![]() |
||||
|
||||
|
|
Stichting KOG
Haarlem, mei 20062006 Bericht 1 Beste donateurs, Dit is het eerste KOG-bericht van 2006. Wij hebben er een acceptgiro bijgedaan. Stort u, als u dat nog niet hebt gedaan, alstublieft € 15 minimaal voor 2006 op Postbank 9634691 t.n.v. Stichting KOG. Zorgt u ervoor dat naam en adres duidelijk zijn?! Wat heeft KOG gedaan sinds het vorige bericht? De website www.stichtingkog.info wordt regelmatig bijgewerkt en registreert steeds veel bezoekers (maart 2006 2.379, april 1.836; men klikt binnen de site gemiddeld 13 maal door). Het betekent dat veel mensen de allereerste simpele informatie daarvandaan halen, zodat telefoongesprekken gaan over hun eigen situatie. KOG heeft geprobeerd de Raad voor de Kinderbescherming te laten verplichten de gesprekken met ouders op te nemen, zie hieronder. Resultaat: een brief van de Landelijke Directie van 22 februari waarin staat 1e dat ouders dit “in principe” zelf mogen doen, 2e dat de RvdK misschien deze mogelijkheid in de nieuwe folder zal opnemen. De brief van de Landelijke Directie is bij dit bericht gevoegd. Wij blijven dit uiteraard volgen. Als u zelf ervaring hebt met opname van een gesprek, wilt u ons dit dan laten weten? De betrouwbaarheid van het raadsrapport controleerbaarder In Perspectief van december 2005 staat een artikel van een afscheid nemende groeps / teamleider, praktijkleider, directielid bij een justitiële jeugdinrichting en sectormanager bij een jeugdzorgaanbieder. Deze mevrouw schrijft: “Het verbaast me steeds meer dat de media hun oren laten hangen naar dit soort lekenoordelen. In tv-programma’s en opiniepeilingen komen de ouders vaak aan het woord alsof zij professionele deskundigen zijn. In feite spreken die ouders vanuit hun eigen frustraties, onmacht en angsten: zij zijn medeaandeelhouder van de problematiek.” Veel ouders melden ons dat zij in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming uitspraken in de schoenen geschoven krijgen die zij niet gedaan hebben, of dat belangrijke informatie er niet in terug te vinden is. Wij hebben niet de indruk dat dit allemaal eigen frustraties, onmacht en angsten zijn. Deze mededelingen waren voor KOG al langer reden om te bepleiten dat gesprekken met medewerkers van de RvdK opgenomen zouden worden. Op 19 januari 2006 heeft de Nationale Ombudsman de Minister van Justitie geadviseerd video- en/of geluidsopnamen van politieverhoren verplicht te stellen, niet alleen in verband met zware delicten, maar standaard bij alle verhoren, zodat de rechter als hij dat wenst kan nagaan wat er precies is verklaard en hoe het verhoor is verlopen. Dit advies van de Nationale Ombudsman is voor KOG aanleiding geweest om samen met de VVNOR op 23 januari een brief aan de Minister van Justitie te schrijven waarin wij iets dergelijks verzochten voor gesprekken met de RvdK, en over deze brief een persbericht uit te geven. Diezelfde dag belde het ANP: het Landelijk Bureau van de Raad had al telefonisch meegedeeld dat een verzoek van ouders om een gesprek met een raadsonderzoeker op te laten nemen wordt ingewilligd. Het artikel ‘Ouders: gesprekken opnemen’ stond de volgende dag in enkele kranten: “Volgens de woordvoerder mogen ouders nu ook al verzoeken een opname te laten maken en wordt dit ook ingewilligd.” In een brief van 22 februari heeft de Landelijke Directie van de RvdK aan KOG geschreven, dat “de tekst in het Nederlands Dagblad van 24 januari niet geheel klopt met datgene, wat de woordvoerder van de Raad naar voren heeft gebracht. Er is namelijk gezegd, dat ouders ook nu al kunnen verzoeken om zelf het gesprek met de raadsmedewerker te mogen opnemen en dat dit verzoek in principe wordt ingewilligd. Voor de goede orde moet daarbij nog wel opgemerkt worden, dat deze geluidsopname bestemd is voor eigen gebruik en niet voor andere doeleinden. … Overwogen zal worden om in een nieuwe algemene folder van de Raad een passage op te nemen over de, in principe aanwezige, mogelijkheid om zelf een geluidsopname te maken van het gesprek met de raadsmedewerker.” Wij hoorden over een vader die op 14 februari de RvdK Amsterdam verzocht had het gesprek met twee raadsmedewerkers te mogen opnemen. Hij kreeg de keus: praten zonder opname of vertrekken. De regiodirecteur die wij hierop opmerkzaam hadden gemaakt, heeft wel een antwoordbrief gestuurd, maar niet anders gereageerd dan in algemeenheden: “Met betrekking tot het maken van geluidsopnames van gesprekken met raadsmedewerkers kunnen ouders verzoeken om zelf het gesprek van henzelf met de raadsmedewerker op te nemen. Dit verzoek wordt in principe ingewilligd, mits deze geluidsopname bestemd is voor eigen gebruik en niet voor andere doeleinden. ..”. De Landelijke Directie die een kopie van onze brief aan de regiodirecteur Amsterdam had ontvangen, verwees naar de brief van 22 februari. “Per gelijke post heb ik alle Regiodirecteuren van de Raad geïnformeerd.” De Minister van Justitie heeft op 15 maart geantwoord op de brief van 23 januari: “Kortheidshalve verwijs ik naar het door mij onderschreven antwoord van de Raad voor de Kinderbescherming. Aanvullend wil ik hierbij afstand nemen van de in uw brief vermelde opvatting van ouders, ‘die dikwijls menen dat uitspraken in de mond gelegd worden, die zij niet hebben gedaan of in een andere context’, dat zij ‘door raadsonderzoekers onder druk worden gezet’ en dat ‘kinderen van ouders gescheiden worden op basis van oncontroleerbare raadsrapporten’. Op deze punten breng ik het volgende onder de aandacht: De Raad werkt volgens bindende beleidsregels, die vastgelegd zijn in Normen 2000, versie 2 en hanteert een aantal kwaliteitseisen. …Daarnaast wordt in rapportages onderscheiden waar de Raad visies of lezingen van een gebeurtenis citeert en waar feiten worden vermeld. … Ieder onderzoek wordt afgesloten met een adviesgesprek en vervolgens wordt het concept-raadsrapport aan betrokkenen aangeboden. Ouders krijgen de mogelijkheid om hier mondeling dan wel schriftelijk op te reageren. Onjuiste feitelijke gegevens worden gewijzigd. Voor het overige wordt de reactie aan het einde van het rapport verwerkt dan wel aan het rapport toegevoegd, zodat de reactie van ouders een geïntegreerd onderdeel van het definitieve rapport uitmaakt. Vervolgens zal de rechter de onderbouwing van het advies toetsen. … In mijn opvatting krijgen ouders dus alle gelegenheid om een mogelijk onjuiste weergave van wat zij naar voren hebben gebracht of een eenzijdige benadering in het rapport bij te stellen.” Op de Eerste Landelijke Cliëntendag op 21 januari 2006 heeft het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg o.a. aanbevolen “Gesprekken zouden moeten worden opgenomen.” Jeugdzorg Steeds meer kinderen onder toezicht of uit huis geplaatst Het novembernummer 2005 van het blad 0/25 geeft enkele cijfers: In 2004 steeg het aantal malen dat een rechter een beslissing nam over een uithuisplaatsing met 5 procent. Er werd 5.146 keer over uithuisplaatsing besloten. In de eerste acht maanden van 2005 steeg dat aantal met 6 procent. (Het meisje Savanna werd in september 2004 gedood) ”Algemeen wordt aangenomen dat de jeugdzorg eerder besluit om kinderen bij de ouders weg te halen.” In Trouw van 15 mei staat dat tussen 1994 en 2004 het jaarlijkse aantal nieuwe plaatsingen in pleeggezinnen is verdubbeld tot 5600. Het aantal verzoeken tot ondertoezichtstelling blijft gestaag stijgen. In 2003 waren het er 31.561, in 2004 33.036, en eind augustus 2005 waren het er al 24.279. Sluit u toch vooral een verzekeringsmodule af voor psychologische hulp aan uw kind, zodat u niet afhankelijk bent van een Bureau jeugdzorg. U weet dat ouders die voor een probleem van hun kind hulp zoeken bij een Bjz, bekeken moeten worden als mogelijke oorzaak van dat probleem (brief VWS aan KOG d.d. 13-4-04). Interessant in dit verband is ook de volgende mededeling in Justitie Magazine van april 2006: ”Een wijziging van de kinderbeschermingswetten moet het makkelijker maken om een ondertoezichtstelling op te leggen. … ‘Een aanzienlijke verruiming, waardoor de maatregel eerder kan worden opgelegd’, schrijft minister Donner in reactie op een motie van een aantal Kamerleden. De wijziging maakt het ook makkelijker over te stappen van vrijwillige naar gedwongen hulpverlening. … Sinds 1 april kunnen in zeven regio’s ouders veel sneller gedwongen worden hulp te accepteren. Bureau Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechter gaan anders samenwerken, waardoor de rechter binnen een week hulp kan afdwingen.” Als het aan de PvdA ligt, zou het kunnen worden: Eens uit huis, blijft uit huis. In hetzelfde nummer van 0/25 staat een interview met Ella Kalsbeek naar aanleiding van het boek dat zij samen met Jeroen Dijsselbloem geschreven heeft: Tussen regels en realiteit, een praktijkonderzoek. (het boek is te downloaden op www.pvda.nl of te bestellen bij C.Rijk@tweedekamer.nl). Enkele citaten uit het interview: “Het meest verrassend vond ik dat werkers in de jeugdzorg ongelooflijk moeilijke en ingrijpende beslissingen nemen terwijl ze een zeer gebrekkig instrumentarium hebben om na te gaan of dat juiste beslissingen zijn. Uithuisplaatsing is de meest ingrijpende. …Daarbij komt dat de deskundigheid en de ervaring van hulpverleners vaak gering is. Het zijn vaak jonge mensen die we afsturen op de moeilijkste gezinnen. …We moeten voluit inzetten op professionalisering. … Als het na ongeveer een jaar niet beter gaat met de biologische ouders, dan mag een kind niet meer terug, vind ik. … Ik kan me voorstellen dat je als richtlijn neemt dat als een kind een half jaar uit huis is, en er is geen verbetering thuis, dat het dan niet meer teruggaat. Voor oudere kinderen kan die periode misschien iets langer, maar voor de kleintjes is een jaar veel te lang.” Dat klinkt redelijk, maar als men de contacten met de ouders tijdens de uithuisplaatsing niet zou verwaarlozen, dan was er waarschijnlijk weinig aan de hand als een kind weer naar huis ging. Zoals het nu vaak gaat: de contacten met de ouders minimaliseren en de contacten met andere familieleden helemaal afsnijden, wordt er een situatie gecreëerd waarin het inderdaad beschadigend voor een kind kan zijn terug naar zijn ouders te gaan. Dan is er namelijk voor de tweede keer ontworteld. Er zou helemaal niet ontworteld behoren te worden, dus ook niet tijdens de uithuisplaatsing. Kinderen die een doveninstituut bezoeken, zijn daar op schooldagen en gaan in de weekends naar huis. Dat is de situatie waar men in een of andere vorm bij uithuisplaatsingen naar zou moeten streven. Het boek gaat over sociale zekerheid, de uitvoering van de jeugdzorg en verpleeghuizen. Hoofdstuk 3, de uitvoering van de jeugdzorg, beschrijft drie maal een casus en vraagt steeds: Wat valt op in deze casus? en neemt daarna drie maal een thema en trekt daar conclusies bij. Thema 1: Het belang van het kind. “Maar wat dat belang van het kind nu precies is, is niet altijd duidelijk. Binnen de jeugdzorg wordt daar op verschillende manieren mee omgegaan. Ouders, pleegouders, onderwijzers en rechters geven er ook weer een andere invulling aan.” Thema 2: Positie van pleegouders. Conclusies “1-De positie van pleegouders is buitengewoon zwak. Het is van groot belang dat daar verandering in komt. Pleegouders moeten zowel zeggenschap over het kind kunnen krijgen als materiële en immateriële steun. 2-Het is voor de ontwikkeling van een kind cruciaal dat snel wordt bepaald waar een kind zal opgroeien: bij de eigen ouders of in een pleeggezin. Als een korte plaatsing gericht op hulpverlening niet succesvol kan worden beëindigd met terugplaatsing naar de ouders, dan zou bij jonge kinderen zo snel mogelijk overgegaan moeten worden tot een definitieve plaatsing bij het pleeggezin. Pleegouders moeten dan ook de positie krijgen die hoort bij die van opvoeder.” Heel interessant zijn ook in de bijlage 1 de nogal verschillende lijstjes die Bjz’s gebruiken voor een ots en een lijstje i.v.m. uithuisplaatsing. Ons viel op: “Veiligheid door geen gevaarlijke situaties in de woning (traphekje, geen gif in het gootsteenkastje en geen geweld in de omgeving van het kind). Afwezigheid van oorlog, rampen, besmettelijke ziekten. (!!) Scholing en ontplooiing (sport of muziek).” En bij de ‘Ouderfactoren’: “Ouder als kind zelf mishandeld. Negatieve houding t.o.v. hulpverlening, toezicht en ondersteuning.” Bij de ‘Kindfactoren’: “huilbaby; ziekte of handicap; ongewenste zwangerschap, ongewenst kind”. Zo staat weer eens op een rijtje waar een mens zijn mond over moet houden. Navolging jeugdzorgmeldweek Groningen In september 2005 heeft KOG de provincies gevraagd wat zij deden om op de hoogte te raken/blijven van de effecten van jeugdzorg, onder verwijzing naar de jeugdzorgmeldweek van de provincie Groningen in februari 2005 waarvoor KOG op 6 april de Gouden Greep had uitgereikt. Op 16 februari 2006 konden wij in het kader van een daar gehouden meld-driedaagse de provincie Zuid-Holland onze inzichten en aanbevelingen sturen. Bureaus jeugdzorg Bjz Noord-Holland heeft een dwangsom opgelegd gekregen om een kind met een ondertoezichtstelling dat bij de vader woonde contact met de moeder te laten hebben. De rechter had een omgangsregeling vastgesteld, en Bjz N-H locatie Alkmaar werkte er eenvoudig niet aan mee. In kort geding werd op verzoek van de procureur van de moeder, mr J.C. de Goeij, op 6 december 2005 een dwangsom opgelegd. Om in het hoofd te houden en na te volgen. (zie ook op blz. 6/7 onder ‘omgang’) Na de “omgekeerde Savanna” van Bjz Noord-Holland locatie Alkmaar waarover wij in het tweede KOG-bericht 2005 hebben geschreven, hebben wij nog een paar keer gehoord over een kind dat bij de ouders is weggehaald zonder machtiging: door een Bjz ontvoerd dus. Deze narigheid had misschien voorkomen kunnen worden als de ouders iets meer hadden geweten. En is een kind eenmaal weg, dan is het altijd moeilijk hem weer thuis te krijgen, en hoe jonger het kind, hoe moeilijker. Bjz Noord-Holland heeft in maart 2006 twee kinderen die al bijna hun hele leven bij hun grootmoeder woonden uit school gehaald en in een instelling ondergebracht, zonder mededeling vooraf aan de grootmoeder of aan de kinderen. Met een machtiging van de kinderrechter bleek later, maar voor de kinderen en hun oma was dit een ontvoering. Pleegouders, en dus ook grootouders die pleegouder zijn, zijn niet rechteloos. Als er sprake is van een vrijwillige plaatsing hebben de pleegouders na 1 jaar het zogenaamde ‘blokkaderecht’. Artikel 1:253s BW: -1. Indien het kind met instemming van zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen. - 2. Voor zover de volgens het vorige lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de ouders door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. - 3. In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot ondertoezichtstelling van het kind, dan wel tot ontheffing of ontzetting van een of beide ouders aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.” (Dus: als er blokkaderecht is en pleegouders maken daarvan gebruik, dus geven geen toestemming om een kind terug te laten gaan, dan kunnen ouders de rechter inschakelen om vervangende toestemming te vragen.) Wel is 23 december 2005 een opmerkelijke uitspraak gedaan in kort geding door de Rechtbank Maastricht, besproken in Rechtspraak Familierecht van 25 maart 2006. Een moeder hield bij een vrijwillige plaatsing na een omgangsweekend twee kinderen thuis, de pleegmoeder spande een kort geding aan. “De pleegmoeder heeft gesteld dat de kinderen niet aan de moeder kunnen worden toevertrouwd. Nu deze stelling door de moeder is betwist, een diepgaand onderzoek hiernaar in het kader van een kort geding niet ingesteld kan worden …, zal de reconventionele vordering toegewezen worden. (namelijk de eis van de moeder dat ook het derde kind, dat niet bij het weekend aanwezig was, weer thuis komt, KOG) … Nu ter terechtzitting is gebleken dat moeder zich weer in staat acht haar natuurlijke zorgtaak op te pakken, ligt in het verlengde daarvan dat zij het als een natuurlijk iets aanvaardt dat zij weer met haar kinderen wordt verenigd en verklaart dit dat de band die zij met haar kinderen heeft haar ertoe heeft gedreven te handelen zoals zij heeft gedaan. Zeker nu zij in het kader hiervan heeft gesteld dat de officiële instanties die zij heeft benaderd om verandering in de bestaande situatie te krijgen haar van het kastje naar de muur hebben gestuurd.” Bij een gedwongen plaatsing ligt de kwestie anders, maar overplaatsen van pleegkinderen (naar een ander pleeggezin, een instelling, of terug naar hun ouders) kan ook dan wel door pleegouders worden bestreden: Onder andere kan gebruikt worden gemaakt van een arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2005, NJ 2005, 349. Rechtspraak Familierecht van 24 september 2005 bespreekt dit arrest. Het ging om grootouders die i.p.v. Bureau jeugdzorg het gezag over hun kleinkind hadden gekregen. Het tweejarige kleinkind woonde bijna twee jaar in een pleeggezin. De grootouders haalden het daar weg, maar kregen de kous op de kop toen de pleegouders de rechter inschakelden. ”Het belang van het kind kan meebrengen dat het gezinsleven van art. 8 EVRM tussen de (groot)ouders en het kind moet wijken voor het gezinsleven met de pleegouders, omdat het voor het kind beter is om in het laatste gezin te verblijven. In soortgelijke belangenafwegingen tussen ouders en grootouders en (groot)ouders en pleegouders, heeft het EHRM gewicht toegekend aan de duur van het verblijf van een kind in het gezin en de gehechtheid van het kind met het gezin en de schade die het kind oploopt door scheiding van het gezin waarin het is opgevoed en verzorgd. In zijn arrest van 9 februari 1990, NJ 1990, 767 heeft de Hoge Raad beslist dat voorzover toepassing van het wettelijk stelsel inbreuk zou maken op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op een gezinsleven, van schending van het verdrag geen sprake is indien door het wettelijk stelsel de belangen van de minderjarige worden beschermd. … wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind, dat recht heeft op eerbiediging van het met zijn pleegouders bestaande gezinsleven. …De art. 3 en 20 IVRK bieden het kind het recht op duidelijkheid omtrent het opvoedingsperspectief en een ongestoorde hechting in het pleeggezin (Hof ’s-Hertogenbosch 8 november 2000, NJ 2001, 659). …tevens gelet op de veilige hechting in het pleeggezin, de oordelen daaromtrent van …, de goede ontwikkeling die het kind in het pleeggezin heeft doorgemaakt en de gebleken opvoedingscapaciteiten van de pleegouders. … niet bestreden geoordeeld dat het aannemelijk is dat de pleegouders voor het kind nog steeds zijn emotionele ouders zijn met wie hij een hechtings- en opvoedingsrelatie is aangegaan, hetgeen door de grootouders wordt bevestigd.” Als grootouder kan men niet zoveel, maar als pleegouder wel: De met het gezag belaste ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen wegens gewijzigde omstandigheden Bjz verzoeken: …c. af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige. Onder wijziging van de verblijfplaats wordt mede verstaan de plaatsing van de minderjarige bij de ouder die het gezag heeft. (art. 1:263,2 BW). Als Bjz niet binnen twee weken positief heeft gereageerd, kan men het verzoek om de verblijfplaats van het pleegkind niet te wijzigen aan de kinderrechter voorleggen. Als er een ots is en de ouders het er werkelijk mee eens zijn dat een kind bij de grootouders opgroeit, adviseren wij dat de ouders verzoeken de ots op te heffen of zich verzetten tegen verlenging. (Grootouders mogen dit niet zelf: art. 1:256,4 BW.) Als de ots is opgeheven, blijft men in ieder geval gespaard voor gezinsvoogden die eigenlijk vinden dat een kind nooit bij grootouders geplaatst had mogen worden en zich daarom met bijvoorbeeld weekend-besteding bemoeien. Een volgende stap kan eventueel wijziging van het gezag zijn. Als u te maken hebt met een Bureau jeugdzorg (aanbieder van zorg) of een instelling die geïndiceerde zorg levert (zorgaanbieder), informeert u dan vooral naar de cliëntenraad. Geef u op voor de cliëntenraad: KOG kan u ondersteunen! Omgang Bjz Noord-Holland heeft dus (zie hierboven onder ‘bureaus jeugdzorg’) een dwangsom opgelegd gekregen om een onder toezicht gesteld kind contact met de moeder te laten hebben. De rechter had een omgangsregeling vastgesteld, en Bjz N-H locatie Alkmaar werkte er eenvoudig niet aan mee. In kort geding werd op verzoek van de moeder een dwangsom opgelegd. Om in het hoofd te houden en na te volgen. In Rechtspraak Familierecht van 25 maart 2006 is deze kwestie besproken: “… Bureau Jeugdzorg heeft nadien de rechtbank enkele keren verzocht de omgangsregeling op te schorten, … . Bij beschikking van 16 november 2005 van de rechtbank is het verzoek van Bureau Jeugdzorg om de omgang nogmaals op te schorten, afgewezen. … Tevens is bepaald dat de gezinsvoogd de omgangsregeling dient te faciliteren. Bureau Jeugdzorg heeft aangekondigd niet haar medewerking aan deze beschikking te verlenen aangezien zij meent dat de omgang dient plaats te vinden onder begeleiding van een neutrale deskundige. De vrouw vordert in kort geding nakoming van de beschikking van 16 november 2005. Door in weerwil van de beschikking, die nog geen maand geleden is gegeven, erop aan te sturen dat de omgang onder begeleiding van een derde plaatsvindt en geleidelijker wordt opgebouwd dan door het hof en de rechtbank is beslist, legt Bureau Jeugdzorg beide uitspraken in feite naast zich neer en plaatst Bureau Jeugdzorg haar eigen oordeel daarmee boven dat van de rechterlijke macht. Niet valt in te zien op basis waarvan Bureau Jeugdzorg boven de wet geplaatst zou moeten worden. Bureau Jeugdzorg dient de beslissingen te respecteren en na te komen. Daarnaast valt niet in te zien waarom begeleiding van de omgang door een externe deskundige noodzakelijk is. In de beschikking van 16 november 2005 heeft de rechtbank immers expliciet overwogen dat er reeds voldoende waarborgen aanwezig zijn om de contacten tussen de vrouw en het kind op te starten. …In verband met de afwijzende houding die BJZ tot op heden in deze zaak ten opzichte van rechterlijke uitspraken ten toon heeft gespreid, bestaat er geen aanleiding de dwangsom te matigen. BJZ wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding. … op straffe van verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro voor iedere dag of gedeelte daarvan dat BJZ na betekening van dit vonnis, in gebreke blijft met de nakoming daarvan; veroordeelt BJZ in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van eiseres begroot op euro 329,60 aan verschotten en op euro 816 aan salaris procureur.” Over de neutraliteit van de externe deskundige die van Bjz N-H de omgang had moeten begeleiden hebben wij soms slechte gedachten. Wij herhalen hier de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005, waarin werd geoordeeld dat de ouder die samen met de andere ouder het gezag over hun minderjarig kind uitoefent, dit kind aan diens gezag onttrekt door zich niet te houden aan een door de rechter vastgestelde omgangsregeling. In KOG-bericht 2 2005 hebben wij geschreven: Als u omgangsproblemen hebt als ouder, is het misschien een idee om de Officier van Justitie te verzoeken een gesprek te voeren met de andere ouder en deze erop te wijzen dat niet meewerken aan een door de rechter vastgestelde omgangsregeling een strafbaar feit oplevert volgens de Hoge Raad. In dit verband schrijft Rechtspraak Familierecht van 25 februari 2006: ”Indien degene bij wie de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben, geen medewerking verleent aan een vastgestelde omgangsregeling, bestaan de volgende mogelijkheden om nakoming van de omgangsregeling af te dwingen: - Opleggen van een dwangsom bij niet-nakoming, zie bijvoorbeeld Rb. Utrecht 23 juli 1980, NJ 1981, 248; Rb. Amsterdam 6 februari 1997, KG 1997, 70 en Hof Amsterdam 22 mei 1997, FJR 1999, p. 109 - Gijzeling, zie bijvoorbeeld Rb. Groningen 14 september 1990, KG 1991, 6 (KOG kent niemand met een gijzelingsbeschikking die tot omgang of gijzeling heeft geleid) - Beëindiging partneralimentatie, zie bijvoorbeeld Rb. ’s-Hertogenbosch 10 november 2000, EB 2001, 10 - Ondertoezichtstelling, zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 9 november 2004, RFR 2005, 26 (KOG kent gevallen waarin de omgangzoekende ouder door de ots 2 tegenwerkers had i.p.v. 1, maar de hierboven gemelde aan een Bjz opgelegde dwangsom biedt mogelijkheden) - Gezagswijziging, zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 27 januari 2005, RFR 2005, 37. (In KOG-bericht 1 2005 is geschreven over deze beschikking: de vader krijgt eenhoofdig gezag en laat de kinderen bij hun moeder wonen; bij frustratie van het contact met zijn kinderen kan hij, de enige ouder met ouderlijk gezag, de politie inschakelen) Thans lijkt er een nieuwe mogelijkheid bij te zijn gekomen om medewerking aan een omgangsregeling af te dwingen. Indien degene aan wie de kinderen voorlopig zijn toevertrouwd niet meewerkt aan de omgangsregeling, kunnen de kinderen aan de andere ouder worden toevertrouwd, tenzij de omgangsregeling in de toekomst wordt nagekomen. De rechtbank oordeelt dat wijziging van verblijfplaats voor kinderen ingrijpend is, doch dat het feit dat de man in staat is de verzorging en opvoeding volledig op zich te nemen, dichtbij de vrouw woont zodat de kinderen dezelfde school kunnen blijven bezoeken en het feit dat de man daarnaast heeft toegezegd dat de kinderen omgang met hun moeder zullen blijven houden, de wijziging verblijfplaats minder ingrijpend maakt en een eventuele wijziging rechtvaardigt. De paradoxale toewijzing zoals door Hoefnagels bepleit en door het Hof Amsterdam toegepast, lijkt steeds meer veld te winnen.” (Deze nieuwe mogelijkheid slaat dus alleen op voorlopige voorzieningen.) Grootouders en omgang Zolang ouders nog zo tobben met omgang, is het voor grootouders helemaal een onbegonnen zaak. Wij horen nogal vaak dat juist grootouders wier kind is overleden, na enige tijd het contact met het kleinkind moeten verliezen. Een dergelijke kwestie werd besproken in Rechtspraak Familierecht van 28 januari 2006: (De Rechtbank Haarlem heeft op 29 oktober en 11 november 2002 geoordeeld, dat, in tegenstelling tot kwesties waarin een ouder omgang verzoekt, bij grootouders alleen het bestaan van de familierechtelijke relatie niet genoeg is. Er moet bovendien sprake zijn van bijkomstige omstandigheden waaruit een bijzondere band tussen de minderjarige en de grootouders blijkt.) In de zaak waarin beslist werd door de Rechtbank Haarlem op 15 augustus 2005 waren die er: “De grootouders hebben vanaf de geboorte van de minderjarige over een periode van veertien tot zeventien maanden gedurende drie dagen per week voor de minderjarige gezorgd. Na het overlijden van de vader hebben de grootouders de minderjarige nog enkele malen gezien, totdat de moeder eind 2002 alle contact heeft verbroken. …De moeder stelt dat zij enkele maanden voor zijn overlijden met de vader heeft gesproken over het beëindigen van het oppassen door de grootouders, daar deze zich meer en meer bepalend opstelden over hoe zij vonden dat het contact met de minderjarige moest lopen en hiermee de moeder en de vader passeerden. Volgens de moeder zijn de grootouders regelmatig op dit gedrag aangesproken, ook door de vader, maar baatte dit niet. Zij deelt mede dat na het overlijden van de vader de communicatie tussen alle betrokkenen vrij snel is verslechterd …welk contact telkens in een ruzieachtige sfeer eindigde. De moeder verklaart dat de minderjarige na zo’n bezoek aan de grootouders steeds opstandiger reageerde richting de moeder. … De moeder brengt naar voren dat reeds maanden voordat de vader overleed de minderjarige nog maar een dag per week bij de grootouders verbleef. …De moeder geeft te kennen dat zij op dit moment geen behoefte heeft aan contactherstel met de familie van de vader en zij verwacht ook niet dat dit in de toekomst wel zal gebeuren. Zij geeft aan dat zij de minderjarige niets heeft verteld over het bestaan van de vader en bovendien geen foto’s van hem in huis heeft staan. … De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de minderjarige dat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek. …Het is de rechtbank ter zitting gebleken dat de moeder zich ernstig verzet, niet alleen tegen herstel van het contact met de grootouders en andere familieleden van de vader, doch er ook bewust voor kiest de (herinnering aan de) vader buiten beeld van de minderjarige te houden. Hoewel bij deze – kennelijk bewust gemaakte – keuze van de moeder vraagtekens kunnen worden gezet, dient deze keus in beginsel gerespecteerd te worden nu de moeder na het overlijden van de vader alleen het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefent. De vraag is thans of onder deze omstandigheden het belang van de minderjarige zich verzet tegen het vaststellen van een omgangsregeling ten behoeve van de grootouders. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Door de jonge leeftijd van de minderjarige moet worden aangenomen dat zij geen (bewuste) herinnering meer heeft aan de grootouders. Door een gedwongen omgangsregeling zou zij plotseling en tegen de zin van de moeder worden geconfronteerd met het bestaan van haar grootouders en wordt zij naar redelijkerwijs is te verwachten in een spanningsveld tussen de moeder enerzijds en de grootouders anderzijds geplaatst. Het belang van de minderjarige om buiten dit bestaande conflict tussen partijen te blijven verzet zich naar het oordeel van de rechtbank tegen het vaststellen van een gedwongen omgangsregeling en dient te prevaleren boven de op zichzelf gerechtvaardigde wens van de grootouders naar herstel van het contact met de minderjarige. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de grootouders met betrekking tot de omgangsregeling afwijzen.” |
|||
| Design: YZE WebDesign | K.v.K. 30.19.00.06 | Disclaimer | |||