![]() |
||||
|
||||
|
|
Stichting KOG
2008 Bericht 1 maart 2008 Beste mensen, Het eerste wat wij u in 2008 vragen is een advocaat met wie u goede ervaringen hebt. Wij worden vaak gebeld met de vraag wie wij in een bepaalde regio aanbevelen, en meestal hebben wij geen antwoord. Op 13 december hebben Truus Barendse en Alice Jansen in Den Haag de door de Vereniging voor Familie- en Jeugdrecht georganiseerde studiedag ‘Herziening wetgeving kinder-beschermingsmaatregelen’ bezocht. Op de deelnemerslijst stonden nogal wat advocaten. Het is dus niet uitgesloten dat deze iets van jeugdrecht weten. Van de volgende hebben wij plaatsnaam en telefoonnummer gevonden op www.alleadvocaten.nl Amersfoort, 033-4634636 Labee Advocaten, mw mr A.M.C. Leloux en mw mr D.A. Putker Den Haag, 070-3235825 Advocatenkantoor Dijkgraaf, mw mr M. Braat Den Haag, 070-3469692 Hofdijk & De Jong, Van Gorkum en mw mr M.J.A. Grimmelikhuijsen Den Haag, 070-4153016 Kaiser Van Steijn Advocaten, mr P.C. Kaiser Goes, 0113-212002 Dietvorst & Te Braake Advocaten, mr G. Veen Haarlem, 023-7510930 Dammers Pluis Goppel Advocaten, mw mr E.A.J. Verschuur Maastricht, 043-3260606 Tripels Advocaten, mw mr W.E. Schoufs Rotterdam, 010-4650966 Advokatenkollektief Rotterdam, mr R.H.P. Feiner Rotterdam, 010-4866544 Buise Advocaten, Mw mr P.V. Hubner Rotterdam, 010-4111280 Rietbergen & Partners Advocaten, mw mr M.P.G. Rietbergen Rotterdam, 010-4850588 Schwab Advocaten bv, mr H. Schwab Rotterdam, 010-2666666 SmeetsGijbels bv, mw mr C.L.M. Smeets Rotterdam, 010-4111280 Rietbergen en Partners, mw J. Smits Utrecht, 030-2733667 Advocatenkantoor Pubben, mr F. Pubben Vlissingen, 0118-412877 VSW Advocaten, mw M.W.A. Verhaard Wij hebben geen ervaring met deze advocaten. Dit is dus geen aanbeveling, maar zij waren er! Als u te maken hebt gehad met een van deze advocaten, positief of negatief, wilt u het dan melden aan het secretariaat: 023 5 32 12 23, kog@upcmail.nl In het november-nummer 2007 van FJR, het maandblad van de Vereniging voor Familie- en Jeugdrecht, werd verslag gedaan van een rechtszaak die ouders hadden aangespannen tegen mensen die een melding over hun kinderen hadden gedaan bij een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (bureau jeugdzorg). Het AMK had een onderzoek gedaan, vastgesteld dat er niets aan de hand was, en dat aan de melders laten weten. Het AMK schrijft: “Tevens bieden wij u onze oprechte verontschuldigingen aan voor het feit dat AMK in haar brief van 11 oktober 2005 uw namen als melders bekend heeft gemaakt bij het door u gemelde gezin. Dit laatste had nooit mogen gebeuren, daar u in 2002 anoniem een melding heeft gedaan.” De ouders hebben smartengeld geëist “vanwege het doen van een valse melding van kindermishandeling”. De rechter schrijft in zijn beschikking: “De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het bestaan van een vordering van eisers op gedaagden uit hoofde van onrechtmatig handelen voorshands niet aannemelijk is geworden. … Eisers hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat er sprake is van een valse beschuldiging van mishandeling door gedaagden. Laatstgenoemden hebben echter uitdrukkelijk betwist dat zij een melding van mishandeling bij het AMK hebben gedaan – volgens gedaagden hebben zij slechts hun zorg omtrent de gezinssituatie van eisers gemeld bij het AMK – terwijl eisers geen enkel bewijs hebben overgelegd, waaruit volgt dat gedaagden een melding van mishandeling hebben gedaan. Uit de brief van het AMK aan gedaagden … lijkt eerder het tegendeel te volgen. Hierin wordt namelijk gesproken over ‘geuite zorgen’, en niet over een melding van mishandeling. … Het doen van zo’n melding is niet onrechtmatig, ook niet als achteraf blijkt dat van mishandeling geen sprake was. Van een onrechtmatige melding van kinder-mishandeling is pas sprake indien blijkt dat er opzettelijk een valse beschuldiging van kindermishandeling is gedaan. …” In een noot schrijft de redactie: “Er is veel kritiek over de huidige kwaliteit van de advocatuur in de verschillende arrondissementen. Nu moet gezegd worden dat het familierecht er in de loop der jaren niet makkelijker op is geworden, dat merken wij als jurisprudentieverzamelaars/bewerkers ook terdege. Maar de hierboven weergegeven uitspraak laat mijns inziens duidelijk zien hoe het in de advocatuur niet moet en voedt dus die kritiek. Dat is te betreuren. Er zou geen enkele discussie over moeten zijn, en die discussie zou een advocaat ook niet moeten aanzwengelen, dat het doen van een melding over zorgen rond een opvoedingssituatie rechtmatig is. … Advocaten hebben zeer zeker ook een belangrijke taak rechtzoekenden voor te houden wat wel en vooral ook wat niet mogelijk en/of haalbaar is …” Dat is ons uit het hart gegrepen. Helaas menen veel advocaten dat een strijd tegen de raad voor de kinderbescherming of tegen een bureau jeugdzorg niet haalbaar is. En dat is een pessimisme dat wij niet delen. Niet haalbaar? Niet haalbaar als de advocaat niet bereid is heel veel werk te verzetten, o.a. alles bij iedereen opvragen en het geschrevene toetsen. Hij moet alles toetsen, want de rechter doet het vaak niet, die vaart soms blind op wat de instanties hem aanleveren. De ouders kunnen een deel van het werk doen, maar dan is het dus nodig dat de advocaat werkelijk tot samenwerking bereid is. Geef ons uw goede ervaringen met advocaten door!! In de KOG-berichten nummer 2 en 3 van 2007 hebt u gelezen over “uithuisplaatsingen” op eigen verzoek van 16- en 17-jarigen zonder machtiging kinderrechter, op grond van een gedragslijn voor de bureaus jeugdzorg, uitgegaan van het ministerie van minister Rouvoet. Van alle bureaus jeugdzorg is er maar één (Groningen) dat zich gewoon aan de wet houdt: een uithuisplaatsing waar de ouders het niet mee eens zijn kan alleen met machtiging van de kinderrechter. Alle andere bureaus jeugdzorg schrijven ongeveer aan KOG: wij maken gebruik van de vrijheid die wij nu hebben gekregen. Na drie brieven van KOG aan de minister is er nu op 14 december 2007 een reactie: “U brengt dit voornemen in uw brieven in verband met uithuisplaatsingen, als zou bureau jeugdzorg daarmee de bevoegdheid krijgen op eigen gezag uit huis te plaatsen. Die bevoegdheid heeft en krijgt bureau jeugdzorg evenwel niet. … De situatie is aldus. Het bureau jeugdzorg kan bijvoorbeeld een indicatiebesluit verblijf, zonder instemming van de ouders vaststellen op verzoek van een jeugdige van 12 jaar tot 16 jaar. Daarmee krijgt de jeugdige een aanspraak op jeugdzorg die hij tot gelding kan brengen. Dit neemt niet weg dat de feitelijke uithuisplaatsing, dus de effectuering van het besluit, niet zo maar kan. Daarvoor is ingevolge het Burgerlijk Wetboek een machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter vereist. … Ik hoop aldus uw zorg weggenomen te hebben. Enerzijds wordt met de Wet op de jeugdzorg beoogd de positie van het kind te versterken, anderzijds kan een uithuisplaatsing die tegen de wil van de ouders is, nooit zonder tussenkomst van de rechter worden gerealiseerd.” Wij vonden dit een prachtig slot van 2007. Wij wilden natuurlijk wel graag dat deze mededeling niet alleen aan KOG, maar vooral ook aan de bureaus jeugdzorg gedaan werd. Daarom hebben wij de volgende brief gestuurd: Aan de Minister voor Jeugd en Gezin, Zijne Excellentie Mr A. Rouvoet Postbus 16166 2500 BD Den Haag Betreft uw brief aan stichting KOG d.d. 14 december 2007, kenmerk DJB/JZ-2806944 Haarlem, 28 december 2007 Zeer geachte Heer, Uw brief van 14 december 2007 is door het bestuur van Kinderen-Ouders-Grootouders met vreugde gelezen. Met name de volgende passage: “Het bureau jeugdzorg kan bijvoorbeeld een indicatiebesluit verblijf, zonder instemming van de ouders vaststellen …. Dit neemt niet weg dat de feitelijke uithuisplaatsing, dus de effectuering van dat besluit, niet zo maar kan. Daarvoor is ingevolge het Burgerlijk Wetboek een machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter vereist.” U schrijft: “Ik hoop aldus uw zorg weggenomen te hebben. Enerzijds wordt met de Wet op de jeugdzorg beoogd de positie van het kind te versterken, anderzijds kan een uithuisplaatsing die tegen de wil van de ouders is, nooit zonder tussenkomst van de rechter worden gerealiseerd.” U hebt hiermee een begin gemaakt met het wegnemen van onze bezorgdheid. Bij deze brief vindt u kopie van de brief van KOG aan de bureaus jeugdzorg d.d. 10 augustus 2007, aan de Colleges van Gedeputeerde Staten d.d. 10 augustus 2007, en van de reacties die wij hebben ontvangen. Ook vindt u kopie van het verslag van een gesprek tussen een Gedeputeerde van een provincie met een vader van een zonder toestemming van de rechter of de ouders uit huis geplaatst kind, en van een brief van deze Gedeputeerde aan deze vader. Ik verzoek u dan ook de bureaus jeugdzorg een verheldering te zenden van de gedragslijn zoals verwoord in uw brief aan de MOGroep van 25 april 2007, in lijn met uw brief aan KOG van 14 december 2007. Daarmee zult u inderdaad onze zorg wegnemen! Mogen wij kopie van uw brief aan de bureaus jeugdzorg ontvangen? Met gevoelens van hoogachting, (Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris) In kopie aan het bestuur van de Maatschappelijk Ondernemersgroep de bureaus jeugdzorg en drie landelijk werkende instellingen de Colleges van Gedeputeerde Staten van de Provincies de Hoofdinspectie Jeugdzorg de Algemeen Directeur van de raad voor de kinderbescherming de Commissie voor Jeugd en Gezin van de Tweede Kamer de fractie van de ChristenUnie in de Tweede Kamer En op 7 februari doet het ministerie van Minister Rouvoet wat wij hadden gevraagd: naar “alle BJZ en provincies, LBIO, IPO, VNG, MOgroep” gaat een brief. “Bijgaand doe ik u toekomen een afschrift van mijn brief van 14 december 2007 (DJB/JZ-2806944) aan de Landelijke Organisatie Kinderen-Ouders-Grootouders inzake mijn voornemen om artikel 71, eerste lid, onderdeel 4 van de Wet op de jeugdzorg te schrappen. (er hoeft niet betaald te worden voor een wegloper na een briefje aan het LBIO, KOG) …In mijn brief aan de Landelijke Organisatie Kinderen-Ouders-Grootouders geef ik aan … dat voor de feitelijke uithuisplaatsing een machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter vereist is. …” KOG heeft er op 28 februari voor gezorgd dat deze duidelijke uitspraak ook terecht kwam bij de Inspectie, de Raad voor de Kinderbescherming en AJL, SGJ en William Schrikker. EEN CONCREET RESULTAAT, het is bijna niet te geloven! Inmiddels had KOG zich bezig gehouden met de komende wijziging van de Wet op de Jeugdzorg. Men zal, als alle plannen doorgaan, makkelijker een ots krijgen en een uit huis geplaatst kind moeilijker weer thuis krijgen, nog afgezien van de rest. In Perspectief van december 2007 stond een artikel hierover n.a.v. de rechtszaak tegen de gezinsvoogd van het meisje Savanna. Een citaat: “De rechtbank staat lang stil bij de gekozen werkwijze van de gezinsvoogd: “Verdachte heeft zich bij twijfels over de blauwe plekken van Savanna steeds verlaten op de -…-verklaringen die de moeder van Savanna daarvoor had. … aangegeven beschikbare informatie uit het verleden en dus de kennisneming daarvan beperkt relevant te vinden voor haar werk als gezinsvoogd.” In de afwijzing van dergelijke gedragingen wordt het vonnis van de rechtbank meer dan een aanbeveling om de werkwijze van Bjz (sterk) te verbeteren. Ook omdat Bjz het zich kan blijven permitteren om de besluitvorming in handen te laten van mensen die niet direct bij het primaire proces betrokken zijn. De meerderheid van de besluitvormers binnen Bjz ziet geen kinderen en gezinnen meer, maar neemt besluiten op basis van argumenten die schriftelijk en mondeling worden aangereikt door de gezinsvoogd. Een gezinsvoogd neemt geen zelfstandige besluiten. Een gezinsvoogd draagt de argumenten aan die moeten leiden tot de besluitvorming. Besluiten worden gezamenlijk genomen door de werkbegeleider, de gedragsdeskundige en de gezinsvoogd. In politiek gevoelige en/of voor de pers interessante dossiers neemt ook het afdelingshoofd deel aan de besluitvorming. … De rechtbank bepleit om zoveel meer te doen dan de gezinsvoogd nu gedaan heeft. Het gaat om een betere inschatting van de (gevaars)positie van het kind, om een betere afweging van de (gevaars)criteria voor het kunnen uitoefenen van het ouderschap, een sterke verbetering van de collegialiteit en de samenwerking met overige hulpverleners en een verbetering van de individuele dan wel gezamenlijke besluitvorming. Dat is volledig in overeenstemming met het kiezen voor de principes van ‘Kinderen eerst ..’. De rechtbank heeft gesproken op 16 november 2007. Op 20 november 2007 heeft de wetgever al laten weten dat hij de boodschap van de rechtbank in het onderhavige vonnis dubbel en dwars begrepen heeft. Er is een wetswijziging aangekondigd, waarin het beschermen van de kinderen voorrang krijgt boven de ondersteuning van de ouders. Hèt argument voor Bureau Jeugdzorg om met die gedragsverandering en nieuwe werkwijze vanaf vandaag te beginnen.” In dit kader is de volgende brief geschreven: Aan de Minister voor Jeugd en Gezin Aan de Minister van Justitie Haarlem, 22 februari 2008 Zeer geachte Minister voor Jeugd en Gezin, Zeer geachte Minister van Justitie, Tijdens de door het Programmaministerie voor Jeugd en Gezin georganiseerde bijeenkomst ‘Beter Beschermd’ op 26 november 2007, heeft mr drs Jeanette Kok expliciet verzocht om reacties op de concept wetswijzigingen in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming. Het bestuur van stichting Kinderen-Ouders-Grootouders heeft in zijn vergadering van 8 januari 2008 daarom besloten het volgende onder uw aandacht te brengen. Memorie van toelichting 1. Inleiding Alinea 2: “Enerzijds zijn er de belangen van de ouders die de plicht en het recht hebben om hun kinderen te verzorgen en op te voeden op een wijze die zij aangewezen achten. Anderzijds is er het belang van het kind bij een opvoeding en verzorging die aan bepaalde minimumvoorwaarden voor een voorspoedige ontwikkeling voldoet. In het Verdrag …” Ouders echter komen niet op voor hun eigen belangen. Ouders komen op voor hun kind. Het beeld dat hulpverleners hebben van ouders wordt bepaald door hun slechtste ervaringen, de uitzonderingen. Hun beeld van de hulp daarentegen wordt bepaald door het ideaalbeeld. Daar wordt het beleid op afgestemd. Het ideaalbeeld van de hulp wordt gezet naast gezinnen die een uitzondering zijn. Alinea 3 vervolgt: “De overheid heeft krachtens het IVRK de plicht…, maar moet hierbij wel het in het EVRM opgenomen recht op een ongestoord familie- en gezinsleven respecteren. Dat is anders wanneer er sprake is van opvoed- en opgroeiproblemen … en de ouders de aangeboden ondersteuning weigeren. Dan is de overheid ook verplicht om – in het belang van het kind – een kinderbeschermingsmaatregel te treffen …” “De aangeboden ondersteuning” zou bij ideale hulpverlening zeer goede ondersteuning zijn. Ouders die opkomen voor hun kind, problemen wel degelijk zien en ondersteuning wensen, kunnen echter goede redenen hebben om “de aangeboden ondersteuning” te weigeren. Het is deze kijk op ouders (opkomend voor hun eigen belang) en hulpverlening (opkomend voor het belang van het kind) die het zicht vertroebelt op de realiteit. 3. De context van het wetsvoorstel Alinea 6: “In deze werkwijze staat een doelgerichte, op het wegnemen van de zorgen die de aanleiding waren voor de maatregel, uitvoering van de ondertoezichtstelling centraal.” Wij hopen toch dat de bedoeling is: op het wegnemen van de feiten en omstandigheden waarover men zich zorgen maakte en die aanleiding waren voor de maatregel, gerichte … . 4.1 De ondertoezichtstelling Alinea 1: “De nieuwe grond biedt de mogelijkheid om ook kinderen met relatief lichte problemen onder toezicht te stellen.” - Ondertoezichtstelling van kinderen met relatief lichte problemen lijkt in strijd met de door de wetgever beoogde vraaggestuurde jeugdzorg. Bij relatief lichte problemen waarvoor gedwongen hulp gegeven zou worden zijn immers noch minderjarige noch ouders hulpvrager. - Gedwongen hulp voor relatief lichte problemen lijkt bovendien in strijd met art. 8 EVRM en artt. 5 en 18,1 IVRK. Sharon Detrick schrijft in haar proefschrift op pag. 802: “In artikel 18 lid 1 is vastgelegd dat ouders of … de eerste verantwoordelijkheid hebben voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Volgens de travaux préparatoires is hiermee bedoeld aan te geven dat de Staten die partij zijn ouders moeten beschermen tegen te zwaar ingrijpen door de Staat … .” (A commentary on the United Nations Convention on the Rights of the Child; VU-proefschrift 1999. ISBN 90-411-1229-4) 4.3 Hiërarchie in bevoegdheid indienen verzoekschrift Alinea 1: “Voorts dient de rechter erop te kunnen vertrouwen dat het onderzoek … qua totstandkoming en qua inhoud rechtmatig is.” Rechtmatig is niet voldoende: onderzoeken i.v.m. ots en gezag dienen zeer deskundig en volstrekt integer te zijn uitgevoerd. 4.5 Geschillenregeling KOG betreurt zeer dat de geschillenregeling niet meer is dan uitbreiding van de groep die zich tot de kinderrechter kan wenden, met bovendien de drempel van de verplichte procureur. Aan de vrees dat “ieder klein geschil” aan de kinderrechter zal worden voorgelegd (bestaat er zoiets als een klein geschil i.v.m. iemands kinderen?) kan worden tegemoet gekomen door een bedrag te laten betalen, veel kleiner dan mensen aan een advocaat kwijt zijn. Als degene die het geschil voorlegt door de rechter in het gelijk wordt gesteld, ontvangt hij dit bedrag terug; een en ander zoals gebruikelijk bij de zeer vele geschillenregelingen die wij kennen. 5. Positionering raad voor de kinderbescherming en het bureau jeugdzorg Alinea 3: “Voorts dient de rechter erop te kunnen vertrouwen dat het onderzoek dat is verricht teneinde het verzoekschrift te kunnen onderbouwen qua totstandkoming en qua inhoud rechtmatig is.” Rechtmatig is niet voldoende: onderzoeken i.v.m. ots en gezag dienen zeer deskundig en volstrekt integer te zijn uitgevoerd (zie 4.3). 6.1 Noodzaak aanvullende regeling / 6.3 Aanvullende regeling gegevensverwerking ondertoezichtstelling 6.1 alinea 3: “Door de staatssecretaris van VWS is naar aanleiding van … aangegeven dat een gezinsvoogdijwerker goed geïnformeerd moet zijn over de situatie waarin het kind verkeert en met name de achtergrond van de opvoeders.” 6.3 alinea 1: “Door de voorgestelde regeling wordt het gezag van de ouders … beperkt, namelijk ten aanzien van het geven van toestemming voor de verwerking van gegevens die … de persoon van een ouder of voogd betreffen …” ‘een ouder of voogd’, nu niet ‘opvoeders’? Dit geeft verwarring. Informatie over de achtergrond of de persoon van ouders/opvoeders is niet hetzelfde als informatie over hun handelen ten opzichte van hun kind. Opvoedingssituaties dienen beoordeeld te worden op de realiteit, op feiten en omstandigheden, niet op waarschijnlijkheid. 7. Artikelen Artikel 255 Eerste lid Alinea 1: “Hierdoor wordt het mogelijk om ook minderjarigen onder toezicht te stellen met relatief lichte problemen.” Zie de vorige pagina onder 4.1. Alinea 3: “In de grond is opgenomen dat het moet gaan om zorg die niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, … . De voorgestelde formulering verduidelijkt dat de grens tussen hulp in vrijwillig of gedwongen kader ligt bij de acceptatie van de benodigde zorg.” Ook ouders die opkomen voor hun kind, problemen wel degelijk zien en ondersteuning wensen, kunnen goede redenen hebben om met instanties van mening te verschillen over “de benodigde zorg”. Bureau jeugdzorg wordt een fuik, wanneer verschil van mening over benodigde zorg zelfs bij relatief lichte problemen een maatregel van kinderbescherming ten gevolge kan hebben. De wet kweekt dan zorgmijders. Derde lid Alinea 2: “Het doel van de ondertoezichtstelling is: de zorgen weg te nemen die de aanleiding zijn of kunnen worden voor de opvoed- en opgroeiproblemen.” Waarschijnlijk is bedoeld: Het doel … is: de opvoed- en opgroeiproblemen weg te nemen die de aanleiding zijn voor zorgen. (“of kunnen worden” zet bovendien de sluizen voor gedwongen hulp wel erg ver open.) “De kinderrechter zou in zijn beschikking …, dan ook kunnen volstaan met het opsommen van de zorgen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling.” De kinderrechter moet in zijn beschikking de feiten en omstandigheden noemen op grond waarvan hij een ondertoezichtstelling uitspreekt. Zorgen, in combinatie met een raad voor de kinderbescherming die uitdrukkelijk waarheidsvinding niet tot zijn taak rekent, zijn geen grond voor een ondertoezichtstelling. Alinea 5: “Het benoemen van de doelen voor de ondertoezichtstelling in de beschikking van de kinderrechter op het hier beschreven abstractieniveau komt tegemoet aan de wens naar duidelijkheid over de voorwaarden waaronder de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd.” Abstracties in een beschikking lokken uiteenlopende interpretaties uit. Hoewel het aan de gezinsvoogdijwerker is “de context te bieden die de betrokkenen in staat stelt de geconstateerde bedreigingen … het hoofd te bieden”, wordt zijn werk verzwaard door een weinig feitelijke beschikking. Zo concreet mogelijke beschikkingen zijn in ieders belang. Artikel 264 Zie over de verplichte procesvertegenwoordiging pag. 2 van deze brief. Artikel 265g Alinea 2: “… kan de weigering van instemming op bepaalde terreinen negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de minderjarige. Soms hebben ouders principiële bezwaren en weigeren zij om die reden hun toestemming voor bijvoorbeeld inschrijving op een speciale school, soms hebben zij ook weinig energie om hun medewerking te verlenen. Het kost in deze situaties te veel tijd om de belangen van de minderjarige op die punten veilig te stellen. … Het gaat om de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling, het geven van toestemming voor een medische behandeling en …” Als een bureau jeugdzorg van mening is dat er beslist iets moet gebeuren met een kind, is er naast het instrument van de schriftelijke aanwijzing de vervangende toestemming van de kinderrechter. Het lijkt de weg van de minste weerstand om eenvoudigweg het gezag van de ouders over te dragen op specifieke punten. Hoe vaak hebben zaken zulke vliegende haast? Artikel 265l Alinea 2: “Het eerste en tweede lid bepalen dat het bureau jeugdzorg toestemming behoeft van de raad voor de kinderbescherming voor het doen van een verzoek tot het opheffen van de ondertoezichtstelling, het niet verlengen van de ondertoezichtstelling of de machtiging tot uithuisplaatsing of een tussentijdse beëindiging uithuisplaatsing.” Als een ondertoezichtstelling wordt opgeheven voordat de machtiging was verlopen is er een verzoek van bureau jeugdzorg en een beslissing van de kinderrechter. Waarom zou de raad voor de kinderbescherming hier als derde een taak in moeten hebben? Bij niet verlengen van de ondertoezichtstelling of de machtiging tot uithuisplaatsing zegt een bureau jeugdzorg dat de kinderrechter de tijd goed had ingeschat. De rechter plaatste voor een aantal maanden uit huis, bureau jeugdzorg vindt langer inderdaad niet nodig: waarom zou de raad voor de kinderbescherming hier ook nog een taak in moeten hebben? De tussentijdse beëindiging uithuisplaatsing is de enige beslissing waar optreden van de raad voor de kinderbescherming zou voorkomen dat een bureau jeugdzorg als enige beslist. Artikel 265m Zie over de verplichte procesvertegenwoordiging pag. 2 van deze brief. Artikel 266 Eerste lid Ouderlijke verantwoordelijkheid verzorging en opvoeding van hun kind (onder a) Alinea 6: “Overigens betekent een beëindiging van het gezag niet dat de ouders geen rol meer in het leven van hun kind spelen. … De ouders behouden hun onderhoudsplicht …” Onderhoudsplicht zonder gezag?!! Misbruik van gezag (onder b) “Met misbruik van gezag wordt gedoeld op een schending van plichten van de ouders door nalatigheid en door daden. Voorbeelden zijn het onthouden van onderwijs aan het kind of …” KOG mist bij de voorbeelden het (veel vaker dan het onthouden van onderwijs voorkomende) onthouden van een eigen relatie met de tweede ouder. Deze vorm van misbruik van gezag verdient een eigen formulering in de wet. Nederland zou daarmee beter voldoen aan artt. 8, 9 en 18 IVRK. Artikel 267 Met het oog op misbruik van gezag door een kind een eigen relatie met de tweede ouder te onthouden dient ook een ouder bij wie een kind niet woont een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel bij de rechter te kunnen indienen. Op 21 september 2006 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Moser tegen Oostenrijk als zijn oordeel gegeven, dat sprake is van schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij het ontbreken van een openbare terechtzitting. Artikel 6 spreekt in lid 1 van “een eerlijke en openbare behandeling”. In Nederland worden in familie- en jeugdrecht ouders en kinderen beschermd in hun privacy door de gesloten deuren van de rechtszaal. Een openbare zitting beschermt ouders en kinderen tegen toepassingen van het recht zonder publieke controle. Door aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op dit punt kan Nederland voldoen aan dit nieuwe EHRM-element en tevens ouders en kinderen zoveel mogelijk beschermen in hun privacy, door openbaarheid tot norm te maken en gesloten deuren van de rechtszaal tot uitzondering. De rechter zou tot deze uitzondering kunnen besluiten op verzoek van een ouder of een kind. Dan wordt zoveel mogelijk voorkomen dat iemands privacy wordt beschermd terwijl hij zelf de voorkeur geeft aan openbaarheid. Om deze situatie te bereiken moeten in ieder geval artikel 18 lid 2 en artikel 429g lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering enigszins worden uitgebreid. Het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg artikel 29 lid 3 zegt, dat bij regeling van Onze Ministers regels kunnen worden gesteld over de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten enzovoort. In FJR 2008 nummer 1 staat (‘Provinciale aansturing van Bureau Jeugdzorg, annotatie bij Rechtbank Arnhem 24 augustus 2007, sector bestuursrecht, LJN BB2288’ van prof. mr drs M.R. Bruning): “De eisers bij de Rechtbank Arnhem voeren ten aanzien van deze knelpunten aan dat de gesignaleerde problemen bij Bureaus Jeugdzorg in heel Nederland spelen, … . Dat klopt: … kwaliteitssystemen staan bij Bureaus Jeugdzorg nog in de kinderschoenen en de indicatiestelling behoeft verbetering. Dat pleit er echter niet voor dat de provincie Utrecht daarom minder kritisch … had moeten zijn … . ” Door de kennis en kunde te optimaliseren van iedereen die werkzaam is of wil zijn op het terrein van kinderbescherming zal Nederland beter voldoen aan artt. 3 en 4 IVRK. Met gevoelens van hoogachting, (Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris) in kopie aan de leden van de Commissie voor Jeugd en Gezin en de Commissie voor Justitie Op deze brief, waarop inmiddels de PvdA heeft gereageerd met een uitnodiging voor een gesprek op 2 april, hebben wij nog een aanvulling gestuurd: Aan de Minister voor Jeugd en Gezin Aan de Minister van Justitie Haarlem, 13 maart 2008 Zeer Geachte Minister voor Jeugd en Gezin, Zeer Geachte Minister van Justitie, In aanvulling op de brief van stichting Kinderen-Ouders-Grootouders d.d. 22 februari 2008 aan u beiden breng ik de volgende twee punten (nogmaals) onder uw aandacht: A Het voorgenomen elektronisch kinddossier van alle kinderen, met daarin hun risicoprofiel en gegevens over hun ouders, beschouwt stichting KOG als een disproportionele schending van de privacy. Wij maken geen bezwaar tegen het koppelen van bestanden als het gaat om echte probleemkinderen. Hun leven is belangrijker dan hun privacy. Maar dat betekent niet dat de overheid van alle kinderen een dossier moet gaan aanleggen. Nu het lijkt dat dit toch gaat gebeuren, zou aan twee voorwaarden moeten worden voldaan: 1. Mensen moeten recht hebben de informatie die over hen of hun kinderen wordt verwerkt in te zien en te corrigeren, en ze moeten daar een reële mogelijkheid toe hebben. Ze moeten dus worden gewaarschuwd dat er informatie wordt verwerkt en dat zij inzage- en correctierecht hebben. 2. De wet dient een bepaling te bevatten die deze na een vooraf vastgestelde periode buiten werking stelt. Wil de overheid de bevoegdheden na deze periode handhaven, dan zal de regering dus het parlement ervan moeten overtuigen dat met de wet het doel daarvan wordt bereikt. Dat dwingt de regering om scherp te formuleren wat zij wil bereiken, en biedt het parlement een instrument om te kijken of de wet werkt. B Het elektronisch kinddossier impliceert dat de staat over de schouder van de ouders moet meekijken, dus dat de staat het beter weet. De staat die veel wil weten van zijn burgers voor hun eigen bestwil moet die pretenties wel waar kunnen maken. Ik herhaal hier dan ook wat KOG geschreven heeft op 22 februari: Het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg artikel 29 lid 3 zegt, dat bij regeling van Onze Ministers regels kunnen worden gesteld over de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten enzovoort. Prof. Mr drs M.R. Bruning schrijft in FJR 2008 nummer 1 dat kwaliteitssystemen bij bureaus jeugdzorg nog in de kinderschoenen staan en de indicatiestelling verbetering behoeft. Door de kennis en kunde te optimaliseren van iedereen die werkzaam is of wil zijn op het terrein van kinderbescherming zal Nederland beter voldoen aan artt. 3 en 4 IVRK. Met gevoelens van hoogachting, (Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris) In kopie aan de Commissie voor Jeugd en Gezin de Commissie voor Justitie het College Bescherming Persoonsgegevens Niet alleen het KOG-bestuur, ook een KOG-donateur heeft de Tweede Kamer benaderd. Op 11 maart heeft hij de volgende mail gestuurd aan mevrouw De Pater (CDA): Inzake wetsvoorstel 30657: Tijdelijk huisverbod. Geachte mevrouw de Pater, N.a.v. uw site http://pater.cda.nl/huiselijk+geweld.aspx en het feit dat u contactpersoon bent rond huiselijk geweld kwesties het volgende. Wellicht bent u bekend met het grote aantal leugens dat door menig ouder in echtscheidings-situaties wordt gebezigd. Bij dit wetsvoorstel vrees ik met grote vreze dat dit op grote schaal zal worden misbruikt. In mijn situatie was mijn ex zelf degene die geweld pleegde, alcohol misbruikte en valse aangiftes deed o.a. van geweld nadat ze zeer beschadigd bij de politie verscheen. De politie heeft geen enkele inspanning gedaan om mijn aangiftes te onderzoeken (ik moest mijn gelijk maar halen via het Gerechtshof in een artikel 12 procedure) terwijl haar aangiftes na lang verhoor en onderzoek pas geseponeerd werden. Haar verwondingen bleken van het vallen van de fiets in dronken toestand te komen etc. Mijn kind bleek ze bewerkt te hebben voor haar valselijke beschuldigingen van incest. Hoe zou dit gelopen zijn als dat Wetsvoorstel toen al Wet zou zijn? Hoogstvermoedelijk was ik het huis uitgezet. Terwijl zij in feite de agressor was. Ik verzorg de dochter weer waar het om ging en moeder heeft nu begeleide omgang. Zij wordt na 4 jaar vervolgd maar dat moet nog voorkomen. Het duurt allemaal ontzettend lang voordat politie en justitie door hebben hoe de vork werkelijk in de steel zit. En die wilden haar misdaden onbestraft laten ook. Het Gerechtshof stak daar terecht een stokje voor. Mijn punt: als een burgemeester af dient te gaan op louter indrukken van vaak bevooroordeelde politiefunctionarissen dan gaat dit verkeerd. Het lijkt me noodzakelijk dat in het Wetsvoorstel wordt gegarandeerd dat onschuldigen niet uit huis worden gezet. Natuurlijk is de strekking van het Wetsvoorstel, geweld dient voorkomen te worden, maar aan de andere kant moet voorkomen worden dat onschuldigen het slachtoffer worden van borderliners zoals mijn ex. Ik vind dat daar veel te weinig aandacht aan is besteed. Mijn complete relaas kunt u vinden op http://home-1.tiscali.nl/~csnel/jz/vervolging3.html Dat doet mij ook komen bij een ander punt. Ik heb vele tienduizenden euro’s aan advocaten dienen te besteden. Mijn ex zo goed als niets. Ik heb dit ervaren als een gesubsidieerde staatsterreur om mijn dochters (die ik alle drie verzorg naast mijn baan) en mezelf omgang te onthouden. Mijn ex heeft dat systeem volstrekt kunnen misbruiken voor eigen doeleinden (rancune) en uiteindelijk op alle fronten verloren in ongeveer 10 verschillende procedures. Goed voor de werkgelegenheid van advocaten maar niet voor de samenleving en voor de slachtoffers van dergelijke vrouwen. De wereld zit niet zo zwart wit in elkaar dat alleen vaders mishandelen. Mijn ex (een vrouw) heeft ons allen mishandeld op kosten van de staat. En die staat was niet capabel haar leugens bijtijds te onderkennen. Hoogachtend, Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing Gevonden in Rechtspraak Familierecht februari 2008 Op 30 november 2007 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan die van belang is voor de portemonnee van grootouders/pleegouders/voogden. (nr. CO6/138HR; LJN BA8447, JOL 2007, 805, RvdW 2007, 1028) Bij exploot van 10 mei 2006 heeft de Staat beroep in cassatie van het arrest van 16 maart 2006 ingesteld. De zaak gaat om het verschil in financiering enerzijds van een pleegkind onder voogdij van een Bjz, anderzijds onder voogdij van bijvoorbeeld een grootouder. In beide situaties ontvangt de pleegouder, als er tenminste een pleegcontract is, van de pleegzorgaanbieder een basisvergoeding, waaruit de normale kosten van verzorging en opvoeding moeten worden betaald. Alleen in geval van een justitiële plaatsing kunnen bovendien bijzondere kosten, zoals schoolgeld, leermiddelen, reiskosten ten behoeve van onderwijs, bijzondere medische kosten e.d. gedeclareerd worden bij Bjz. Woont een kind in vrijwillig kader in een pleeggezin (ook als het kind onder voogdij van een van de pleegouders staat), dan worden deze kosten niet voldaan. De Hoge Raad zegt in deze zaak het volgende: Een voogd is jegens zijn pupil niet onderhoudsplichtig. De Staat is verplicht te waarborgen dat in de verzorging en opvoeding van de minderjarige wordt voorzien. Daarom moet de Staat, bij gebreke van een andere onderhoudsplichtige, de pleegouder-voogden in financieel opzicht in staat stellen de minderjarige te verzorgen en op te voeden. Het gaat in deze zaak om de vraag of de Staat in de situatie waarin een pleegouder de voogdij over de minderjarige heeft overgenomen, voor de minderjarige gemaakte kosten die Bjz voor die tijd aan de pleegouder vergoedde, aan die pleegouder moet vergoeden. Anders dan ouders die het ouderlijk gezag over hun kind uitoefenen, hoeft de voogd de kosten van opvoeding en verzorging niet te dragen. Dit is anders, als sprake is van gezamenlijke voogdij, dan zijn de beide voogden wel onderhoudsplichtig, net als ouders (op grond van artikel 1:282 / 253w BW). In dit geval had X de voogdij over een kind, en Y over een ander. Voor plaatsing in een pleeggezin wordt een pleegcontract gesloten. Het pleeggezin ontvangt dan een subsidie volgens de ‘Regeling vergoeding pleeggezinnen’. De subsidie bestaat allereerst uit een basisbedrag dat afhangt van de leeftijd van het kind (bedoeld voor de alledaagse kosten). Daarnaast kan aan pleegouders een vergoeding worden uitgekeerd (art. 3 lid 1 en 2 van de Regeling) voor kosten voor schoolgeld, leermiddelen, reiskosten voor onderwijs en bijzondere medische kosten. De kosten van de vergoeding kunnen worden gedeclareerd bij het Bjz dat de voogdij heeft. (Wie met instemming van de voogd een kind ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed kan de kinderrechter verzoeken hem tot voogd te benoemen.) Sinds 1 mei 2001 komt een pleegouder-voogd in aanmerking voor een basisvergoeding, en voor een toelage voor gehandicapte kinderen en een bijdrage voor de ziektekosten. De Staatssecretaris van VWS heeft hierover op 1 juli 1999 geschreven aan de Tweede Kamer: “Omdat in het geval dat een pleegouder de voogdij krijgt over een pleegkind dat hij op basis van een pleegcontract … verzorgde en opvoedde, alleen een verandering in de persoon van de voogd optreedt, menen wij thans dat er geen aanleiding is tot de conclusie dat er geen sprake meer is van jeugdhulpverlening. Immers, het kind kan niet door de ouders zelf worden opgevoed en het kind moet in verband daarmee elders worden verzorgd en opgevoed, … . Het blijft dus gaan om pleegzorg in het kader van de jeugdhulpverlening. Met de onderhavige regeling wordt beoogd om de financiële belemmeringen voor een pleegouder die de voogdij van een pleegkind op zich wil nemen, op te heffen. … Er blijft wel een relatie met de voorziening voor pleegzorg, maar deze is veel beperkter. De voorziening voor pleegzorg blijft pleegvergoedingen verstrekken op basis van de Regeling vergoeding pleeggezinnen. Ook blijft de voorziening voor pleegzorg bepalen of en welke toeslagen gelden en blijft zij controleren of het kind daadwerkelijk in het gezin van de pleegouder-voogd wordt verzorgd en opgevoed. De mogelijkheid tot begeleiding van de pleegouder-voogd blijft bestaan, maar zal slechts op verzoek van de pleegouder-voogd plaatsvinden. De voorziening voor pleegzorg heeft derhalve nog maar een zeer beperkte taak en verantwoordelijkheid. …” X en Y hebben aan hun vorderingen het volgende ten grondslag gelegd: “Een minderjarig kind dat door de Staat van zijn ouders wordt gescheiden en door de Staat onder het gezag van een voogd wordt gesteld, opdat deze voogd zal voorzien in de opvoeding en verzorging van het kind, heeft er jegens de Staat recht op dat de Staat zal waarborgen dat die verzorging en opvoeding op een adequaat niveau zullen plaatsvinden en dat de Staat daartoe alle benodigde middelen zal verschaffen en bekostigen. De Staat handelt onrechtmatig door … slechts de pleegvergoeding te verstrekken en niet tevens een specifieke vergoeding voor schoolgeld, leermiddelen, ziektekostenverzekering en dergelijke. Allereerst handelt de Staat in strijd met art. 8 EVRM: uit dit artikel vloeit de verplichting voort dat de Staat, indien hij krachtens een justitiële kinderbeschermingsmaatregel een voogd aanstelt over een pleegkind om het te verzorgen en op te voeden, aan die voogd voldoende middelen ter beschikking stelt om een adequate verzorging en opvoeding van het kind mogelijk te maken en te garanderen. … Daarnaast is het handelen van de Staat … in strijd met de art. 3 lid 2, 9 lid 1, 18 lid 2 en 24 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) … Ten slotte handelt de Staat, …, in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid (…) en voorts, door bepaalde kosten wel te vergoeden indien de voogd van het pleegkind een voogdij-instelling is, maar niet als de pleegouder voogd is, in strijd met het gelijkheidsbeginsel (…). … dat het daarbij niet ging om ‘luxe’ uitgaven, waarmee het hof kennelijk heeft bedoeld dat die uitgaven normale, in het kader van een adequate verzorging en opvoeding passende uitgaven vormden, en dat die kosten niet meer worden vergoed sinds X en Y de voogdij over hun pleegkinderen van de voogdij-instelling hebben overgenomen. Dat de Staat als onderhoudsplichtige tot vergoeding van die kosten is gehouden, vindt niet zijn grond in het feit dat die (niet langer betaalde) kosten voorheen door de voogdij-instelling werden vergoed, maar in het feit dat naar het oordeel van het hof vergoeding van die kosten noodzakelijk is om X en Y ook in financieel opzicht tot een adequate verzorging en opvoeding van de minderjarigen in staat te stellen. … De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.” Gevonden in Rechtspraak Familierecht januari 2008: Mag Bjz een door de rechter vastgestelde omgangsregeling uitbreiden als de invulling en frequentie van de omgangsregeling door de rechter aan Bjz is overgelaten? (Hof Arnhem 25 september 2007, nr 665/2007) Het hof stelt in deze uitspraak vast dat Bjz niet eenzijdig een door de rechter vastgestelde omgangsregeling kan uitbreiden. De wet biedt Bjz de bevoegdheid om in het kader van uithuisplaatsing de omgang tussen de met gezag belaste ouder en het kind te beperken. Van een mogelijke uitbreiding spreekt de wet niet. In deze zaak was er bovendien geen uhp. Bjz had een wijzigingsverzoek tot de rechter moeten richten. “… het Hof Arnhem heeft ondubbelzinnig duidelijk willen maken dat een dergelijke bevoegdheid van Bjz niet past in het systeem van de wet, waarin een eenmaal door de rechter vastgestelde omgangsregeling alleen door de rechter zelf kan worden gewijzigd en niet door Bureau jeugdzorg.” Van een donateur hebben wij mededeling gekregen dat het AJL dit toch gedaan heeft. In het vorige KOG-bericht hebben wij weer gevraagd naar goede ervaringen met het AJL. Wij hebben er ditmaal twee gekregen! De eerste van een vader die meldde dat een tehuis van het Leger het goed had gedaan. Hij schreef: “De betrokkenen daar waren heel objectief over mij als vader en dat heeft mede uiteindelijk ertoe geleid dat mijn dochter weer bij mij woont. Afgezien daarvan kon je gewoon merken dat ze daar erg hun best deden voor de kinderen. …” (nadat Bjz Noord-Holland haar bij haar moeder had weggehaald en in het tehuis had gestopt alsof zij niet ook nog een vader had). De tweede van een echtpaar dat gevraagd had om het dossier van hun zoon. Na een weigering hadden zij de afdeling kwaliteit benaderd. De directeur belde vervolgens zelf op met excuses, het dossier kwam, en zij werden nog een keer gebeld met de vraag of zij nu hadden ontvangen wat zij hadden gevraagd. Stort u als u dat nog niet hebt gedaan voor 2008 minimaal € 15 op Postbank 9634691 t.n.v. Stichting Kinderen – Ouders – Grootouders? Wij houden ons aanbevolen voor uitspraken van de rechter en opdrachten/aanwijzingen van de bureaus jeugdzorg. We waarschuwen nog maar eens voor de “gespecialiseerde thuiszorg”. Deze thuiszorg is soms een soort ondeskundige spion van jeugdzorg. Vraagt u altijd het dossier van thuiszorg, en aarzel niet om de samenwerking te beëindigen als daar onzin in staat. Schrijf wel heel duidelijk in uw brief dat de opzegging niet betekent dat u geen hulp wilt, maar dat u alleen geen vertrouwen meer kunt hebben in deze hulp. Dat voorkomt dat u tot van alles gedwongen wordt “omdat u elke vorm van hulpverlening afwijst”. |
|||
| Design: YZE WebDesign | K.v.K. 30.19.00.06 | Disclaimer | |||