![]() |
||||
|
||||
|
|
Stichting KOG 2007 Bericht 3 november 2007 Beste mensen, Wilt u uw bijdrage voor 2008 storten? (minimaal € 15) Postbank 9634691 t.n.v. Stichting Kinderen - Ouders - Grootouders. Wij herhalen wat wij geschreven hebben in het vorige bericht: Geef u op voor de cliëntenraad van de Raad voor de Kinderbescherming! Het Jaarbericht 2006 van de Raad zegt: “Bovendien zijn voorbereidingen getroffen om in 2007 in elke regio een cliëntenraad te installeren.” Perspectief schreef hierover in november 2006 onder het kopje ‘Cliëntenbeleid bij de Raad voor de Kinderbescherming’ o.a. “Cliëntenraad. Ex-cliënten adviseren de regiodirecteur drie jaar lang over zaken die alle cliënten aangaan, dus niet over casussen. Wordt binnenkort in elke regio ingevoerd.” Het mag niet zo zijn dat straks de Raad zegt: wij willen wel maar we krijgen er niemand voor. Wij hebben inmiddels gehoord dat het in Utrecht niet mogelijk is rechtstreeks contact te maken met de cliëntenraad, er zit altijd een raadsmedewerker tussen. Hopelijk is dat in andere plaatsen anders. Het is dus nuttig als u de Raad belt om te informeren naar adres en telefoonnummer van de cliëntenraad. Ook als u er zelf niet in wilt, alle beetjes helpen. Men zal dan begrijpen dat die cliëntenraad echt geïnstalleerd moet worden. Uit Ars Aequi Katern nummer 104, kwartaalbijlage bij AA 56 (2007) 9 pag. 5838 (rubriek Personen-, familie- en jeugdrecht): “De kleur van dit kabinet wordt … zichtbaar in het programma dat de nieuwe minister van Jeugd en Gezin, Rouvoet, naar de Kamer heeft gestuurd. Het programma is getiteld ‘Alle kansen voor alle kinderen’. … Hij schetst een vijftal ontwikkelings-voorwaarden, waaraan de opvoeding van een kind moet voldoen. Dat zijn: 1) gezond opgroeien, 2) veilig opgroeien, 3) steentje bijdragen aan de maatschappij, 4) talenten ontwikkelen en plezier hebben en 5) goed voorbereid zijn op de toekomst. … En als laatste punt dat hier wordt genoemd is dat ‘we de vrijblijvendheid voorbij zijn.’ Dat leidt er hier onder meer toe dat bepleit wordt om de tweejaarstermijn bij een uithuisplaatsing opnieuw in ere te herstellen. Het kind dat uit huis is geplaatst heeft er recht op binnen twee jaar duidelijkheid te krijgen over waar het duurzaam opgroeit, bij de eigen ouder of in een ander gezin, aldus het programma (p. 7).” Deze zelfde minister Rouvoet heeft dus (zie het vorige KOG-bericht) een gedragslijn gestuurd aan de Bureaus jeugdzorg en het LBIO, waarin hij opdracht geeft te handelen alsof artikel 71 van de Wet op de jeugdzorg al in lijn is gebracht met artikel 7. Volgens artikel 7 kan een minderjarige van 16 of 17 jaar zelf een aanvraag doen voor jeugdzorg. Dat kan ook uithuisplaatsing zijn. Wij weten allemaal dat pubers, behalve om wantoestanden thuis, ook om heel andere redenen weglopen / uit huis geplaatst willen worden. Instellingen kunnen hun eigen belang hebben bij een dergelijke “uithuisplaatsing”, zoals voorkomen van leegstand in een project begeleid kamerwonen. Leegstand zet subsidie op de tocht. En we kunnen nog zoveel bezwaren hebben tegen een gewone uithuisplaatsing, maar die kan uitgevoerd worden in een pleeggezin en dan is er een reële kans dat daar gewoon goed op een kind gelet wordt. Deze zelf-verzochte uithuisplaatsingen leiden meestal niet tot plaatsing in een pleeggezin, zodat alle controle op deze kinderen wegvalt (over het toezicht bij begeleid kamerwonen hebben wij niet veel illusies). Na de brieven van 2 augustus en 5 september (zie vorige KOG-bericht) hebben wij op 1 oktober opnieuw over dit onderwerp aan de Minister geschreven, ditmaal niet over de wet maar met het verzoek een nieuwe gedragslijn uit te vaardigen: Aan de Minister voor Jeugd en Gezin, Zijne Excellentie Mr A. Rouvoet Postbus 20350 2500 EJ Den Haag Haarlem, 1 oktober 2007 Zeer geachte Heer, Op 2 augustus en 5 september 2007 heeft stichting Kinderen-Ouders-Grootouders u een brief geschreven n.a.v. uw brief aan het bestuur van de MO-groep kenmerk DJB/JZ-2748030 (“uithuisplaatsing” van 16- en 17-jarigen op hun verzoek, zonder toetsing door de rechter). Naar aanleiding van de inhoudelijke reacties op de brief van KOG aan de Bureaus jeugdzorg en de provincies d.d. 10 augustus 2007 over dit onderwerp, wenden wij ons nu voor de derde maal in twee maanden tot u in verband met dit onderwerp. Wij hebben een beroep op u gedaan om niet artikel 71, maar artikel 7 van de Wet op de jeugdzorg te wijzigen, zodat kinderen niet langer een indicatie tot verblijf kunnen krijgen zonder toestemming van hun ouders of de rechter. De Provincie Gelderland bijvoorbeeld schrijft: “Er is alleen grond voor een ondertoezichtstelling en dus een raadsonderzoek, als een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, … De provincie heeft hier niet de bevoegdheid om in te grijpen op landelijke regelgeving. … Voor zover er tegenstrijdigheden zijn, volgen wij de lijn van de minister verwoord in de brief (kenm. DJB/JZ-2748030), waarbij artikel 7 prevaleert.” U hebt geschreven in genoemde brief dat u een voorstel zult voorbereiden om artikel 71 Wjz in lijn te brengen met artikel 7. Voorlopig moeten de Bureaus jeugdzorg en het LBIO een door u voorgeschreven gedragslijn hanteren. U wilt namelijk niet dat de zorg waarop de jeugdige aanspraak heeft op basis van het indicatiebesluit dat is afgegeven op grond van artikel 7 Wjz zou moeten worden beëindigd “op grond van het enkele feit dat de ouders bezwaar maken tegen dat besluit”. Het betreft hier dus ouders die geen aanleiding geven tot een onderzoek naar de wenselijkheid van een kinderbeschermingsmaatregel en die niet wensen dat hun kind aan hun zorgen wordt onttrokken. Het LBIO heeft aan stichting KOG op 27 september o.a. geschreven in antwoord op een brief van KOG d.d. 17 augustus: 1. Het LBIO heeft in de periode van 1 april tot en met 31 juli 2007 (4 maanden) in 12 gevallen een bezwaar tegen de vrijwillige jeugdzorg ontvangen. 2. In al deze gevallen heeft het LBIO het bezwaar gegrond verklaard èn de ouders laten weten dat zij geen bijdrage zijn verschuldigd. 3. In dergelijke gevallen laat het LBIO de ouders ook weten dat hun bezwaarschrift is doorgezonden aan Bureau Jeugdzorg alsmede … Wij verzoeken u dringend om de door u in de brief met kenmerk DJB/JZ-2748030 verwoorde gedragslijn te vervangen door een andere, te volgen tot de artikelen 7 en 71 Wjz met elkaar in lijn zijn gebracht. Wanneer een Bureau jeugdzorg meent dat een 16- of 17-jarige conform zijn wens het ouderlijk gezin zou moeten kunnen verlaten, kan het zich tot de raad voor de kinderbescherming wenden om de inschatting van het probleem te laten toetsen, zodat een kinderbeschermingsmaatregel kan volgen. Deze gedragslijn zou dan ook ‘verblijf’ moeten uitzonderen van de algemene term ‘zorg’. Met vriendelijke groet, In kopie aan de CU-fractie van de Tweede Kamer de commissie voor Jeugd en Gezin Aan de voorzitter van de CU-fractie van de Tweede Kamer, de heer A. Slob Postbus 20018 2500 EA Den Haag Haarlem, 1 oktober 2007 Geachte Heer, Hierbij zend ik u kopie van de brief van stichting Kinderen-Ouders-Grootouders van heden aan de Minister voor Jeugd en Gezin. Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders verzoekt de Minister de door hem gegeven gedragslijn voor Bureaus jeugdzorg, te volgen in afwachting van het in lijn brengen van de artikelen 7 en 71 van de Wet op de jeugdzorg, te vervangen door een andere, die ‘verblijf’ uitzondert van ‘zorg’ Wij verzoeken u uw invloed aan te wenden. Met vriendelijke groet, Aan de Leden en Plaatsvervangende Leden van de Algemene Commissie voor Jeugd en Gezin Postbus 20018 2500 EA Den Haag Haarlem, 1 oktober 2007 Zeer geachte Dames en Heren, Stichting Kinderen-Ouders-Grootouders heeft met genoegen gelezen in uw brief van 12 september dat u de Minister voor Jeugd en Gezin verzocht hebt om kopie van zijn reactie op de brief van KOG d.d. 2 augustus. KOG heeft nog geen reactie van de Minister ontvangen. Hierbij zend ik u kopie van de brief van KOG van heden aan de Minister. Wij verzoeken hem om de door hem gegeven gedragslijn voor Bureaus jeugdzorg, te volgen tot de artikelen 7 en 71 van de Wet op de Jeugdzorg met elkaar in lijn zijn gebracht, te vervangen door een andere, die ‘verblijf’ uitzondert van ‘zorg’. Het mag toch niet zo zijn dat ouders die geen aanleiding geven tot een onderzoek naar de wenselijkheid van een kinderbeschermingsmaatregel, door de bureaus jeugdzorg zonder toetsing door een andere instantie in de onmogelijkheid gebracht kunnen worden hun 16- of 17-jarig kind op te voeden. De huidige gedragslijn van de Minister spreekt namelijk van de onwenselijkheid dat verblijf buiten het ouderlijk gezin zou moeten worden beëindigd “op grond van het enkele feit dat de ouders bezwaar maken tegen dat besluit”. Wij verzoeken u uw invloed aan te wenden. Met vriendelijke groet, Inmiddels heeft op 12 september de algemene commissie voor Jeugd en Gezin een reactie gestuurd op de brief van 2 augustus: “In haar vergadering van 5 september 2007 heeft de commissie besloten de minister voor Jeugd en Gezin een kopie te vragen van zijn antwoord op uw brief. De commissie zal, na kennisneming van het antwoord van de minister, aan u laten weten of zij nog nadere stappen wil ondernemen en zo ja, welke.” en hebben wij op 10 oktober een ontvangstbevestiging ontvangen van het Ministerie van Jeugd en Gezin: “in goede orde heb ontvangen, maar meer tijd nodig heb om uw brief zorgvuldig te kunnen beantwoorden. Een schriftelijke reactie op uw brief kunt u in november 2007 tegemoet zien.” en kwam er 12 oktober van de Christen Unie reactie op de brief van 2 augustus. “Uw brief is in handen gesteld van onze beleidsmedewerker van Jeugd en Gezin, mevrouw Westland, … Indien de inhoud daartoe aanleiding geeft ontvangt u van haar nog een nadere, meer inhoudelijke reactie. Indien daartoe aanleiding voor is wordt de inhoud van een brief bij de voorbereiding van een Kamerdebat betrokken, zonder dat daar nog apart bericht over wordt gestuurd. Heeft u daar vragen over, dan kunt u contact opnemen met ons secretariaat, via 070-3183057. …” Van alle politieke partijen heeft verder alleen de VVD een ontvangstbevestiging gestuurd van de brief van 2 augustus: 16 augustus, ondertekend door Marc Rutte. “Gezien de inhoud heb ik deze onder de aandacht gebracht van mijn fractiegenoot, Rita Verdonk.” De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft op 8 augustus per e-mail gereageerd: “… Door de vakanties kan het even duren, maar de werkgroep zal bekijken welk belang de rechterlijke macht er ligt in de door u gesignaleerde problematiek en een eigen afweging maken omtrent eventuele actie. Die kan ook bestaan uit het t.z.t. becommentarieren van het ontwerpwetsvoorstel.” Daarna volgde het ene treurige bericht na het andere: Op 16 augustus liet Bjz Amsterdam weten dat het deze indicaties zal blijven afgeven. 24 augustus Bjz Noord-Brabant eveneens. 27 augustus van Provincie Noord-Brabant: “Het antwoord van Bureau Jeugdzorg hierop hebben wij ontvangen en wij sluiten ons hierbij aan. Indien een jeugdige van 16 of 17 jaar vrijwillig verzoekt om een indicatie verblijf accommodatie zorgaanbieders dan is er op grond van artikel 7 van de Wet op de Jeugdzorg geen instemming van de ouder(s) nodig. Er is dan geen sprake van een uithuisplaatsing door Bureau Jeugdzorg en een toetsing door de kinderrechter is dan ook niet nodig. Derhalve zien wij geen aanleiding om in te gaan op uw verzoek.” 28 augustus van Bjz Flevoland “Het beleid van Bureau Jeugdzorg Flevoland is dat uithuisplaatsing, ook van 16- en 17-jarigen, altijd gepaard gaat met een machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter. Het beleid blijft hier ook in de toekomst op gericht.” Dan denkt een argeloze lezer: mooi zo, maar het was een grapje. “De Wet op de Jeugdzorg geeft aan 16- en 17-jarigen de mogelijkheid om een indicatie aan te vragen zonder instemming daarvoor van de wettelijk vertegenwoordiger. Een dergelijke indicatie kan wijziging brengen in de woonplaats van de minderjarige. De bezwaren van de belanghebbenden bij een dergelijke indicatie worden door de bezwaarcommissie van Bjz Flevoland behandeld. In principe is de wettelijk vertegenwoordiger belanghebbend bij een dergelijk indicatiebesluit.…Bjz Flevoland heeft beslist niet het beleid dat indien de ouders in voorkomend geval bezwaar maken, er een onderzoek wordt gevraagd bij de Raad voor de Kinderbescherming. Dit laat onverlet de daarvan losstaande wettelijke zorgplicht van Bjz om bij de uitoefening van zijn taken voortdurend te bezien of een maatregel m.b.t. het gezag moet worden overwogen.” 4 september Bjz Drenthe: “Het enkele feit dat ouders het niet eens zijn met de afgifte aan, of de verzilvering van het indicatiebesluit door hun minderjarige zoon/dochter leidt niet automatisch tot de noodzaak van een raadsonderzoek c.q. kinderbeschermingsmaatregel. … Wel zijn wij van mening dat er een gespannen verhouding bestaat tussen het recht van 16- en 17-jarigen om een indicatiebesluit te vragen resp. een zorgovereenkomst te sluiten, en het in het burgerlijk wetboek beschreven ouderlijk gezag. We moeten echter constateren dat de wetgever dit nadrukkelijk zo bedoeld lijkt te hebben. Ouders zouden in dergelijke situaties o.i. de bovenomschreven route van bezwaar en beroep kunnen bewandelen. … en zo mogelijk te zoeken naar een oplossing waar alle betrokkenen zich in kunnen vinden. We kunnen echter daarbij niet voorbijgaan aan de rechten die de wetgever aan jongeren heeft toegekend.” 4 september van Bjz Noord-Holland: “Over hoe met dit spanningsveld om te gaan als hiervoor omschreven en om te voorkomen dat door de verschillende Bureaus Jeugdzorg hier verschillend mee wordt omgegaan, is door de juristen van de Bureaus Jeugdzorg onlangs het volgende standpunt hierover ingenomen. … Ingeval van een aanvraag tot verblijf van een 16jarige of ouder dienen ouders bij de indicatie betrokken te worden. Zij zijn belanghebbende, nu de ouders met gezag op grond van het Burgerlijk Wetboek (1:12 jo 1:245 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek) de verblijfplaats bepalen van de minderjarige. Derhalve zijn ten aanzien van een indicatiebesluit strekkende tot verblijf hun belangen rechtstreeks bij het besluit betrokken (art. 1:2 Algemene wet bestuursrecht). Met andere woorden ouders moeten ook ingeval van een 16 jarige betrokken worden bij de totstandkoming van het besluit en hebben de mogelijkheid om bezwaar te maken. In het geval de jongere aandringt op geheimhouding dan dient Bureau Jeugdzorg de afweging te maken of geheimhouding noodzakelijk is in het belang van het kind. Is het antwoord bevestigend dan zal een melding aan de Raad voor de Kinderbescherming de vervolgstap zijn en zal een (v)ots met machtiging uithuisplaatsing moeten worden verzocht. …” 5 september (ontvangen 20 september) van Bjz Overijssel: “Wanneer de ouder met gezag weigert in te stemmen met de uitvoering van een indicatiebesluit in vrijwillig kader waarbij verblijf is geïndiceerd, zal de uiterste consequentie kunnen zijn dat de minderjarige het indicatiebesluit niet kan verzilveren. In dergelijke gevallen kan dat een reden zijn voor Bjz om een melding te doen bij de Raad voor de Kinderbescherming. …vooralsnog geen bezwaarschrift van de wettelijke vertegenwoordiger en/of andere belanghebbenden is ingediend tegen een dergelijk indicatiebesluit.” 7 september van de provincie Gelderland: “De provincie heeft hier niet de bevoegdheid om in te grijpen op landelijke regelgeving. De Wet op de Jeugdzorg (WJz) heeft mede tot doel de rechtspositie van de jeugdigen van twaalf jaar en ouder te versterken. De discussie over artikel 71 Wjz betreffende de ouderbijdrage en de gevolgen van een bezwaar hiertegen, waarnaar u verwijst in uw brief, staat uitvoering van artikel 7 in beginsel niet in de weg. Voor zover er tegenstrijdigheden zijn, volgen wij de lijn van de minister verwoord in de brief (kenm. DJB/JZ – 2748030), waarbij artikel 7 prevaleert.“ 11 september reactie van Bjz Haaglanden/Zuid-Holland: het kan dus wij doen het. 20 september van de provincie Zuid-Holland (de hele brief): “Ik heb uw schrijven met betrekking tot ongetoetste uithuisplaatsingen door Bureau Jeugdzorg van 10 augustus 2007 in goede orde ontvangen en kennisgenomen van de inhoud. Uw opmerkingen zullen worden meegenomen in de afwegingen rondom dit thema. Mw. M.P. Dirkx, hoofd bureau Maatschappelijke Ontwikkeling” Deze mevrouw heeft geleerd zich niet in de vingers te snijden. 25 september reactie van provincie Gelderland: “De provincie heeft hier niet de bevoegdheid om in te grijpen op landelijke regelgeving. …Voor zover er tegenstrijdigheden zijn, volgen wij de lijn van de minister verwoord in de brief … waarbij artikel 7 prevaleert.” Deze brief was de directe aanleiding voor onze brief van 1 oktober aan Minister Rouvoet: vervang de gegeven gedragslijn door een andere die ‘verblijf’ uitzondert van ‘zorg’. Op 27 september kwam er een keurige reactie van het LBIO: men houdt zich aan de gedragslijn van het Ministerie (bezwaar doorsturen naar Bjz), èn verklaart zelf het bezwaar van de ouders gegrond zodat zij niet hoeven te betalen. 3 oktober antwoord van de provincie Groningen, de vragen beantwoord door Bjz: vraag 1 “In principe nee. Wel kan het zijn dat een jeugdige een nacht in de crisisopvang verblijft. … Bij een langer durende uithuisplaatsing waar ouders tegen zijn, wordt altijd de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld die onderzoek doet naar de noodzaak van een jeugdbeschermingsmaatregel. Dat geldt ook voor 16- en 17-jarigen.” Vraag 2 (bezwaren): Is niet voorgekomen vanuit de verzorgende ouder … Vraag 3 Een duidelijk antwoord: “Nee.” Dit is de eerste en tot 13 november enige reactie die zegt niet mee te doen aan deze gevaarlijke onzin. 24 oktober reactie van de provincie Overijssel: Ja, 16- en 17-jarigen plaatsen wij ongetoetst uit huis. “Voor zover er tegenstrijdigheden zijn, volgen wij de lijn van de minister verwoord in de brief met kenmerk DJB/JZ*2748030. Wij volgen u dan ook niet in uw verzoek.” Behalve de Bureaus jeugdzorg die per provincie werken, bestaan er vier landelijk werkende instellingen: Leger des Heils (AJL / UJL), Stichting Gereformeerd Jeugdwelzijn (SGJ), Joods Maatschappelijk Werk en de William Schrikker Groep (voor verstandelijk beperkte kinderen en voor kinderen van verstandelijk beperkte ouders). Het was de bedoeling van de wetgever dat deze restanten van de private jeugdhulpverlenings- / gezinsvoogdij-verenigingen op zouden gaan in de bureaus jeugdzorg. Omdat wij daar nooit meer iets over horen, heeft KOG er op 11 september naar geïnformeerd (niet bij Joods Maatschappelijk Werk, omdat wij daar nog nooit ook maar één signaal over hebben gekregen). Wij hebben de volgende antwoorden ontvangen: 13 september antwoord van SGJ op brief van 11 september (!): “meld ik u dat de minister van Jeugd & Gezin zich op dit moment beraadt op de positie van de landelijk werkende gezinsvoogdij-instellingen (LWI). Wat betreft de SGJ, daar vigeren op dit moment geen inpassingsplannen. Wij gaan er vanuit dat de positie van alle LWI in de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg (eerste periode, 2005-2009) wordt meegenomen. Wij kunnen u daarom niet meedelen dat – laat staan wanneer – de SGJ onder andere de gezinsvoogdij overdraagt aan BJz. Op dit moment zijn veld en overheid van oordeel dat er ten aanzien van de SGJ geen ander eindperspectief dan het huidige dient te worden ontwikkeld. U mag er dan ook gevoeglijk vanuit gaan dat de huidige situatie waarde toevoegt aan het stelsel en derhalve gecontinueerd wordt.” 26 september antwoord van AJL: “dat het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering momenteel nog niet definitief weet hoe de positie van de landelijk werkenden geregeld wordt. Wij verwachten daar binnenkort duidelijkheid over te krijgen van de minister. Zodra wij meer informatie hebben, zullen wij u nader informeren.” 2 oktober van William Schrikker Groep: “In reactie op uw brief van 11 september 2007 deel ik u mee dat de William Schrikker Jeugdbescherming, als onderdeel van de William Schrikker Groep de gezinsvoogdij met ingang van 1 januari 2008 niet zal overdragen aan de Bureaus Jeugdzorg. … Het wachten is op nadere aanwijzingen van de Minister voor Jeugd en Gezin over de inpassing van de Landelijke Werkende Instellingen (LWI’s), waarvan de William Schrikker Groep deel uitmaakt, in het jeugdzorgstelsel.” Hoewel wij zelden iets goeds horen over de landelijk werkende instellingen, lijkt een volstrekte monopoliepositie van de Bureaus jeugdzorg (die er dus nog aan komt) onwenselijk. Daarom hebben wij de volgende brief verstuurd, in kopie aan de Minister van Jeugd en Gezin: Aan de Europees Commissaris voor Concurrentie, mevrouw drs N. Kroes Haarlem, 18 september 2007 Zeer geachte Mevrouw, Het succes in uw strijd tegen de monopoliepositie van Microsoft geeft stichting Kinderen-Ouders-Grootouders de moed om u te vragen een eind te maken aan de wettelijke monopoliepositie van de Bureaus jeugdzorg in Nederland. Ik citeer uit het proefschrift uit november 2006 van M.F.M. van den Berg, ‘Ingang om de hoek, de Wet op de jeugdzorg vanuit het perspectief van de (potentiële) cliënt belicht’. (ISBN 10: 90-5850-215-5 cursivering e.d. van mij). “Het Bjz dient eenzelfde functie als de huisarts binnen de gezondheidszorg te vervullen. Het verschil tussen het Bjz en de huisarts is echter dat men wel van huisarts kan wisselen, maar niet van Bjz. Een potentiële cliënt dient namelijk aan te kloppen bij het Bjz dat werkzaam is in de provincie waar de jongere duurzaam verblijft. Deze gebondenheid aan een bepaald Bureau geeft slechts de keuze uit één aanbieder. (pag. 86) “De monopoliepositie van Bjz heeft voor- en nadelen voor de cliënt. Als voordelen kunnen onder meer worden genoemd, dat de continuïteit van de dienst verzekerd is en er sprake is van specialisme binnen één Bureau. … Op de korte termijn kan het gevaar dreigen dat het aanbod van goederen en diensten onvoldoende is afgestemd op de wensen van de consument … naar alternatieven gaan zoeken, zoals de auto. In de jeugdzorg bestaat een dergelijk alternatief echter niet. Er bestaat bijvoorbeeld geen particulier Bureau jeugdzorg. … Als nadelen van de monopoliepositie op de lange termijn kunnen worden genoemd: weinig impulsen tot innovatie, tot kwaliteitsverbetering, tot het in huis halen en/of het bijhouden van expertise en tot de verbetering van de doelmatigheid. Hierdoor kan er minder vooruitgang zijn dan gewenst is. Daarnaast speelt ook op lange termijn het gevaar van achteruitgang doordat men minder efficiënt werkt. Deze nadelen spelen ook in de jeugdzorg een grote rol. Doordat het Bureau jeugdzorg namelijk geen concurrentie kent van andere aanbieders, bestaat het reële gevaar dat men te weinig vooruitgang kent. (pag. 87) De bovenstaande voordelen en nadelen van een monopolie betreffende de organisatie van het Bjz hebben hun weerslag op de cliënt. Er zijn echter ook nog andere nadelen voor de cliënt te benoemen. Zo bestaat onder meer het gevaar, dat een potentiële cliënt geheel van jeugdzorg wordt uitgesloten indien het betreffende Bureau jeugdzorg van mening is dat de situatie niet ernstig genoeg is. De vraag die hierbij speelt is wat men kan beginnen als men bij Bjz geen voet aan de grond krijgt? … Er is in de wet geen hardheidsclausule opgenomen, waardoor een cliënt in dat geval met goede reden over de provinciegrenzen heen kan stappen. Verder bestaat er ook geen mogelijkheid tot een second opinion. (pag. 88) Het is mijns inziens wenselijk om het gevaar van de huidige monopoliepositie van Bjz te ondervangen. Hiervoor bestaan meerdere mogelijke oplossingen. In het onderstaande zullen twee uiteenlopende oplossingen worden uitgewerkt. Allereerst kan gedacht worden aan het inbrengen van concurrentie in de markt. Bijvoorbeeld door naast het Bjz ook een beperkt aantal andere instellingen de bevoegdheid tot indicering te geven. Dit kan door aanwijzing, maar ook door de invoering van een soortgelijke procedure als bij aanbesteding van een bouwwerk. Bij deze gereguleerde concurrentie dingen verschillende jeugdzorginstellingen steeds na een x aantal jaar om de indiceringsbevoegdheid. … Naast de inbreng van meer concurrentie kan gedacht worden aan de invoering van de mogelijkheid van second opinion zoals reeds sinds jaar en dag in de gezondheidszorg aan de orde is. Door de invoering van deze mogelijkheid kunnen potentiële cliënten hun hulpvraag ook aan een ander Bureau jeugdzorg voorleggen. (pag. 89) In een samenleving waarin vrij verkeer van personen over de landsgrenzen niet meer weg te denken is, is het mijns inziens vreemd dat wij in Nederland zoveel waarde hechten aan onze provinciegrenzen.” (pag. 90) Duidelijker dan mevrouw Van den Berg het zegt, kunnen wij het niet. Het is niet te verwachten dat bij de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg de monopoliepositie van de bureaus jeugdzorg een rol zal spelen. Wij verzoeken u te bezien of u de Nederlandse wetgever wilt verplichten om een eind te maken aan de monopoliepositie van de bureaus jeugdzorg. (ontvangstbevestiging ontvangen) In het KOG-bericht nummer 1 van 2007 hebben wij gemeld dat noch de Landelijke Huisartsenvereniging, noch het NIP, noch de NVO al geantwoord hadden op onze vraag van 19 februari of de toestemming van beide ouders nodig was voor behandeling. Inmiddels zijn de drie reacties binnen gekomen: 12 juni van de NVO: “… Betreffende het standpunt van de NVO in deze verwijs ik naar de door de vereniging vastgestelde beroepscode (www.nvo.nl). De algemene gedragslijn die daarin is vastgelegd houdt in dat voor het aangaan van een behandelrelatie (en dit omvat mede het geven van advies en het afnemen van een test/onderzoek etc.) van beide ouders toestemming nodig is, vooropgesteld dat ze beiden het ouderlijk gezag hebben”… . 25 juni reactie van de Landelijke Huisartsen Vereniging: “De door u beschreven problematiek betreft alle artsen, niet alleen huisartsen, en hiervoor is de KNMG de ontvankelijke partij. De KNMG wordt hierbij ondersteund door een juridische afdeling, prof. Mr. J. Legemaate, waartoe u zich kunt richten.” 28 juni reactie van het NIP: psycholoog heeft inderdaad voor onderzoek en behandeling toestemming van beide gezagsouders nodig. KOG heeft de commissie voor justitie van de Eerste Kamer en de Minister van Justitie geschreven: Aan de leden van de Commissie voor Justitie van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Haarlem, 12 oktober 2007 Zeer geachte Dames en Heren, Uw opmerkingen en vragen aan de Minister van Justitie i.v.m. de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding zijn voor stichting Kinderen-Ouders-Grootouders aanleiding het volgende onder uw aandacht te brengen: - De wet dient vrede tussen de ouders centraal te stellen en uit te gaan van de integriteit van het ouderschap. Daarmee is “het belang van het kind” het meest gediend. - Rechtsregels zonder handhaving zijn geen rechtsregels. - De wet dient dan ook grenzen te stellen waar niet mee te spotten valt, noch door moeders, noch door vaders. Gelijkwaardigheid, autonomie, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van en voor beide ouders jegens elkaar dienen gewaarborgd te zijn. - Onttrekking van het kind aan het door de rechter vastgestelde zorgplan moet worden bestreden met ofwel de bestaande middelen (sterke arm, resp. opsporings- en dwangmiddelen van strafvordering; deze hebben hun preventieve werking bewezen), ofwel nieuwe middelen (dwangsom van rechtswege of een zgn. law enforcement officer). De toepassing dient even stringent tegen moeders als tegen vaders gericht te zijn. - Gelijk verdeeld co-ouderschap dient uitgangspunt te zijn. - Wanneer een kind dreigt “klem” te raken tussen de ouders, moet de wet het kind beschermen tegen de ouder die geen ruimte heeft / geeft voor de liefde van het kind voor de andere ouder. Met gevoelens van hoogachting, Aan de Minister van Justitie Haarlem, 12 oktober 2007 Excellentie, Bij deze brief vindt u kopie van de heden door stichting Kinderen-Ouders-Grootouders aan de Commissie voor Justitie van de Eerste Kamer verzonden brief betreffende de Wet bevorde-ring voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding. Een wet die de vrede tussen de ouders bevordert en bepaalt dat het vastgestelde zorgplan wordt gehandhaafd zal kinderen en hun ouders beschermen en de rechterlijke macht ontlasten. Met gevoelens van hoogachting, Over de gesloten deuren bij zittingen over scheiding en ondertoezichtstelling is de correspondentie met de minister als volgt verder gegaan: Haarlem, 20 juli 2007 Zeer Geachte Heer, Op 31 januari 2007 heeft stichting KOG u een brief gestuurd; ontvangstbevestiging hebben wij op 15 februari ontvangen. Daarop hebben wij gevraagd op welke termijn wij een inhoudelijke reactie tegemoet konden zien. Op deze brief is nimmer gereageerd. Graag ontvangen wij een inhoudelijke reactie op de brief van 31 januari. 21 augustus reactie: In uw brief van 20 juli vraagt u mij om een inhoudelijke reactie op uw brieven van 31 januari en 15 februari 2007. U schrijft dat u van mening bent dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangepast dient te worden aan een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Ik heb gemeend er goed aan te doen uw brief ter behandeling door te zenden aan de eerstverantwoordelijke bewindspersoon, de minister van Justitie. Ik ga ervan uit dat u van of namens de minister een reactie ontvangt. Met vriendelijke groet, DE MINISTER-PRESIDENT, Minister van Algemene Zaken, Mr.dr.J.P. Balkenende Wij vragen regelmatig om advocaten met wie u zelf een goede ervaring hebt opgedaan. Zelden komt daar een reactie op. Op internet vond het secretariaat toevallig een kantoor dat op de website expliciet kinderbeschermingsmaatregelen als werkgebied noemt: Ewijk en Van de Wouw, kantoor in Den Bosch 073 6205105 en kantoor in Oss 0412 693131. Heeft een van u allen daar ooit mee gewerkt? In het verleden heeft KOG aanbevolen om te proberen te werken met een advocaat uit een ander arrondissement: deze advocaat hoeft er niet aan te denken dat hij de volgende dag weer te maken krijgt met deze rechter die hij dus misschien maar beter te vriend kan houden. Helaas hebben we daar nu misschien een extra argument voor. We hebben een verslag van een donateur ontvangen waarin een advocaat de zaak wel aanneemt, maar vervolgens niet heel veel doet, in ieder geval geen pleitnotitie wil maken, omdat hij na contact met zijn voorganger bang is voor een klacht van de wederpartij van zijn cliënt! Deze cliënt had al twee advocaten versleten, niet ongebruikelijk op het terrein van familie- en jeugdrecht, en beide advocaten hadden te maken gekregen met tegen hen ingediende klachten. In weekblad Opinio van 9 november zegt Harry van der Molen, voorzitter van het CDJA (de jongeren van het CDA): “Ik vind wel dat de overheid moet ingrijpen als kinderen echt worden verpest voor hun ouders. Maar de graagte waarmee Rouvoet nu bezig is om in te grijpen in de opvoeding vind ik niet goed.” In Perspectief van november 2007 wordt aandacht besteed aan het rapport van het Onderzoeks- en Verificatiebureau van de Tweede Kamer over de wachtlijsten bij de Bjz’s. De analyse is gemaakt op basis van (onderzoeks)rapporten, Kamerstukken, Handelingen en Kamervragen, tijdschrift- en krantenartikelen over de periode 1 januari 2005 tot heden. “Het OVB concludeert op basis van de documenten dat: - de jeugdzorg een versnipperde sector is met vele betrokken en verantwoordelijke partijen, ieder met hun eigen belangen en werkelijkheid - degelijke cijfers ontbreken ten aanzien van de wachtlijsten; de registratie bevat dubbelingen en wordt gekweld door definitiekwesties - er in de afgelopen periode telkens extra geld is geïnvesteerd in de jeugdzorg - de sector jeugdzorg ondoelmatigheden en inefficiënties kent - er onvoldoende zicht is op de effecten van de behandelinterventies. De besluitvorming over de jeugdzorg is gebaat bij helderheid over allerlei in gang gezette zaken, zoals een nieuwe financieringssystematiek, de prestatie-indicatoren-systematiek, de effecten van behandelinterventies en overige doelmatigheidsverbeteringen. Het OVB is van mening dat nieuw en aanvullend onderzoek naar verwachting niet zal leiden tot nieuwe inzichten. De feiten zijn al onderzocht en zijn al bekend. De problemen zijn duidelijk. Het is nu van belang dat gewerkt wordt aan een oplossing door de in gang gezette verbetertrajecten de tijd te geven zich te bewijzen.” In het eerste KOG-bericht van 2007 hebben wij gevraagd om een positief bericht over het Leger des Heils. Wij hebben niets ontvangen. Wel hebben wij mededeling gekregen over een ALJ-gezinsvoogd, die wilde verbieden dat een (niet mishandeld en niet verwaarloosd) uit huis geplaatst jongetje van 5 jaar een cadeautje kreeg dat van een voormalig klasgenootje kwam: een zelf uitgeholde pompoen met een lichtje erin. Hij verbood dit waar het kereltje bij was, die onmiddellijk zei: maar ik wil hem wel hoor. Het argument was dat cadeautjes van vroegere klasgenoten deden denken aan thuis. Wat zou dat voor een man zijn? Dat wil je liever niet weten. Verder hebben wij over twee “onderzoeken” in opdracht van het AJL gehoord dat er volgens de KOG-donateurs sprake was van merkwaardige zaken: overleg tussen “onderzoeker” en opdrachtgever, een onderzoek dat bij nader inzien geen onderzoek was (omdat de onderzoeker daartoe niet bevoegd was) maar een gesprek, een onderzoeker die zich NIP-lid noemde maar dat niet was en over wie dus bij het NIP geen klacht kon worden ingediend. Wie levert ons nu eens vrolijker nieuws over het Leger des Heils? KOG wenst u allen alvast veel optimisme en volharding voor het jaar 2008. |
|||
| Design: YZE WebDesign | K.v.K. 30.19.00.06 | Disclaimer | |||