Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: 2009 bericht 2
<< vorige pagina   
print pagina
 



Stichting KOG
2009
Bericht 2

oktober 2009

Beste mensen,

Rob Schreijnders heeft het voorzitterschap van Kinderen-Ouders-Grootouders neergelegd;
hij is opgevolgd door Alice Jansen.
Wilt u eens overwegen of u actief kunt zijn in KOG: dit KOG-bericht maken, contactpersoon zijn, ontwikkelingen volgen, misschien is er nog iets wat u zelf pijnlijk mist.
Bel of mail het secretariaat: 023 5 32 12 23 en kog @ upcmail.nl

Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders vraagt van u:
- uw ervaringen met advocaten, negatief maar vooral positief zodat wij kunnen adviseren
- uitspraken van rechters zodat anderen zich erop kunnen beroepen
- € 15 per jaar (rekeningnummer 9634691).

Trouw van 30 september meldt:
“Roer moet om in jeugdzorg, vindt Tweede Kamer
De overheid moet niet tot in het oneindige geld beschikbaar stellen om wachtlijsten in de jeugdzorg weg te werken. Het roer moet om, zo stelden gisteren alle fracties in de Tweede Kamer.
De Kamer is het eens met minister Rouvoet (jeugd en gezin) dat er meer aandacht moet komen voor preventie en gezinsondersteuning om de groei van de wachtlijsten in 2010 en later een halt toe te roepen. Ook dit jaar groeien ze – 115 miljoen euro extra van Rouvoet en 118 miljoen euro van provincies en stadsregio’s ten spijt. … Duidelijk voor alle fracties is dat het financieren van wachtlijsten nergens toe leidt. Rouvoet denkt aan een systeem waarbij instellingen worden beloond als ze geen wachtlijsten hebben en worden ‘bestraft’ als deze langer worden. …”

Hoewel KOG ietwat argwanend staat tegenover preventie, vinden wij dit heel goed nieuws. Al enkele malen hebben wij de Tweede Kamer erop gewezen dat meer geld voor wachtlijsten vooral meer wachtlijsten zou opleveren.
Op 5 september was juist de volgende brief de deur uitgegaan:

Zeer geachte heer Dijsselbloem, zeer geachte heer Voordewind,
In NRC Handelsblad van heden lezen wij dat u voorstander bent van een “fundamentele omslag” van hulp aan kinderen door uithuisplaatsing naar hulp aan kinderen in hun gezin.
Dit is buitengewoon verheugend nieuws.
Voor minder geld dan de overheid nu uitgeeft aan jeugdzorg is het mogelijk dat gezinnen betere hulp ontvangen: na een ondertoezichtstelling wordt de helft van de kinderen uit huis geplaatst; deze uithuisplaatsingen kunnen in veel gevallen achterwege blijven; met het vrijgekomen geld kunnen veel meer gezinnen veel betere hulp krijgen.
In 1990 schreef prof. Dr J. van Acker in ‘Ouders en kinderen in conflict, theorie en praktijk van de hulpverlening aan gezinnen’: “Dit boek is de vrucht van zeven jaar gezinsproject. Dit project had als doel hulp te verlenen aan problematische gezinnen, waar uithuisplaatsing van de kinderen dreigde. Een methodiek werd ontwikkeld om de problemen te behandelen waar ze zijn ontstaan. (voorwoord)
Alhoewel sommige kinderen beschermd moeten worden tegen de onmacht of het wangedrag van hun ouders, zijn de effecten van een plaatsing buiten het natuurlijk milieu vaak nog veel nadeliger. … De prognose is zeer ongunstig als de hulpverlening niet leidt tot een herstel of een verbetering van stabiele affectieve relaties met diegenen die een natuurlijke band met het kind hebben, en als er geen reïntegratie van het kind in een milieu waar het zich thuis voelt tot stand komt. (pag. 163)
Met de verpleegprijs van de tehuizen en ZIB-internaten zouden 3 tot 5 maatschappelijk werkers full-time per gezin kunnen worden aangesteld.“ (pag. 168)
In oktober 1998 zei E.S.P. Oudejans, destijds directeur van stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland, op de themadag ‘Hulpverlenen of straffen?’: “Met enkele duizenden guldens per jaar per cliënt zou naar onze oprechte overtuiging een groot deel van de uithuisgeplaatste jongeren thuis kunnen blijven en zouden wij in staat zijn echt iets voor die jongeren en hun gezinnen te doen. Wij leven met de werkelijkheid dat veel jeugdigen om economische redenen uit huis worden geplaatst omdat we nu eenmaal geacht worden iets te doen.”

Er moet niet meer geld komen, het beschikbare geld moet anders verdeeld worden.
Minister Hoogervorst wist het: wie wachtlijsten in de gezondheidszorg wil creëren, moet extra geld toekennen om wachtlijsten weg te werken. Het is zo simpel dat er overheen gezien wordt: een bestuur is dief van eigen portemonnee als er geen wachtlijst is.
Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders is zeer verheugd dat u een omslag wilt maken van uithuisplaatsing naar hulp in het gezin. Wij zullen met belangstelling volgen hoe u deze verandering gaat realiseren.

In kopie aan het Bestuur van de PvdA
het Bestuur van de ChristenUnie
de Commissie voor Jeugd en Gezin

In Perspectief nummer 3 2009 stond het eerste artikel van een reeks van 6
‘Het Elektronisch Kinddossier en De Verwijsindex Risicojongeren: c’est quoi?’
In het vorige KOG-bericht heeft een uittreksel daarvan gestaan. De serie is nu afgesloten.
Als u een uittreksel via de mail wilt ontvangen, bericht u dit dan aan kog @ upcmail.nl
Hier geven wij alleen de conclusie:
“EKD en Verwijsindex voldoen
…Het EKD beoogt de dossiers van de jeugdgezondheidszorg te digitaliseren en bij verhuizing of het bereiken van de vierjarige leeftijd over te dragen tussen organisaties. Niets meer, en niets minder. … De VIR zorgt ervoor dat hulpverleners uit verschillende sectoren hun zorgen over een jeugdige kunnen melden. … Omdat daarbij geen inhoudelijke gegevens worden uitgewisseld, treden de problemen van betrouwbaarheid en ambiguïteit niet op. Wel moet ervoor gezorgd worden dat er altijd follow-up is …
verdere inzage in dossiers niet
Met het EKD en de VIR zijn weinig problemen te verwachten. Anders ligt dat als het Kinddossier open wordt gesteld voor gebruikers buiten de jeugdgezondheidszorg, waarom de Tweede Kamer regelmatig heeft verzocht. … Het grootste gevaar van openstelling is dat de referentiekaders van afzender en ontvanger verschillen. Juist omdat samenwerken in de jeugdsector afstemming tussen heel veel verschillende disciplines en gebruikers vereist, is het nauwelijks realistisch om te veronderstellen dat de betekenis van informatie voor iedereen hetzelfde is.”

Op dit moment is het EKD gelukkig nog niet beschikbaar voor jeugdzorg. Op 16 juli heeft KOG daarnaar geïnformeerd bij het Ministerie, op 27 augustus kwam het antwoord: nee.
De artikelen in Perspectief zijn gebaseerd op het afstudeeronderzoek van Ton Monasso.
De volledige scriptie is te vinden op www. tonmonasso.nl / masterthesis.pdf
Perspectief, redactie Kromme Elleboog 14, 9751 RC Haren, abonnementen € 24,95.

Het tijdschrift Computable bericht op 28 september:
De Raad voor de Kinderbescherming heeft vier raamovereenkomsten gesloten voor het inhuren van ict-personeel. De geselecteerde partijen zijn Atos Origin, Logica, Ordina en Headfirst. De totale waarde van de contracten bedraagt vijfentwintig miljoen euro. Dit blijkt uit een recente inventarisatie van overheidsgunningen in ict-land. Computable zet deze gunningen regelmatig op een rijtje.
Kinderbescherming kiest ict-partners
De Raad voor de Kinderbescherming heeft in het kader van het beleidsprogramma Beter Beschermd behoefte aan advisering, tijdelijke invulling van werkplekken en uitvoeringscapaciteit. De raamovereenkomsten hebben een minimale looptijd van drie jaar en een geschatte waarde van vijfentwintig miljoen euro.
Op 15 juli heeft KOG het volgende persbericht uit kunnen geven:
PERSMEDEDELING
Ministerie van Justitie verkent openbaarheid in rechtspraak in Personen- en Familierecht
Haarlem, 15 juli 2009
Volgens de wet worden in het personen- en familierecht de zaken in geheime processen (“met gesloten deuren”) behandeld. Het Ministerie van Justitie verkent nu een fundamentele aanpassing van die wettelijke bepaling aan de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 21 september 2006 in de zaak Moser tegen Oostenrijk.

Dit blijkt uit een mededeling van het Ministerie van Justitie, Directie Wetgeving, aan de Landelijke Organisatie Kinderen-Ouders-Grootouders (brief d.d. 14 juli, kenmerk 5611033/09/6).
Stichting KOG heeft sedert de bekendwording van de Oostenrijkse zaak de minister bestookt met brieven waarin gewezen werd op de discrepantie tussen de Nederlandse wet en de rechtsopvatting van het Europese Hof, naar nu blijkt met succes.

Het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens verbiedt geheime processen. Een inbreuk op dat verbod werd door Nederland altijd gerechtvaardigd met een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Waarom dat dan niet in de rest van het burgerlijk recht en in het strafrecht zou gelden werd nooit verklaard. Het argument van persoonlijke levenssfeer gaat voorbij aan het fundamentele belang in een democratische samenleving van openbare controle op de rechtspraak. Die openbare controle wordt nu nog in het personen- en familierecht onthouden aan burgers.

Oudergroeperingen klagen dat deze geheime processen rechteloosheid, willekeur van rechterlijke beslissingen, en totaal ontbreken van waarheidsvinding in de hand werken.
Zij signaleren te grote macht bij de Raad voor de Kinderbescherming en de Bureaus Jeugdzorg, wier “mening” vaak voldoende is als basis voor welke beslissing dan ook, met grote misstanden tot gevolg.
Wetswijziging conform het Europees Verdrag zal daar verandering in brengen.

En op 14 september hebben wij de Minister gevraagd hoe ver hij met zijn verkenning is gevorderd. Op 1 oktober is geantwoord “dat dit onderzoek inmiddels is afgerond en dat op dit moment een voorstel van wet tot aanpassing van artikel 803 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in voorbereiding is. U kunt de voortgang van het traject volgen via
www. justitie.nl /wetgeving, waar bijvoorbeeld voorontwerpen van wet worden gepubliceerd.”

Het is zeker de moeite waard al iets te doen met de brief van de Minister: vraagt u als u een zitting hebt aan de rechter om er een openbare zitting van te maken (zolang de brief nog niet op www. stichtingkog.info staat, kan het secretariaat u een kopie per post sturen).
Nodig een journalist uit die bereid is tot een smakelijk stukje. Niets werkt zo ondermijnend als je op weinig gebaseerde opmerkingen eens goed bespot te zien: dat geldt ook voor de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau jeugdzorg.


Verdere activiteiten sinds de vorige KOG-brief o.a.:

Aan de Minister voor Jeugd en Gezin
Postbus 16166
2500 BD Den Haag

Betreft: consultatie conceptwetsvoorstel Verbetering rechtspositie pleegouders
uw kenmerk JZ/GJ-2919459

Haarlem, 29 april 2009

Zeer geachte Heer,

Het conceptwetsvoorstel Verbetering rechtspositie pleegouders zou volgens stichting KOG een goed wetsvoorstel zijn wanneer het niet prematuur was, want uitgaande van een goede praktijk van de jeugdzorg. Op dit moment lijkt het ons nauwelijks verantwoord ouders van uithuisgeplaatste kinderen nog meer op afstand te zetten (niet altijd voldoende deskundigheid op het gewenste niveau en niet altijd juiste werkwijze binnen de Bureaus jeugdzorg, kinderrechters onder tijdsdruk).

In ieder geval zouden wij toegevoegd willen zien de bepaling dat het kind recht heeft op opneming in het gezin van een familielid indien die mogelijkheid bestaat (onder te brengen in een aan het nieuwe artikel 28a toe te voegen lid voorafgaand aan het eerste lid zoals in het wetsvoorstel?):
Een minderjarige wordt geplaatst in het gezin van een familielid indien die mogelijkheid bestaat.

Als dit voorstel niet wordt overgenomen, stellen wij prijs op beantwoording van de vraag die wij 14 november 2008 hebben gesteld: waarom dat onwenselijk zou zijn.

Met gevoelens van hoogachting,



Geschreven door donateur A. Balledux kon op 18 mei de volgende KOG-brief de deur uit:

Aan de Leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal

Betreft: Raad voor de Kinderbescherming en Bureaus Jeugdzorg,
Vervanging van de Normen 2000 door het Beleidskader 2009.

Aerdenhout en Haarlem, 18 mei 2009

Geachte Leden van de Tweede Kamer,

Wij hebben moeten constateren dat het Ministerie van Justitie de voor de Raad van de Kinderbescherming en deels ook voor de BJZ’s geldende Normen redelijk geluidloos heeft vervangen door veel minder expliciete en vage regelgeving die de cliënten daarmee veel minder bescherming geeft tegen willekeur.
Het Beleidskader 2009 is volgens onze informatie niet tot stand gekomen in overleg met cliëntenorganisaties. Nadere bestudering leert dat dit Beleidskader dermate vaag is dat een cliënt daar geen concrete bescherming aan kan ontlenen tegen de Raad en elke bescherming van cliënten rond onderzoeken door derden, ook in opdracht van BJZ’s, geheel is komen te vervallen nu immers bijlage 3 van de Normen 2000 (inzake inschakeling externe deskundigen) niet meer geldt.
Gevolgen: In de praktijk zien we nu bijvoorbeeld de volgende suggestieve vragen door BJZ aan een externe deskundige gesteld worden over een gezonde en werkende ouder die deze vraagstelling niet meer kan beïnvloeden:
1. Hoe is de persoonlijkheid en functioneren van vader te beschrijven op basis van psychologisch onderzoek?
2. In hoeverre is er sprake van psychiatrische problematiek bij vader en welke belemmering geeft dit in het dagelijks functioneren en handelen?
3. Zijn er (contra)-indicaties voor het stoppen van de omgangsregeling, gelet op eventuele psychische of psychiatrische problematiek bij vader?
4. Indien u adviseert om de omgangsregeling te stoppen, op welke andere wijze kan dan contact tussen dochter en haar vader vorm worden gegeven?

Een externe onderzoeker moet dan wel zeer sterk in de schoenen staan om de omgangsregeling onverkort doorgang te laten vinden nu opdrachtgever daar een duidelijke mening over geeft.

De Normen zijn destijds tot stand gekomen na de toezegging die de toenmalige Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer heeft gedaan bij de behandeling van de inmiddels van kracht zijnde wet van 13 juni 1996 (Stbl. 1996, 328), waarin de reorganisatie van de 19 raden tot één Raad voor de Kinderbescherming formeel gestalte heeft gekregen.
Bij de voorbereiding van Normen 2000 is advies gevraagd aan het toenmalige College van Advies voor de Justitiële Kinderbescherming, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming en het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht. Deze adviezen en voorstellen waren in belangrijke mate verwerkt.
Onze stellige indruk is dat het gebrek aan zorgvuldigheid waarmee het Beleidskader 2009 is ingevoerd geen recht doet aan de belangen van cliënten van de Raad en Bureaus Jeugdzorg en wij verzoeken u maatregelen te laten nemen zodat er weer evenwichtig wordt omgegaan met deze belangen. In elk geval verzoeken wij u te laten bepalen dat de bijlage 3 van de Normen nog onverkort geldt nu hier elke bescherming voor cliënten van de Raad en BJZ’s is weggevallen.

Met gevoelens van hoogachting en vriendelijke groet,

Na onze vraag op 14 september of er al een reactie van de Minister was, kwam op 17 september (gedateerd 10 september) bij het secretariaat de volgende brief binnen:
“In mijn brief van 18 juni 2009 gaf ik aan dat de vaste commissie voor Justitie uw bovengenoemde brief heeft doorgestuurd aan de minister van Justitie. Inmiddels heeft de minister schriftelijk zijn reactie gegeven. Van de inhoud van deze brief breng ik u graag op de hoogte. Ik heb dan ook een kopie ervan bijgesloten.”

De heer Balledux schreef weer een brief voor ons:

Betreft: Raad voor de Kinderbescherming en Bureaus Jeugdzorg,
Vervanging van de Normen 2000 door het Kwaliteitskader 2009, het antwoord van de Minister met kenmerk 2009D38053.

Aerdenhout en Haarlem, 25 september 2009

Geachte Leden van de Tweede Kamer,
In mei 2009 hebben wij geconstateerd dat de Minister van Justitie de voor de Raad voor de Kinderbescherming en deels ook voor de Bureaus Jeugdzorg geldende Normen heeft vervangen door veel minder expliciete en vage regelgeving die de cliënten dus veel minder bescherming biedt tegen willekeur.
Wij schreven u hier eerder over op 18 mei 2009. De Minister heeft u naar aanleiding van ons schrijven onder meer als volgt geïnformeerd in het stuk 2009D38053:
a. De verschillen zouden slechts marginaal zijn en het Kwaliteitskader zou zijn voorgelegd aan de cliëntenraden van de Raad voor de Kinderbescherming.
b. De bijlage 3 van de Normen (geldig voor zowel de Raad als de Bureaus Jeugdzorg) zou wel degelijk nog van kracht zijn en de Minister verwijst hiervoor naar een internetpagina.
De reactie van de Minister wekt onze bevreemding.

Ad a. De verschillen zijn beslist niet marginaal te noemen. De platformorganisatie heeft ons al expliciet laten weten niet geconsulteerd te zijn en ook betekent het antwoord van de Minister dat in elk geval van brede consultering geen sprake was. Wij zullen op dit punt later mogelijk meer inhoudelijk terugkomen nadat wij antwoord van de cliëntenraden hebben ontvangen op enkele concrete vragen.

Ad b. Op 14 mei 2009 heeft de Directie Voorlichting van het Ministerie van Justitie KOG naar aanleiding van vragen hierover al voordat de Minister dat deed verwezen naar deze internetpagina. Die bevatte toen echter niet de thans gegeven informatie dat de bijlage 3 van de Normen 2000 nog tot 31 december 2010 geldt en ook was de bijlage niet op de site te vinden. Juist hierom schreven wij u op 18 mei 2009. Inmiddels bevat de site de informatie dat bedoelde bijlage nog tot 31 december 2010 geldt en ook is deze bijlage thans wel opgenomen.
Deze brief gaat over deze kwestie.
Ten eerste bevreemdt het ons dat dergelijke regelgeving van de Minister die geldt voor meerdere organisaties (de Raad voor de Kinderbescherming en Bureaus Jeugdzorg) alleen terug te vinden is op een internetpagina van een organisatie die deze regelgeving uit moet voeren. Afgezien van deze in onze ogen wat vreemde situatie (in het kader van scheiding van wet- en regelgevende enerzijds en uitvoerende macht anderzijds maar ook in het kader van vastlegging van overheidsbesluiten), is het dan ook nog de vraag of deze informatie door is gekomen bij de andere organisatie, de Bureaus Jeugdzorg.
Ten tweede en bovendien bevatte deze internetpagina ten tijde van ons schrijven andere informatie. Het is op zich goed mogelijk dat de Minister bij de vervanging van de Normen 2000 door het Kwaliteitskader 2009 heeft bepaald dat bedoelde bijlage bij uitzondering nog tot 31 december 2010 zou gelden. Kennelijk beschikten degenen die de website van de Raad voor de Kinderbescherming onderhouden ten tijde van ons schrijven niet over deze kennis.
Met gevoelens van hoogachting en vriendelijke groet,


De cliëntenraden van de Raad voor de Kinderbescherming hebben op 21 september het verzoek gekregen kopie van hun advies aan de Minister aan KOG te sturen. Reacties zijn nog niet ontvangen.

De Minister van Justitie heeft dus in zijn antwoord aan de Tweede Kamer een wonderlijke uitspraak gedaan; ook de Minister voor Jeugd en Gezin wekt soms verbazing.
In 2008 gaf zijn ministerie uit de Nota Gezinsbeleid 2008 ‘De Kracht van het Gezin’.
Op 28 september 2009 hebben wij de Tweede Kamer de volgende brief geschreven:

Op 5 oktober zult u de Nota Gezinsbeleid 2008 ‘De Kracht van het Gezin’ van het Ministerie voor Jeugd en Gezin bespreken. Op pag. 67 van deze nota staat: “Is opvang in een residentiële voorziening of pleeggezin noodzakelijk, dan is dat vrijwel altijd een tijdelijke situatie.”

Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders heeft op 12 december 2008 het Ministerie gevraagd naar de cijfers die deze opmerking onderbouwen.
Na aandringen (rappel d.d. 20 februari 2009, klacht 4 mei, klacht bij de Nationale Ombudsman 20 juli) heeft het Ministerie op 18 augustus laten weten: “Ik kan u berichten dat cijfers van het aantal terugplaatsingen niet beschikbaar zijn.” (zie bijlage 1)

Vervolgens heeft KOG alle 15 bureaus jeugdzorg op 28 augustus als volgt aangeschreven:
“Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders zou graag weten in welk percentage van de uithuisplaatsingen waarbij Bureau Jeugdzorg … met de ondertoezichtstelling was belast:
kinderen terug zijn gegaan naar hun ouders in 2007 en in 2008,
het gezag van de ouders is beëindigd in 2007 en in 2008.”
Tot heden hebben 9 Bjz’s gereageerd:
Bjz Zeeland geeft per e-mail op 4 september de volgende cijfers:

aantal jeugdigen dat één of meer dagen uit huis is geplaatst Aantal jeugdigen terug naar ouders % terug naar ouders Aantal jeugdigen waarvan het gezag van de ouders is beëindigd % gezag ouders beëindigd
2007 429 72 16,78% 7 1,63%
2008 446 76 17,04% 9 2,02%


5 Bjz’s hebben een ontvangstbevestiging gestuurd
1 Bureau jeugdzorg heeft een afspraak gemaakt voor een gesprek
2 Bjz’s hebben gemeld deze cijfers niet bij te houden.
De MO-groep geeft op de website de cijfers van de duur van de plaatsing van alle beëindigde plaatsingen in 2008 (bijlage 2).

“Vrijwel altijd een tijdelijke situatie”: een uithuisplaatsing wordt voor de duur van maximaal 1 jaar uitgesproken en kan steeds verlengd worden tot de meerderjarigheid, in die zin is een uithuisplaatsing een tijdelijke situatie. Een lezer stelt zich bij ‘vrijwel altijd tijdelijk’ iets anders voor dan in 17% van de gevallen (Zeeland) of in 79% (MO-Groep).

De nota klinkt aanvankelijk hoopgevend: familie kies je niet uit, je hoort onvoorwaardelijk bij elkaar; daarom wil de overheid gezinnen versterken; wil het kabinet investeren in een gezinsvriendelijk beleid. Maar ervoor zorgen dat de zinnen op pag. 67 realiteit worden vraagt maatregelen: “dan is de eerste optie ervoor te zorgen dat het gezin weer een gezin wordt waar het kind veilig kan opgroeien. Is opvang … noodzakelijk, dan is dat vrijwel altijd een tijdelijke situatie.”
De werkelijkheid is vaak dat niemand de verantwoordelijkheid durft dragen voor “ervoor zorgen dat het gezin weer een gezin wordt waar het kind veilig kan opgroeien”.
Bureau jeugdzorg neemt dan het zekere voor het onzekere en acht “opvang noodzakelijk”. Tijdens het casusoverleg met de Raad voor de Kinderbescherming spreekt men af dat er een machtiging tot uithuisplaatsing aan de Kinderrechter zal worden verzocht. Bureau jeugdzorg legt de verantwoordelijkheid bij de Raad voor de Kinderbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming doet geen eigen onderzoek maar neemt ook het zekere voor het onzekere en legt de verantwoordelijkheid bij de Kinderrechter. De Kinderrechter vaart vervolgens vaak blind op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (die expliciet niet aan waarheidsvinding doet).
De maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de Bureaus jeugdzorg hun werk goed kunnen doen, zouden in ieder geval moeten omvatten:
- doorbreking van de monopoliepositie van de Bureaus jeugdzorg
- openbaarmaking van de resultaten van de Bjz’s op hun websites zoals bij de ziekenhuizen
- een in de wet verankerd recht op een Eigen Kracht-conferentie
- scholing van de medewerkers van de Bjz’s
- verplichte aansluiting bij een beroepsgroep van de medewerkers van de Bjz’s
- zittingen bij de Kinderrechter niet langer achter gesloten deuren (dit heeft de Minister van
Justitie al toegezegd in zijn brief aan stichting KOG d.d. 14 juli 2009).
Wij hopen dat u de nota Gezinsbeleid 2008 ‘De Kracht van het Gezin’ zult bezien op realiteits- en wensgehalte.


Bestookt u toch vooral televisierubrieken en kranten met uw reacties en uw verhalen!
En vergeet u de politieke partijen niet. We zien niet veel resultaat, maar de enige manier om iets te veranderen is toch schrijven en schrijven en schrijven.

Van MIJN kind??! is in 2009 de tweede oplage gedrukt.
Bestellen: alicejansen @ planet.nl € 6 per stuk (donateurs € 4) + verzendkosten.

In november komt er van Truus Barendse een tweede boek, in de reeks van Ouders Online:
De jungle van de jeugdzorg, overlevingspakket voor ouders.
ISBN 978 90 8850 091 6 prijs ongeveer € 18,50.