Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Actualiteit
<< vorige pagina   
print pagina
 

Stuur uw stukken waarin RvdK, GI en VT "feiten" verzinnen naar de Tweede Kamer

Actualiteit >>

Verkorte versie van
Wij Doen Niet Aan Waarheidsvinding’

Peter Prinsen, oud-advocaat

Op Scheveningen, 20 mei 2016

De nachtmerrie

Het is soms een alledaags incident waarom Kinderbescherming en Jeugdzorg (tegenwoordig: GI, gecertificeerde instelling) een kind bij zijn ouders weghalen. Het gebeurt op verraderlijke manier, van het
ene op het andere moment. Hun kind, dat er niets van begrijpt en in paniek raakt, wordt naar een locatie gebracht die weken tot maanden geheim wordt gehouden.

Na enkele dagen ontvangen de ouders het per fax ingediende verzoek van Kinderbescherming aan de kinderrechter. Als motivering van het verzoek lezen zij: “onderzoekshypothese: jarenlange kindermishandeling”, reden waarom het kind voorlopig onder toezicht moet worden gesteld (VOTS) en onmiddellijk uit huis moet worden geplaatst (spoed-UHP).

Een week later krijgen de ouders een professioneel ogend rapport bij het definitieve verzoek. Daarin lezen zij wat zij in het faxverzoek aan de kinderrechter ook al hadden zien staan: "jarenlange kindermishandeling" . Maar tot hun verontwaardiging zien zij dat de onderzoekshypothese zonder onderzoek als vaststaand "feit" in het definitieve rapport is vermeld. In een lawine van volgende rapporten zal dit "feit" klakkeloos als uitgangspunt worden genomen. ...

Hun advocaat maant zijn cliënten om Jeugdzorg vooral niet tegen te spreken... Wijzen ouders toch op de onjuistheid van de beschuldigingen en de oncontroleerbaarheid van hun beweringen, dan krijgen zij van Jeugdzorg te horen: "Daar gaat het niet om in het jeugdrecht. Waarheidsvinding behoort niet tot onze taak".

Wijzen zij erop dat hun kind niets mankeert en het voortreffelijk doet op school, dan lezen zij tot hun verbijstering in een volgend rapport: "Het kind komt over als een zwaar beschadigd meisje als gevolg van jaren lang huiselijk geweld. Juist het feit dat zij ogenschijnlijk niets mankeert en 'gewoon meedoet op school', zou gezien kunnen worden als zorgelijk. Hieruit blijkt namelijk dat zij al jaren rondloopt met een groot geheim en dit nooit met iemand heeft kunnen delen".

Wijzen zij op de innerlijke tegenstrijdigheid ("Komt over als zwaar beschadigd" versus "mankeert ogenschijnlijk niets"), dan is het antwoord wederom: "Daar gaat het niet om in het jeugdrecht. Waarheidsvinding is niet onze taak".

Kaarten zij het aan bij de Externe klachtencommissie dan opent de voorzitter (een kinderrechter) met de woorden: "Vooraf moet ik u erop wijzen dat het in het jeugdrecht niet gaat om waarheidsvinding".

Klagen zij bij de Raad voor de Kinderbescherming over het klakkeloos overnemen van evidente onzin, dan krijgen zij te horen: "In het jeugdrecht gaat het niet om waarheidsvinding".

Komen zij op de OTS-UHP-zitting bij de kinderrechter, dan opent ook die de zitting (met gesloten deuren!) met de woorden: "Vooraf moet ik u erop wijzen dat het hier niet gaat om waarheidsvinding".

Het mantra

Zoals uit het bovenstaande blijkt kan men met recht spreken van een mantra: een bezwering waarmee jeugdbeschermers en kinderrechters elk protest van ouders weten te smoren. We zullen dit noemen het WDNAW-mantra: het Wij‑Doen‑Niet‑Aan‑Waarheidsvinding-mantra.

Niet aan waarheidsvinding doen - is dat een vrijbrief om de waarheid geweld aan te doen, een vrijbrief voor liegen? Om te grossieren in meningen die aan de feiten geen boodschap hebben? Een vrijbrief voor willekeur?

Wij zouden kunnen volstaan met een krachtig: “Nee, nooit!”, maar niet iedereen geeft dit ferme, enig juiste antwoord. Verontwaardigd reageert men met: “Het Jeugdrecht moet wèl aan waarheidsvinding doen!” Goed bedoeld, maar toch is dit nu juist de verkeerde reactie. Maar eerst even dit: Wat ‘liegen’ is weten we, maar wat is dat andere, wat is ‘waarheidsvinding’?

Waarheidsvinding

De taak van de rechter die uitspraak moet doen in een zaak duidt men aan met de term ‘rechtsvinding’. Dat moet hij doen op basis van de door partijen gestelde feiten. Bestaat over die feiten een geschil dan moet de rechter de waarheid boven tafel zien te krijgen omtrent díe feiten die voor zijn beslissing van belang zijn. Dat wordt aangeduid met ‘waarheidsvinding’. De waarheidsvinding moet de objectieve werkelijkheid zo goed mogelijk benaderen. Als er ook nog kinderen bij betrokken zijn, dan moet de rechter verder kijken dan wat de procespartijen hebben gesteld en betwist. Met de aldus “gevonden” waarheid moet de rechter naar de wet kijken om het “recht te vinden”, dat wil zeggen uitzoeken welke gevolgen de wet aan de feiten verbindt.

In de verschillende rechtsgebieden gaat het, vereenvoudigd weergegeven, daarbij om het volgende:
In het strafrecht gaat waarheidsvinding om de vraag: “Heeft de verdachte ‘het’ gedaan of niet?” .
In het verkeersrecht is de vraag: “Wie had voorrang - A of B” of “Is partij A of B door het rode stoplicht gereden of niet?”
In het civiele recht bijvoorbeeld: “Is de overeenkomst nagekomen of niet”?

Kenmerkend in deze rechtsgebieden is dat er in de wet een nauwkeurig omschreven norm is vastgelegd: diefstal is bij wet verboden, net als door rood licht rijden, verkeer van rechts heeft wettelijk voorrang, overeenkomsten “strekken partijen tot wet” (moeten worden nagekomen). In al die gevallen moet met een proces van waarheidsvinding zo objectief mogelijk worden vastgesteld of de rechtsnorm is overtreden.

In het jeugdrecht gaat het om de wettelijke vraag: “Groeit een minderjarige zodanig op dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd”? Dit is een zogenaamde “vage rechtsnorm” waarvoor niet in de wet te omschrijven valt wanneer daarvan sprake is of niet. Hier betekent ‘waarheidsvinding’ dat de rechter een inschatting moet maken op basis van het oordeel van daartoe aangewezen functionarissen (Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg) die de kinderrechter moeten overtuigen dat hun beoordeling van de zaak juist is. In het Jeugdrecht is waarheidsvinding meer een zoeken naar een zo goed mogelijke inschatting op basis van subjectieve, zo goed mogelijk ‘geobjectiveerde’ (op feiten gestoelde) oordelen van de functionarissen. Maar hoe dan ook, waarheidsvinding moet een streefdoel zijn al blijft het eindoordeel veel meer discutabel dan in andere rechtsgebieden.

Wat is er allemaal mis met dat mantra “Wij doen niet aan waarheidsvinding”?

  • Dat de autoriteiten uitdrukkelijk waarheidsvinding als streefdoel verwerpen is erg.
  • Erger is dat zij er een vrijbrief van maken om onwaarheden aan de rechter voor te leggen en dat de kinderrechter het mantra gebruikt om zijn rechterlijke taak te verzaken.
  • Maar het allerergste is dat dit mantra de beschuldiging “U spreekt welbewust onwaarheid” verdoezelt.

    De drogreden

    Er is sprake van een in alle geledingen herhaalde drogreden. Wat is dat, een drogreden? Een drogreden is een oneerlijke, onfatsoenlijke discussiemethode, een redenering waarvan je voelt dat hij niet klopt, maar waarvoor je van goeden huize moet komen om er iets tegen in te kunnen brengen.

    De stropop

    In ons geval gaat het om de stropop-drogreden: Stel in een debat neemt u een standpunt in. Maar uw tegenstander (de “drogredenaar”) verdraait uw standpunt en legt u een karikatuur ervan in de mond die in die vorm niet verdedigbaar is. In een reflex blijft u echter in de verdediging, en voor u het weet bent u een standpunt aan het verdedigen dat uw standpunt niet is. De stropop-drogreden is een booraardige manier om een spraakverwarring in te leiden.

    Wie het doorheeft laat het zover niet komen en zal zeggen: “Dat heeft u mij niet horen zeggen!” Maar daarmee bent u al in de verdediging gedwongen en de drogredenaar houdt verder zijn mond - of niet... De drogredenaar gaat niet meer in op uw tegenwerping maar palavert verder over de met zijn valse antwoord ingeslagen dwaalweg.

    De dialectiek

    De stropop-redenering verloopt, schematisch weergegeven, als volgt:

    Stap 1: De ouders protesteerden tegen een onware, verzonnen en onbewezen beschuldiging. Zij eisen: “Stop met die onwaarheden”.

    Stap 2: De Jeugdzorgwerker zegt niet: “Wij mogen misleiden”, maar: “Wij doen niet aan waarheidsvinding; het gaat om ons oordeel, onze mening”.

    Stap 3: De ouders zijn verbijsterd en sprakeloos (en gaan op cliëntenfora klagen over het niet aan waarheidsvinding doen door Jeugdzorg).

    Deze beschouwing legt de essentie bloot van de ontsporing van het waarheidsvinding-debat: het gaat niet meer over onwaarheden van Jeugdzorg, maar over de vage norm van art. 255 BW boek 1.

    Trojaans paard

    Tot zover de stropopredenering op zichzelf. Maar er is nog meer mis! Zie stap 3: Op cliëntenfora en in de media klagen de ouders over onwaarheden(1) en eisen zij dat Jeugdzorg aan waarheidsvinding gaat doen (2). Daarmee halen de ouders zelf de stropop “waarheidsvinding” als een Trojaans paard binnen hun eigen kring en in het openbare debat. Het gaat niet meer over liegende kinderbeschermers maar over de vage rechtsnorm en de vrome getuigenissen  hoe zij allemaal hun best doen om daarmee zo goed mogelijk om te gaan.

    Viraal!

    Inmiddels wordt er veel geschreven over ‘waarheidsvinding’ en over de problematiek van de vage rechtsnorm. En alle auteurs beginnen uitdrukkelijk met te zeggen dat het hun gaat om de klachten van ouders over de vele onwaarheden in de rapporten en het niet toetsen van de gestelde feiten door de kinderrechter. Maar zij eindigen ermee dat de jeugdzorgwerkers en kinderrechters nog beter hun best moeten doen voor de waarheidsvinding.

    Het WDNAW-mantra is een drogreden met het woord ‘waarheidsvinding’ als stropop. De stropop heeft zich als een giftig virus genesteld in het publieke debat.

    De eerste fase van het viraal gaan bestond uit het verbreiden door de ouders van het mantra in eigen kring. De volgende fase brak aan toen de media het woord overnamen bij hun kritische beschouwingen over Jeugdzorg. De media lieten zich beet nemen en vroegen niet door over de aanleiding: de vele onwaarheden in de rapporten.

    Tenslotte waren het de publicaties in de juridische en bestuurlijke literatuur waarin en passant wel over de klachten van de ouders werd geschreven, “maar ja, waarheidsvinding is nu eenmaal een lastig probleem”, zo is de teneur van die vakpublicaties.

    Wat lastig is, is weerstand te bieden aan de verleiding om te liegen over de feiten!

    De spindoctors

    Hebben de spindoctors van Kinderbescherming en Jeugdzorg hun doel bereikt?

    Iedereen, kinderrechter, Kinderombudsman, minister, kamerlid, professor, onderzoeker, kinderbeschermer, iedereen die vergeet dat de spindoctors van Jeugdzorg en Kinderbescherming de stropop ‘waarheidsvinding’ hebben gelanceerd, iedereen die niet door heeft hoe de stropop viraal is gegaan, iedereen die dat niet beseft bedrijft luchtfietserij. Luchtfietserij die van oorsprong bedoeld is om te misleiden en het debat over het bewust misleiden door Jeugdzorg en Kinderbescherming te doen ontsporen.

    Toch gloort er hoop: zie hierna.

    Kroniek

    De stropop ‘waarheidsvinding’ lijkt niet meer uit te bannen uit het publieke debat. Hoewel publicaties vanuit het kamp Jeugdzorg er alles aan doen om het debat op een dwaalspoor van het vage-normen-probleem te zetten zijn er gelukkig uit het andere kamp auteurs die het debat nadrukkelijk terug voeren naar ‘stop de onwaarheden’. Er is, met andere woorden, een strijd ontbrand tussen het ‘vage-normen-kamp’ en het ‘stop-onwaarheden-kamp’.

    Maart 2011 - Casus in NRC Opiniepagina

    Een casus werd besproken op de opiniepagina van NRC Handelsblad onder de titel “Of beschuldiging waar is, doet er bij kinderrechter niet toe”. In het artikel werd een pleidooi gehouden voor het instellen van een Waarheidskamer voor kinderrechters, vergelijkbaar met een Wrakingskamer. De kinderrechter fungeert immers als de hoge Staatsmacht die de verantwoordelijkheid draagt voor de onafhankelijke jeugdrechtspraak en de goede procesorde waarin voor onwaarheden geen plaats hoort te zijn.

    Augustus 2011 - Nationale Ombudsman Brenninkmeijer en Van Zanten in “Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht (FJR)”

    In een artikel “Waarheidsvinding: van groot belang in de jeugdbescherming” vatten de auteurs het Opiniestuk nog eens uitvoerig samen en scharen zij zich expliciet achter de inhoud ervan. “Deze mening van de heer Prinsen lijkt kritisch te zijn ontvangen in de jeugdzorgwereld.” “Volgens ons wordt waarheidsvinding in de benadering van onder andere Slot en Quik-Schuijt te zwaar opgevat en wordt daarmee het doen van waarheidsvinding als een te grote, en daarmee onuitvoerbare, opgave gezien, anders dan het volgens ons zou moeten zijn. Wij kunnen ons meer vinden in de zienswijze van Prinsen.”

    April 2013 - Erik Gerritsen - “Waarheidsvinding” in “Binnenlands Bestuur”

    Erik Gerritsen, tot 2015 bestuursvoorzitter van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam en een productieve spindoctor van de jeugdzorgwereld, meent in dit artikel: “Ik constateer dat het debat met betrekking tot het thema waarheidsvinding top op heden weinig productief is.” Hij licht dit toe met een aantal argumenten die het WDNAW-mantra zouden moeten ondersteunen. Het voert te ver om hierop nu in te gaan maar gezegd moet worden dat Gerritsen zich in dit artikel (en vele andere) manifesteert als de spindoctor van Jeugdzorg bij uitstek.

    Oktober 2013 - Van der Burg (VVD) en Bergkamp (D66), Tweede Kamer ; Amendement waarheidsvinding

    Tijdens de behandeling van het toenmalige wetsontwerp Jeugdwet hebben de Tweede Kamerleden Van der Burg en Bergkamp een amendement ingediend, luidende: “De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.” In de toelichting schreven zij: “De verplichting die uit dit amendement volgt houdt in dat de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen die de maatregelen uitvoeren zich moeten richten op het verzamelen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die objectiveerbaar zijn. Dit geldt voor rapportages maar ook voor de verzoekschriften (waaraan de rapportages vaak ten grondslag liggen) aan de kinderrechter (bijv. verzoek machtiging tot uithuisplaatsing of verzoek ondertoezichtstelling). Op basis van dit amendement dient de besluitvorming in de rapportage te zijn onderbouwd, waarbij feiten, visies van betrokkenen en de interpretaties van de Raad of gecertificeerde instelling duidelijk zijn gescheiden.”

    Dit is klare taal. Alhoewel het amendement zich niet uitspreekt over wat er moet gebeuren als er in de casuïstiek in strijd met dit artikel wordt gehandeld blijkt de wettelijke verankering van de waarheidsplicht van groot belang te zijn in de strijd die ontbrand is tussen het ‘vage-normen-kamp’ (Jeugdzorg) en het ‘stop-onwaarheden-kamp’ (ouders gesteund door deze politici).

    December 2013 - Nationale Kinderombudsman Marc Dullaert - rapport “Is de zorg gegrond”.

    Dullaert: “Veel klachten die door ouders worden ingediend bij jeugdzorg-klachtinstanties, bij de Kinderombudsman of bij de Nationale ombudsman gaan over de stelling dat BJZ, AMK of de Raad niet aan waarheidsvinding zouden doen”.

    In zijn conclusies neemt de Kinderombudsman het op voor de jeugdzorgprofessionals die zulk complexe werk moeten doen en die moeten werken met een vaak complexe doelgroep ouders.

    De voor de hand liggende vraag wat de complexiteit van het werk te maken heeft met het ‘stoppen met liegen’ wordt niet beantwoord.

    20 november 2015 - Algemeen Overleg T.K.-Commissie

    De Kamerleden Van der Burg (VVD) en Bergkamp (D66) trekken van leer tegen minister Van der Steur over het ontbreken van een urgentiebesef bij het bestrijden van de cultuur van misleiding en het niet corrigeren van onwaarheden in de rapportages aan de kinderrechters.

    “Dit kan echt niet langer duren.” […] “De Raad voor de Kinderbescherming moet hierop aangesproken worden. Het kan niet waar zijn dat dit nog steeds niet is geregeld”, aldus deze Kamerleden.

    Minister Van der Steur “herkende zich niet in het beeld dat de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen te weinig zouden doen aan waarheidsvinding”.

    Mevrouw Bergkamp (D66): “Ik […] mis bij de Minister de erkenning van het probleem.”

    Minister Van der Steur: “Ik herken mij niet in de parafrase van mevrouw Bergkamp over de door mij gevoelde urgentie op dit punt.” […] “Ik weet het antwoord niet, maar snijd het onderwerp aan in mijn gesprek met de Raad voor de rechtspraak.”

    13 april 2016 - Brief van de Minister van Veiligheid en Justitie

    “Uit de gevoerde gesprekken [met de GI’s, RvdKb, een kinderrechterinspecties cliëntvertegenwoordigers] komt het beeld naar voren dat GI’s en de RvdK het onderwerp waarheidsvinding serieus nemen. Het rapport van de Kinderombudsman uit 20131 heeft daaraan bijgedragen, evenals de verankering van de waarheidsvinding in de Jeugdwet (artikel 3.3). […] Is de waarheidsvinding anno 2016 op orde? De instellingen geven aan dat zij voortdurend werken aan de kwaliteit van de rapporten en onderzoeken. Daarmee is nog niet gezegd dat de waarheidsvinding anno 2016 over de hele linie optimaal is.”

    Tenslotte

    De messen zijn geslepen. In het parlement maken twee Kamerleden zich sterk voor het ‘stop-onwaarheden-kamp’, terwijl de minister uit onwetendheid het ‘vage-normen-kamp’ meent te moeten verdedigen, zich beroepend op protocollen en rapporten uit het kamp dat zich voelt aangevallen. Dit vraagt om actie van de kant van de ouders. Tijd voor een zwartboek?





    Vergaderjaar 2015-2016
    Kamerstuk 31839 nr. 510

    Brief van de Minister van Justitie Gepubliceerd op 14 april 2016 12:45

  • 31839 (Hoofddossier)


    Een zwartboek krijgen wij niet voor elkaar, maar stuur uw stukken naar mevrouw Bergkamp en mevrouw Van der Burg.

Ga terug