Utrecht ziet voordelen van opnemen,
professor Slot niet, en hij doet
opmerkelijke uitspraak over kinderrechters
2 brief aan AKJ
- ter herinnering aan de in oktober 2005 gemaakte afspraak
(dit sluit aan op stukken nummer 14 in
2004 en nummer 4 in 2005 in deze map)
2a brief aan AKJ
- is het beleid van het AKJ te pogen een klacht
te ontkrachten?
(Beide brieven zijn op
15 maart nog niet beantwoord.)
3 brief aan De Raad voor de
Kinderbescherming d.d. 8 februari 2006
- mooi zo, eindelijk komen er dan criteria voor
beschermingsmaatregelen
4 brief aan provincie Zuid-Holland d.d. 16
februari 2006
- opmerkingen en aanbevelingen voor de melddriedaagse
jeugdzorg
1. BRIEF AAN DE MINISTER VAN JUSTITIE d.d. 23 januari
2006
Aan Zijne Excellentie mr P.H. Donner, Minister van Justitie
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Haarlem, 23 januari 2006
Excellentie,
De Nationale Ombudsman heeft u op 19 januari geadviseerd het maken van
video- en/of geluidsopnamen van politieverhoren verplicht te stellen, niet
alleen in verband met zware delicten maar standaard bij alle verhoren. In
voorkomende gevallen kan de rechter dan niet alleen nagaan wat exact is
verklaard, maar ook op welke wijze het verhoor is verlopen.
Namens ouderorganisaties Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders en
Vereniging Voor Nader Onderzoek Rechtspleging verzoek ik u ook de
gesprekken met medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming verplicht
te doen vastleggen. De gesprekken met de Raad voor de Kinderbescherming
worden geen verhoren genoemd, maar zij fungeren als verhoren.
Wij merken dat ouders dikwijls menen dat hun in de raadsrapporten
uitspraken in de mond gelegd worden die zij niet gedaan hebben of in een
andere kontekst, en dat zij door raadsonderzoekers onder druk zijn gezet,
terwijl de onderzoekers dat ontkennen.
Kinderen worden van hun ouders gescheiden op basis van oncontroleerbare
raadsrapporten.
De opnamen behoeven niet te worden uitgewerkt, maar wanneer de rechter of
een van de partijen er behoefte aan heeft kunnen de opnamen worden
geraadpleegd. Met de moderne technieken brengt het vastleggen van de
gesprekken met raadsmedewerkers dus nauwelijks extra kosten met zich mee.
Hoewel ons verzoek aan u voortkomt uit kritiek op de Raad voor de
Kinderbescherming, behoeft men niet kritisch ten opzichte van de Raad te
staan om voorstander te zijn van vastleggen van de verhoren door de
raadsmedewerkers. Raadsmedewerkers zijn mensen, en mensen kunnen fouten
maken. Menselijk is ook de mogelijkheid van vooringenomenheid of van
tunnelvisie. In voorkomende gevallen kan de Rechter door middel van de
opnamen helder krijgen wat er precies is verklaard en op welke wijze de
verklaringen tot stand zijn gekomen.
Het is uiterst belangrijk dat in strafprocedures is vastgelegd of een
verdachte onder druk is gezet en of zijn verklaring geheel correct is
weergegeven, zodat de strafrechter zich ervan kan overtuigen of hij juist
is geïnformeerd, teneinde een verdachte niet ten onrechte te veroordelen
of vrij te spreken.
Evenzo belangrijk is het dat in procedures in verband met een
kinderbeschermingsmaatregel is vastgelegd of een ouder onder druk is gezet
en of zijn verklaring geheel correct is weergegeven, zodat de
kinderrechter zich ervan kan overtuigen of hij juist is geïnformeerd, ten
einde te voorkomen dat ouders en kinderen
ten onrechte van elkaar worden gescheiden of kinderen ten onrechte
onder de hoede blijven van een ouder die de verantwoordelijkheid voor de
opvoeding niet kan dragen.
Vastleggen van de verhoren door de Raad voor de Kinderbescherming, waarmee
de werkwijze van de Raad controleerbaar en transparant wordt gemaakt, zal
de rechtszekerheid voor ouders en kinderen vergroten en het vertrouwen van
de burger in de overheid versterken.
Met gevoelens van hoogachting, namens KOG en VVNOR,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris KOG)
In kopie aan de Landelijk Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming
de Hoofdinspectie Jeugdzorg
de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
de Nationale Ombudsman
1a. PERSBERICHT
PERSBERICHT
Stichting
Kinderen-Ouders-Grootouders en Vereniging Voor Nader Onderzoek
Rechtspleging vragen de Minister van Justitie verplichte opname van
gesprekken met de Raad voor de Kinderbescherming.
Op 19 januari heeft de Nationale Ombudsman de Minister van Justitie
geadviseerd opnames van politieverhoren verplicht te stellen. "Zo kan
achteraf worden geverifieerd hoe het verhoor is verlopen en wat er exact
is verklaard," aldus het persbericht.
Ouderorganisaties KOG en VVNOR hebben 23 januari de Minister van Justitie
verzocht beeld- en/of geluidsopnames van gesprekken met de Raad voor de
Kinderbescherming eveneens verplicht te stellen. De opnames behoeven niet
te worden uitgewerkt, maar kunnen worden beluisterd of bekeken als de
rechter of een van de partijen daar behoefte aan heeft. Met de moderne
technieken is dus nauwelijks sprake van extra kosten.
Gesprekken met de Raad voor de Kinderbescherming worden geen verhoor
genoemd, maar fungeren wel als verhoren. Het op deze wijze controleerbaar
en transparant maken van de werkwijze van de Raad voor de
Kinderbescherming zal de rechtszekerheid voor ouders en kinderen vergroten
en het vertrouwen van de burger in de overheid versterken. Tot op heden
worden kinderen van hun ouders gescheiden op basis van niet controleerbare
raadsonderzoeken.
In de praktijk blijkt
vaak dat ouders in rapporten van de kinderbescherming uitspraken lezen
welke zij menen niet te hebben gedaan of die volgens hen in een andere
kontekst zijn gezegd. Ook kan d.m.v. opnamen worden gezien hoe een
raadsmedewerker de ouder tijdens het onderzoek heeft bejegend. Vaak
zeggen ouders dat zij door de raadsonderzoekers onder druk zijn gezet,
terwijl deze onderzoekers dit ontkennen. Om de werkwijze van de
medewerkers transparant te maken voor de directie zijn deze opnamen
noodzakelijk. Ook de Kinderrechter of de Rechtbank zou in voorkomende
gevallen gebruik kunnen maken van deze opnamen, zodat zij helder
krijgen wat er tijdens het onderzoek heeft plaatsgevonden.
Bijlage: brief aan de Minister van Justitie d.d. 23 januari 2006
Nadere informatie: Truus Barendse (KOG) tel. 023 – 5 32 12 23, van 10.00
tot 15.00 uur
Hans Groenewegen (VVNOR) tel. 06 53 348 897
1b. VERSLAG TELEFOONGESPREK MET ANP n.a.v.
PERSBERICHT
Het ANP wil weten of KOG de Raad voor de
Kinderbescherming wantrouwt. De secretaris zegt dat KOG meent dat daar
soms wel reden toe is, maar dat het er eigenlijk niet toe doet. De
Nationale Ombudsman heeft ook niet geadviseerd politieverhoren standaard
te laten opnemen omdat er reden zou zijn te denken dat de politie altijd
last heeft van tunnelvisie en dergelijke. Men hoeft de Raad voor de
Kinderbescherming niet te wantrouwen om te menen dat de gesprekken van
ouders met medewerkers van de Raad altijd opgenomen behoren te worden.
Raadsmedewerkers zijn mensen, en mensen kunnen fouten maken. Alle werk
moet altijd te controleren zijn, dus zeker werk dat enorme gevolgen kan
hebben voor gezinnen. Het gesprek dat een ouder voert met een
raadsmedewerker is een 1-op-1-gesprek, er is niet, zoals het ANP bleek te
denken, een griffier bij aanwezig. Bij onenigheid wordt het dus eventueel
een nietes-welles-klachtprocedure. Als standaard vastligt wat er werkelijk
aan beide zijden is gezegd, dus in welk verband ouders een uitspraak wel
of niet hebben gedaan, kan de raadsmedewerker bij het maken van het
rapport, kan een ouder, en kan de rechter, de opname altijd beluisteren. De
opnames hoeven niet uitgewerkt te worden, dus de hele operatie hoeft ook
bijna geen geld te kosten. ANP meldt dat de woordvoerder van de Raad
voor de Kinderbescherming al heeft gezegd dat het verzoek overbodig
is, omdat ouders immers nu ook al kunnen vragen het gesprek op te mogen
nemen. De secretaris zegt dat dat wel zo kan zijn, maar dat ouders daar in
het algemeen voor terugdeinzen omdat zij zich dan agressief voelen, het
gevoel hebben dat zij een blijk van wantrouwen geven. Opnemen van
gesprekken moet eenvoudig standaard worden.
Nogmaals: niet omdat de Raad een zo onbetrouwbaar instituut zou zijn, maar
omdat eenvoudigweg alle werk altijd gecontroleerd moet kunnen worden.
(Noot website-redactie: einde
nietes-welles-klachtprocedures, misverstanden bij overdracht binnen de
RvdK veel minder waarschijnlijk dan met alleen aantekeningen, de RvdK kan
zich meer bezighouden met het echte werk van de Raad.)
1c. BRIEF AAN DE LANDELIJK DIRECTEUR
RvdK d.d. 23 januari 2006
Aan de heer R. Nijhof,
Landelijk Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming,
Postbus 19202
3501 DE Utrecht
Geachte heer Nijhof,
Hierbij zend ik u kopie van de brief van ouderorganisaties KOG en VVNOR
van heden aan de Minister van Justitie, aan de Commissie voor Justitie van
de Tweede Kamer, en aan de Hoofdinspecteur Jeugdzorg.
Wilt u ons laten weten dat u het verzoek aan de Minister steunt?
Controleerbaarheid en transparantie van het werk van medewerkers van de
Raad voor de Kinderbescherming is immers in het belang van ouders,
kinderen en raadsonderzoekers. Bovendien kunnen opnamen van gesprekken
waardevol materiaal leveren voor de interne opleiding.
Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer
de Hoofdinspecteur Jeugdzorg
1d. BRIEF AAN DE HOOFDINSPECTIE
JEUGDZORG d.d. 23 januari 2006
Aan de Hoofdinspecteur van de Inspectie Jeugdzorg,
mevrouw drs J.F. de Vries
Postbus 483
3500 AL Utrecht
Haarlem, 23 januari 2006
Geachte Mevrouw,
Hierbij zend ik u kopie van de brief van ouderorganisaties KOG en VVNOR
van heden aan de Minister van Justitie, aan de Commissie voor Justitie van
de Tweede Kamer en aan de Landelijk Directeur van de Raad voor de
Kinderbescherming.
De ouderorganisaties verzoeken de Minister van Justitie, aansluitend aan
het advies van de Nationale Ombudsman aan de Minister van Justitie om
politieverhoren standaard te doen vastleggen, ook gesprekken met
onderzoekers van de Raad voor de Kinderbescherming standaard te doen
vastleggen. Controleerbaarheid en transparantie van het werk van de Raad
voor de Kinderbescherming kan niet anders zijn dan in het belang van
ouders, kinderen en raadsmedewerkers.
Wilt u ons laten weten dat u het verzoek ondersteunt?
Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan de Landelijk Directeur van de Raad voor
de Kinderbescherming
de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer
1e. BRIEF AAN DE COMMISSIE VOOR
JUSTITIE d.d. 23 januari 2006
Aan de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Haarlem, 23 januari 2006
Geachte Commissie,
Hierbij zend ik u kopie van de brief van heden van KOG en VVNOR aan de
Minister van Justitie, aan de Landelijk Directeur van de Raad voor de
Kinderbescherming en aan de Hoofdinspecteur Jeugdzorg.
Aansluitend aan het advies van de Nationale Ombudsman aan de Minister van
Justitie politieverhoren standaard te doen vastleggen op video en/of
geluidsband, verzoeken beide ouderorganisaties de Minister ook gesprekken
met medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming standaard te doen
vastleggen.
Wij hopen dat u deze gedachte zult steunen om te komen tot
controleerbaarheid en transparantie van het werk van de Raad voor de
Kinderbescherming.
Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan de Landelijk Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming
de Hoofdinspecteur Jeugdzorg
1f. BRIEF AAN DE RAAD VOOR DE
KINDERBESCHERMING d.d. 30 januari 2006
Aan de Raad voor de Kinderbescherming
t.a.v. de heer R. Nijhof, Landelijk Directeur
en
de heer drs G.J. van Egmond, Directeur Beleid
Postbus 19202
3501 DE Utrecht
Haarlem, 30 januari 2006
Geachte heer Nijhof, geachte heer Van Egmond,
Naar aanleiding van het persbericht van KOG en de VVNOR van 23 januari heb
ik diezelfde dag een telefoongesprek gehad met het ANP. Daarin is mij
meegedeeld dat het Landelijk Bureau het ANP heeft gezegd dat een verzoek
van ouders om een gesprek met een raadsonderzoeker op te laten nemen wordt
ingewilligd. Op 24 januari heeft in enkele kranten gestaan in het artikel
‘Ouders: gesprekken opnemen’: “Volgens de woordvoerder mogen ouders
nu ook al verzoeken een opname te laten maken en wordt dit ook
ingewilligd.”
Wij verzoeken u dan ook in de informatiefolder van de Raad voor de
Kinderbescherming expliciet te vermelden dat de raadsonderzoeker het
gesprek op verzoek opneemt.
Uiteraard hopen wij dat “op verzoek” weg kan blijven!
Daarnaast verdient het volgens ons aanbeveling er in de folder op te
wijzen dat het ouders en kinderen uiteraard vrijstaat daarnaast een eigen
opname te maken, zodat men thuis in alle rust nog eens kan horen hoe het
gesprek is verlopen.
Wilt u ons laten weten welke actie u onderneemt en of de folder wordt
aangepast?
Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
1 ff. REACTIE VAN DE RAAD OP BRIEVEN
d.d. 30 januari ( nr. 1 ) en 8 februari ( nr. 3 )


1 fff. VRAGEN n.a.v. REACTIE VAN DE RAAD
( nr. 1 ff )
Aan de Landelijke Directie van de Raad voor de Kinderbescherming
t.a.v. de weledelgeleerde heer drs G.J. van Egmond
Postbus 19202
3501 DE Utrecht
Haarlem, 28 februari 2006
Geachte heer,
Ik dank u voor uw brief d.d. 22 februari 2006 (LD2006/24/gd).
Het verheugt KOG dat de Raad overweegt om in een nieuwe algemene folder
een passage op te nemen over de mogelijkheid een opname te maken van het
gesprek met de Raad.
Wij blijven zitten met de volgende vragen:
1) wat bedoelt u met “in principe”: opnemen en dat dit verzoek in
principe wordt ingewilligd.
2) wat bedoelt u met “voor eigen gebruik”: wel opgemerkt worden, dat
deze geluidsopname bestemd is voor eigen gebruik en niet voor
andere doeleinden.
3) wat bedoelt u met “in uitzonderingsgevallen”: in
uitzonderingsgevallen neemt de Raad zelf een gesprek op voor intern
gebruik.
Wij zullen het zeer op prijs stellen als u onze vragen verheldert;
bovendien verzoeken wij in kennis gesteld te worden van de uitkomst van de
overweging m.b.t. de nieuwe folder.
Met vriendelijke groet,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
1g. BRIEF AAN DE RAAD AMSTERDAM d.d. 15
februari 2006
- wat gaat u eraan doen om te zorgen
dat uw medewerkers weten dat er mag worden opgenomen?
Aan de Raad voor de Kinderbescherming
t.a.v. de Regiodirecteur Amsterdam
Postbus 83086
1080 AB Amsterdam
Haarlem, 15 februari 2006
Geachte Heer / Mevrouw,
In verscheidene kranten heeft op 24 januari 2006 een ANP-bericht gestaan,
waarin de woordvoerder van het Hoofdbureau van de Raad voor de
Kinderbescherming meldde dat gesprekken met raadsmedewerkers mogen worden
opgenomen.
Op 14 februari heeft een vader, die sprak met twee
van uw medewerkers en de wens te kennen gaf het gesprek op te nemen, de
keus gekregen: spreken zonder opname of vertrekken.
Dit lijkt in strijd met het beleid van de Raad.
Wilt u stichting KOG laten weten wat u onderneemt om
dit beleid beter bekend te maken bij uw medewerkers?
Met vriendelijke groet,
In kopie aan - de Landelijk Directeur en de Directeur Beleid van de Raad
voor de Kinderbescherming
- Stichting VVNOR
1 gg. REACTIE VAN DE RAAD OP BRIEF d.d.
15 februari 2006

1 h. ARTIKEL VAN MARTY VAN KERKHOF IN 0/25
( vaktijdschrift over
jeugdwelzijn, jeugdzorg en jeugdbeleid )

2. BRIEF AAN AKJ
- ter herinnering aan de in oktober 2005 gemaakte
afspraak ( zie 4k 2005 )
Aan de heer J. Zandijk, interim-directeur van het AKJ
Nijenburg 150
1081 GG Amsterdam
Haarlem, 3 februari 2006
Geachte heer Zandijk,
Op
12 oktober 2005 hebben u en de heer R. Buijs gesproken met Alice Jansen en
mij.
U hebt meegedeeld dat nog in 2005 er een bijeenkomst zou plaatsvinden van
alle vertrouwenspersonen in het land, waar u het punt vertrouwelijkheid
van contacten tussen cliënten en vertrouwenspersonen aan de orde zou
stellen.
Graag horen wij, of deze bijeenkomst inderdaad al heeft plaatsgevonden en
wat de uitkomst van de discussie is.
Met vriendelijke groet,
2a. BRIEF AAN AKJ
- is het beleid van het AKJ om te pogen
een klacht te "ontkrachten"?
Aan de heer J. Zandijk, interim-directeur van het AKJ
Nijenburg 150
1081 GG Amsterdam
Haarlem, 3 februari 2006
Geachte heer Zandijk,
In januari 2006 is verschenen het boek ‘Gemist
Vaderschap’ van Joep Zander en Emiel Smulders (ISBN 9080863122).
Op pag. 20 trof mij in een kadertje ‘De ontkrachting van de klacht’
het volgende:
’Klachten zijn geen klachten, maar adviezen voor beleid of verzoeken om
hulp’, is de visie van het Advies- en Klachtenbureau Jeugdbescherming.
Als je klachten hebt, dan wordt er bemiddeld.
De klacht wordt liefst niet ingediend, hij wordt ontklacht.
Naar aanleiding van deze passage rijzen er twee vragen:
Is het beleid van het AKJ aan te dringen op bemiddeling?
Is “Klachten zijn geen klachten, maar adviezen voor beleid of verzoeken
om hulp” de visie van het AKJ?
Deze brief en uw antwoorden op de vragen plaatsen wij op www.stichtingkog.info
.
Met vriendelijke groet,
(Truus Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan de heer J. Zander
3. BRIEF AAN RAAD VOOR DE
KINDERBESCHERMING d.d. 8 februari 2006
- mooi zo, eindelijk komen er dan criteria
voor beschermingsmaatregelen
Aan de Raad voor de Kinderbescherming
t.a.v. de heer R. Nijhof, Landelijk Directeur
en
de heer drs G.J. van Egmond, Directeur Beleid
Postbus 19202
3501 DE Utrecht
Haarlem, 8 februari 2006
Geachte heer Nijhof, geachte heer Van Egmond,
Tot ons grote genoegen hebben wij gelezen dat de Raad voor de
Kinderbescherming samen met de ketenpartners criteria gaat vaststellen
voor het vragen, verlengen en opheffen van beschermingsmaatregelen.
Wij zouden het bijzonder op prijs stellen wanneer u KOG op de hoogte zou
houden van de voortgang.
Met vriendelijke groet,
In kopie aan de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
de Hoofdinspectie Jeugdzorg
4. BRIEF AAN PROVINCIE ZUID-HOLLAND d.d.
16 februari 2006
- opmerkingen en aanbevelingen voor de
melddriedaagse jeugdzorg
Aan
het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland
Postbus 90602
2509 LP Den Haag
Haarlem, 16 februari 2006
Geacht College,
Op 2 september 2005 heeft stichting KOG u gevraagd welke weg u van plan
was te bewandelen om u op de hoogte te stellen van de problemen in de
Jeugdzorg. Wij waarderen het zeer dat u nu een melddriedaagse houdt.
Waarschijnlijk zullen veel meldingen gevalsbeschrijvingen zijn waaruit u
de achterliggende, fouten veroorzakende, mechanismen zult kunnen
herleiden.
Sommige van deze mechanismen onttrekken zich aan uw invloed. Er zijn er
echter ook waar juist de provincie de belangrijkste taak heeft. Niet in de
laatste plaats denken wij dan aan financiering van een Bureau jeugdzorg
dat soms een uitspraak van de kinderrechter negeert. Als jeugdzorg zich
boven de kinderrechter stelt in plaats van gebruik te maken van de
mogelijkheid van het hoger beroep, leven gezinnen niet langer in een
rechtsstaat.
Ik zend u de opmerkingen en aanbevelingen van stichting KOG. Op uw verzoek
zal ik u kopieën zenden van de in de opmerkingen geciteerde passages. Wij
zijn uiteraard ook bereid toe te lichten of aan te vullen. Wij horen graag
van u hoe u tegenover de aanbevelingen staat.
In afwachting van uw reactie,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)
In kopie aan de Hoofdinspectie Jeugdzorg
de Commissie voor VWS van de Tweede Kamer
de Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer
“Melddriedaagse Jeugdzorg” van de Provincie Zuid-Holland
Opmerkingen en aanbevelingen
Opmerkingen:
A.
Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en –handhaving kent
jeugdzorg niet
B. Verantwoordelijkheden voor de inhoud van de
jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen geen invulling
C. Kwaliteit van de jeugdzorg behoeft dringend verbetering
Aanbevelingen
Ad A. Waarborgen voor kwaliteitstoetsing en -handhaving kent
jeugdzorg niet
Waar
in de gezondheidszorg de opleidingen inhoudelijk minutieus beschreven zijn
en kwaliteit van geleverd werk dus in principe goed te beoordelen is, is
er in de jeugdzorg nauwelijks sprake van opleidingen. Op de Bureaus
jeugdzorg werken enkele gezondheids-zorgpsychologen, maar de overige
medewerkers hebben hooguit een opleiding aan een sociale academie gevolgd,
het merendeel van hen heeft niet meer dan een opleiding op mbo-niveau. (In
ziekenhuizen werken veel verpleegkundigen op mbo-niveau, maar de
mbo-opleiding tot verpleegkundige is gedetailleerd vastgelegd, omvat
concrete en toetsbare vaardigheden.)
“Alhoewel
Vedivo (de inmiddels opgeheven stichting Vereniging Directeuren
Gezins-voogdijinstellingen, KOG) al jaren geleden heeft vastgesteld dat
het beschermen van kinderen een vak apart is, is tot nu toe geen sprake
geweest van een gerichte opleiding tot dat vak en nog minder van een goede
doordenking van de methodische grondslagen van het jeugdbeschermingsvak.”
(aldus in 2002 E. Oudejans, directeur van stichting Jeugd en Gezin
Noord-Holland, thans Bureau Jeugdzorg Noord-Holland) Bijlage A1 pag.
66
In
het concept Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008 is te lezen in bijlage 2,
Een kwaliteits-impuls voor de jeugdzorg, paragraaf 3, Kwaliteit en
innovatie:
“Een goede indicatiestelling is van cruciaal belang in het nieuwe
stelsel; … Inhoudelijke
criteria moeten nog worden ontwikkeld. … Hierbij zal ook aandacht zijn
voor … een opleiding tot indicatiesteller.” Bijlage A2 laatste vel
Stichting
KOG heeft op 25 juni 2004 gereageerd op dit concept. Bijlage A2a
Wel bestaat het Besluit kwaliteitsregels
jeugdhulpverlening en het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en
gezinsvoogdij, beide AmvB’s bij de Wet op de Jeugdhulpverlening; deze
betreffen procedurele zaken en bij gebrek aan opleidingen niet nader te
concretiseren algemeenheden. (Besluit Kwaliteitsregels art. 3 “Het
bestand van personeel … is zowel kwalitatief als kwantitatief afgestemd
op de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en
werkzaamheden en op de doelgroep.” In de gezondheidszorg heeft een
dergelijke formulering inhoud omdat de functies en opleidingen nauwkeurig
beschreven zijn.)
‘Harmonisatie Kwaliteitsbevordering in de
Zorgsector, werkgroep Jeugdzorg’ gaat nu misschien de Nederlandse Patiënten
Cliënten Federatie verzoeken de algemene kwaliteitscriteria geschikt te
maken voor jeugdzorg. Bijlage A3
Uiteraard zijn er wel aan het bestuursrecht ontleende
behoorlijkheidscriteria toe te passen en inzichten uit de gezondheidszorg
wanneer er sprake is van analoge toepassing binnen de jeugdzorg. Dat
betreft echter geen inhoudelijke criteria.
Het is zelfs voorgekomen dat een jeugdzorginstelling
meende dat kritiek op de inhoudelijke kwaliteit van de geleverde jeugdzorg
onterecht was gelet op de kwaliteit van haar mede-werkers (mismanagement,
zie hierboven art. 3 Besluit Kwaliteitsregels, zou dus gebrek aan
kwaliteit rechtvaardigen).
(Doctoraalscriptie 2004 van ambtelijk secretaris provinciale
klachtencommissie) Bijlage A4
Wel legt artikel 10 van de Wet op de jeugdzorg de
verplichting op aan Bureau Jeugdzorg in het openbare jaarverslag aan te
geven op welke wijze cliënten bij het kwaliteitsbeleid zijn betrokken en
hoe en hoe vaak binnen de stichting in het verslagjaar
kwaliteitsbeoordeling heeft plaatsgevonden en met welk resultaat. Artikel
23 legt dezelfde verplichtingen op aan de zorgaanbieders.
Vergeleken met de gezondheidszorg kent de jeugdzorg
weinig voorzieningen voor kwaliteits-controle die buiten de instelling
zelf zijn gelegen. De inspectie heeft beperkte mogelijkheden.
“Gewenste effecten van toezicht heeft de inspectie
echter slechts ten dele zelf in de hand: immers de instrumenten van de
inspectie gaan in de vigerende regelgeving, na rapportage en advisering,
niet verder dan signalering, aansporing, overreding en openbaarheid.
‘Hardere’ instrumenten en sancties staan haar
niet ter beschikking, maar zijn voorbehouden aan de subsidiërende
overheden.”
(Voorwoord Jaarverslag 2001 Inspectie Jeugdhulpverlening en
Jeugdbescherming) Bijlage A5
In de gezondheidszorg kent men behalve de inspectie
het medisch tuchtrecht, dat als voornaamste doel heeft
kwaliteitshandhaving van de beroepsgroepen. De medische tuchtcolleges zijn
de laatste fase in een getrapt klachtrecht. Vertrouwensartsen die werken
voor de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling, onderdeel van Bureaus
jeugdzorg, vallen onder het medisch tuchtrecht.
In de Bureaus jeugdzorg kunnen psychologen of
pedagogen werken die als gezondheidszorg-psycholoog ingeschreven zijn in
het BIG-register en daardoor onder het medisch tuchtrecht vallen. Ook kan
verenigingstuchtrecht incidenteel van toepassing zijn.
Als zij niet ingeschreven staan, vallen zij niet onder enig tuchtrecht.
Niet onmogelijk is dat de Bureaus Jeugdzorg bij AmvB
gehouden zullen worden een of meer beroepsbeoefenaren in de zin van de BIG
in dienst te hebben. Wat betreft Bureau Jeugdzorg en de uitvoerders die
niet onder de AWBZ vallen zal het kwaliteitseffect op instellingsniveau
hooguit van geringe betekenis zijn.
Alle overige medewerkers (dus bijna alle) vallen niet onder enig
tuchtrecht.
In 1997 is een regeling voor klachten in werking
getreden voor de totale jeugdhulpverlenings- en jeugdbeschermingssector,
met enkele uitzonderingen.
In de Wet op de jeugdzorg (die per 1 januari 2005 de
Wet op de Jeugdhulpverlening opvolgde, dus deze grotendeels vervangt)
wordt een fundamenteel andere weg ingeslagen met het klachtrecht, ten
gevolge waarvan o.a. de provinciale en grootstedelijke klachteninstantie
vervalt.
Klachtrecht is echter, vergeleken met tuchtrecht,
altijd een minder effectief middel om kwaliteit van beroepsuitoefening te
handhaven of te verhogen. Een kenmerk van klachtprocedures is immers dat
zij niet tot rechtens bindende uitspraken leiden.
Zowel wat betreft Bureau jeugdzorg als de
zorgaanbieders wordt in de MvT bij de Wjz aansluiting gezocht bij de
Kwaliteitswet zorginstellingen voor het regelen van de kwaliteit van
Bureau Jeugdzorg. Dit houdt in dat de Bureaus Jeugdzorg in principe zelf
verantwoordelijk zijn voor het organiseren en handhaven van kwaliteit en
daarbij aan dezelfde eisen moeten voldoen als zorgaanbieders die onder de
Wkz vallen. De wet biedt wel de mogelijkheid om regels te stellen m.b.t.
disciplines en opleidingseisen van het personeel. Achtergrond hiervan is
dat het om een organisatie in ontwikkeling gaat en het Rijk dit
kwaliteitsaspect wil kunnen beïnvloeden. Ook kunnen bij AMvB nadere eisen
worden gesteld aan verantwoorde uitoefening van de taken en
kwaliteitsbewaking. Wat betreft handhaving staan het provinciale (en
grootstedelijke) bestuur dezelfde mogelijkheden ter beschikking als aan de
minister op grond van de Wkz (een schriftelijke aanwijzing geven en een
termijn om daaraan te voldoen). Ook krijgen de provincies de
bevoegdheid bestuursleden of leden van de raad van toezicht te ontslaan en
om tijdelijk te voorzien in de leiding van het Bureau. Met deze
bevoegdheden is de bevoegdheid tot het uitoefenen van bestuursdwang tevens
gegeven.
“In de Wet op de
jeugdhulpverlening is geprobeerd om het systeem van indicatiestelling en
de toewijzing van de meest aangewezen zorg te regelen. Met name de
paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk III waren daarvoor bedoeld. De artikelen
17 tot en met 22 bevatten bepalingen met betrekking tot de jeugdhulpadviesteams
en een gezamenlijk opname-, hulpverlenings- en hulpverlenersbeleid.
Dit zijn in feite ‘dode letters’ gebleven. Ook artikel 35 van de wet,
het kwaliteitsartikel, met het daarop gebaseerde uitvoerige Besluit
kwaliteitsregels jeugdhulpverlening is in veel opzichten nooit nageleefd.
Zo heeft in de jaren 1998/1999 de inspectie voor de jeugdhulpverlening en
jeugdbescherming erop gewezen dat veel jeugdigen zonder deugdelijke
diagnose en indicatie en zonder hulpverleningsplan in residentiële
voorzieningen voor jeugdhulpverlening zijn opgenomen. Volgens de
kwaliteitsregels vastgelegd in de wet en de besluiten zou dat niet
kunnen.”
(Elling en Wormgoor; Jeugdzorg en Jeugdbeleid; 2000) Bijlage A6
In het concept Landelijk beleidskader
2005 t/m 2008 schrijft de Rijksoverheid dan ook in hoofdstuk 3,
Verbetering kwaliteit en effectiviteit zorgaanbod: “In 2005 beschikt 30%
van de zorgaanbieders over een kwaliteitssysteem, oplopend tot 100% in
2007. Daarnaast moeten alle cliënten uit de jeugdzorg per 1 januari 2005
een hulpverleningsplan hebben dat voldoet aan de eisen van de wet.”
Het ontgaat KOG waarom zelfs voor een
hulpverleningsplan dat voldoet aan de eisen van de wet steeds weer (sinds
1989) respijt wordt verleend.
In het Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008 staat voorts “De
provincies geven in het provinciale beleidskader aan hoe in hun provincie
een verantwoorde indicatiestelling wordt gewaarborgd.”
Het lijkt er dus op dat de rijksoverheid de
provincies uitnodigt om ieder voor zich het wiel uit te vinden. Nogmaals
bijlage A2 en bijlage A2a
Wanneer de inspectie na onderzoek tekortkomingen
constateert en aanbevelingen doet, volgt zelden hertoetsing om te bezien
of de aanbevelingen zijn uitgevoerd.
(Brieven van de Ministeries van Justitie en VWS en de Inspectie) Bijlage
A7, A8, A9, A10
De provincies presenteren door de inspectie gedane
aanbevelingen niet altijd als verplichtend. (Flevoland).
Bijlage A11 en A11a
Openbaarheid, de goedkoopste vorm van kwaliteitscontrole, wordt
door de rijksoverheid in het Landelijk beleidskader 2005 t/m 2008 voor
zittingen in het kader van klachtprocedures niet verplicht gesteld of
aangemoedigd. Nogmaals bijlage A2a
De zittingen van de medische tuchtcolleges zijn
openbaar en worden in de rechtbanken waar zij zullen plaatsvinden van te
voren bekendgemaakt.
De Wet op de Jeugdhulpverlening en de Wet op de Jeugdzorg vergelijkend
ziet men dat er geen groot verschil is te verwachten in de wijze waarop de
inspectie het toezicht zal kunnen houden op de jeugdzorginstellingen. De
naam is per 1 januari 2004 veranderd in Inspectie Jeugdzorg. Deze
ressorteert onder het ministerie van VWS en verricht haar taken ten
aanzien van de Bureaus Jeugdzorg, de aanbieders van jeugdzorg waarop de
wet aanspraak geeft, de justitiële jeugdinrichtingen en de Raad voor de
Kinderbescherming en de rechtspersoon waarbij minderjarige asielzoekers
onder voogdij staan. De bevoegdheden van de ambtenaren van de inspectie
zijn in beide wetten gelijk wat betreft het toezicht op de Bureaus
Jeugdzorg en de zorgaanbieders; analoge toepassing van de artikelen 5:23
(ambtenaar van inspectie moet zich kunnen legitimeren), 5:13
(evenredigheidsbeginsel), 5:15 (bevoegdheid tot binnentreden) en 5:20
(verplichte medewerking van instelling behoudens verschoningsrecht) geeft
deze bevoegdheden. Voor de andere gebieden die onder deze inspectie vallen
worden geen expliciete bevoegdheden genoemd. De inspectie verricht
onderzoeken uit eigen beweging of in opdracht van de respectievelijke
verantwoordelijke overheden t.a.v. het gedeelte waarover deze wettelijke
verantwoordelijkheid dragen. De aanwijzingen van de betrokken
bewindslieden dienen in aanmerking te worden genomen.
In het Meerjarenplan Jaarwerkprogramma 2004 schrijft
de Inspectie jeugdzorg:
“Via dit werkmodel heeft de inspectie … prioriteiten gesteld. Dit is
noodzakelijk omdat de inspectie, gezien haar omvang, niet aan alle
toezichtswensen kan voldoen. Zij kiest dan met name voor die gebieden waar
zij verwacht dat de jeugdigen zelf de meeste risico’s lopen.”
(Voorwoord) en
“stelt de inspectie zich ten doel om zicht te hebben en te houden op
ontwikkelingen in het totale werkveld.” (Nadere toelichting en
motivering van keuzes) en
“In de komende jaren wil de inspectie met de uitkomsten van toezicht
meer effect sorteren op beleid en uitvoering om te komen tot effectieve,
resultaatgerichte en cliëntgerichte zorg: een inspectie met impact. …
Bovendien wil de inspectie meer hertoetsen uitvoeren dan tot nu toe
mogelijk is gebleken.
Om dat binnen de beschikbare capaciteit te kunnen doen, wordt een hertoets
uitgevoerd op de effecten van aanbevelingen ofwel gemaakte afspraken voor
verbetering van de kwaliteit. Hertoetsen worden deels opgenomen in het
jaarwerkprogramma en zitten deels in de jaarlijks te reserveren capaciteit
voor reactief toezicht naar aanleiding van meldingen en calamiteiten.”
(Ontwikkelingen in het toezicht) Bijlage A12
Ad B. Verantwoordelijkheden voor de inhoud van
de jeugdzorg, voor kwaliteit, zijn onduidelijk of krijgen geen invulling.
De
Minister
van Justitie,
eindverantwoordelijke voor kinderbeschermingsmaatregelen, kan niet
aangesproken worden op de uitvoering van de maatregelen. Wederom
bijlage A9 en B1
Provinciale
en grootstedelijke overheden
verwijzen voor beschermingsmaatregelen, uitgevoerd door landelijk werkende
voorzieningen, naar de
Minister van Justitie. Bijlage B2
Maar:
zie alinea 1
De
Inspectie heeft
geen sanctiemiddelen en verwijst bij niet-nakomen door instellingen van
aanbevelingen (soms aan de Minister van Justitie) van de inspectie naar de
Minister.
Maar:
zie alinea 1.
De
Kinderrechter:
“Het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit van de hulpverlening ligt
bij de Raad voor de Kinderbescherming en bij de Inspectie
Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming en niet bij de kinderrechter.”
(Kinderrechter Zwolle) Bijlage B3
De
Raad voor de Kinderbescherming (onderdeel
van het Ministerie van Justitie) neemt zijn verantwoordelijkheid niet of
weet niet deze te dragen, of wordt in de onmogelijkheid gebracht deze te
dragen.
Een probleem is dat er geen sancties zijn voor een Bureau jeugdzorg dat
een ‘niet-verlenging OTS/MUHP’ of een ‘beëindiging UHP’ te laat
meldt. De Raad is dan niet in staat zijn taak uit te oefenen.
De
problemen rond de toetsende taak zijn grofweg in tweeën te delen:
onduidelijkheid over hoe de toetsende taak dient te worden uitgevoerd en
een haperende samenwerking tussen Raad en Bureau jeugdzorg.
Bijlage B5
Dus:
Bij
ontevredenheid over de kwaliteit van uitvoering van een
kinderbeschermingsmaatregel wenden ouders zich tot de Rechter.
De
Rechter verwijst naar de Raad voor de Kinderbescherming en de Inspectie. Bijlage
B3
De
Inspectie verwijst naar de Minister van Justitie.
Ook
de provincie verwijst naar de Minister. Bijlage B2
Maar:
De
Minister van Justitie schrijft: “Een (gezins)voogdij-instelling is een
zelfstandige organisatie die niet ondergeschikt is aan de Minister van
Justitie en niet namens de Minister bevoegdheden uitoefent. Er bestaat
geen wettelijke bepaling op grond waarvan de Minister van Justitie een (gezins)voogdij-instelling
algemene of bijzondere aanwijzingen kan geven.”
Nogmaals bijlage A9 en B1
Zijn
de verantwoordelijkheden nu helderder in de Wet op de Jeugdzorg?
“Kan
de Inspectie naleving van de wettelijke regels – indicatiestelling en
hulpverleningsplan zijn nu al verplicht – ook afdwingen? Volgens De
Vries is dat een taak
van de provincies:
‘Die worden onder de nieuwe Wet op de Jeugdzorg hoofdfinancier en zullen
met onze bevindingen in de hand naar de instellingen gaan om aan de
financiering voorwaarden te stellen. Elke provincie heeft natuurlijk haar
eigen verantwoordelijkheid, maar wij zullen hen stevig adviseren dit zo
aan te pakken. ‘
Onder de Wet op de Jeugdzorg krijgt de Inspectie – op aandringen van de
Tweede Kamer – een geheel nieuw wapen in handen. Joke de Vries: ‘Als
wij constateren dat de zorg beneden ieder peil is en er gevaarlijke
situaties dreigen, dan kunnen wij straks een bevel
afgeven. Maar in de praktijk is publiciteit ook nu al een heel zwaar
wapen, en daarnaast hebben we de mogelijkheid aanbevelingen te doen, die
de regering altijd serieus neemt – ze moet wel, want de aanbevelingen
gaan ook naar de Tweede Kamer. Verder maken we in rechtstreeks contact met
de instellingen afspraken over verbeteringen.’ Bijlage B6
Publiciteit:
Niet
alle inspectierapporten komen op de website van de Inspectie;
een door KOG op 10 december 2003 gedaan Wob-verzoek om een
inspectierapport te mogen ontvangen is niet gehonoreerd
Bijlage B7
Aanbevelingen:
De
instellingen kunnen die ongestraft (en vaak ongezien) naast zich
neerleggen
(evenals uitspraken van de rechter; de raad voor de kinderbescherming
kunnen zij omzeilen.)
In
het Landelijk beleidskader legt de rijksoverheid implementatie van het
certificatieschema niet verplichtend op: eigen verantwoordelijkheid. Nogmaals
bijlage A2 en A2a
En
als een provincie of grootstedelijk gebied wel in haar programma opneemt
dat de instellingen op enig moment gecertificeerd dienen te zijn, wordt de
inhoudelijke uitwerking hiervan aan de instellingen zelf overgelaten. Bijlage
B8
Ook
moedigt het Landelijk beleidskader provincies niet aan rapportage over de
effectiviteit van geleverde zorg te eisen, slechts deze te bevorderen. Nogmaals
bijlage A2 en A2a
C. Kwaliteit van de jeugdzorg behoeft
dringend verbetering
De noodzaak de kwaliteit te verbeteren klemt te
meer gezien de verschillen, nog afgezien van opleidingen en functies,
tussen de gezondheidszorg en de jeugdzorg:
Gezondheidszorg
Jeugdzorg
Cliënt
Degene met het probleem;
Jeugdige met omgeving;
bij uitzondering met omgeving
bij uitzondering de jeugdige alleen
Vrijwilligheid
Bij uitzondering geen vrijwilligheid
Vaak op basis beschermingsmaatregel,
Meestal keuze hulpverlener
dan in beginsel geen keuze hulpverlener.
Ook bij vrijwillige hulp geen keuze: één regionale voorziening
Indicatie
De facto gekozen eigen huisarts
Regionaal Bureau Jeugdzorg, optredend als
monopolist
“Het
rapport gelezen hebbend, kan de cliëntenraad stellen, dat veel van de
geplaatste opmerkingen herkenbaar zijn voor cliënten van de William
Schrikker Stichting: Onvolledige hulpverleningsplannen, verwisseling van
doel en middelen, verlies van waardevolle informatie, niet-gerapporteerde
behaalde tussenliggende doelen, ontbreken van positieve signalen,
onvolledige en tendentieuze rapportage, onduidelijkheid over toegevoegde
waarde (in de zin van pedagogische remedie) van een Onder Toezicht
Stelling, inconsequentie en snel tevreden over eigen werk dat niet af is
….”
(Brief d.d. 9 juli 2002 aan de Hoofdinspectie van de voorzitter van de cliëntenraad
van de William Schrikker Stichting n.a.v. het inspectierapport Toezicht
WSS uit juni 2002, waarin KOG klachten van veel ouders ook over andere
gezinsvoogdij-instellingen herkent.)
Bijlage
C1
Vergelijking
van twee willekeurige inspectierapporten doet vermoeden, dat de Inspectie
steeds weer dezelfde onvolkomenheden aantreft: Toezicht WSS
“Stuurbekrachtiging”,
’s-Hertogenbosch, en Rapportage reactief toezicht AJL “Aan het
roer”, Haarlem, beide juni 2002. Van deze twee rapporten zijn o.a. de
eerste pagina’s gelijk, zo niet letterlijk dan toch inhoudelijk
“constateert de inspectie dat de gezinsvoogden van AJL vaak volhouders
zijn.” en “constateert de inspectie dat de gezinsvoogden van de WSS
vaak blijk geven van een lange adem.”, en zijn bovendien de conclusies
(hoofdstuk 3 in beide gevallen) vrijwel identiek.
Een
van de conclusies is, dat gezinsvoogden wel procedureel worden
aangestuurd, maar niet inhoudelijk, niet op kwaliteit:
“De inspectie trekt hieruit de conclusie dat de WSS op uitvoerend niveau
onvoldoende inhoudelijke aansturing geeft en te weinig ondersteuning
hiervoor biedt in haar voorschriften.”
en
“De inspectie concludeert hieruit dat AJL op uitvoerend niveau
onvoldoende inhoudelijk aanstuurt.” Bijlage C2 en C3
“Ter
voorkoming van verkeerde beeldvorming moet worden opgemerkt dat de huidige
stand van zaken, …, niet de ‘schuld’ is van gezinsvoogden. Doorgaans
hebben zij er in zeer onvoldoende omstandigheden (zoals gebrek aan tijd,
geld, het ontbreken van een gerichte methodiek en bijbehorende opleiding
en vaardigheden), met veel inzet, volharding, wijsheid en deskundigheid
maar zonder voldoende steun van een methodisch goed uitgewerkte opdracht
alles aan gedaan hun
jeugdbeschermingscliënten verder te helpen.
De hele
samenleving stond erbij en keek ernaar en accepteerde een bepaalde manier
van functioneren van de jeugdbescherming.” (E.
Oudejans pag.123) Bijlage A1
Het
niveau van de gezinsvoogd is exemplarisch voor dat van de meeste
medewerkers van Bjz:
“De opleiding tot gezinsvoogd is een zorgelijk punt. De SPH’s bieden
veelal opleidingen met een brede basiskennis. Dat is niet genoeg om als
gezinsvoogd aan de slag te kunnen. … De opleidingsroute die de
gezinsvoogdij-instellingen onder regie van Vedivo
realiseren leidt een kommervol bestaan.
Sommige gezinsvoogdij-opleidingen zijn uit arren moede een eigen
opleidingstraject begonnen en bij andere instellingen ontbreekt een
systematisch aanbod.” De professionaliteit in de gezinsvoogdij dient te
worden verhoogd. …
Verder dienen gezinsvoogden meer planmatig te werken en daarin ondersteund
te worden …
Professionaliteit gedijt slechts als aan de organisatorische
randvoorwaarden is voldaan. In dat opzicht is er voor de gezinsvoogdij nog
veel te doen.”
(W. Slot / A. Theunissen; 909 zorgen; 2002 pag. 82) Bijlage C4
In
mei 2002 heeft de Maatschappelijk Ondernemers Groep in samenwerking met
Vedivo het Programma Bureaus Jeugdzorg 2002/2003 opgesteld.
Pag. 12/13: “Opleiding en deskundigheid. Problemen en kansen: De nieuwe
taakstelling, de meerwaarde van multidisciplinaire oordeelsvorming van
Bureaus Jeugdzorg maakt een herbezinning op de benodigde diversiteit aan
deskundigheden, beroepsprofielen, scholing en opleiding noodzakelijk. …
Activiteiten: Inventariseren aanwezige, gewenste en noodzakelijke
deskundigheden en/of beroepsgroepen binnen Bureaus Jeugdzorg …
Inventariseren aanwezige en gewenste deskundigheidsbevorderings- en
opleidingsmogelijkheden, waarbij onderscheid gemaakt moet worden tussen
basisopleidingen en aanvullende opleidingen … Mogelijk laten ontwikkelen
functie/competentiescholing voor beginnende werkers in een Bureau
Jeugdzorg. Ontwikkelen ideeën voor permanent leren, action learning
binnen Bureau Jeugdzorg.” Bijlage
C 5
Wanneer Bureau Jeugdzorg dit raadzaam oordeelt, licht het de Raad voor de
Kinderbescherming in over een gezin. Bureau Jeugdzorg oordeelt dit o.a.
nodig wanneer ouders voorgestelde hulp afwijzen of in gang gezette hulp
afbreken. Op deze wijze “stelt men de hulpvraag veilig.” De Raad voor
de Kinderbescherming krijgt dan de beschikking over het dossier van het
gezin, hetgeen de ouders niet van te voren hebben geweten.
De Raad verzoekt indien hij dit aangewezen acht de kinderrechter om een
kinderbeschermingsmaatregel. Het verzoekschrift wordt onderbouwd met een
rapport, eventueel aangevuld met een deskundigenonderzoek.
De deskundigen handelen niet altijd als deskundigen. Deze mening is de
Raad voor de Kinderbescherming zelf ook toegedaan. Bijlage C6
Over
het raadsrapport schrijft prof. Dr. G.P. Hoefnagels, emeritus hoogleraar
criminologie en familie- en jeugdrecht o.a. in december 1999 vernietigende
woorden. Bijlage C7, C8 en C9
Verder
heeft de Raad voor de Kinderbescherming vele malen meegedeeld, niet aan
‘waarheidsvinding’ te doen. Bijlage C10 en nogmaals C6
Aanbevelingen
KOG hoopt dan
ook van harte dat de provincie Zuid-Holland gebruik zal maken van alle
bevoegdheden die zij heeft om de kwaliteit van de uitvoering van Jeugdzorg
in het algemeen, en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen in het
bijzonder, te verbeteren en te garanderen, met name van:
-
de mogelijkheden die ook de Minister heeft op grond van de Wkz: een
schriftelijke aanwijzing geven en een termijn om
daaraan
te voldoen.
-
de bevoegdheid bestuursleden of leden van de raad van toezicht van
Bureau Jeugdzorg te ontslaan en om tijdelijk te voorzien
in de leiding van het Bureau. Met deze
bevoegdheden
is de bevoegdheid tot het uitoefenen van bestuursdwang tevens gegeven.
Voorts
door:
- in het provinciale
beleidskader aan te geven hoe een verantwoorde indicatiestelling wordt
gewaarborgd.
-
aanbevelingen van de Inspectie altijd als verplichtend te
presenteren en deze te gebruiken om
aan de financiering dwingende
voorwaarden te stellen.
-
rapportage over de effectiviteit van geleverde zorg verplicht te
stellen.
-
certificering verplicht te stellen en de inhoudelijke uitwerking
niet alleen aan de instellingen zelf over te laten.
-
ruimhartig gelden beschikbaar te stellen voor opleidingen van de
werkers in de Jeugdzorg.
-
zittingen in het kader van klachtprocedures in het openbaar te doen
plaatsvinden.
-
passende maatregelen te nemen bij een melding dat Bureau jeugdzorg
een beschikking van de kinderrechter niet uitvoert.
Haarlem, 16 februari 2006 |