Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Deel 2: Gezag, omgang en informatie
<< vorige pagina   
print pagina
 
Deze tekst mag alleen voor eigen gebruik uitgeprint worden.
Als u er iets anders mee wilt doen, neemt u contact op met het secretariaat:
Koninginneweg 90, 2012 GR Haarlem, tel. 023 – 5 32 12 23,
kog@upcmail.nl


Kinderbescherming en valkuilen



Deel 2: Gezag, omgang en informatie



Dit is de 4e versie van Kinderbescherming en valkuilen deel 2: Gezag, omgang en informatie, in 1999 op basis van uitvoerige gesprekken in de Commissie Familierecht van het Platform SCJF geschreven door Truus Barendse met een werkgroep bestaande uit Peter Prinsen (advocaat), Joep Zander (kunstenaar en pedagoog), Ipe Smit (Ouders voor Kinderen), Wouter Hanhart, Theo Richel en Peter Tromp (Scheiden en Blijvend Ouderschap), waarna Ben van Drosthagen een kritisch oog had laten gaan over de tekst. Het is en uitgegeven door Platform SCJF. ISBN 90 57 86 0188, prijs € 8,00.
Ouders voor Kinderen, Scheiden en Blijvend Ouderschap en Platform SCJF zijn opgeheven.
KOG heeft voor de website de tekst in mei 2004 enigszins bekort en aangepast, in december 2005 deze 4e verzie gemaakt, aangepast aan de nieuwe situatie.





Het onderstaande is bestemd voor gewone mensen in een scheidingssituatie.

U vindt hier juridische informatie in kort bestek, en praktijktips. Gegevens waarvan mensen zeggen: als ik dat van tevoren geweten had! Het hele boek gaat uit van de huidige situatie in Nederland, december 2005.

Als ouders uit elkaar gaan, blijven de kinderen om een aantal niet altijd even goede redenen in vrijwel alle gevallen bij de moeder. Daardoor zijn de meeste ouders met omgangsproblemen vaders, maar het kunnen uiteraard ook moeders zijn. Omdat ‘vader (of moeder)’ akelig leest, net als ‘ouder zonder gezag’ of ‘niet-verzorgende ouder’, duiden we een niet-verzorgende ouder, met of zonder gezag, aan met de term ‘vader’. In de meeste gevallen zijn het ook vaders. Maar bedenk, met het begrip ‘vader’ bedoelen we zowel vader als moeder!



Gezag

Geschiedenis
Het Burgerlijk Wetboek van 1838 sprak van ‘vaderlijke magt’. Deze macht duurde tot aan meerderjarigheid of huwelijk. De meerderjarigheidsgrens is in de loop der tijden wel heel verschillend geweest: voor jongens 15 en voor meisjes 12 jaar, voor beiden 18, 25, 21, en nu sinds 1 januari 1988 dus weer 18.

In 1947 werd de vaderlijke macht vervangen door de uitoefening van de ouderlijke macht door beide ouders gezamenlijk.

In 1995 is de term ouderlijke macht vervangen door ouderlijk gezag en is ook gezamenlijke gezagsuitoefening buiten huwelijk wettelijk geregeld.

In 1997 is gezamenlijk gezag van een ouder en een niet-ouder ingevoerd. Aangezien na uiteengaan van deze ouder en niet-ouder het mogelijk is, dat de laatste eenhoofdig gezag krijgt, hebben we nu naast het fenomeen van de wisselvader ook het doorschuifkind. M.a.w.: een tijdelijke nieuwe relatie van je ex-partner kan het gezag over jouw kind krijgen, terwijl jij er niets over te vertellen hebt en de nieuwe gezagsdrager geen rekening met je hoeft te houden.

Als ouders voor de inwerkingtreding van de wet van 6 april 1995 gescheiden zijn, is een van de ouders benoemd tot ouder-voogd, dus met het ouderlijk gezag belast (tot 1995 heette dit dus ouderlijke macht). De andere ouder verloor zijn ouderlijk gezag. Hij werd hoogstens toeziend voogd, wat alleen emotionele waarde had.

In 1995 werd nog een term veranderd: een ouder wordt nooit meer voogd genoemd, een voogd is nu altijd een derde.

Als ouders na de inwerkingtreding van de wet van 6 april 1995, maar voor de inwerkingtreding van de wet van 30 oktober 1997 gescheiden zijn, hebben zij de rechter gezamenlijk kunnen verzoeken het ouderlijk gezag van hen beiden te laten voortduren. Als ouders gescheiden zijn na de inwerkingtreding van de wet van 30 oktober 1997, kunnen zij of kan een van hen de rechter verzoeken een van de twee ouders met het ouderlijk gezag te belasten.

De situatie is nu dus ‘omgekeerd’: als geen van beiden zich tot de rechter wendt, behouden zij beiden het ouderlijk gezag. Hiermee is alvast een obstakel voor ‘scheiden zonder rechter’ weggenomen: als beide ouders het ouderlijk gezag behouden, is er op het punt ‘gezag’ geen rechter nodig.

In de drie bovengenoemde situaties verliest iemand dus het gezag omdat zijn huwelijk eindigde, of omdat bij het einde van het huwelijk niet beide ouders de rechter verzochten voor beiden het gezag te laten voortduren, of omdat bij het einde van het huwelijk op verzoek van (een van) de ouder(s) de rechter eenhoofdig gezag bepaald heeft. Dit laatste is de huidige situatie.

In feite verliest in deze situaties iemand het gezag omdat de relatie met de partner eindigt.

Situatie in 2005
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevat het Personen- en familierecht; afdeling 2 daarvan handelt over Ouderlijk Gezag. Sinds 1997 luidt art. 251 lid 1 en 2:

1. Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.

2. Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen, tenzij de ouders of een van hen de rechtbank verzoeken in het belang van het kind te bepalen dat het gezag over een kind of de kinderen aan een van hen alleen toekomt.

In welke gevallen de rechter het ‘in het belang van het kind’ acht dat een ouder het gezag verliest, hangt nog steeds van de persoonlijke smaak van de rechter af.

Er is minstens één rechtbank die uitsluitend eenhoofdig gezag toekent als de ouders het daarover eens zijn.

Er zijn ook rechters die alleen al het feit dat een ouder eenhoofdig gezag verzoekt voldoende signaal vinden dat dit dan ook ‘in het belang van het kind’ is.

In het Nederlands Juristenblad van 1 oktober 1999 is een uitspraak van de Hoge Raad gepubliceerd, waaruit blijkt dat ‘communicatieproblemen’ tussen de ouders voldoende reden kunnen zijn om het gezamenlijk gezag te beëindigen.

In het Nederlands Juristenblad 2000 is de uitspraak van de Hoge Raad van 10 september 1999 te vinden (NJ 2000,20) , waarin de Hoge Raad aangeeft dat eenhoofdig gezag slechts kan worden toegewezen wanneer de communicatie tussen de ouders zodanig problematisch is dat het risico bestaat dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken tussen de ouders en wanneer niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering komt.

In het februari-nummer 2004 van FJR (Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht) staat een artikel: Doorlopend ouderlijk gezag in de praktijk. Inleiding: “…Recentelijk werd op verzoek van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch door een studente Nederlands recht, Erika Beenen, … onderzoek gedaan naar de praktijk van het ouderlijk gezag na echtscheiding anno 2003. In dit opstel doen wij verslag van dit onderzoek en doen wij enige aanbevelingen inzake de toepassing van art. 1:251 lid 2 BW.

Om na te gaan hoe sedertdien (na de uitspraak van de Hoge Raad van 10 september 1999, KOG) wordt omgegaan met verzoeken om eenoudergezag is onderzoek gedaan naar de beslissingen van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch. Het onderzoek strekte zich uit over 2001 en 2002 en omvatte in totaal 3339 echtscheidingsbeschikkingen met minderjarige kinderen. Deze beschikkingen zijn opgedeeld in de volgende 6 situaties, …
Situatie 4: partijen zijn het niet eens: de een wil gezamenlijk ouderlijk gezag en de ander wil eenhoofdig gezag.
Ten aanzien van deze situatie kan geconcludeerd worden dat de Rechtbank ’s-Hertogenbosch in alle zaken die vallen onder deze situatie in de lijn van de Hoge Raad beslist. …
Ten slotte
Uit het dossieronderzoek … is duidelijk geworden, dat de wens van de wetgever (doorlopend ouderlijk gezag als regel) geaccepteerd is. Uiteraard kon in dit onderzoek niet worden meegenomen of dit tweeoudergezag ook na enige tijd nog stand houdt, maar daarnaar zal een vervolgonderzoek plaatsvinden. …”

Het is in 1999 nog gebeurd, dat bij de scheiding beide ouders het gezag behouden hadden, maar er later nog een zitting over geld volgde. De moeder vroeg tijdens die zitting plotseling eenhoofdig gezag. Dit verzoek kwam voor de vader als een donderslag bij heldere hemel. Het verzoek is toegewezen.

Op 8 november 2004 heeft het Hof Amsterdam gezamenlijk gezag gewijzigd in eenhoofdig gezag voor de verzorgende ouder (de moeder). “Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof tot de conclusie dat de vader de moeder ernstig belemmert om haar taak als verzorgende ouder te vervullen. Met betrekking tot belangrijke opvoedkundige beslispunten weigert hij zijn medewerking te verlenen en ook overigens getuigt zijn handelwijze niet van enig inzicht in de belangen van de kinderen. Tussen de ouders is geen constructief overleg over de kinderen mogelijk, zodat zij niet in staat zijn aan het gezamenlijk gezag een invulling te geven, die niet belastend zal zijn voor de kinderen. Niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd verandering zal komen. Onder deze omstandigheden acht het hof het niet verantwoord het gezamenlijk gezag van de ouders te laten voortduren.”

Een zeer verheugende uitspraak heeft de Hoge Raad gedaan op 15 februari 2005 (LJN-nr. AR8250), waarin werd geoordeeld dat de ouder die samen met de andere ouder het gezag over hun minderjarig kind uitoefent, dit kind ‘aan het gezag en/of opzicht kan onttrekken door zich bijvoorbeeld niet te houden aan een door de rechter vastgestelde omgangsregeling. Dit betekent met andere woorden dat het ouderlijk gezag ook zijn grenzen kent als twee gescheiden ouders samen het gezag uitoefenen

Alleen een ouder kan omzetting van gezamenlijk in eenhoofdig gezag verzoeken, maar artikel 251a introduceert een informele rechtsgang voor het kind. De rechter kan de gezagsbeslissing ambtshalve (dus zonder dat er een verzoekschrift is binnengekomen) nemen indien hem blijkt dat het kind van 12 jaar of ouder daarop prijs stelt. Hetzelfde geldt, indien het kind nog geen 12 jaar is, maar ‘in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen’. Men doet dus alsof vaststaat dat kinderen vanaf 12 jaar zelfstandig kunnen oordelen over deze ernstige levenskwesties. Door een kind deze vragen te stellen maakt men het medeverantwoordelijk eventueel zijn vader te verstoten. De rechters verschuilen zich achter het kind.

Op het congres ‘Kinderbescherming, dat doen we toch samen’ meldde een kinderrechter in een workshop dat ze binnen 5 minuten kon zien of een kind wel of niet een omgangsregeling met de vader wilde.

Ouders die niet met elkaar getrouwd zijn, oefenen het ouderlijk gezag gezamenlijk uit na aantekening daarvan op hun beider verzoek in het gezagsregister als de vader het kind heeft erkend (art. 1:252), of, als de vader het kind niet heeft erkend, na een beschikking van de rechter op verzoek van beide ouders (art. 1:253t).

Dit is op grond van de wet mogelijk sinds 1995. In 1986 had de Hoge Raad gezamenlijk gezag van ongehuwde ouders al mogelijk gemaakt via rechterlijke tussenkomst.

Beide ouders moeten de gezamenlijke gezagsuitoefening wensen, maar het is niet nodig dat zij samenwonen. Het is zelfs geen beletsel als zij een van beiden of allebei met een ander zijn getrouwd. Ook als ouders niet met elkaar getrouwd zijn, kan gezamenlijk gezag door de rechter worden omgezet in eenhoofdig gezag.

N.B.: Een niet-gehuwde moeder kan door haar medewerking te weigeren in principe voorkomen dat de vader het ouderlijk gezag krijgt of zelfs maar het kind kan erkennen. Elk kind kan dus ‘vaderloos’ zijn, kan door toedoen van de moeder ‘vaderloos’ blijven of ‘vaderloos’ gemaakt worden (vernietiging van de erkenning, of ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap).

Als ouders niet gehuwd zijn ontstaat er zonder tussenkomst van de rechter wel eenhoofdig gezag van de moeder, maar nimmer eenhoofdig gezag van de vader.

Men dient te weten dat in de opvatting van kinderrechters het belang van kinderen tot een jaar of 7 het meest gediend wordt door gezagstoewijzing aan de moeder (zie de uitspraken van de Hoge Raad van 15 december 1961, gepubliceerd in het Nederlands Juristenblad 1962, 49, van 23 april 1976, Nederlandse Jurisprudentie 1976, 493, en van 4 februari 1983, Nederlandse Jurisprudentie 1983, 527; interessant is ook een artikel van De Boer in Nederlands Juristen Blad 1996, pag. 162).

Uit elkaar
Als beide ouders het gezag behouden en beiden de kinderen gaan verzorgen, is er (voorlopig) niet veel aan de hand. Maar als u weet dat de moeder het zo niet wil regelen, is het voor een vader vaak het verstandigst af te zien van echte verzorging en genoegen te nemen met omgang. Hij moet wel proberen het gezag vast te houden: gezamenlijk gezag dus.

Waarom zou een vader zo gauw het hoofd in de schoot leggen? Als beiden het recht opeisen verzorgende ouder te worden en dat niet gewoon in goede harmonie met elkaar kunnen regelen, kunt u als vader vandaag de dag helaas nog wel vergeten dat de rechter beslist wat u vraagt. In het gunstigste geval komt de raad voor de kinderbescherming er aan te pas die een ‘onderzoek’ gaat doen. Een vader is dan zo goed als kansloos, zeker als het om een jong kind gaat (zie: de Raad voor de Kinderbescherming).

Is dit een verstandige strijd? Misschien kost het ook nog het gezag en zelfs de omgang. De moeder wordt op haar beurt bang de kinderen te verliezen, ze gaat ze bij de vader weg houden.

Gezag is uiterst belangrijk, ook als de kinderen bij de ander wonen. Als uw advocaat zegt dat het gezamenlijk ouderlijk gezag weinig inhoud heeft omdat de ouder waar de kinderen verblijven toch het feitelijk gezag uitoefent, dient u snel van advocaat te veranderen. Zolang de ouders nog met elkaar kunnen opschieten, maakt het niet veel uit of iemand gezag heeft of niet, maar in andere omstandigheden is gezag juist cruciaal. Hoewel het contact met de kinderen niet onmiddellijk gevaar hoeft te lopen, is het voorstelbaar dat de ander met de kinderen naar het buitenland wil vertrekken. Zitten de kinderen eenmaal hier op school en heb je nog gezag, dan kan men de rechter verzoeken de emigratie van de kinderen te verbieden en is het niet ondenkbaar dat hij dat inderdaad zal doen. Heeft een ouder in zo’n geval niet meer het gezag, dan heeft hij het maar te accepteren. Als zoiets helemaal niet aan de orde lijkt, moet je je toch afvragen waarom de andere ouder geen gezamenlijk gezag wil. Broeit er toch een plannetje?

Als u nu gaat scheiden, probeer dan te voorkomen dat de ander als enige het gezag krijgt. Gezamenlijk gezag is sinds 1995 het wettelijk uitgangspunt. Afwijking van dat uitgangspunt moet de andere ouder motiveren.

Wel zijn er rechters die gezamenlijk gezag in gevallen waarin de kinderen bij een van de ouders wonen en met de andere ouder ‘omgang hebben’, kennelijk beschouwen als de vroegere voogdij en toeziende voogdij: toeziende voogdij/gezamenlijk gezag als je kind bij de andere ouder woont heeft emotionele waarde, verder niets. Zie H. Heijermans, Gezamenlijk gezag na echtscheiding, in Ars Aequi november 1999.

In ieder geval: wie verzorgende ouder wil worden, moet bij zijn kinderen blijven tot de beslissing van de rechter is gevallen. Denk niet: het wordt wel uitgezocht. Het wordt namelijk niet uitgezocht. Blijf dus waar je bent, en realiseer je goed dat voorlopige voorzieningen verschrikkelijk definitief zijn. Een vader die eenmaal het huis verlaten heeft, is volstrekt kansloos. Wie verzorgende ouder wil worden doet er goed aan zich te profileren als ouder die ook daadwerkelijk dagelijks verzorgt.

Het huis uit
Voor u weggaat bij uw kinderen, moet u eerst goed onderdak voor uzelf geregeld hebben. Veel mensen komen in de verleiding zo goedkoop mogelijk te gaan wonen omdat ze de situatie op dat moment niet kunnen overzien: wat zal ik straks nog kunnen betalen? Ze kruipen op een zolderkamertje bij hun ouders, en dat is precies wat ze niet hadden moeten doen.

De alimentatie voor de kinderen en vaak ook voor uw ex wordt vastgesteld aan de hand van de reële lasten van de vader op het moment dat de berekening gemaakt wordt. Dat blijft dus een zolderkamertje! Leen desnoods bij iedereen, maar zorg voor fatsoenlijke woonruimte voor uzelf waar ook plaats is voor de kinderen. Het ontbreken van eigen slaapkamers voor de kinderen bijvoorbeeld kan later een argument worden waarom ze nooit mogen blijven slapen. Rechters nemen zo’n argument grif over. Is de alimentatie eenmaal te hoog, dan is er geen bank meer die nog een lening geeft, en geen rechter die een omgangsregeling geeft van enige omvang.

Contract
Het hierna volgende contract werd in 1984 opgesteld door Erik P. Rijks, auteur van het boekje ‘Scheiden, en de kinderen dan?’ (uitverkocht). In die tijd bestond het fenomeen co-ouderschap nog nauwelijks, maar al dan niet aangepast kan de onderstaande tekst prima gebruikt worden om te verhinderen dat een van beide ex-partners kort nadat hij de deur bij de advocaat heeft dichtgetrokken ineens last krijgt van geheugenverlies.

De ondergetekenden, Jantina Jansen wonende te Amsterdam aan de Verzinselstraat 5, hierna te noemen de vrouw, en Pieter Pietersen, wonende te Amsterdam aan de Fantasieweg 22, hierna te noemen de man, komen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van het op ... 19… te Amsterdam uit hun huwelijk geboren kind, Meta, het volgende overeen.

1. verzorging en opvoeding

Partijen zullen tezamen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van Meta dragen. Partijen bepalen in goed overleg tezamen wanneer Meta bij elk van hen woont. Hiertoe zullen zij een wekelijks rooster, alsook een rooster voor vakanties en feestdagen maken.

Partijen komen overeen dat Meta - totdat hierover anders is beslist - telkens 7 dagen bij de ene en 7 dagen bij de andere ouder zal verblijven. Partijen doen elkaar wekelijks op maandag verslag van de week die Meta bij hen doorbracht, of zoveel vaker als zij dit nodig achten. Meta zal de vakanties en feestdagen voor de helft bij elk der partijen doorbrengen. Alle belangrijke zaken betreffende Meta, zoals schoolkeuze, dokterskeuze, clubs en overige vrijetijdsbestedingen, zullen niet dan na onderling overleg van partijen geregeld worden.

2. woonplaats van partijen

De man en vrouw verklaren dat zij in Amsterdam, althans in de direkte omgeving van Amsterdam, woonachtig zullen blijven teneinde het co-ouderschap t.a.v. Meta in stand te kunnen houden.

3. financiën

Elk der partijen zal een naar rato van zijn/haar inkomen evenredig deel bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van Meta. Elk der partijen betaalt de kosten voor voeding, huisvesting, uitstapjes (kindertheater e.d.) openbaar vervoer en vakanties, ontstaan gedurende de periode dat Meta bij hem/haar vertoeft.
De volgende kosten zullen naar rato van het inkomen gelijkelijk door partijen gedeeld worden:
a. ziektekosten incl. medicijnen, alsmede ziektekostenverzekering
b. kosten voor schoolreisjes en overige excursies
c. school- en onderwijskosten (incl. muziekonderwijs, bijlessen en andere kosten die met school samenhangen)
d. kosten voor sportbeoefening.
Partijen zullen de door hen gemaakte kosten met elkaar verrekenen aan het einde van elk kwartaal. Elk der partijen heeft recht op inzage in de boekhouding/financiële administratie van de andere partij.

kinderbijslag
De te ontvangen kinderbijslag zal bij helfte tussen partijen worden gedeeld.

4. arbitrage

Wanneer partijen ernstig van mening verschillen over het in dit contract geregelde, zullen zij zich voor een advies wenden tot een arbitragekommissie. Deze zal gevormd worden doordat elk der partijen een persoon uitkiest; de gekozen twee personen kiezen tezamen een onafhankelijke derde, die tezamen met de twee door partijen gekozenen de arbitragekommissie zal vormen en deze zal voorzitten.

5. duur van de overeenkomst

Deze overeenkomst zal voor 7 jaren worden aangegaan. Partijen zullen na verloop van de 7 jaren in goed overleg tezamen met Meta komen tot nieuwe afspraken die in het belang van Meta zijn en haar in de gelegenheid stellen met de man en de vrouw een zo goed mogelijk contact te onderhouden.

Slotbepalingen
Partijen spreken af dat zij deze overeenkomst zullen deponeren ten kantore van notaris X te Amsterdam. Ieder onredelijk afwijken van een der partijen van het in deze overeenkomst afgesprokene, kan voor de andere partij - na inwinnen van het advies der in punt 4. genoemde arbitragekommissie - een reden vormen om bij de Arrondissementsrechtbank te verzoeken het gezag over Meta te wijzigen.

Aldus overeengekomen te Amsterdam, … 19 …

P. Pietersen, J. Jansen



U moet wel beseffen dat een contract als het bovenstaande toch iets anders is dan een willekeurig ander contract. Een contract kan worden afgedwongen (tenzij het te leveren huis in vlammen opgaat o.i.d.), en elke rechter werkt mee aan dat afdwingen. Contracten over kinderen kunnen een mooie basis zijn om afdwinging te vragen, maar er zijn rechters die helemaal nooit iets willen afdwingen i.v.m. kinderen, en die alsof er geen omgangsrecht bestaat het ‘in het belang van het kind’ achten een ouder die eenhoofdig gezag heeft altijd haar zin te geven. Rechters worden door de wet in de gelegenheid gesteld hun persoonlijke vooroordeel te voorzien van het etiket ‘in het belang van het kind’. Als u in beroep gaat, is het dus noodzakelijk om duidelijk te maken dat dat zogenaamde belang van het kind niet concreet te omschrijven is en daarom in de praktijk ook niet reëel is.



Omgang

Geschiedenis
Tot het nieuwe echtscheidingsrecht in 1971 had de ouder die niet het gezag over de kinderen had gekregen geen recht ze nog te ontmoeten.

Wel was er een belangrijk arrest van de Hoge Raad (28 augustus 1939, Nederlandse Jurisprudentie 1939, 948): de ouder die van zijn gezag misbruik maakt om elk contact tussen de andere ouder en het kind te verbreken maakt zich schuldig aan een ernstige tekortkoming in de uitoefening van het gezag, wat grond op kan leveren voor een wijziging van het gezag. Vanaf 1971 kon de rechter een omgangsregeling vaststellen, maar het was geen recht (art. 161 lid 5 BW oud).

Al gaat het in 1999 verschenen proefschrift van G.J. van Wijk over beschermingsmaatregelen, over omgang valt prettig en duidelijk te lezen in ‘Hoezo noodzakelijk? Rechtsgronden voor kinderbeschermingsmaatregelen’. Zij schrijft: “Art. 8 EVRM heeft sinds het begin van de tachtiger jaren op het Nederlandse familierecht een grote en niet meer weg te denken invloed verkregen.

Die invloed is vrij abrupt gekomen. In 1973 bleek er nog niet van in het sterk grondrechtelijk georiënteerde proefschrift van De Langen. In 1981 gaf advocaat-generaal Biegman-Hartogh een uitvoerig overzicht van de evolutie van het denken in Nederland over ouderlijke rechten en bevoegdheden zonder enige verwijzing naar family life. Wat de jurisprudentie betreft openden zich de sluizen in 1981 en stortte een stroom van jurisprudentie zich uit over het personen- en familierecht” Voetnoot 3 geeft een literatuuropgave (pag. 77).

Belangrijk is ook de noot van De Boer bij het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 1994: “Van de ouder die het ouderlijk gezag heeft mag verwacht worden dat deze de gezagsbevoegdheid tegen de wil van het kind inzet ter wille van het omgangsrecht van de andere ouder” (Nederlandse Jurisprudentie 1995-74).

Situatie in 2005
Pas de wet van 13 september 1990, in werking getreden op 1 december 1990, heeft met een omweg het huidige artikel 377a e.v. opgeleverd:

Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar (lid 1).

Dit recht is een afgeleide van het recht op eerbiediging van het gezinsleven, neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

“Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar.”

Simpeler, helderder en duidelijker kan het niet. Maar… 40% van de kinderen van ouders die uit elkaar gegaan zijn, verliest het contact met een niet-verzorgende ouder binnen een jaar. Er zijn allerlei andere percentages genoemd, maar dit hoge percentage is reëel. Zie: ‘De cijfers van het loyaliteitsmisbruik’ in ‘Het ouderverstotingssyndroom in de Nederlandse context’ op deze site in de map PUBLICATIES.

Gezien het aantal scheidingen waar kinderen bij betrokken zijn is dat dus nogal wat, en dat zegt ook nogal wat. Diezelfde maatschappij die dieren beschermt, die meldpunten voor kindermishandeling heeft ingesteld, die er oog voor heeft dat kinderen soms hulp nodig hebben na de dood van een ouder getuige de rouwverwerkingsprogramma’s voor kinderen van RIAGGs, die maatschappij laat het gebeuren dat kinderen moeten leven alsof hun vader of moeder dood is, terwijl ze weten dat dat niet zo is. Rust is het toverwoord. Er moet rust zijn in het nieuwe gezin. Een ouder mag de kinderen dwingen te leven alsof de andere ouder dood is, mits hij dat grondig aanpakt! Een ouder die nog een sprankje hoop laat kan namelijk misschien een probleem krijgen. Op het congres ‘Kinderen beschermen, dat doen we toch samen’ presenteerden de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling zich. Iemand uit de zaal zei dat hij gebrek aan omgang beschouwde als geestelijk geweld, als mishandeling, en vroeg of hij daarmee terecht kon bij een AMK. Het antwoord was dat in een dergelijk geval het AMK misschien zou informeren bij de school. Scheen het kind daar normaal mee te draaien, dan zou het AMK met de melding zeker niets doen.

KOG heeft kopie gekregen van een beschikking die in december 2004 nog is gegeven, en waarin de rechter bepaalt dat de (nooit nagekomen) omgangsregeling nu maar helemaal beëindigd wordt. Dit nota bene na een onderzoek van de RvdK en een extern deskundigenbureau. Beide instanties zijn positief over de vader. Waarom dan toch deze uitspraak? “De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat de moeder niet in staat is gebleken om het kind ruimte te geven voor contact met de vader. De moeder kzn en wil het kind niet stimuleren en begeleiden bij een omgangsregeling. De rechtbank acht thans het risico groot dat bij vaststelling van een omgangsregeling het kind klem zal raken tussen de vader en de moeder. Derhalve oordeelt de rechtbank dat omgang in de huidige situatie niet in het belang van het kind te achten is. Zij zal daarom het verzoek afwijzen.”

Tegen de achtergrond van het enorme aantal malen dat het misgaat, is het wijs voorzorgen te nemen. Als de ouders samen een omgangsregeling hebben afgesproken, is het verstandig die op papier te zetten en op verzoek van beiden door de rechter te laten vaststellen (art. 1:377h). Daarmee is er namelijk een grondslag voor het treffen van maatregelen om de nakoming af te dwingen. Een samen opgestelde omgangsregeling is altijd een betere dan een regeling die door de rechter is vastgesteld op verzoek van een ouder, terwijl de andere ouder tegenstribbelt. Alles wordt afgesproken en vastgelegd, dus ook de omgang met de kinderen. Beschouw het als een aanvaringsreglement: je legt van tevoren vast wat er moet gebeuren in die en die omstandigheden, je wacht niet tot twee schepen klem zitten in de sluis. Het is geen motie van wantrouwen, anders zou ieder contract een motie van wantrouwen zijn.

Maar nogmaals: een contract over kinderen is in de ogen van rechters nog steeds geen reëel contract.

Ook kan de rechter op verzoek van een ouder, ook al hebben de ouders gezamenlijk ouderlijk gezag, op grond van datzelfde artikel 377h een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en de ouder bij wie het kind niet woont.

Als u geen ouderlijk gezag hebt, de rechter geen omgangsregeling heeft vastgesteld en de omgang niet loopt zoals u zou wensen, kunt u de rechter een omgangsregeling verzoeken.

Het loont via familie, vrienden en bekenden, de pastoor of wie verder maar invloed zou kunnen uitoefenen op uw ex, te proberen tot omgang te komen voor u zich tot de rechter wendt. Een gang naar de rechter wordt immers vaak als een soort oorlogsverklaring opgevat, en na een oorlogsverklaring zetten mensen de hakken in het zand.

Aan de andere kant moet u niet te lang wachten: het ontbreken van omgang wordt een argument om de situatie maar te laten zoals deze is.

Een vader zonder ouderlijk gezag heeft het recht de rechter te verzoeken een omgangsregeling vast te stellen. Op grond van art. 377a, als hij met de moeder getrouwd is geweest of het kind erkend heeft: op grond van art. 377f als hij het kind niet heeft erkend.

De rechter 1) stelt een omgangsregeling vast,
2) beslist voorlopig niets, of
3) ontzegt de omgang.



Ad 1) De rechter stelt een omgangsregeling vast.

Iemand die een omgangsregeling aan de rechter verzoekt verkeert altijd in een conflictsituatie (afgezien dus van wat hierboven staat, namelijk samen de rechter verzoeken de onderling afgesproken omgangsregeling vast te stellen). Er is een tegenstribbelende wederpartij, en rechters houden er meestal niet van de ene partij helemaal zijn zin te geven en de andere partij helemaal niet. Houd hier rekening mee. Stel dat u uw zoontje graag een weekeind in de veertien dagen bij u wilt hebben (in werkelijkheid wilt u hem gewoon iedere dag bij u hebben, maar we zijn nu beland in de wereld van scheidingen, conflicten, kinderrechters en narigheid). Dan is het misschien verstandig primair te verzoeken hem iedere week een dag en een nacht bij u te hebben, subsidiair (dat betekent: voor het geval het eigenlijke verzoek afgewezen wordt, of) een weekend in de veertien dagen. Uw advocaat moet dat wel heel duidelijk maken, want voor een rechter is dit niet vanzelfsprekend: voor een klein kind is veertien dagen niet te overzien, het is veel te lang; door één weekend in de veertien dagen worden in de praktijk ouders ontouderd.

Het is niet totaal onmogelijk dat u krijgt wat u primair hebt verzocht, en dan is dat prachtig, want voor een klein kind is veertien dagen werkelijk niet te overzien. Maar de kans is veel groter dat het niet 1 dag in de week wordt, maar 2 dagen in de veertien dagen. Dat is namelijk een heel gebruikelijke omgangsregeling. De rechter besteedt als het meezit de hele zitting aan een discussie over 1 dag in de week of 2 dagen in de veertien dagen; het gesprek gaat dan tenminste niet over een weekend per veertien dagen of helemaal niets, zoals de andere partij wilde en zoals vaak gebeurt.

Verzoek een zeer gedetailleerde beschikking: alles wat niet vastgelegd is kan twist opleveren (evenals alles wat wel vastgelegd is trouwens). Dus: laten brengen of ophalen, wanneer precies en waar precies, terug laten halen of terugbrengen, wanneer precies en waar precies. Verzoek de rechter in de beschikking ook de verdeling van schoolvakanties en andere extra vrije dagen vast te leggen, evenals de opmerking dat het de vader vrij zal staan de vakantie door te brengen waar hij wil en dat de moeder het reisdocument zal meegeven.

Voor een kind is het waarschijnlijk het meest geruststellende gevoel als moeder hem naar vader brengt, en vader naar moeder. Maar de vader die zijn kind al twee weken niet heeft gezien is wel erg makkelijk op zijn zenuwen te werken door een half uurtje te laat te komen. Wachten tot het kind weer opgehaald wordt verziekt de laatste uren nog meer dan zelf weg gaan brengen. “We beginnen maar geen spelletje meer, want misschien kunnen we het niet meer afmaken.”

Soms is het in tijden van hevige spanning een opluchting als een betrouwbare neutrale derde kan halen en brengen. Dat halen moet uiteraard wel eerst afgesproken worden. Het moet ook duidelijk zijn dat dit tijdelijk is.

Probeer na het afscheid gezelschap te hebben van mensen die begrijpen wat er aan de hand is, die je steunen, en die bereid zijn te luisteren als je stoom moet afblazen.

Weet, en laat je niet uit je hoofd praten, dat het een enorme inbreuk op je persoonlijke leven is en blijft als je kinderen niet meer altijd bij je zijn.

Wat is een normale omgangsregeling?

Over wat normaal is kun je twisten. De rechter zal vaak een weekend in de veertien dagen vastleggen; afhankelijk van de situatie zal hij zeggen dat de kinderen in de loop van vrijdagmiddag na school al mogen komen en/of de nacht van zondag op maandag mogen blijven. Dit soort ‘opgelegde’ omgangsregelingen is natuurlijk verre van ideaal. Het hangt er ook van af of je als vader je kind mee op wilt voeden. In dat geval is het zeker nodig dat het kind ook doordeweeks af en toe bij je is, en dat er gemakkelijk wordt omgesprongen met tussentijdse ontmoetingen. Het model van ‘een weekend om de week’ verloopt nogal eens volgens een vast stramien: vrijdag/zaterdag komen de kinderen en wederzijds gaat er veel tijd verloren om weer een beetje aan elkaar te wennen. De zaterdagmiddag tot en met zondagmiddag verlopen heel plezierig. De tweede helft van de zondagmiddag ontstaat er spanning doordat het afscheid er weer aan komt.



Ad 2) De rechter beslist voorlopig niets.

Als er veel tegenstand is van een ouder met gezag, laten sommige rechters extra hulptroepen aanrukken: zij geven opdracht voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming of een extern deskundige(nbureau). Bij al die onderzoeken ontstaat dus de absurde situatie dat buitenstaanders de relatie tussen vader (of moeder!) en de kinderen gaan onderzoeken.

We hebben gezien dat de Raad voor de Kinderbescherming zich op verschillende manieren opstelt: blindelings aannemen (in een onderzoeksrapport!) dat de vader een gevaar voor de kinderen is; blindelings aannemen (in een onderzoeksrapport!) dat er gewone omgang moet zijn tussen vader en kind terwijl de raadsonderzoeker signalen van allerlei narigheid en de opinie daarover van een RIAGG wegmoffelt; op papier zetten dat er een goede relatie is, en toch als conclusie vermelden dat er maar geen omgang moet zijn: alles is mogelijk.

Het bedreigende hiervan is, dat als het eenmaal in een rapport staat, de rechter ervan uitgaat dat dat rapport gebaseerd is op onderzoek, terwijl de werkelijkheid soms is dat dit onderzoek niet meer is dan een vorm van partij kiezen voor het emotionele appel dat de moeder (of vader!) doet. Veronderstellingen worden als feiten gepresenteerd en gehanteerd, met gevolg voor het hele verdere leven van de betrokkenen.

Als u meewerkt aan een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, is het van belang de opdracht te zien waarmee de raadsmedewerker aan de slag gaat. Het kan gebeuren, door allerlei oorzaken, dat de ouders een verschillend idee over die opdracht hebben. De moeder heeft gezegd dat ze geen omgang toestaat omdat ze de vader verdenkt van seksueel misbruik. Zij leeft in de veronderstelling dat in drie proefcontacten daar een onderzoek naar gedaan wordt. De vader weet niet beter of de Raad voor de Kinderbescherming moet alleen drie proefcontacten begeleiden en daarover rapporteren.

Nogmaals: u hebt er recht op de opdracht te zien.

Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is niet objectief in de zin van een ziekenhuisonderzoek. Of een bot al dan niet gebroken is, is niet een kwestie van opinie van de dokter. Bij de Raad voor de Kinderbescherming ligt dat heel anders.

Een raadsmedewerker kan een denkbeeld hebben (kinderen horen bij de moeder, waar bemoeien die mannen zich eigenlijk mee?) of een mening over u (van dat type kun je alles verwachten). De medewerker zal soms deze mening tot uiting laten komen in het advies van ‘de Raad’, en maakt daar dan een ‘logische’ onderbouwing bij.

Begrijp ons niet verkeerd: natuurlijk zijn er integere en capabele raadsmedewerkers. Het is ook mogelijk dat iemand die zijn eigen vooroordelen probeert te onderbouwen integer is, hij heeft misschien niet in de gaten wat hij aan het doen is, maar hij is dus niet capabel. Maar een karikatuur van de werkelijkheid tekenen is iets wat de raadsmedewerker in de interne opleiding expliciet leert.

Bovendien hoeft de raadsmedewerker niet aan waarheidsvinding te doen; de voorzitter van een klachtencommissie voor de Raad voor de Kinderbescherming begon daar in september 1999 een zitting mee: “U weet toch dat de Raad niet aan waarheidsvinding hoeft te doen hè, daar kunt u dus niet over klagen.”

Een zogenaamde ‘expertmeeting’ op 11 november 1999 van de Raad voor de Kinderbescherming, (gezins)voogdij-instellingen, rechterlijke macht en ouders over ‘functie en reikwijdte van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming’ zou met name gaan over de zogenaamde ‘waarheidsvinding’. Deze bijeenkomst werd op 21 oktober door de algemeen directeur van de Raad voor de Kinderbescherming afgelast met de reden: “De relatie tussen de Raad en de cliëntenorganisaties is echter op dit moment zoals u wellicht weet, door de recente uitgave van het boek ‘Kinderbescherming en valkuilen’ ernstig verstoord… .”

In de praktijk blijkt meer dan eens dat een raadsmedewerker voor zichzelf en voor de organisatie waar hij voor werkt normaal bezig is als hij bijvoorbeeld een gesprek met de vader verdonkeremaant dat geen enkele voeding geeft aan een beschuldiging door de moeder van seksueel misbruik. Als hij het vermoeden van de moeder aannemelijk vindt en dat uitspreekt in zijn conclusie, kan hij gegevens die in strijd zijn met dat vermoeden weglaten.

We hebben de stukken gezien van een geval waarin de ouders van drie kinderen een strijd streden eerst om het gezag, later om de omgang van de kinderen met de vader.

I.v.m. het gezag weigerde de Raad in de rapportage op te nemen dat buren na het vertrek van de vader verhuisd waren omdat ze het gedrag van de moeder tegenover de kinderen nu zij vrij spel had niet aan konden zien en horen. De buurman, gepensioneerd politiebeambte, schreef aan de Raad. Hij verbaasde zich later dat zijn woord kort na zijn pensionering niets meer waard was, terwijl het enkele maanden daarvoor door zijn functie nog gewicht had.

I.v.m. de omgang weigerde de Raad in de rapportage op te nemen dat de moeder van een klasgenootje van een van de kinderen zich schriftelijk en in persoon tot de Raad had gewend. Zij meldde dat zij gehoord had dat de moeder van de drie kinderen aan een moeder op het schoolplein stond te vertellen dat een incestbeschuldiging natuurlijk wonderen zou doen; daarom zou zij wel een verhaaltje in elkaar draaien.



wie weet hoe de raad denkt en werkt, kan daar rekening mee houden

1) Laat niemand binnen. U komt wel naar de Raad toe. Dat betekent niet dat u wat te verbergen hebt, dat betekent dat u uw privacy beschermt. Vakantiefoto’s met blote kinderen aan de muur en bierkratten in de hal kunnen alleen maar narigheid geven. Dat u keurig afgestofte plintjes in de kinderkamer hebt komt heus niet in het rapport te staan.

2) Lees het Normenrapport op www.kinderbescherming.nl . Daarin staat waaraan een raadsonderzoeker zich heeft te houden, hoelang dossiers bewaard worden, enzovoort.



3) Vraag het dossier van uw kind op bij de Raad zodra u weet van het onderzoek, verstuur dit verzoek

per koeriersdienst of aangetekend met ontvangstbevestiging.



Schrijf bijvoorbeeld:

Eigen naam en adres

Aan de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Locatie Amsterdam (of wat het dan ook moet zijn)

Postbus 12345, Postcode 6789 AB Amsterdam

Woonplaats, datum

Betreft: naam van uw kind

Geachte Heer/Mevrouw,

Met beroep op het Normenrapport Raad voor de Kinderbescherming,, artikel 811 Rv en de wet openbaarheid van bestuur verzoek ik u mij binnen de door de wet gestelde termijn kopie te zenden van het dossier betreffende (naam van uw kind). Ik wil het volledige dossier ontvangen, inclusief ’professionele’ werkaantekeningen en telefoonnotities.

Hoogachtend,

(Het komt meer dan eens voor, dat de onderzoeksopdracht het enige stuk in het dossier is.)

4) In de gesprekken met een raadsmedewerker zal deze zich in het algemeen vriendelijk en beleefd

gedragen. De medewerker zal stellen over u en uw kinderen en uw verleden. Deze aandacht kan weldadig aandoen en u zou kunnen denken dat u de misvattingen met uw ex kunt ophelderen, waarbij u de raadsmedewerker op uw hand krijgt, als u het maar goed uitlegt.

Besef terdege dat dit geen vrijblijvende gesprekken zijn. Het zijn geen gesprekken die u voert met een belangstellende vreemde. De medewerker stelt een rapport samen en schrijft, mede aan de hand van wat u vertelt, hoe u overkomt; hij schrijft naar een gebruikelijke en door de tijd heen beproefde eindformulering toe. Het kan zijn dat uw openhartigheid en uw emotionele appel aan de medewerker om uw relatie met uw kinderen te beschermen averechts uitwerkt.

Daarom: beperk het contact met de Raad voor de Kinderbescherming zoveel mogelijk. Als u geen contact hebt met de Raad, doet u ook geen uitspraken waarvan u later denkt als u ze leest in het rapport: maar zo heb ik het niet bedoeld! Zeg in ieder gevl nooit en nooit en nooit iets in de trant van ‘dan kun je je net zo goed voor de trein gooien’ of ‘ik zou me verhangen’. Dat kan heel anders in het dossier komen.

5) In het eerste gesprek geeft de raadsonderzoeker u een folder over de gang van zaken en een folder over de klachtenregeling. Vraag ernaar als dat niet gebeurt. Zeg dat u het Normenrapport kent.

6) Als u van uw kant een vraag stelt, wordt daar soms overheen gepraat; herhaal de vraag tot u antwoord

hebt gekregen.

7) Neem een vertrouwenspersoon mee naar elk gesprek. Dat is een recht, dat hoeft u niet van tevoren te vragen. Het Normenrapport zegt hierover in hoofdstuk I onder 1.2 (Het onderzoek) g: “Een cliënt kan zich laten bijstaan door iemand in wie hij vertrouwen eeft. De raad kan de vertrouwenspersoon onder bijzondere omstandigheden, gemotiveerd, weigeren. De raad blijft verantwoordelijk voor het onderzoek en beoordeelt wat uiteindelijk in het rapport komt en wat eventueel door de raad als bijlage wordt meegezonden. Als met meerdere personen tegelijkertijd wordt gesproken, kan een vertrouwenspersoon slechts worden toegelaten als allen hiermee instemmen.”

Soms krijgen mensen een briefje: bij het gesprek zal die en die aanwezig zijn. Als dat geen raadsmedewerker is, maar bijvoorbeeld een stagiaire of een medewerkster van een centrum voor allochtone meisjes, kunt u zeggen dat u dat niet goed vindt.

Als Nederlands niet uw moedertaal is, hebt u behalve recht op de aanwezigheid van uw vertrouwenspersoon recht op een tolk. De Raad moet daar voor zorgen. Vraag aan de raadsmedewerker of de aanwezige inderdaad tolk is. Let erop dat hij niets anders doet dan vertalen, want het kan zijn dat u een ‘tolk’ treft die de neiging heeft de leiding over te nemen of commentaar te leveren. Als u helemaal geen Nederlands spreekt, kunt u toch controleren of hij inderdaad alleen maar vertaalt: wat gezegd is en de vertaling moeten ongeveer even lang zijn. Als u denkt dat de tolk niet echt vertaalt, zeg dan dat u het gesprek een andere keer wilt voeren met een andere tolk.



8) Vraag of u het gesprek mag opnemen. Iedereen is zenuwachtig tijdens een gesprek met een raads-
medewerker, en alles precies onthouden is voor bijna iedereen moeilijk, zelfs als je niet zenuwachtig bent.

De raadsonderzoeker is bovendien niet verplicht aantekeningen te maken. Wij hebben meegemaakt dat een vader op initiatief van de Raad een twee uur durend gesprek bij hem thuis voerde met twee raadsmedewerkers. Later was van dit gesprek geen spoor te vinden in het dossier: alsof het nooit had plaatsgevonden. Correspondentie hierover leverde alleen maar de mededeling op, dat het de medewerkers vrijstond te noteren wat zij nodig vonden.

Als opnemen niet mag, laat de vertrouwenspersoon dan aantekeningen maken en stuur een verslag van elk gesprek om voor akkoord getekend te worden. Dat voorkomt welles-nietesklachtprocedures. Als de raadsonderzoeker ook geen gespreksverslagen wil ondertekenen, vraag dan onder opgave van deze redenen aan de directeur om een andere onderzoeker. Weiger alle verdere contact met de eerste onderzoeker.

9) Houdt u stipt aan afspraken, en bevestig telefonisch gemaakte afspraken schriftelijk.

10) Laat u geen woorden in de mond leggen. De raadsonderzoeker maakt misschien een opmerking over de andere ouder of de stiefouder, ga er niet op in, bevestig of ontken niet, zeg dat u hier alleen zit omdat u het contact met uw kind wilt herstellen.

11) Laat het niet merken als u kwaad wordt. Blijf (uiterlijk) kalm, maar houd wel vast aan de feiten. Zeg rustig: “Daar ga ik niet op in” als u vindt dat de raadsonderzoeker er zaken bijhaalt die niet direct te maken hebben met uw gedrag tegenover de kinderen.

12) Attendeer de raadsonderzoeker op informanten van wie u denkt dat ze een goed beeld kunnen hebben van de manier waarop u en de kinderen met elkaar omgingen in het verleden. Buren, een sporttrainer, de juf van de kleuterschool. Vraag van tevoren of ze dat goed vinden. Als de onderzoeker weigert met hen te praten, vraag dan waarom, en vraag hem uw verzoek en zijn weigering in het rapport te vermelden.

13) Het komt voor dat de Raad stukken die u hebt gestuurd of persoonlijk overhandigd, terugstuurt ‘na inzage’. Het is verstandig ze opnieuw naar de Raad te sturen met het verzoek ze in het dossier op te nemen omdat ze van belang zijn voor een juist onderzoek door de Raad.

14) Het komt voor dat de Raad stukken die u hebt gestuurd of persoonlijk overhandigd, terugstuurt met een briefje dat het niet in uw belang is dat deze stukken in het dossier komen. Het is verstandig ze opnieuw naar de Raad te sturen met het verzoek ze wel in het dossier op te nemen. Zorg er altijd voor zelf kopieën te hebben.

15) Word niet te openhartig, en vertel vooral niet dat u in het verleden slachtoffer bent geweest van wie of wat dan ook. Grijp deze gelegenheid niet aan om uw hart uit te storten. Volgens de grabbelton-methode gaat de raadsonderzoeker alles uit uw verleden halen wat het niet helemaal onwaarschijnlijk maakt dat u geen ideale opvoeder bent geweest, of wat past in het stereotype beeld van de mishandelaar of de incestpleger (bijv. zelf opgegroeid zijn met een hardhandige vader in een streng gezin!).

Wat dan in het rapport staat is misschien allemaal waar, en u hebt het misschien allemaal zelf gezegd, en het kan toch een totaal vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Bovendien: het doet er niet toe.

Misschien had Pietje inderdaad beter een andere vader kunnen hebben om de een of andere reden, maar u bent nu eenmaal de vader van Pietje, en u houdt van hem met heel uw hart. En dat is het enige wat telt: het is uw kind, u bent zijn vader, en er is voor jullie als ouders uit elkaar gingen altijd een volstrekt normale ouder-kind-relatie geweest. Zeg desnoods tegen de raadsmedewerker dat u niet meedoet aan een spelletje amateur-psychiatrie.

Weiger daarom over het verleden van voor de geboorte van de kinderen te spreken. Zeg tegen de onderzoeker dat het niet om het verre verleden gaat, maar om het heden en de toekomst. Dat het er niet om gaat of het door uw eigen verleden waarschijnlijk is dat u geen normale vader bent, dat het er alleen om gaat of u werkelijk al of niet een gewone vader bent. Het gaat alleen om uw gedrag tegenover uw kinderen. Waarom leggen we hier zoveel nadruk op? Raadsonderzoekers leren in hun opleiding de algemeen bekende wijsheden: dat er moeilijkheden zijn in het leven, bijvoorbeeld zwaar en eentonig werk, geldgebrek, schulden, in een achterstandswijk wonen; dat moeilijkheden de draagkracht verkleinen en de draaglast vergroten; dat iemand zich tegenover zijn kinderen waarschijnlijk gedraagt zoals hij zelf als kind behandeld is, dat een mishandeld kind dus grotere kans heeft later zelf een mishandelaar te worden; dat traumatische ervaringen grote gevolgen kunnen hebben voor iemands relatievorming met zijn eigen kinderen.

Geef geen voedsel aan zulke veronderstellingen.

Vertel niet uit uzelf over psychische problemen in heden of verleden; vertel zelfs niet uit uzelf over ziekten van heden of verleden; vertel niet dat u een alcohol- of drugsprobleem hebt gehad; vertel niet dat u gokverslaafd bent (geweest); vertel niet dat u veel tijd doorbrengt met chatten; vertel niet dat u schulden hebt (gehad); vertel niet dat u ontslagen bent om een andere reden dan opheffing van het bedrijf; vertel niet dat u een conflict hebt (gehad) met wie dan ook, vertel niet dat u uw ex ooit een mep hebt verkocht; vertel niet dat u in aanraking bent geweest met de politie; vertel niet dat u weinig vrienden hebt; vertel niet dat u in onmin leeft met uw familie. Weiger inlichtingen over uw godsdienstige overtuiging; weiger mee te delen of u lid bent van een politieke partij.

raadsonderzoekers controleren in het algemeen geen mededelingen op juistheid; EN soms is CONTROLEREN onmogelijk

Kortom: geef de raadsonderzoeker geen houvast. Als er een rapport komt met een voor u negatief advies, volgt de rechter meestal dat advies van de deskundige (daar vraag je toch een advies voor?).

Het resultaat is vaak ‘geen omgang’. Daarna zou de situatie van geen omgang opeens volkomen in orde zijn. Niemand zou verder meer iets hoeven te doen.



Maar u bent in geen enkele valkuil getrapt: U bent gewoon de vader (of moeder!) van Pietje, uw relatie met de moeder (of vader!) van Pietje staat hier geheel buiten, u maakt geen negatieve opmerkingen over haar, uw opinie over zijn in drugs handelende stiefvader houdt u voor u, u bent geen gevaar voor Pietje, hij gaat bij u op tijd naar bed, u neemt hem niet mee naar de kroeg, de automatenhal of de disco, u maakt geen negatieve opmerkingen over zijn kleding (laat hem bij u nooit andere kleren aantrekken, behalve iets ouds om bijvoorbeeld in de tuin te klussen) of vrijetijdsbesteding, u hoort hem niet uit over zijn thuissituatie want dat doet een verstandig mens niet.



U wilt alleen de liefdevolle band tussen u en uw kind beschermen.



Als het nodig is, herhaalt u dat keer op keer. U zegt dat de diepgraverij volgens u alleen maar bedoeld is om een stok in handen te geven om een hond te slaan. Het zou er alleen toe kunnen leiden dat u in het rapport bestempeld wordt als ongeschikte of overbodige ouder. Wat dit betreft willen wij u een advies geven, vergelijkbaar met wat militairen leren te doen als ze in vijandelijke handen vallen: vertel alleen naam, rang en registratienummer. Voor u geldt dat u uitsluitend duidelijk maakt dat u een goede ouder bent.

Dus nogmaals: geef geen houvast om u te diskwalificeren als ouder.



Het raadsrapport
16) Misschien is de raadsonderzoeker bereid u tussentijds de gelegenheid te geven een deelrapport op feitelijke onjuistheden te controleren en deze te verbeteren. Deze ‘bouwstenenmethode’ kan helpen te voorkomen dat er conclusies getrokken worden uit onjuiste veronderstellingen. Deze werkwijze staat op gespannen voet met wat de raadsonderzoeker in de interne opleiding leert, maar er bestaan wel raadsonderzoekers die gewoon hun eigen gezond verstand gebruiken.



17) Voordat u het eerste gesprek met de raadsonderzoeker had, hebt u het volledige dossier opgevraagd. Het is verstandig op te vragen wat er eventueel sindsdien is bijgekomen als het conceptrapport klaar is.

De Raad mag niet zomaar gedeelten van het dossier achterhouden, ook niet als dat is om de privacy van een derde te beschermen. Dat mag alleen met toestemming van het Ministerie van Justitie. Als die toestemming er niet is en het dossier toch niet volledig is, wendt u dan tot de directeur. Als dat niet onmiddellijk helpt, neem dan zelf contact op met het Ministerie van Justitie.

Een enkele maal krijgt iemand een conceptrapport en moet hij dat vlug even lezen. Dat hoeft u niet te accepteren. U hebt er recht op een kopie te krijgen en die thuis rustig te lezen, samen met wie u maar wilt. Soms staat er een stempel op: niet voor inzage aan derden. Daar trekt u zich natuurlijk niets van aan. Neemt u voor dat lezen maar een week. Als u dus een kopie thuis gestuurd krijgt met de mededeling dat de Raad aanneemt dat u het ermee eens bent als u over drie dagen niets hebt laten horen, schrijft u een briefje (per koeriersdienst of aangetekend met ontvangstbevestiging) dat het niet zo vlug gaat, en dat u op die en die datum uw commentaar zult leveren.

Het rapport doorgronden is voor de meeste mensen moeilijk. Het kost altijd tijd. Ze ervaren de hele situatie als bedreigend, herkennen zich niet in het rapport, vinden het tendentieus maar kunnen niet onmiddellijk zien waardoor dat komt. Lees het rapport dan rustig, leg het weg, lees het op een later tijdstip opnieuw, en herhaal dat. Laat het rapport ook lezen aan een paar kritische mensen uit uw omgeving en bespreek het met hen. Laat het lezen aan deskundigen, vertegenwoordigers van ouderorganisaties.

Klopt het voorblad? Namen, geboortedata enzovoort.

Zijn alle pagina’s genummerd of zitten er ongenummerde tussen die dus ongemerkt zouden kunnen verdwijnen?

Controleer bij eventuele informanten of zij inderdaad gezegd hebben wat er staat. Hebben zij niet nog iets gezegd wat niet in het rapport staat, maar waardoor wat wel in het rapport is opgenomen in een ander licht komt te staan?

Weten de informanten uit eigen waarneming wat zij verklaard hebben?

Zijn alle feitelijke mededelingen juist (dus mededelingen als: heeft een week in het ziekenhuis gelegen)?

Zijn alle feitelijke mededelingen voldoende duidelijk? Is een opmerking wel juist, maar heeft de raadsmedewerker de context weggelaten of eenzijdig onjuist belicht? De betekenis van zo’n opmerking kan dan een totaal andere zijn. (Bijvoorbeeld: de onderzoeker schrijft dat de vader moeite heeft met het beantwoorden van de vraag hoe hij zijn kinderen opvoedt. Er werd niet vermeld dat de onderzoeker het onderzoek binnen enkele minuten wilde beëindigen, terwijl de vader veronderstelde dat er nog enkele gesprekken zouden volgen).

Geeft de raadsonderzoeker neutraal de feiten weer, of leest u ook een waardeoordeel?

Maakt de raadsonderzoeker opmerkingen die niet onjuist zijn, maar die a.h.w. een dubbele inhoud hebben? (Bijv. ‘de bezorgdheid van de moeder over de kinderen is oprecht.’ De bezorgdheid van de vader niet dan?)

Is steeds duidelijk wie er aan het woord is: een informant of de raadsonderzoeker?

Zijn er andere onduidelijkheden in het rapport?

Bent u tevreden over het taalgebruik? ‘Vader zegt’ bijvoorbeeld maakt op de lezer (de rechter) een andere indruk dan ‘vader beweert’.

Maken allerlei kleinigheden samen dat het rapport tendentieus is, dus de rechter een bepaalde kant op dwingt? Vaak is belangrijker wat er niet staat dan wat er wel staat. Zaken die in uw voordeel pleiten kunnen zijn weggelaten.

Zet per pagina uw commentaar op papier. Dring erop aan, dat door u gewijzigde feiten in het rapport zelf veranderd worden en niet alleen als commentaar toegevoegd. U kunt dit echter niet afdwingen, want het rapport is en blijft een rapport van de Raad.

Als u een advocaat hebt waar u tevreden over bent, vraag dan eerst zijn mening over wat u naar de Raad wilt sturen. Als u een advocaat hebt waar u niet tevreden over bent, zoek dan een andere.

De Raad verandert nu het rapport of voegt uw commentaar alleen toe. Lees het veranderde rapport. Bent u nu echt helemaal tevreden? Zo niet, schrijf dan weer een commentaar en stuur dit ook rechtstreeks aan de rechter met op de envelop vermelding van de zittingsdag en de namen van partijen (laten bezorgen per koeriersdienst, aantekenen met ontvangstbevestiging, of afgeven aan de balie en een bewijs van afgifte vragen). Als iemand een advocaat heeft mag hij niets rechtstreeks naar de rechter sturen maar moet de advocaat dat doen.

Als de Raad uw commentaar alleen heeft toegevoegd, stuur dan dat commentaar voor de zekerheid rechtstreeks aan de rechter met op de envelop vermelding van de zittingsdag en de namen van partijen (aantekenen met ontvangstbevestiging, of afgeven aan de balie en een bewijs van afgifte vragen, of laten bezorgen per koeriersdienst).

18) Als het allemaal niet kan voor de zittingsdatum, verzoek dan uitstel van de zitting, ook al verlangt u nog zo naar uw kind. Een beslissing genomen op basis van onvolledige informatie kunt u niet terugdraaien.

19) Een enkele maal heeft iemand nog geen rapport ontvangen, laat staan commentaar kunnen geven, en nadert de zittingsdatum. Verzoek uitstel.

Een mogelijkheid die het overwegen waard is: sputter tijdens het raadsonderzoek niet te veel tegen, maar houd uw kruit droog voor de rechter.

Klachten
Als u ontevreden bent over het rapport (of de manier waarop u behandeld bent), kunt u klagen. Dat moet u eerst schriftelijk doen bij de directeur. Vraag hem geen rapportage naar de rechter te sturen voor uw klacht behandeld is, eventueel ook door de klachtencommissie.

U krijgt soms een aanbod voor een zogeheten bemiddelingsgesprek. Het is niet nuttig daar tijd aan te verspillen.

Na ontvangst van uw schriftelijke klacht spreekt de directeur met u en daarna met de raadsmedewerker. Van het gesprek met u ontvangt u soms een verslag. (Vraag schriftelijk ook om het verslag van het gesprek met de medewerker.) Lees dat nauwkeurig en aarzel niet wijzigingen te vragen. De directeur stuurt u een brief waarin hij u gelijk geeft, gedeeltelijk gelijk geeft of helemaal geen gelijk geeft.

Als u nog niet tevreden bent, kunt u een schriftelijke klacht indienen bij de klachtencommissie. Die houdt een zitting (verzoek om openbaarheid: ongebruikelijk maar niet verboden) waarop u en de Raad allebei gehoord worden. Daarna krijgt u een schriftelijke uitspraak.

De laatste tijd gaan er stemmen op die zeggen dat klagen alleen maar energieverspilling is, en dat het nuttiger is aangifte te doen bij de politie als de raadsonderzoeker iets als feit in zijn rapport vermeldt en weigert het te veranderen, terwijl u aannemelijk weet te maken dat het niet waar is. Laat u niet wijsmaken dat zoiets niet kan. Zie ook Feitelijke onjuistheden in deel 1, opmerking bij pag. 40. Als de politie toch weigert uw aangifte op te nemen kunt u aangifte doen bij de burgemeester. U kunt ook per fax aangifte doen bij de politie.

En u kunt natuurlijk ook het een doen en het ander niet laten: een klacht indienen en aangifte doen bij de politie.

Als u tot en met de klachtencommissie geweest bent, kunt u tenslotte een klacht indienen bij de Nationale Ombudsman. Hij heeft geen bevoegdheid iets te laten veranderen o.i.d., maar hij doet een uitspraak over de mate waarin bijvoorbeeld onzorgvuldig is gehandeld. Overigens is hij niet verplicht uw klacht te behandelen, en heel vaak doet hij dat ook niet. Als een kwestie al behandeld is door een klachtencommissie, een klachtencommissie voor de Raad voor de Kinderbescherming of een rechter, mag de Nationale Ombudsman niet aan deze zaak beginnen. Als de op stapel staande wetgeving aangenomen wordt, is hij zelfs niet bevoegd in de toekomst nog klachten over de Raad voor de Kinderbescherming te behandelen. Voor een klacht door de Nationale Ombudsman is behandeld, is gauw een jaar verlopen.

Wat u zich heel goed moet realiseren is, dat gegrond verklaarde klachten hooguit nuttig zijn bij een hoger beroep, of in een latere procedure. Verwacht niet dat de Raad een nieuw rapport maakt als de klachtencommissie u gelijk heeft gegeven.

Documenteer de gang van zaken
Houd een map bij met alle stukken. Wij hebben meegemaakt, dat iemand ter controle het dossier opvroeg, en ontdekte dat daar 18 stukken in ontbraken.

Bewaar ook de enveloppen met datum poststempel. Een moeder heeft ons verteld dat er twee onbekenden aan de deur kwamen die zich niet konden legitimeren en daarom niet binnen gelaten werden. De volgende dag kwam er een brief die de komst van twee medewerkers van een AMK aankondigde.

Maak aantekeningen van alles wat er gebeurt i.v.m. de omgang: een verzette ontmoeting, een telefoontje, enz.

Vraag gespecificeerde telefoonnota’s, zodat u kunt aantonen wie er hoe vaak met uw toestel gebeld is.

Het is verstandig pas mee te werken aan een onderzoek door een extern deskundige(nbureau), als u contact met KOG hebt gehad.

U kunt natuurlijk ook alle medewerking weigeren aan onderzoek door Raad voor de Kinderbescherming of deskundige. Dat is riskant: als de rechter u de omgang ontzegt, gaat u uzelf misschien verwijten dat het daardoor komt. Veel beter is het te proberen zo’n onderzoek te voorkomen tijdens de zitting.

Wij hebben ook meegemaakt dat een rechter de hele zaak in handen van de Raad voor de Kinderbescherming legde: de Raad moest proefomgang op gang brengen, en kon hieraan eventueel naar eigen inzicht een einde maken. Een dergelijke beschikking schreeuwt om hoger beroep! De rechter heeft namelijk niet gedaan wat hem gevraagd was (rechtspreken), maar de kwestie in handen gegeven van een instantie die op dit terrein geen enkele bevoegdheid of macht heeft.

Voorgelicht door het rapport van de RvdK of de externe deskundige neemt de rechter dan een beslissing. Als die ongunstig is voor u en uw kind, aarzel dan niet om in beroep te gaan. Terwijl wij de drukproeven van dit boek in 1999 corrigeerden, belde een vader ons. De moeder van zijn kinderen stond geen contact toe, zij zei dat zij ‘bezorgd’ was, maar maakte dit niet concreet. De rechter had de RvdK een onderzoek opgedragen. De raadsonderzoeker zei tegen de vader: “Als de moeder tegen omgang is, ga ik er dwars voorliggen”. Om de situatie helemaal hilarisch te maken, noemde deze raadsonderzoeker zijn door de rechter verstrekte opdracht tot onderzoek ‘bemiddeling’,



Ad 3) De rechter ontzegt de omgang
Soms ontzegt de rechter de omgang voor een periode van bijvoorbeeld een jaar. Ga onmiddellijk in beroep, hier is duidelijk niets te verliezen.

Ontzegging zonder tijdsbepaling komt ook voor. In beide gevallen heeft de rechter zijn beslissing vrijwel altijd gebaseerd op een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming of een externe deskundige. Ga in beroep, en als dat weer niets oplevert: zoek zoveel mogelijk contact. Gebruik alle middelen die hierna genoemd worden, zoals een internetpagina (pagina 66 e.v.). Kaartjes en telefoontjes worden altijd opgemerkt door je moeder (of vader!), maar communicatie via internet kunnen de kinderen rustig bij een vriendje tot zich nemen!

Misschien is er een onderzoek geweest door de RvdK en bovendien een onderzoek door een extern deskundige. Uit beide onderzoeken is de conclusie dat er geen reden gevonden is omgang te ontzeggen. Als de ouder bij wie het kind woont toch weigert, is het mogelijk dat de rechter in de beschikking zet: De rechter acht thans het risico groot dat bij vaststelling van een omgangsregeling het kind klem zal raken tussen de vader en de moeder. Derhalve oordeelt de rechtbank dat omgang in de huidige situatie niet in het belang van het kind is. Zij zal daarom het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling afwijzen.
In zo’n geval kunt u gezagswijziging of wijziging van de verblijfplaats van het kind verzoeken. Misschien werkt de andere ouder opeens wel mee aan omgang als de advocaat van die ouder het nu dreigende gevaar duidelijk heeft gemaakt.



Een straatverbod, wijkverbod, zelfs stadsverbod of contactverbod (dus ook geen ansicht met een verjaardag) boven op ontzegging van de omgang geven sommige rechters nooit, andere heel gemakkelijk. Als u dat oploopt en ook niet kwijtraakt door in beroep te gaan, lijkt het ons verstandig je daar helemaal niets van aan te trekken. Het is heel moeilijk te bewijzen dat een straatverbod is overtreden, en als de andere partij een dwangsom wil incasseren omdat u een ansicht hebt gestuurd kost dat incasseren eerst een flink bedrag, en dat houdt mensen soms tegen. Gebeurt het toch: zoek contact met de media.

Realiseer u wel, dat er volgens de meeste rechters geen verband is tussen uw financiële bijdrage in de verzorging en opvoeding van uw kinderen en de omgang. Een rechter heeft eens gezegd: “Het is geen kijkgeld.”

Ook als het kind meerderjarig is maar nog geen 21 blijft u verplicht te betalen als hij niet zelf zoveel verdient dat hij daarvan kan leven, ook al ziet u hem nooit.

Als u vermoedt dat hij geen opleiding meer volgt maar werkt, en u dus in principe zou kunnen ophouden te betalen, kunt u het beste inderdaad ophouden. Het kind zal dan misschien het LBIO (zie pag. 111) inschakelen. U ontvangt in dat geval een brief waarin u wordt aangemaand te betalen. Soms gedraagt het LBIO zich eenvoudig als incassobureau: er ligt een beschikking en zolang er niet een andere beschikking is dat u niet hoeft te betalen is die geldig. Snel betalen anders gaan wij maandelijks incasseren en dat is een stuk duurder! Er zijn ook wel LBIO-medewerkers die vragen waarom u niet betaalt, en een correspondentie met het kind beginnen. Dan komt u er vermoedelijk achter of hij inderdaad werkt, of welke opleiding hij volgt.

De Informatiebeheergroep stuurt u als het kind meer dan de basisbeurs aanvraagt, jaarlijks een paperas met alleen uw eigen inkomen, niet dat van de andere ouder, het bedrag dat zij vastgesteld hebben dat u op grond daarvan zou moeten betalen, en het verzoek een en ander ondertekend terug te sturen. Gooi die boel gerust gewoon weg. Het is totaal oninteressant wat de Informatiebeheergroep uitrekent: u betaalt op grond van een rechterlijke beschikking. Spaar u de postzegel om ze dat te vertellen. Als uw kind ontevreden wordt van het verschil tussen wat u betaalt en wat de Informatiebeheergroep heeft uitgerekend, wendt hij zich maar tot de rechter.

Als de kinderen jonger zijn, en als er wel een omgangsregeling door de rechter is vastgesteld en de moeder weigert zich daaraan te houden, is het niet in alle gevallen totaal kansloos om op grond daarvan beëindiging of vermindering van alimentatie voor uw ex te verzoeken.

Als u in loondienst bent moet u nooit eigenmachtig ophouden te betalen als u betaalt op grond van een rechterlijke beschikking. Loonbeslag is snel gelegd, en uw werkgever heeft werkelijk niets te kiezen: als hij niet inhoudt op uw salaris mag hij het beslag uit zijn eigen portemonnee betalen.

Kan het kind zelf iets doen?
In theorie wel. Artikel 377g zegt: ‘De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 377a, 377b of 377f, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377e van dit boek wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.’

377a: omgang met een ouder, 377b: informatie van de ouder met gezag, de andere ouder, 377f: omgang met een ander dan een ouder.

Het betekent dus dat het kind, of uw buurvrouw of wie dan ook een briefje aan de rechter kan schrijven waarin verzocht wordt om omgang, omdat zoals de schrijver weet het kind daar behoefte aan heeft. Wij kennen geen geval waarin op die manier inderdaad omgang tot stand is gekomen.



DE EXTERNE DESKUNDIGE

De externe deskundige is de pedagoog, psycholoog, psychiater die in opdracht van gezinsvoogdij-instelling, Raad voor de Kinderbescherming, kinderrechter een onderzoek instelt. De externe deskundige is soms een bureau waarin dergelijke gedragsdeskundigen werkzaam zijn. Het komt sinds kort ook een enkele keer voor dat een deskundigenbureau door de kinderrechter wordt ingeschakeld om een omgangsregeling tot stand te brengen. Daarover aan het eind van het hoofdstuk meer. Tenzij anders vermeld gaan we er in dit hoofdstuk van uit dat de taak van de externe deskundige diagnostisch van aard is.

Hoe ga je ermee om?
Er zijn verschillende heikele kwesties rond de externe deskundigen.

• Allereerst is de kwaliteit van de deskundigen niet altijd even goed. Er zijn zelfs zeer slechte deskundigen(bureaus), die juist veel gevraagd worden door de rechter en aanbevolen als “absoluut onafhankelijk” op nascholingscursussen voor advocaten.

• Daarnaast (maar niet onafhankelijk daarvan) zijn de eigenlijke motieven van de opdrachtgevers vaak niet zuiver. Wat te denken van een gezinsvoogd die gebrek aan overtuigingskracht tracht te compenseren met een uitspraak van een deskundigenbureau? Een Raadsmedewerker kan hetzelfde willen doen, zeker nu hij/zij tegenwoordig de opdracht heeft om open naar de cliënt toe te zijn. Als deze medewerker eigenlijk niet veel meer te bieden heeft dan (a) ik ben de deskundige en (b) ik zeg dat het in het belang van het kind is als we die en die richting uit gaan, zal het soms aantrekkelijk zijn om een niet aflatende cliënt van zich af te schudden via een onderzoeksaanvraag bij een externe

deskundige.

• Het komt tamelijk vaak voor dat in de vraagstelling of in de bijlagen bij de onderzoeksopdracht suggesties voorkomen over de gewenste diagnose. Het is ons ook zeer recentelijk gebleken dat zelfs de praktijk van het begin van de negentiger jaren waarin opdrachtgever en uitvoerder vaak tussentijds contact hadden over de gewenste diagnose, nog niet geheel is afgesloten.

• Een heel andere kwestie is dat veel onderzoeksvragen o.i. niet gesteld behoren te worden, o.i. immoreel zijn. Wat te denken bijv. van een onderzoek naar de wenselijkheid van een omgangsregeling van het kind met de niet met het gezag beklede ouder, als er wegens bijv. strafblad geen redenen zijn waarom een omgangsregeling verhinderd zou moeten worden? Moet een ouder na een scheiding die tot eenhoofdig gezag leidde, ineens gescreend worden op de deugdelijkheid van zijn/haar ouderschap of de invulling daarvan? Zelfs al zou uit zo’n onderzoek een juiste conclusie worden getrokken dan is het onderzoek nog steeds ongewenst omdat er onnodig kostbare tijd verloren is gegaan.

• De deskundigenbureaus kunnen niet uitgebreid (in ieder geval in veel mindere mate dan de RvdK zou kunnen) aan waarheidsvinding doen. Daarnaast blijkt er in de praktijk ook weinig animo te bestaan om informanten te consulteren. Dat laatste kan namelijk worden gebruikt als een soort ‘quasi-waarheidsvinding’. Informanten als gezinsleden, buren enz. kunnen de zaak toch van verschillende kant belichten. De kans op foutieve inschattingen zou daardoor o.i. kleiner worden. Men ziet dat ook maar weinig.

U begrijpt dat het niet eenvoudig is om in het algemeen een advies te geven over hoe u met deze dingen om zou moeten gaan. De mogelijkheden worden o.a. ook bepaald door uw rechten.

Uw rechten
Als u akkoord bent gegaan met een extern onderzoek, dan is het zaak om invloed te krijgen op de keuze van de externe deskundige resp. het deskundigenbureau. Handvat daarvoor vindt u in de ‘Richtlijnen voor het (laten) verrichten van extern onderzoek’, een uitgave van april 1996 van Justitie. Deze richtlijnen zijn samengesteld door een commissie met o.a. vertegenwoordigers van RvdK, Vedivo (de inmiddels opgeheven Vereniging van Directeuren van Voogdij-instellingen), gedragswetenschappen en deskundigenbureaus. In de wandelgangen heet deze commissie ook wel commissie Dekker. In die richtlijnen staat o.a. dat u mag meebeslissen over de keuze van de deskundige, het deskundigenbureau. We raden u aan om contact met de cliëntenorganisaties te zoeken om te horen wat de ervaringen met een bepaald deskundigenbureau zijn. Als u het voor elkaar weet te krijgen dat de keuze valt op een goede en onafhankelijke deskundige, dan is er vaak veel gewonnen. Wat niet wil zeggen dat dat in de praktijk allemaal zo gemakkelijk gaat.

Probeer verder de onderzoeksvragen zo te krijgen dat ze gedragswetenschappelijk van aard zijn, probeer er voor te zorgen dat er geen suggesties over gewenste diagnoses in de vraagstelling zitten, er geen immorele vragen worden gesteld of vragen waarvan de beantwoording niet echt goed mogelijk is. Ga precies na wat voor materiaal door de opdrachtgever (GVI, RvdK of kinderrechter) als achtergrondinformatie wordt meegestuurd. Vraag in ieder geval om een kopie van de volledige opdracht met alle (volledige) bijlagen, zelfs al denkt u dat u die bijlagen wel hebt. De reden is dat er toch hier en daar zo door de opdrachtgever met de voorinformatie wordt gemanipuleerd, dat de deskundige in feite erg eenzijdig wordt voorgelicht. Denkt u bijvoorbeeld aan een Raadsrapport dat bij de stukken zit. U bent in de veronderstelling dat het commentaar dat u op het rapport heeft geschreven, onderdeel is van dat rapport. Het is gebleken dat de opdrachtgever dat commentaar er soms niet bijvoegt, en als dat zo uitkomt als het ware ineens uitwijkt naar een ander begrip ‘Raadsrapport’. U kunt zo’n omissie, mits ze op tijd wordt gesignaleerd, rechtzetten, door daartegen bij de opdrachtgever te protesteren en tegelijkertijd de ontbrekende stukken aan de externe deskundige op te sturen.

Zicht op de precieze tekst van de voorinformatie is ook nuttig om een eventuele informant bij de externe deskundige te kunnen beargumenteren. Reden kan uiteraard zijn dat u meent dat het meegestuurde pakket de zaak te scheef belicht. Volgens de Richtlijnen van cie. Dekker heeft u recht om informanten voor te stellen. Zoiets dient u schriftelijk te doen en met redenen omkleed. De externe deskundige kan zo’n verzoek niet zondermeer naast zich neerleggen en is verplicht een eventuele afwijzing van een informant in het uiteindelijke deskundigenrapport te motiveren.

Andere rechten die u heeft tijdens het onderzoek
Recht op inzage in het dossier (ook tussentijds), recht op kopie, recht ook op rectificatie van de voorlopige rapporten. Het staat allemaal in de Richtlijnen van de commissie Dekker te lezen. U heeft ook het recht om commentaar te schrijven n.a.v. het rapport, welk commentaar vervolgens integraal onderdeel van het rapport behoort te zijn.

Wat er vaak fout gaat is het volgende. Wij menen dat het vanzelfsprekend is dat onderzoeksverslagen eerst ter rectificatie aan de cliënt worden aangeboden alvorens er conclusies worden getrokken. Eerst de bouwstenen goed afhechten die tot de conclusie moeten leiden, dan pas de conclusie zelf. Soms doen deskundigenbureaus dat allemaal in een keer: men krijgt het hele rapport in conceptvorm ineens te zien. Men mag dan, terwijl de conclusies er al staan, de feitelijke onjuistheden uit de verslagen halen. Niemand gelooft dat de conclusies nog in aanmerking komen om te worden gewijzigd. U kunt erop aandringen dat alle onderzoeksverslagen afzonderlijk door u op feitelijke onjuistheden worden onderzocht, alvorens het definitieve rapport (met conclusies) wordt gepresenteerd, waarop u dan weer een commentaar kunt schrijven. Overigens zijn er deskundigenbureaus die de conclusies op het juiste moment trekken en de hierboven aangeprezen systematiek als vanzelfsprekend beschouwen, ook al is zij tijdrovend.

Het kan zijn dat u vindt dat u onjuist bent behandeld en/of dat men tot de verkeerde conclusies is gekomen. U heeft dan de mogelijkheid om een klacht of meerdere klachten in te dienen, men kan ook de weg proberen te gaan van de contra-expertise of second opinion.

Klachtrecht: mogelijkheden en nut
Men kan een interne klacht tegen de deskundige indienen. Soms krijgen mensen de indruk dat de interne regeling eigenlijk gebruikt wordt om ze aan het lijntje te houden, om zodoende klachten bij andere instanties zo lang mogelijk uit te stellen. Als het goed is, geeft de deskundige u ongevraagd tijdens de eerste ontmoeting een klachtenregeling. De voorwaarden waaraan die klachtenregeling moet voldoen zijn vermeld in de Richtlijnen van cie. Dekker. In ieder geval moet men zich kunnen wenden tot een onafhankelijke klachtencommissie. Bij sommige deskundigenbureaus bestaat zo’n onafhankelijke klachtencommissie alleen maar in naam.

Een ander soort klacht heeft te maken met de individuele onderzoeker. Volgens de Richtlijnen behoort een pedagoog die in deze branche werkzaam is, lid te zijn van de NVO (Nederlandse vereniging van Onderwijskundigen en pedagogen). Analoog behoren psychologen lid te zijn van het NIP (Nederlands Instituut voor Psychologen). Psychiatrie is een specialisatie van het artsenberoep. Psychiaters vallen daardoor automatisch onder het MTC (Medisch Tucht College). Bij genoemde instanties (NVO, NIP, MTC) bestaan Colleges van Toezicht, die een zekere kwaliteitscontrole zouden moeten uitoefenen in die zin, dat ze klachten behandelen over overtredingen van de betreffende beroepscode. Als men dus vindt dat psycholoog P. zich tijdens het onderzoek niet volgens haar/zijn beroepscode heeft gedragen, kan men een klacht bij het NIP indienen. Bij zowel de NVO als het NIP kan men tegen een beslissing van een College van Toezicht nog eenmaal in beroep (College van Beroep). Hetzelfde geldt m.b.t. een beslissing van een (regionaal) Medisch Tucht College. Men komt dan bij het Centraal Medisch Tucht College terecht.

Nadeel van de procedures bij de beroepsgroepen is, dat ze over het algemeen erg lang duren (vaak langer dan driekwart jaar, t/m het hoger beroep duurt het ca. anderhalf jaar). Afgezien van de duur laat ook de kwaliteit van het werk van sommige colleges duidelijk te wensen over. Men gaat bij het motiveren van de beslissing in veel gevallen in het geheel niet op de klachten van de klager in, ook al zijn die heel precies geformuleerd in termen van de artikelen in de beroepscode. Daardoor lijkt het soms een soort loterij wat er uit komt. Ongetwijfeld mede onder druk van de hoeveelheid klachten die tegenwoordig wordt ingediend lijkt het erop dat men zich vaak nogal gemakkelijk probeert te verschuilen achter het feit dat het college slechts marginaal kan toetsen.

Een mogelijkheid tot klagen over het overtreden van de Richtlijnen van cie. Dekker door de externe deskundige is er verder niet. Men kan de opdrachtgever erop wijzen. Externe deskundigen vallen niet onder een inspectie, vallen niet onder de wet op de Jeugd Hulp Verlening, vallen niet onder een Ministerie. Ook van die kant behoeft geen toezicht te worden verwacht.

Contra-expertise, second opinion, aanvullend onderzoek
Er bestaat altijd de mogelijkheid om bij de rechter contra-expertise en/of second opinion aan te vragen. Sterker, men heeft hier recht op. Dat betekent helaas echter niet automatisch dat men niet voor de kosten opdraait (zie Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a lid 2, 3).

In de Richtlijnen van de commissie Dekker komt ook een hoofdstukje over dit onderwerp voor. De opdrachtgever heeft de beleidsruimte om (o.a. op aangeven van de cliënt) bijv. tot een contra-expertise te besluiten. Omdat er in dat hoofdstuk in het geheel niet is aangegeven wanneer het voor de hand ligt om zoiets toe te staan, is het nogal vaag. De cliënt weet niet wanneer hij/zij erop moet aandringen, de potentiële opdrachtgever weet in dit geval niet wat wijs is en wil de rechter verder niet in de wielen rijden. Aan ons is nog geen positief effect bekend van dit hoofdstukje.

Als de externe deskundige psycholoog of pedagoog is, kan hij als gezondheidszorgpsycholoog ingeschreven zijn. Controleer dat bij het BIG-register (zie map Adressen en websites). U hebt daarvoor nodig de (meisjes)naam, alle voorletters en woonplaats. Ook kunt u aan de deskundige bewijs vragen van zijn registratie bij het BIG (let op: niet bij het ROG). Als hij niet ingeschreven staat, valt hij niet onder enig tuchtrecht. Dat lijkt ons een goede reden om een onderzoek te weigeren en te verzoeken het onderzoek op te dragen aan een wel bij het BIG-register ingeschreven gezondheidszorgpsycholoog.

Samenvattend kunnen wij zeggen dat het buitengewoon belangrijk is om een goede externe deskundige, goede vragen, goede voorinformatie te organiseren. Lukt dat niet of maar gedeeltelijk, dan zijn in geval van onjuiste conclusies de rampen vaak niet te overzien: als het al lukt om sommige conclusies terug te draaien, dan moet men daar veel tijd en moeite aan besteden. Daarbij moet men ook een halve deskundige zijn om zoiets op de juiste manier aan te zwengelen. Uiteraard is er expertise aanwezig bij het Platform waar u gebruik van zou kunnen maken. Sterker, we raden u dat aan. Niet iedereen moet steeds weer het wiel uitvinden.

De externe deskundige als begeleider van de opstart van een omgangsregeling

Sinds kort zijn er externe deskundigen die door de kinderrechter ingeschakeld worden om via begeleiding een omgangsregeling te helpen opstarten. Men spreekt van BOR (begeleide omgangsregeling) en TOR (therapeutische omgangsregeling, hetgeen een verfijning van BOR zou zijn). Over deze zaken is op dit moment bij ons nog weinig bekend. Elders in dit boek hebben we gezegd dat we een begeleide omgangsregeling een monstrum vinden. Alhoewel we ons toch kunnen voorstellen dat het in extreme situaties ooit enige tijd nodig zou kunnen zijn dat er sprake is van enige vorm van begeleiding, dan nog zou die begeleiding er altijd op gericht moeten zijn om zichzelf zo spoedig mogelijk overbodig te maken. In verband daarmee vinden we het dan ook jammer dat BOR niet BOOR (begeleiding opstart omgangregeling) en TOR niet TOOR (therapeutische opstart omgangsregeling) wordt genoemd.



UW ADVOCAAT

Als u niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking komt, zie www.justitie.nl, zult u als de nood aan de man komt de kosten van een advocaat geheel voor eigen rekening moeten nemen. Advocaten passen hun tarief vaak aan aan de beperkte draagkracht van hun cliënt. Daarvan zijn veel mensen niet op de hoogte. Kijk op www.alleadvocaten.nl en belt u een aantal advocatenkantoren om te informeren of zij bij de bepaling van hun tarief rekening houden met de draagkracht van de cliënt. Sommige kantoren houden een eerste gesprek gratis of voor een zeer beperkt tarief. De bijstand van uw advocaat kan in dit soort kwesties duizenden guldens gaan kosten. Vraag hem een schatting te maken van het totaal, en zeg desnoods dat u op zoek wilt gaan naar een goedkopere advocaat. Dat is niet gek: iedereen weet dat geld verdiend moet worden om het uit te kunnen geven. Vraag hem of hij u regelmatig, bijvoorbeeld maandelijks, een rekening stuurt. Spreek met hem af dat er overleg is als een procedure langer duurt dan verwacht, bijvoorbeeld als een zaak wordt aangehouden door de rechter. En wat u nooit moet doen: uw advocaat als praatpaal gebruiken. Veel mensen bellen (voor zij de eerste rekening ontvangen hebben!) hun advocaat bijna dagelijks. Er is behoefte aan contact en steun. Doe het niet. Al die minuten telefoongesprek bij elkaar worden honderden guldens op de rekening. Zie uw relatie met uw advocaat niet alleen als inhoudelijk, maar ook als zakelijk: de advocaat levert een dienst waarvoor u betaalt. Vaak wordt er over dit onderwerp niet gepraat, worden er vage afspraken gemaakt en krijgt de cliënt voortdurend declaraties waar verder niet over gesproken wordt. Dit vertroebelt de verhouding met uw advocaat.

De keuze van uw advocaat wordt o.a. bepaald door uw financiële mogelijkheden. De beste manier om een advocaat te vinden die zich voor uw zaak zal willen en kunnen inspannen is te informeren bij bekenden en de belangenorganisaties. Gezag en omgang is een gespecialiseerd terrein waar een advocaat in thuis moet zijn, dat hem veel tijd kost, en waar hij beslist niet de televisie mee halen zal. Niet alle advocaten weten wat er in deze wereld omgaat, niet alle advocaten geloven uw verhalen, niet alle advocaten hebben er zin in. Als u het gevoel krijgt dat u niet serieus genomen wordt, zoek dan een ander. Hoe? We weten het zelf niet. Informeer bij vrienden en bekenden, dat is eigenlijk het enige advies dat we geven kunnen.

Het kan belangrijk zijn dat een vader in een omgangskwestie zich laat begeleiden door een vrouwelijke advocaat. Vaak is er een situatie van twee vrouwen aan de ene kant (moeder en haar vrouwelijke advocaat) tegen twee mannen aan de andere kant. Dan vertroebelen allerlei beelden van mannen en vrouwen de kwestie. Een zeer ervaren advocaat gaf als zijn opinie, dat bij een mannelijke rechter de jongste vrouw in de rechtszaal meestal haar zin krijgt. Bij een groot kantoor kan men daar rekening mee houden. Het is ook altijd aan te bevelen te werken met een advocaat uit een ander arrondissement. Het kost extra vanwege zijn reistijd en procureurskosten, maar hij hoeft niemand te vriend te houden, geen rechter en geen collega.

Praat over uw probleem
En dat brengt ons op het volgende: een advocaat nodig hebben, en nog wel omdat je strijd moet leveren voor je kind, vervult de meeste mensen in het begin met schaamte. Al weet je 100% zeker dat het allemaal onzin is, dat je gewoon een goede ouder bent en dat er geen enkele reden is waarom je niet net zoveel contact met je kinderen zou hebben als praktisch uitvoerbaar is in de situatie: mensen schamen zich alsof zij daar reden toe hebben. Praat er over!

Als er in verband met een omgangsconflict een beschuldiging geuit wordt van mishandeling of zelfs incest, zijn de reacties van vrienden en familieleden soms uitermate kwetsend. Als ze de beschuldiging niet geloven, is er vaak toch een houding van ‘waar rook is, is vuur’. Mocht de rechter u contact met uw kinderen ontzeggen, dan zijn er mensen die niet meer met u omgaan. Die hebben kennelijk zo’n groot vertrouwen in ‘instanties’, dat ze nu maar aannemen dat ze zich geweldig in u vergist hebben. Doe dit boekje maar in hun brievenbus! Als mensen de moeite nemen zich te organiseren in de hoop een maatschappelijke verandering teweeg te brengen, als mensen de moeite nemen en hun vrije tijd opofferen om dit boek te maken terwijl er toch heel veel leuke dingen te doen zijn in de wereld, dan is er misschien iets mis. Van wat er mis is, bent u en is uw kind het slachtoffer geworden.



DE RECHTER

Rechtspraak in familierecht heeft nauwelijks iets met rechtspraak te maken zoals de meeste mensen zich die voorstellen. In de rechtszaal worden beslissingen genomen niet alleen op grond van rationele overwegingen, maar ook op grond van vooroordelen van de rechter over de rol van man en vrouw, op grond van traditie, op grond van het spel dat zich in de rechtszaal ontvouwt. Het is van belang dat een ouder zich realiseert om welke knikkers er gespeeld wordt en wat feitelijk het spel is.

De burger denkt dat de rechter een bepaalde onafhankelijkheid heeft, een blinddoek voor heeft en argumenten weegt. Dat is niet de realiteit. Dus: stel je er op in dat het recht volstrekt anders werkt dan je in je argeloosheid denkt.

Bespreek van tevoren met uw advocaat welke lijn jullie gaan volgen: hard of zacht. Wij denken dat een hardere lijn in het algemeen de beste is. Veel advocaten voelen daar niet voor; misschien moet u zich dan wat harder opstellen naar uw advocaat. Verander tijdens de zitting bij voorkeur niet van lijn, dat maakt vermoedelijk een slechte indruk. En de meeste rechters werken veel meer op indrukken dan op argumenten. Bedenk dus van tevoren: ben ik onverzettelijk, wijs ik op de rechten die ik heb, of speel ik het zacht? U bent tenslotte afhankelijk van de rechter, dus het is soms ook verstandig te proberen ‘in de smaak te vallen’. In dat verband kan het veel uitmaken of de rechter een man of een vrouw is, en wie uw advocaat is. Als de rechter een man is en een vrouw zegt: “Ik kan niet tegen mijn man op, ik kan het hem ook niet duidelijk maken, want hij wil me niet begrijpen. Maar u begrijpt het wel. Maakt u het hem nou eens duidelijk,” dan voelt de rechter zich misschien gevleid en gaat hij het voor die vrouw opnemen, want die vrouw moet beschermd worden, is slachtoffer. Is de rechter een vrouw en komt de vrouw met hetzelfde verhaal, dan kan er een sfeer ontstaan van ‘wij vrouwen’. Misschien doordat historisch gezien vrouwen voor de kinderen zorgen en mannen moeten werken en oproepbaar zijn voor de oorlog, is het nog steeds voor veel mensen, ook voor veel rechters, niet belangrijk dat de liefdevolle band tussen vader en kind even sterk is als tussen moeder en kind.

Maar wat de koers ook is, ook als je het zacht speelt, ga niet mee in gekkigheid. Wees ervan overtuigd dat het gewoon is als je je kind feliciteert als hij zijn zwemdiploma heeft gehaald. Het is gewoon dat je aanwezig bent bij belangrijke voetbalwedstrijden van je zoon. En als de moeder daarvan wil maken dat je hem lastig valt of overstuur maakt, dat je een ‘stalker’ bent, houd dan vol dat het gewoon, normaal, is wat je doet. Dat het ook jouw kind is en dat je even wilde laten weten dat je blij was voor hem. Daar moet je verder niet op ingaan. Heb een houding van: dit is te gek voor woorden.

Ook als er een onderzoek opgedrongen wordt, probeer daar dan met dezelfde strategie af te komen: er hoeft helemaal niet uitgezocht te worden of ik een supervader ben. Ik ben gewoon de vader van Pietje en ik wil hem gewoon af en toe zien. Als wij niet uit elkaar waren gegaan was ik 24 uur per dag verantwoordelijk voor hem. Dan hoeft er nu niet ineens bekeken te worden of hij en ik elkaar af en toe een paar uur mogen ontmoeten.

Als u op de zitting verschijnt, probeer dan een goede indruk te maken.

Zie er keurig uit, wees kalm en beheerst. Een moeder mag desnoods in tranen uitbarsten, een vader mag alleen maar bezorgd zijn. Word in geen geval driftig. U bent een bezorgde ouder. U bent niet een dolle stier die iemand nog wel eens zal krijgen. Dus nogmaals: blijf kalm. Val niemand in de rede. Antwoord zo zakelijk en kort mogelijk. Heel veel vragen zijn te beantwoorden met een simpel ja of nee. Doe dat dan ook. Beantwoord de vraag, maar ga er niet omheen praten. Luister goed wat de vraag is, zodat je geen ander antwoord geeft. Wees in geen geval sarcastisch of humoristisch. Dat geeft maar misverstanden. “Hebt u uw dochtertje aangerand?” “Ja hoor, en de hele voetbalclub ook.” U bedoelt nee? Zeg dan gewoon nee: niemand kwaad gemaakt, en misverstand uitgesloten.

Wees attent. Kijk een rechter aan, ga niet rond zitten kijken. Zit attent: zit niet achterover gehangen, maar fatsoenlijk. Veel mensen zijn zo weinig op hun gemak, dat ze hun beleefdheidsgedrag gewoon vergeten. Dat stoort.

Wees alert. Als u vraagt of u nog iets mag zeggen, en de rechter zegt: “Ja, maar houd het kort,” houd het dan heel kort. Hij luistert toch niet meer, u irriteert alleen nog maar.

Als de tegenpartij de vragende partij is, dan zitten zij meestal links. Dat is een regel in de rechtszaal. Maar mocht het zo zijn dat u met uw linkeroor niet goed kunt horen, vraag dan of u aan de andere kant mag zitten.

Wij hebben meegemaakt dat iemand niet alles verstond wat de andere partij zei, en toen in de beschikking las wat er over hem gezegd was, met de opmerking dat hij de beschuldigingen een paar keer niet had ontkend.

Maar de meeste rechters zijn niet geïnteresseerd in beschuldigingen.

Zij weten dat er in het kader van scheiding en omgang van alles geroepen wordt en laten dat voor wat het is. U moet niet anders doen dan kort ontkennen of zichtbaar ‘nee’ schudden. Laat geen strijd oplaaien. Laat u niet uitlokken tot polarisatie. Wees het levend bewijs dat er geen aanleiding is om je omgang met je kind te ontzeggen. Wees het levend bewijs dat er geen trammelant is, ook al zegt de wederpartij de vreselijkste dingen. Die dingen moeten wel ontkend worden, maar doe dat heel kort en duidelijk.

Als u zelf iets negatiefs zegt over de andere partij, doe dat dan in voorzichtige bewoordingen en kort.

zitting over omgang

In zittingen over omgang moet u voorbereid zijn op drogredenen. Bijvoorbeeld als de rechter zegt dat er eerst rust moet komen voordat er omgang mogelijk is, hebt u te maken met een drogreden. De rechter of de ouder met gezag komt dus met een kreet. Beantwoord die dan met een andere kreet: er moet geen rust komen voor omgang, maar door omgang. En dan moet je maar hopen dat de discussie hier op doorgaat, of dat je uitspraak sowieso al overtuigend genoeg is. Wij hebben meegemaakt dat het werkte. Eerst had de rechter besloten dat er een jaar geen omgang mocht zijn, maar na de opmerking “geen rust voor omgang, maar door omgang”, zei hij: “Het is ook te gek: omgang!” Het kan dus een succesvolle benadering zijn. Probeer je advocaat zover te krijgen, dat hij bij drogredenen het juiste antwoord geeft. Dat moet hij van tevoren bedacht hebben.

Wees alert op voor u onbegrijpelijke opmerkingen van de rechter. Een aantal jaren geleden zei een rechter tijdens de zitting een paar maal: “Dat weet u beter dan ik” en “Dat snapt u natuurlijk wel”. De vader in kwestie wist helemaal niets, laat staan beter, en snapte ook niets van wat er gebeurde. De beslissing van de rechter was ‘geen omgang’, gezien ‘de weerstand van het dertienjarige meisje’, dat precies een week daarvoor nog heel blij was geweest tijdens een paasvakantie met haar vader en kleine broertje! Maanden later kwam de vader erachter door een verklaring die de moeder van het kind aflegde bij de politie, dat haar advocaat op de morgen van de zitting een telefoongesprek had gevoerd met de rechter (dat mag die rechter helemaal niet): in die vakantie had de vader het meisje verkracht, en het lag zo vreselijk gevoelig, daar moest op de zitting maar niet over gesproken worden, maar u begrijpt wel, een omgangsregeling … De vader kan zich nog voor de kop slaan dat hij niet gewoon gezegd heeft wat hij dacht: nee, ik begrijp niet waar u over praat. Dan was hem en de kinderen misschien veel verdriet bespaard gebleven (het kleine broertje werd later meegezogen in de stroom van ‘geen omgang’).

Wees in het algemeen alert op onbegrijpelijkheden. In de hierboven beschreven geschiedenis had de vader al eerder wakker moeten schrikken. Het dochtertje had hij een half jaar niet mogen ontmoeten, hij had een omgangszitting aangevraagd, en toen kwam er opeens een telefoontje met het aanbod van een hele paasvakantie voor hem en de kinderen. Hij had hier niet op in moeten gaan vlak voor de zitting, maar hij was zo blij, en dacht dat de moeder voor de zitting haar goede wil wou tonen. Tja, als je een doeltreffende beschuldiging wilt uiten moet je eerst de omstandigheden creëren waarin het had kunnen gebeuren…

Realiseer u heel goed als u de rechtszaal binnenstapt, dat u daar bent om in gesprek te zijn met de rechter, en niet met de andere partij. Zelfs als de moeder (of vader!) provocerende beschuldigingen plaatst, moet u daar pas op reageren wanneer de rechter aanleiding ziet om daar vragen over te stellen. Voor het zover is: ga er niet op in! Want op het moment dat je dat doet, loop je het risico dat je in een welles-nietes-discussie belandt. En dat wekt de indruk (je wordt dan snel boos) dat er waarheid zit in wat de moeder (of vader!) beweert: je bent niet geschikt voor de zorg voor de kinderen, want je schiet hier al uit je slof. Voordat je het weet graaf je je eigen graf. Je moet je van tevoren goed realiseren dat je er bent om met de rechter te praten en niet met de andere partij. Wees in plaats daarvan het levende bewijs dat er geen enkel bezwaar is tegen een omgangsregeling, dat je geen ruzieschopper bent, dat het daadwerkelijke conflict opgeblazen is. Je kunt wel ontkennen, maar ga niet de strijd aan. Want anders zegt de rechter misschien: aan ouders die zo met elkaar in conflict zijn, kunnen we het kind maar beter niet blootstellen. Merkwaardigerwijs vinden rechters dikwijls dat je moet tonen wel met elkaar te kunnen praten. Dat leidt dan tot bemiddeling in de rechtszaal of een schorsing. Een rechter zei tegen een vader die door de moeder van achter was neergestoken toen hij een kadootje bracht, dat hij eerst maar eens moest leren met de moeder te praten. Uit ervaring wist hij dat het anders nooit goed zou komen met de omgang.

Soms kan het zijn dat je van tevoren eigenlijk al weet dat je in een discussie met je ex kunt belanden, omdat er gemene dingen gezegd zijn. Dan kan het helpen als je je voorneemt om met de rechter die zaken te bespreken en niet direct de discussie aan te gaan met de andere partij. Bijvoorbeeld door je advocaat tussen jezelf en de andere partij in te laten zitten. Wacht af tot de rechter je iets vraagt. Ga niet ongevraagd iets roepen. Een rechter wil alleen antwoorden op vragen.

Besef dat wanneer er veel discussie is de rechter bij voorkeur een beslissing uit de weg gaat en de zaak doorschuift voor een advies naar de Raad voor de Kinderbescherming. Daar moet je op ingespeeld zijn. Als zo’n advies van de RvdK in de rechtszaak gaat spelen, moet je eventueel contra-expertise aandragen. Daar moet je in investeren, want hoe eerder jij balans brengt in foute informatie, hoe minder die informatie van dossier naar dossier gaat en jou jarenlang achtervolgt.

In het verleden zat de RvdK voor en na de zitting in de rechtszaal en werden allerlei zaken buiten de zitting om geregeld. Dat is momenteel onmogelijk gemaakt door een officiële richtlijn, gedragslijn, vanuit het landelijk bureau van de RvdK naar alle kinderbeschermers. Op het moment dat u het wel aantreft, dat u merkt dat er regelingen worden getroffen voor en na de zitting, kunt u de rechter wraken.

In het algemeen kunt u verzoeken om een andere rechter de zaak te laten behandelen als u op grond van nevenactiviteiten van de rechter (bijvoorbeeld vrouwelijke rechters die lid zijn van de Soroptimisten die als hoofddoel hebben het behartigen van de belangen van vrouwen) kunt verwachten dat de rechter niet onbevooroordeeld zal zijn, of als u vindt dat de rechter het te bont maakt. U of uw advocaat zegt op het moment dat het u te bar wordt: “Ik wil u wraken, ik zal de president van deze rechtbank verzoeken de zaak door een andere rechter te laten behandelen.”

De tekst van de wet is in 1993 weer korter geworden. “Het wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens een terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.” (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering art. 30 lid 1en 2).

U moet de mogelijkheid van wraking ruim voor de zitting met uw advocaat bespreken: de meeste advocaten zijn er niet dol op. Misschien is het verstandig om voor u wraakt te vragen of de zitting een ogenblik geschorst kan worden om met uw advocaat te overleggen, zodat u zich samen even bezinnen kunt op de motivering. Na deze schorsing, als de rechter een schorsing toegestaan heeft, kun je dan zeggen: “Ik wraak u, en wel om de volgende redenen.” U moet daarna niet accepteren dat de zitting toch nog doorgaat. U kunt iets zeggen in de trant van “Mag ik de griffier verzoeken van dit verzoek aantekening te maken?” Of dat daarna ook gebeurt is de vraag. Als het niet glashelder is dat het gebeurd is, is het verstandig het zelf op te schrijven en het briefje persoonlijk naar de griffierstafel te brengen. Aan de president van de rechtbank schrijft u eventueel nog een brief waarin u duidelijk laat uitkomen dat u tijdens de zitting gewraakt hebt en dat deze brief alleen bedoeld is om dat vast te leggen en voor zover nodig toe te lichten. Op pag. 58 staat een brief die met succes gebruikt is, niet als bevestiging, maar als wrakingsverzoek na de zitting.

Wees u duidelijk bewust van het grondrecht dat u hebt, bijvoorbeeld als iemand het recht om met je kind om te gaan ter discussie stelt. Dat is grondrechtschending! Rechters zijn soms zo bedrijfsblind dat ze daar argeloos mee omgaan. Zit je voor het eerst in zo’n rechtszaal, dan kun je je oren niet geloven. Besef dan, dat het om uw grondrechten gaat en dat u de rechter daar aan mag houden. De rechter mag uw grondrechten zoals bijvoorbeeld vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, niet aantasten. Wees u ervan bewust dat uw rechten dat gewicht hebben. Laat uit rechterlijke routine dus zulke dingen niet gebeuren. Dat is namelijk een van de manieren om een vader (of moeder!) buiten spel te zetten. Dus als er bijvoorbeeld wordt gesproken over een proefomgangsregeling, dan is (beheerste) verontwaardiging volkomen op zijn plaats. Van: wat krijgen we nou? Wie twijfelt er aan het feit dat ik recht heb op contact met mijn kind? Laat u (al is de ouder afhankelijk van de rechter) niet zo makkelijk de kaas van het brood eten. De rechter stelt uit routine allerlei doldwaze maatregelen voor, die echte schending zijn van grondrechten.

Dan is het ook mogelijk terug te spelen aan de rechter. “Ik begrijp dat u een proefregeling voorstelt? Twijfelt u daarmee aan mijn capaciteiten om een omgangsregeling te hanteren?” Wat gebeurt er dan?

Dan wordt de rechter wakker geschud. En dat is het doel waarnaar wij streven. Uw advocaat zegt: “Maar meneer de rechter wat is hier aan de hand? Waarom zou mijn cliënt zijn kind niet mogen zien? Ik begrijp het niet.” Dus gewoon patsboem er tegen in.

Wees ook alert op discriminatie en vooroordelen. Er wordt zo gemakkelijk gesproken van ‘gewelddadigheid’, ‘mishandeling’ etcetera. Echtelijk geweld wordt zo gemakkelijk als vrouwenmishandeling gekarakteriseerd. Maar er is een wereld van verschil tussen echtelijk geweld en vrouwenmishandeling. Niet zelden is echtelijk geweld afkomstig van de vrouw. En dan mag je dat niet mishandeling noemen. Vraag uw advocaat alert te zijn op terminologie waarin discriminatie en vooroordeel verborgen zit. Het gaat niet om vrouwenmishandeling, maar om echtelijk geweld, dat is een neutrale term. En zo zijn er tal van termen die niet acceptabel zijn.

Heel veel wat als vanzelfsprekend wordt afgedaan, is helemaal niet vanzelfsprekend. Een voorbeeld is eenhoofdig gezag. Dat is toch eigenlijk absurd? Bekijk het maar eens vanuit het kind: hij kan toch niet geloven dat een van zijn ouders geen verantwoordelijkheid meer voor hem zou dragen?

Dat moet de houding zijn van waaruit je de rechter tegemoet treedt.

Ook als het gaat over een zogenaamde proefomgangsregeling. Te gek voor woorden. Een proefomgangsregeling wordt vaak gepresenteerd als een cadeautje dat je krijgt en waar je heel erg blij mee moet zijn. Omgang is geen cadeautje, omgang is een recht. Blijf ook nu bij uw eigen normen en waarden. Dat kan door verbaasd te kijken en te zeggen: wat krijgen we nou! In de wet staat dat de rechter moet motiveren, geen onbegrijpelijke dingen mag zeggen. In principe heeft de ouder dus de wet aan zijn kant. Maar dat wil niet zeggen dat je daar een beroep op kunt doen en daarmee het pleit kunt beslechten. Het gaat om een psychologisch proces! ‘Ergens’ voelt de rechter wel dat hij moet motiveren. En als hij verbazing ziet bij de ouder, voelt hij dat hij tekort schiet. Het enige wat je kunt hopen is dat de rechter gewetensvol te werk gaat. Probeer de rechter dus te verleiden om uit te leggen wat zijn motivering is.



HOE KAN IK REAGEREN?

De deur tussen u en uw kind wordt dichtgegooid. U brengt een cadeautje en de moeder (of vader!) smijt het in het bijzijn van het kind op de grond. U haalt uw kind op in het kader van een omgangsregeling en er worden drie politieauto’s op u afgestuurd. Allemaal waar gebeurd (en erger ook). Of de rechter heeft de omgang ontzegd. Wat kan een vader (of moeder!) dan nog?

Hieronder volgt een aantal tips over wat wel en niet mag, gebaseerd op de internationaal vastgelegde afspraken over de rechten van het kind en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het enige wat er toe doet is of de omgangsontzegging terecht is of niet.

a. Een ouder heeft het kind mishandeld, geestelijk of lichamelijk, in zo ernstige mate dat hij een gevaar is voor het kind. Het kan zijn dat contact onder begeleiding moet plaatsvinden of (voorlopig) helemaal niet. Een en ander hangt van de omstandigheden af. Het lijkt verstandig hulp te zoeken in de vorm van therapie.

b. Een ouder wordt beschuldigd van incest, mishandeling enzovoort. Het is de vraag of omgang met het kind verantwoord is. Als deze beschuldigingen gedaan worden in het kader van een conflict over een omgangsregeling zijn ze niet serieus te nemen als er niet tevens aangifte is gedaan. Ligt er geen aangifte dan is het raadzaam te handelen als onder c. Is er wel aangifte gedaan, dan is het zaak zo snel mogelijk contact op te nemen met een advocaat. De vraag is of de aangifte geloofwaardig is. Bemachtig de tekst en bespreek deze met bekenden, hulpverleners of een geestelijk raadsman: ga niet alleen op jezelf af! Als de beschuldiging geloofwaardig lijkt (maar niet waar is!) moet je erop aandringen dat het onderzoek met grote spoed wordt afgehandeld. Is de beschuldiging niet geloofwaardig en niet gegrond, handel dan als onder c.

c. Er is in feite niets anders aan de hand dan een moeder (of vader!) en (soms) een Raad voor de Kinderbescherming die proberen het contact tussen je kind en jou onmogelijk te maken.

Het is volgens wetenschappelijke onderzoekers van belang dat je op zoveel mogelijk (verantwoorde) manieren contact probeert te onderhouden met je kinderen. Professor Richard Gardner uit New York schrijft daarover: “Mijn algemene advies aan zulke vaders is dat ze elke - redelijke - poging blijven ondernemen om met hun kinderen te communiceren en actief blijven, vanuit de aanname dat, ondanks de toenemende vijandschap van hun kinderen, er nog steeds een restje werkzaam is van de vroegere band. Ik help ze de balans te vinden tussen het zichzelf lastig maken en in het geheel geen openingen scheppen”.

Wat te doen?
A. Het is ALTIJD goed om kaartjes te sturen naar je kinderen. Het hoeft niet perse met postzakken tegelijk maar het is heel gewoon dat ouders, ook vaders, hun kinderen in normale omstandigheden minstens een keer per dag zien. Een keer per dag een kaartje, als magere vervanging daarvan, is dus niet verkeerd. De meesten laten het bij een kaartje per veertien dagen of maand of bij bijzondere gebeurtenissen. Hoewel het overduidelijk is dat het goed is om kaartjes te sturen zijn er veel voorbeelden van gevallen waarin dit verboden werd door de rechter.

Als het enigszins kan zou je je hier niets van aan moeten trekken.

Een vader uit Noord-Holland liet een keer al zijn vrienden een kaartje sturen nadat zelf sturen door de rechter verboden was. Evenzo goed werd hij aangeslagen voor de totale dwangsom: het aantal kaarten maal ƒ 1000,-! Misschien is het een idee om dat soort rechters elke dag een kaartje te sturen. Overigens zijn er nog meer dingen die interessant zijn om te sturen: een bandje, een foto; wees creatief.

B. Naar je kind toegaan. Ja, waarom niet? Is er een rechtsstaat die goede ouders mag verbieden naar hun kinderen toe te gaan? Dat soort vonnissen wordt geveld, dat wel. Maar in dit geval mag je je eigen moraal zo’n vonnis laten overrulen. En ook dat is gebaseerd op internationaal recht, het recht om je te verweren tegen onmenselijke en vernederende situaties (EVRM artikel 3). Omdat je individueel kwetsbaar bent is het verstandig anderen (als getuige) mee te nemen. Ga niet in op enige poging van de moeder (of vader!) of justitiemede werkers om over iets anders te beginnen dan dat je je kind wilt zien.

Natuurlijk is het niet prettig voor het kind als er conflicten zijn aan de deur. Maar dit zijn korte termijn probleempjes die in het niets verdwijnen vergeleken met het onrecht dat het kind wordt aangedaan als het een van de ouders niet mag zien.

C. Je kind bellen. Ook goed. Het is voor de moeder (of vader!) wat makkelijker als ‘stalking’ uit te leggen en daarom misschien minder handig. Overigens is het tegenwoordig heel makkelijk je telefoon af te schermen voor ongewenst gebel. Vraag een gespecificeerde telefoonnota om in geval van nood te kunnen bewijzen hoe vaak je gebeld hebt.



D. Een internetpage maken over en voor je kind. De meeste kinderen leren al vroeg met computers en internet omgaan en het is een algemeen menselijke eigenschap om je eigen naam een keer in een zoekmachine in te tikken. Dan moet de betreffende pagina makkelijk kunnen opduiken. Wat een verrassing als je vader (of moeder!) daar een speciale bladzijde aan je gewijd heeft.



E. Proberen je kind te zien bij de uitgang van school of iets dergelijks (vaste wekelijkse clubs, vaste speelplekken). Hoewel sommige rechters het nodig vinden om op grond van dit soort activiteiten stadsverboden op te leggen, zien wij er niets kwaads in. Afhankelijk van de situatie en het kind valt te overwegen signalen te geven. Signalen die de ouder niet herkent, maar je kind wel. Een bepaald teken, een geluid.



F. Het is van belang zo goed mogelijk bij te houden wat je kind doet en waar hij/zij mee bezig is. Dit zal later zeker helpen de relatie te herstellen. We kennen een verhaal van een meisje dat uit haar ooghoeken haar vader gezien had bij de trappen van het stadhuis toen ze trouwde, en daar blij om was.

Wij vinden het doodnormaal dat u alles doet om contact te houden met uw kind en van het wel en wee van uw kind op de hoogte te blijven. Ouders die het ouderlijk gezag in hun eentje hebben, denken daar vaak anders over. Er is een beweging op gang gekomen die beweert dat gedrag van ouders om in contact te blijven met hun kinderen stalking zou mogen heten, en daarmee strafbaar zou zijn. Wij ontkennen niet dat er problemen kunnen zijn rond mensen die anderen belagen, ook na scheidingen. In veel gevallen draait het echter om ouders die hun kinderen opzoeken die ze niet mogen zien. Omdat hun verantwoordelijkheid voor hun kinderen in de praktijk, terecht, zwaarder weegt dan de verboden van de staat, zoeken ze hun kinderen op.

Dikwijls zullen ze zich gedwongen voelen om de relatie met de andere ouder (ogenschijnlijk) te verbeteren. Aangezien de rechtsstaat niet voorziet in het onafhankelijk, zelfstandig, bestaan van ouder-kindrelaties, maar perse wil dat ouders het daarvoor goed met elkaar kunnen vinden, gaan veel mensen het ook in die lijn zoeken.

Incestbeschuldiging
Als een ouder valselijk beschuldigd wordt van incest, moet hij weten wat de methode van de politie is bij zo’n verhoor. Misschien is hij nietsvermoedend op een onwaarschijnlijk uur van zijn bed gelicht. De politie blijft hem onder druk zetten, hij krijgt honderd keer dezelfde vraag, en dan zegt zo iemand uiteindelijk sarcastisch: ja hoor, dat heb ik gedaan! Dan maakt hij er een absurde bekentenis van, maar die bekentenis wordt serieus genomen en opgetekend. En dan zegt de strafrechter: “Maar meneer, u hebt toch toegegeven dat …” . Je moet dus niet ‘menselijk’ reageren bij de politie. In feite moet je heel sterk staan terwijl je je in een situatie bevindt waarin je zwak bent. Kijk tijdens een politieverhoor heel goed uit. Als iets voor de tweede keer gevraagd wordt, niet antwoorden. Kijk maar naar je schoenveters. In het rapport komt misschien te staan: bij een vraag over dit onderwerp keert verdachte in zichzelf en schijnt het contact met de werkelijkheid te verliezen. Ook niet-antwoorden kan tegen je gebruikt worden. Weiger tijdens het verhoor op iets anders in te gaan dan op de vraag waar het om gaat: heeft deze vader zijn kind sexueel misbruikt? Laat je niet uitlokken tot het beantwoorden van vragen in de trant van: ging u met uw kinderen onder de douche? Zeg gewoon dat dat er niets toe doet, en houd dat vol. Bij het stoeien hebt u uw dochter misschien wel aangeraakt aan haar borst of tussen haar benen? Zeg niet iets in de trant van “dat kan wel maar daar was dan in ieder geval niets mee bedoeld”, zeg alleen maar: “Dat doet er helemaal niet toe. Ik word hier verhoord voor een aantijging van seksueel misbruik en dat heb ik niet gedaan. Punt uit.” Houd dat vol. Kijk ook uit, als u soms een eigen verklaring met de hand hebt geschreven en die wordt uitgetypt, dat er echt getypt is wat u zelf had opgeschreven. Vergelijk het woord voor woord. Je moet ervan kotsen en komt in de verleiding een handtekening te zetten en te gaan slapen: doe het niet, er kan veel van af hangen, en alles is mogelijk gebleken. Als het gaat om een verklaring die u moet tekenen die de politie heeft opgesteld: eis desnoods om het andere woord een verandering, zet nooit en nooit een handtekening onder een verklaring waar u het niet voor 100% mee eens bent. Aarzel niet een toevoeging van desnoods hele zinnen te eisen. Komt die er niet, teken dan niet. Die agenten hebben dan een probleem, niet u.

Als er tijdens een omgangszitting beschuldigingen worden geuit - mishandeling, incest -, worden die door de rechter soms niet serieus opgepakt. Wees maar blij en laat het zo. Verwijs ze kort naar het rijk der fabelen, en laat het daarbij. Als u ziet dat die beschuldiging toch niet wordt opgepakt door de rechter, ga je dan niet omstandig vrijpleiten, want dan vestig je alsnog de aandacht van de rechter op die kwestie. Dan gaat hij er misschien toch nog serieus op in. U wordt beschuldigd van mishandeling? Antwoord kort en de zaak is misschien afgedaan. Maar ga niet uitgebreid uit de doeken doen hoe dat was gegaan in de badkamer, en hoe de eerste klap door moeder was uitgedeeld. Dan schilder je een verschrikkelijke situatie en zet je jezelf misschien (onbedoeld, en misschien onterecht) als mishandelaar neer.

Vooral bij incestbeschuldigingen zijn mensen zo vertrapt in hun waarde, dat ze er uitgebreid tegenin gaan en er een volgende zitting weer op terugkomen. Dat is jammer en het heeft een averechts effect. Hoezeer je je ook gegriefd voelt, ga er niet op in. Je zit daar immers niet om lucht te geven aan je emoties, maar om een ander doel te bereiken.

Het is handig om van tevoren met je advocaat een teken af te spreken. Bijvoorbeeld een korte tik op je arm door de advocaat betekent, dat je je mond verder moet houden. Want in een situatie van emotie ben je zelf geneigd op dingen in te gaan. De advocaat draagt niet de last van die beschuldiging en kan daardoor beter inschatten wat de beschuldiging betekent in de context van de zitting.

vermijd instanties, behalve de rechter

Denk niet dat de Raad voor de Kinderbescherming of maatschappelijk werk de omgang kan herstellen. Ze hebben uiteraard geen macht om dat te doen, en het is ook maar de vraag of ze het zouden willen. Je kunt er namelijk niet van op aan dat ze rationeel te werk gaan. Voor hetzelfde geld gaan ze massief de ‘weghoudende’ ouder steunen.

noodsprongen

Soms vragen vaders een zogenaamde omgangs-ondertoezichtstelling. Art. 254 luidt: ‘Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling … ’. Niet nakomen van omgang kan leiden tot omstandigheden die vallen onder de kriteria voor de ots. Bij een ondertoezichtstelling benoemt de kinderrechter een gezinsvoogdij-instelling, die een contactpersoon aanstelt, de zogenaamde gezinsvoogd. Deze gezinsvoogd heeft het recht de ouder die ouderlijk gezag heeft aanwijzingen i.v.m. verzorging en opvoeding van het kind te geven. Er zijn rechters die daar niet aan beginnen, er zijn er ook die het wel doen. De omgangs-ots staat niet in de wet, bestaat dus niet. Eenmaal opgelegd is een omgangs-ots gewoon een ondertoezichtstelling. Vraagt u aan de rechter een omgangsregeling in de beschikking op te nemen. De gezinsvoogd heeft dan een basis voor een schriftelijke aanwijzing aan de gezagsouder. (Staat die regeling niet in de beschikking, ga dan in beroep.) En dan? Misschien komt er een gezinsvoogd die weet dat een ouder moeten missen veel verdriet geeft en schadelijk is voor een kind, en die er dus alles aan doet om te zorgen dat er wel omgang komt. Dan is er nog altijd de kans dat de ouder die het ouderlijk gezag heeft en de omgang frustreert, een klacht indient over de gezinsvoogd (een reden is altijd wel te verzinnen) en er daarna een ander komt. Misschien is dat een ‘vaderhater’ en heeft de ouder die de band met zijn kind wil beschermen nu twee tegenstanders: de ouder met het gezag en de gezinsvoogd.

Misschien moet u alleen een ‘omgangs-ots’ vragen, als u van mening bent dat er alle reden is voor een ‘gewone’ ots, en het misschien zelfs beter is als uw kind niet opgroeit bij de ouder met het gezag (dat uw kind bij u geplaatst zou worden, is bijna onmogelijk). Denk dus heel goed na voor u eraan begint, en doe het alleen als uw kind eigenlijk niets te verliezen heeft, wat de ots ook voor gevolgen zou hebben. Veel gezinsvoogden beschermen de status-quo, steunen dus de gezagsouder die geen omgang wil toestaan.

De rechter kan ook een bijzonder curator voor een kind benoemen, in dit verband een omgangs-curator. We weten dat het in de wet staat, maar we hebben nog niet gehoord van een bijzonder curator die zich met omgang bezighield.

De mediator kan alleen succes bereiken als er twee in principe goedwillende partijen zijn.

Begeleide omgang is een monstrum als het betekent: omgang waar een derde als toezichthouder bij aanwezig is. Hoe je ook naar je kind verlangt, daar moet je niet aan beginnen als het iets anders is dan een of twee keer na een lange tijd van elkaar niet zien. Er gaat namelijk een signaal uit naar het kind dat jij als vader in je eentje niet te vertrouwen bent, dat je een engerd bent. Soms is begeleide omgang iets anders, namelijk zorg voor halen en brengen, gesprekken met de ‘weghoudende’ ouder, en soms ook met het bang gemaakte kind. Daar kunt u dankbaar gebruik van maken. Het is niet onmogelijk dat na een periode van begeleide omgang normaal contact ontstaat en blijft bestaan.

Sommige rechtbanken voorzien in bemiddeling ter zitting. De rechtbanken en bemiddelaars zijn er tevreden over. Hoe tevreden ouders zonder ouderlijk gezag zijn weten we nog niet.

Er is veel willekeur in rechterlijke uitspraken op dit terrein. Lees ‘Het paternalisme voorbij’ in de bundel Ruimte voor mannen van Duindam e.a. (zie op deze site in de map LITERATUUR). Soms doen een ouder en zijn advocaat alles uitstekend, en leidt het tot niets. Of niet alleen de ouder en zijn advocaat, maar ook de kinderrechter doet het onberispelijk. En resultaat in de praktijk? Nul. En daar laten dan rechters vaak kinderen in de steek. Als een ouder een toch eerst door de rechter vastgestelde omgangsregeling wil afdwingen, geeft de rechter vaak niet thuis. Maar geloof in je eigen sterke kanten: publiciteit, mensen organiseren om samen naar de rechtbank te gaan, wat dan ook.



DE STIEFOUDER

Soms ontstaan er omgangsproblemen als er een stiefvader ten tonele verschijnt. Het maakt daarbij geen verschil of hij letterlijk stiefvader is, dus getrouwd met de moeder, of niet. Wij hebben herhaaldelijk meegemaakt dat probleemloze, soepele omgang plotseling aan strenge regels onderworpen werd en sterk verminderd, en geleidelijk stopgezet. Een stiefvader die dat proces in gang zet is erg gesteld op bewijzen van ‘respect’ van de eigen vader van het kind. Hij zegt bijvoorbeeld dat de omgang dit weekend niet door kan gaan omdat het wel eens glad zou kunnen worden. Heb niet het hart dan met de trein te komen, want op weg naar die trein kan er immers ook wat gebeuren! Ik had toch gezegd dat het niet door kon gaan?

Dit schijnt een zo veel voorkomend verschijnsel te zijn, dat de Nederlandse Gezins Raad het zelfs nodig heeft gevonden een folder te maken die onder huisartsen is verspreid. Daarin wordt het zgn. ‘gesloten stiefgezin’ beschreven: het verleden wordt uitgepoetst, er is een nieuwe vader dus wie heeft die oude nog nodig, er zijn strenge regels in het gezin, de gezinsleden doen heel veel met zijn allen. Het is wel erg jammer dat de NGR de volgens ons verkeerde conclusie heeft getrokken: rust is het hoogste goed, dus omgang is niet altijd te adviseren.

Als u dit ziet gebeuren, probeer het proces dan in een vroeg stadium te stoppen, voordat de moeder hier helemaal aan gewend is. Schrijf dat u er geen genoegen mee neemt en dat u een procedure zult beginnen als niet binnen een maand de situatie genormaliseerd is. Doe dat vervolgens dan ook. Leg er tijdens de zitting de nadruk op dat tot dat en dat moment de omgang altijd tot tevredenheid van de kinderen, de moeder en uzelf verlopen is, en dat u niets anders vraagt dan herstel van de oude omgangsregeling. Vraag ook meteen een dwangsom, want uw ex kan duidelijk niet tegen haar nieuwe vlam op, en die is nu enorm in zijn kuif gepikt.

Dit is ook typisch een situatie waarin veel rechters hun beslissing graag baseren op een deskundigenrapport. Probeer dat te voorkomen: u bent gewoon de vader van Pietje, en u hebt al gedurende lange tijd in de praktijk bewezen ‘de omgangsregeling te kunnen hanteren’ (d.w.z. dat u minstens uiterlijk de scheiding hebt verwerkt, dat u zich tegenover het kind niet negatief uitlaat over zijn moeder, dat hij bij u normaal eet en slaapt, dat u activiteiten met hem onderneemt die bij zijn leeftijd passen, dat u hem niet in gevaar brengt).

Degene die met de ouder buiten huwelijk samenleeft is niet tot onderhoud van de kinderen verplicht, ook niet bij geregistreerd partnerschap. Wie met de ouder getrouwd is, is dat wel. Wordt dit huwelijk ontbonden, dan vervalt die verplichting t.o.v. de voormalige stiefkinderen. In principe zijn de verplichtingen van ouder en stiefouder van gelijke rang, zodat de rechter van geval tot geval kan beoordelen in hoeverre de stiefouder naast de ouders tot bijdragen verplicht is. Zelfs als de achternaam van het kind gewijzigd is in die van de stiefvader en de vader zijn kind nooit ziet, blijft de vader in principe verplicht te betalen. Wel is er een uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 1988 over een geval waarin de vader zijn kind al veertien jaar niet meer had gezien, de moeder sinds tien jaar hertrouwd was, en het kind de naam van de stiefvader droeg. In dit geval verviel de onderhoudsbijdrage van de vader (Nederlandse Jurisprudentie 1989, 386),

Gezamenlijk gezag met een niet-ouder
Als u het gezag over uw kind niet (meer) hebt, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de andere ouder en een niet-ouder ‘die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat’, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Zij moeten op de dag van het verzoek ten minste een jaar samen de zorg voor het kind hebben gehad en de verzoekende ouder moet in alle gevallen ten minste drie jaar enige gezagsouder zijn geweest (wet van 30 oktober 1997). De Boer schrijft in het handboek Personen- en familierecht op pag. 651: De ontzeggingsmogelijkheid voor de rechter is, indien aan de voorwaarden van de leden 1-2 is voldaan, zeer beperkt. Het verzoek moet in beginsel worden toegewezen. Afwijzing kan slechts geschieden bij gegronde vrees dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd …

Bezwaren van de andere ouder of bezwaren van het kind zelf, al is dit twaalf jaar of ouder, zijn geen zelfstandige grond voor afwijzing, al kunnen zij de bedoelde gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind wekken. Komt het kind in een zeer ernstig loyaliteitsconflict dan kan aan de maatstaf zijn voldaan. Bezwaren van het kind kunnen voorts wijzen op het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking met de niet-ouder (lid 1), ook al is aan de eis van een jaar verzorging voldaan …

Aan de maatstaven voor afwijzing van een verzoek om naamswijziging (zie art. 253t lid 5, tweede zin, onder a en c) kan gemakkelijker worden voldaan, zodat goed denkbaar is dat bezwaren van de andere ouder of het kind niet leiden tot afwijzing van het verzoek om gezamenlijk gezag, maar wel tot dat van naamswijziging.

Een verzoek tot toekenning van een gezamenlijk gezag kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in die van een der verzoekers.

Dat verzoek wordt afgewezen, indien:
a. het kind van twaalf jaren of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;
b. het verzoek om gezamenlijk gezag wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.
Aldus art. 253t lid 5.

De moeder van uw kind kan overigens gezamenlijk gezag niet alleen met de stiefvader aanvragen, ook met een vrouw of met haar broer bijvoorbeeld. Voor de met medegezag beklede niet-ouder bestaat geen term.

U ziet, gezamenlijk gezag van de moeder met iemand anders is niet tegen te houden. Daarom moet u de moeder er uitdrukkelijk op wijzen, dat zij wel iets heel riskants vraagt: het kind kan als de gezamenlijke verzorging beëindigd wordt, aan de niet-ouder worden toegewezen. Misschien houdt dat haar tegen. De Boer op pag. 653: “Aanvankelijk was voorgesteld dat na de beëindiging van het gezamenlijk gezag de voorheen met het gezag belaste ouder van rechtswege (zonder dat iemand daar iets voor hoeft te doen, Platform KOG) het gezag alleen zou hebben, en dat de niet-ouder pas tot voogd zou worden benoemd bij gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind. Bij nota van wijziging (nr. 7) is evenwel de positie van de niet-ouder versterkt en gelijk getrokken aan die van de ouder.” Hier hebben we dan het doorschuifkind.

stiefouderadoptie
Misschien zal de stiefvader uw kind ook willen adopteren. Daarvoor moet hij tenminste drie jaar met de moeder samengeleefd hebben (hij hoeft niet met haar getrouwd te zijn), en moet u geen ouderlijk gezag over uw kind hebben. U hebt geen absoluut vetorecht.

Wij hebben geen ervaring met deze kwestie, weten dus niet hoe rechters hierin handelen. Wat zo’n stiefvader misschien kan tegenhouden is de omstandigheid dat hij na verbreken van de relatie met de moeder onderhoudsplichtig blijft tegenover het kind. Wat de moeder misschien kan tegenhouden is de omstandigheid dat na het verbreken van de relatie het geen automatisme is dat het kind bij haar blijft.



NAAMSWIJZIGING

De ultieme klap in het gezicht van een ouder is de verwerping van zijn naam. Soms wordt de naam van de moeder aangevraagd, soms de naam van de stiefvader.
Op 1 april 2004 is in werking getreden het Besluit van 21 februari 2004 (Staatsblad 2004, 100), houdende wijziging van het Besluit naamswijziging in verband met wijziging gronden geslachtsnaamswijziging voor minderjarigen.
De Raad voor de Kinderbescherming komt er nu niet meer aan te pas.
Als het kind jonger is dan twaalf jaar, zijn de mogelijkheden nu beperkter voor de moeder. Als de vader het niet goed vindt, dan gaat het niet door, behalve als hij strafrechtelijk is veroordeeld wegens het plegen van bepaalde misdrijven tegen het kind, wanneer hij is ontzet van het ouderlijk gezag, of wanneer hij niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de verzorgingstermijn van vijf jaar in gezinsverband met het kind heeft samengeleefd. Een grote verbetering dus. Maar:
Als het kind minstens 12 jaar is en van naam wil veranderen, gaat het gewoon door. In gezinnen waarin mensen denken dat naamswijziging fatsoenlijk is, heeft men ook geïndoctrineerd. Het kind wil het dus. Weigert de vader zijn instemming, dan gaat het toch gewoon door als het kind bij zijn instemming blijft.


KOMEN DE KINDEREN LATER VANZELF?

Het is een veel gehoord geluid: later komen ze vanzelf wel naar je toe. Wij vangen geen signalen op dat dit inderdaad gebeurt. Wel kennen wij verscheidene verhalen van een eenmalige ontmoeting tussen de vader en het kind als dat kind ongeveer 20 is. Erg hoopgevend is het allemaal niet, min of meer begrijpelijk wel. Zie op deze site in de map PUBLICATIES Het ouderverstotingssyndroom in de Nederlandse context.



De situatie van de grootouders

Grootouders krijgen vaak de volle laag van de scheiding van hun kind.

Als het contact tussen de vader en zijn kinderen verbroken wordt, wordt bijna altijd ook het contact met de grootouders en andere familieleden van vaderszijde verbroken. De kinderen worden niet alleen van hun vader, maar van al hun wortels van vaderszijde afgesneden.

Behalve het verdriet om het verdriet dat hun kind heeft, dragen de grootouders dan hun persoonlijk verdriet: het gemis van hun kleinkinderen.

Het beste wat zij kunnen doen is hun kind steunen in zijn strijd. Dat doen zij voor hem en de kleinkinderen, en tegelijkertijd voor zichzelf: als de vader weer contact met zijn kinderen heeft, kunnen zij ook af en toe die kinderen weer ontmoeten.

Soms is het werkelijk ondenkbaar dat het contact tussen vader en kinderen hersteld wordt. Wij kennen het verhaal van een moeder die in de rechtszaal beweerde dat de kinderen niet naar hun vader konden gaan, ook niet wilden gaan, omdat zij bang voor hem waren. De vader had de kinderen geestelijk en lichamelijk mishandeld en bijvoorbeeld het zoontje aan zijn voeten buiten het balkon gehangen. Ten ‘bewijze’ daarvan had zij een foto van het balkon meegebracht, vanaf de overkant genomen. De rechter nam het allemaal serieus, reageerde niet door bijvoorbeeld te zeggen dat hij wel een balkon zag, maar verder ook niets. Deze vader heeft de strijd voorlopig opgegeven.

In dergelijke gevallen doen grootouders er verstandig aan zelf een omgangsregeling te verzoeken. Zij kunnen dit doen op grond van artikel 1:377f: “Onverminderd het bepaalde in artikel 377a, kan de rechter op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. De rechter kan het verzoek afwijzen, indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet of indien het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt.” (lid 1)

Wij hebben wel meegemaakt dat grootouders een zelfstandige omgangsregeling kregen, maar pas één keer dat er vervolgens ook omgang kwam.

Veel oudere mensen vinden het gênant als zij worden betrokken in een kwestie met advocaten en rechters. Wij doen een beroep op alle grootouders in deze omstandigheden toch een omgangsregeling te vragen. Het liefst zouden wij zien dat de rechtbanken er helemaal verstopt mee raakten, zodat de omvang van het probleem eindelijk zichtbaar zou worden. Veel grootouders bellen ons namelijk, maar heel weinig grootouders verzoeken dan ook de rechter een omgangsregeling.

Soms kunnen grootouders een rol spelen in het contactherstel tussen hun kind en hun kleinkinderen. Tact, overredingskracht, soms helpt het.

Dat betekent wel, dat er eerst contact moet zijn tussen de grootouders en hun vroegere schoondochter. (Overigens is opmerkelijk dat wij ook nogal eens horen dat na overlijden van de moeder van de kinderen de vader, dus de schoonzoon, hetzelfde gedrag vertoont: de vroegere schoonfamilie uitwissen.) En dat is nu juist iets wat veel ontouderde vaders niet verdragen. Zij voelen het als heulen met de vijand door hun ouders. Datzelfde geldt voor contact tussen andere familieleden en hun ex en de kinderen. Als zij dit niet tolereren, verspelen zij daarmee een manier om nog informatie over hun kinderen te krijgen.

Grootouders hebben ook een zelfstandig recht op informatie op grond van art. 8 EVRM. Wij kennen geen gevallen van grootouders die hier een procedure voor hebben aangespannen.



Informatie en consultatie

Op grond van artikel 377b heeft een ouder zonder ouderlijk gezag recht op informatie van de ouder die ouderlijk gezag heeft ‘omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind’. Tja, u hebt ook recht op omgang. Toch is het artikel van belang, omdat er nu een wettelijke basis is om bijvoorbeeld te eisen dat de naam van de school waar uw kind heen gaat u bekend wordt gemaakt.

Een ouder zonder ouderlijk gezag heeft net zoveel en hetzelfde recht op informatie over zijn kind van derden als een ouder met ouderlijk gezag. Artikel 377c lid 1: “Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van dit boek wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.” Lid 2: “Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.”

In de praktijk valt het soms niet mee die informatie ook werkelijk te krijgen. In 1990 heeft de KNMG een brief doen uitgaan naar de huisartsen waarin zij het advies kregen de informatie niet te verschaffen.

In Praktijk Management oktober 1999 staat een artikel van mr. dr E.H. Hulst, getiteld: ‘Nieuw familierecht heeft betekenis voor de huisarts, wie vertegenwoordigt het kind?’ Hierin staat o.a. “Een belangrijke uitzondering mag niet onvermeld blijven: de gescheiden ouder of de ongetrouwde ouder van wie het ouderlijk gezag ontnomen is, beslist niet meer over het kind, maar behoudt wel het recht op medische informatie. Recht op inzage in het dossier heeft zo’n ouder niet, maar een arts moet hem of haar - doch alleen desgevraagd - de medische informatie in hoofdlijnen meedelen. Alleen wanneer de arts dit gezien de voorgeschiedenis schadelijk vindt voor het kind mag hij weigeren.”

Als de huisarts van uw kind u toch niets over hem wil vertellen, dient u een klacht tegen hem in bij het Medisch Tuchtcollege (zie op deze site in de map BELANGRIJKE ADRESSEN) en wendt u zich tot de rechter. Laat uw advocaat niet vergeten veroordeling van de arts te vragen in de kosten van het geding en de kosten van uw juridisch adviseur.

Ook scholen blijken vaak onbekend met wat wettelijk bepaald is. Als de school u zelfs geen kopie van het rapport van uw kind wil geven, kunt u beginnen met het toesturen van de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 9 juli 1998, gepubliceerd in FJR september 1998 (Beoordeling verzoek tot informatieverstrekking, taak van bestuurscommissie openbaar primair onderwijs). Hierin is o.a. te lezen: “Het enkele feit, dat de moeder er tegen is, dat informatieverstrekking aan de vader zou plaatsvinden, kan op zichzelf geen reden zijn voor de bestuurscommissie om hem de informatie niet te verstrekken, nu de vader een wettelijk recht op informatie heeft. Verder kan het bestuur niet volstaan met de vermelding, dat ‘gelet op het verzet van de moeder, informatieverstrekking de belangen van het kind zou kunnen schaden.’ Een dergelijke vermelding is onvoldoende geconcretiseerd, terwijl een evt. afwijzende beslissing behoort te vermelden, welk schadelijk gevolg concreet wordt verwacht als gevolg van de informatieverstrekking.”

Gebeurt er nog niets, dan kondigt u aan zich tot het bevoegd gezag van de school te zullen wenden (bij een openbare school de gemeente, bij een bijzondere school het bestuur). U geeft bijvoorbeeld nog tien werkdagen om u de verlangde informatie te verschaffen. Daarna wendt u zich tot het bevoegd gezag.

U schrijft bijvoorbeeld:

Eigen naam en adres

Aan Burgemeester en Wethouders van A, bevoegd gezag van school X

Betreft: informatieverstrekking door school X, over leerling y van klas 0



Geacht College,

Ik wend mij tot u als vader van leerling y in klas 0 van school X. Ondanks mijn mondeling en schriftelijk verzoek weigert de school tot heden mij informatie te verschaffen over mijn kind, hoewel ik daar recht op heb op grond van art. 1: 377c BW. Zelfs de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam in een gelijksoortige kwestie, gepubliceerd in het septembernummer 1998 van FJR, kon de school niet overtuigen.

Ik verzoek u de directie van de school op te dragen mij onmiddellijk de door mij gevraagde informatie over mijn kind te (doen) verschaffen en mij deze ook in de toekomst te blijven verschaffen. Indien deze kwestie niet binnen de door de wet gestelde termijn bevredigend geregeld is, zal ik mij tot de rechter wenden, waarbij ik niet zal nalaten te verzoeken u te veroordelen in alle kosten die het geschil voor mij meebrengt.

Hoogachtend,

Verzendt u zowel brieven naar de school als naar het bevoegd gezag steeds aangetekend met ontvangstbevestiging of per koeriersdienst.

Wij kennen geen gevallen waarin een dreigement met de rechter niet hielp.

Mocht u minder fortuinlijk zijn: wanneer het een openbare school betreft kunt u zelf een brief schrijven aan de arrondissementsrechtbank waar de vestigingsplaats van de school onder valt, sector bestuursrecht. U mag daar zelf het woord doen, en u hoeft geen wetsartikelen e.d. te kennen. U vertelt gewoon uw verhaal, de rechter doet de rest. Gaat het niet over een openbare school, dan heeft u een procureur nodig. U zou zich dan nog eerst tot de klachtencommissie van de school kunnen wenden.

Zie ook de brief van het College Bescherming Persoonsgegevens op deze website.

Voor de buitenstaander
Als iemand geen omgang heeft met zijn kind, als de rechter zelfs de omgang ontzegd heeft, krijgt hij niet alleen het verdriet om het gemis van zijn kind te verdragen, maar ook de kwetsingen door de reacties van anderen. De meeste mensen schijnen zich in Nederland in 1999 maar heel moeilijk voor te kunnen stellen dat iemand zijn kinderen is kwijtgeraakt zonder dat daar een reden voor was. Niemand kan ze dat eigenlijk kwalijk nemen, want het zijn tenslotte totaal ongelofelijke verhalen. Alleen al het feit dat je zo’n verhaal vertelt bestempelt je tot een fantast!



De opeenstapeling van verbijsterende zaken is te groot:
- de gezagsouder verbiedt omgang
- de Raad voor de Kinderbescherming produceert een officieel stuk
- een officieel bureau waar mensen werken met een academische opleiding hebben u onderzocht
- een rechter neemt de beslissing dat u geen contact mag hebben met uw kind
- een rechter in hoger beroep neemt dezelfde beslissing of
- een rechter stelt een omgangsregeling vast, maar deze wordt genegeerd zonder dat enige sanctie volgt.

En dat zou allemaal onzin moeten zijn, allemaal voor niets?! Moeten wij dat geloven?! Ja, dat is vaak allemaal onzin. Wij willen niet ontkennen dat er vaders bestaan die een verantwoordelijk mens zijn kat nog niet een uurtje zou willen toevertrouwen, maar op de eerste bladzijde van dit boek staat ook dat dit boek bedoeld is voor ‘gewone mensen’. Wat in dit boek besproken wordt, is precies wat ‘gewone mensen’ en hun kinderen overkomt. Wij weten dat uit eigen ervaring en wij weten dat door heel veel stukken te lezen. Voor veel mensen die ons opgebeld hebben konden wij niets doen, maar het bleek vaak al een opluchting te kunnen praten met iemand die niet meteen dacht: ja ja, dat zal allemaal wel. Juist doordat er soms volstrekt krankzinnige dingen gebeuren, kan deze narigheid standhouden.

Een moeder die er nooit meer over wil horen dat de vader bestaat: dat kan. Soms is het misschien te moeilijk de liefde voor je kind groter te laten zijn dan je afschuw van de vader van je kind.

Maar instanties die, feiten verdraaiend, het materiaal aandragen om de rechter te laten beslissen dat deze moeder groot gelijk heeft als ze omgang met deze vader verbiedt: dat kan eigenlijk niet. En dat gebeurt toch.

U moet zich dan iets voorstellen als het volgende: een moeder wil geen omgang en insinueert seksueel misbruik van een meisje van drie jaar. Een deskundigenbureau maakt een paar jaar later, als de vader een procedure begonnen is tot contactherstel, ‘aannemelijk’ dat de vader in kwestie er niet voor terugdeinst het kind zijn wil op te leggen. Wat had hij namelijk gedaan?

Hij heeft haar naar zich toegetrokken en hij heeft niet haar toestemming afgewacht voor hij een foto van haar nam. Hij had namelijk een fototoestel bij zich, had haar uitgelegd hoe het werkte, had gevraagd of zij het leuk zou vinden een foto van hem te maken, dan nam hij er daarna een van haar. Zij vond het leuk, nam de foto, en daarna nam hij de foto. De onderzoekster (later in de klachtprocedure hierin gesteund door haar medeonderzoekster) bezwoer dat hij zonder haar reactie af te wachten een foto had genomen. (U begrijpt, zo’n man is dus tot alles in staat.)

Helaas voor de beide onderzoeksters had deze vader een camera die precies het tijdstip afdrukt waarop foto’s genomen zijn. Deze vader kon dus aantonen dat het kletskoek was, dat de onderzoeksters niet gezien hadden wat ze verklaarden dat ze gezien hadden, en dat dus de consequenties die ze daaraan verbonden de vuilnisbak in konden.

Wat bezielt zulke mensen? We hebben geen vermoeden.



De positie van een ouder zonder ouderlijk gezag bij kinderbeschermingsmaatregelen

Een ouder die om wat voor reden dan ook geen ouderlijk gezag heeft, heeft wel een plaats in het geheel, maar toch een andere dan een ouder met ouderlijk gezag.

Het komt nogal eens voor, dat een gezinsvoogd de banden van een uithuisgeplaatst kind met de familie poogt door te snijden. Met name grootouders zijn hier de dupe van (Er zijn nu zoveel opa’s en oma’s…). Deze familieleden verzoeken dan soms de kinderrechter om een omgangsregeling. In dat geval heeft ook de niet met het gezag belaste ouder het recht gehoord te worden als belanghebbende, en het recht de bij het verzoekschrift behorende bescheiden en het verweerschrift toegezonden te krijgen.

Als hij zelf een door de rechter vastgestelde omgangsregeling met zijn kind heeft, moet Bjz zich daar aan houden. Wel kan de gvi de rechter verzoeken de regeling te wijzigen. Als de rechter dat verzoek gehonoreerd heeft, kan de ouder zonder gezag weer vragen de wijziging te wijzigen. Helaas kan een Bjz een beschikking van een rechter naast zich neerleggen zonder dat er een haan naar kraait.

Een ouder zonder ouderlijk gezag heeft recht op dezelfde informatie van derden als een ouder met gezag. Hij kan als hij die informatie toch niet krijgt, de rechter verzoeken te bepalen dat de informatie moet worden verstrekt (art. 1:377c lid 1 en 2). Artikel 377c gaat over informatie die moet worden verstrekt door ‘derden die beroepshalve beschikken over informatie die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen’. Daar vallen pleegouders niet onder, maar wel medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, gezinsvoogden en de mensen die in een (residentiële) voorziening werken.

De ouder zonder ouderlijk gezag heeft dus in principe recht op inzage en afschrift van alle papieren over zijn kind bij gvi’s en instanties als medisch kindertehuis, medisch kleuterdagverblijf, orthopedagogisch centrum.

Ook heeft een ouder zonder gezag hetzelfde klachtrecht als een ouder met gezag: dus bij de directeur van de vestiging van de Raad voor de Kinderbescherming waar hij mee te maken heeft, bij de klachtencommissie voor de RvdK, bij de klachtencommissie van gvi en andere instanties over een ‘gedraging’ van de instantie of een ‘gedraging’ van hiervoor werkzame personen, en bij de provinciale of grootstedelijke klachtencommissie.

Als een uitvoerende instantie of een Bjz geen klachtencommissie heeft, kan iedereen die het recht heeft een klacht in te dienen de kantonrechter van de plaats waar de uitvoerder of Bjz is gevestigd, verzoeken de uitvoerder of de gvi te verplichten een regeling te treffen voor de behandeling van klachten.

Een ouder zonder ouderlijk gezag kan de rechter de ondertoezichtstelling van zijn kind verzoeken, maar hij heeft niet het recht te verzoeken Bjz te vervangen. Hij heeft het recht de rechter te verzoeken de ots te verlengen, maar hij heeft niet het recht te verzoeken de ots op te heffen. Wanneer Bjz de ots wil verlengen en hij daar bezwaar tegen heeft, roept de kinderrechter hem wel op voor de zitting.

Hij kan niet Bjz verzoeken een aanwijzing geheel of gedeeltelijk in te trekken, of een uithuisplaatsing te bekorten of te beëindigen. Ook heeft hij niet het recht de kinderrechter te verzoeken een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren, of een machtiging tot uhp geheel of gedeeltelijk in te trekken of de duur ervan te bekorten.

Soms vragen pleegouders naamswijziging voor hun pleegkind. Ook de ouder zonder gezag heeft het recht dan als belanghebbende gehoord te worden.



uw kind loopt weg naar u toe

Als uw kind uithuisgeplaatst is en wegloopt naar u toe: het kind binnenlaten of het ophalen vanwaar het u opbelt. Het pleeggezin of het tehuis bellen om te zeggen dat het kind niet in gevaar is (als de verhouding met de ouder met het ouderlijk gezag niet totaal onmogelijk is: die ouder bellen om hem/haar op de hoogte te stellen). Weigeren om het kind terug te brengen omdat u het vertrouwen van het kind niet wilt beschamen, zeggen dat u het kind eigenlijk bij u wilt houden. Weigeren iemand binnen te laten die niet politie met een huiszoekingsbevel is. Met het kind afspreken dat het rustig meegaat met politie met een huiszoekingsbevel. Tenslotte kan het de volgende dag weer weglopen. De politie blijft niet ophalen!
Het is in dit verband wel goed op de hoogte te zijn van de uitspraak van de Strafkamer van de Hoge Raad van 23 augustus 2005, waar het novembernummer van Perspectief een pagina aan wijdt: een jongen van 15 is in een internaat geplaatst en gaat terug naar huis. Zijn vader belt de gezinsvoogd, maar weigert hem terug te brengen. Er volgt aangifte bij de politie omdat de vader de zoon heeft onttrokken aan het toezicht van de gezinsvoogd en dit een strafbaar feit zou opleveren. De vader wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaar, plus een taakstraf van veertig uur. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat inderdaad sprake is van onttrekking aan het toezicht dat werd uitgeoefend door Bjz.

Als uw kind niet uithuisgeplaatst is, bij de ouder woont die het ouderlijk gezag heeft en wegloopt naar u toe, ligt de situatie veel moeilijker. Als een kind wegloopt van een ouder die ouderlijk gezag heeft naar de instanties toe, dus bijvoorbeeld naar een JAC of een crisisopvang, staan alle instanties klaar om hem te steunen in zijn verzet tegen die ouder. Maar als een kind wegloopt naar zijn andere ouder wordt het die ouder en het kind heel moeilijk gemaakt. Als de ouder bij wie het kind eigenlijk woonde het niet goed vindt, zijn de ouders het niet eens over de verblijfplaats, en dan is het antwoord al gauw: uithuisplaatsing. Natuurlijk kan het kind dan weglopen, maar een kind moet daar allemaal maar tegen kunnen.



Enkele wetsartikelen

Er bestaat een goedkope uitgave van wetboeken, de Ars Aequi wetsedities. De uitgave 2004/2005 van het Burgerlijk Wetboek kost € 19,00 (ISBN 9069 165058).

burgerlijk wetboek, boek 1, personen- en familierecht.

Art. 244

Bij de kantongerechten berusten openbare registers, waarin aantekening gehouden wordt van de rechtsfeiten die op het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. …

Art. 251
- 1. Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.

- 2. Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood … blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen, tenzij de ouders of een van hen de rechtbank verzoeken in het belang van het kind te bepalen dat het gezag over een kind of de kinderen aan een van hen alleen toekomt.



Art. 251a

De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van artikel 251, tweede lid. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Art. 252
- 1. De ouders die niet met elkaar zijn gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn geweest en die nimmer het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk hebben uitgeoefend, oefenen dit gezag gezamenlijk uit, indien zulks op hun beider verzoek in het in artikel 244 van dit boek bedoelde register is aangetekend.

- 2. De aantekening wordt door de griffier geweigerd, indien op het tijdstip van het verzoek:



- e. de ouder die het gezag heeft, dit gezamenlijk met een ander dan een ouder uitoefent.



Art. 253b
- 1. Indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap vaststaat of indien de vader en moeder van een kind niet met elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege (dat betekent: zonder dat iemand er iets voor hoeft te doen, Platform SCJF) het gezag over het kind alleen uit, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was.

- 2. Indien het kind wordt geboren binnen 306 dagen na de ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood, berust het gezag bij de in het eerste lid bedoelde moeder, totdat de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 251, vijfde lid, van dit boek heeft bepaald wie met het gezag over het kind wordt belast.


Art. 253f

Na de dood van een der ouders oefent de overlevende ouder van rechtswege het gezag over de kinderen uit, indien en voor zover hij op het tijdstip van overlijden het gezag uitoefent.

Art. 253g

- 1. Indien van de ouders degene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt de rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over deze kinderen wordt belast.

- 2. De rechter doet dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve.

- 3. Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

- 4. De bepaling van het voorgaande lid is mede van toepassing indien de overleden ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292 van dit boek.

Art. 253h

- 1. Indien na het overlijden van een der ouders een voogd is benoemd, kan de rechter deze beslissing te allen tijde in dier voege wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd is, alsnog met het gezag wordt belast.

- 2. Hij gaat hiertoe slechts over op verzoek van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

- 3. Wanneer de andere ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292 van dit boek en deze inmiddels is opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, mits het verzoek van de overlevende ouder binnen een jaar na het begin van de voogdij wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.



Art. 253t


- 1. Indien het gezag over een kind bij een ouder berust, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.

- 2. In het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder (d.w.z. dat zijn ouders getrouwd geweest zijn of dat zijn vader hem erkend heeft, Platform SCJF) wordt het verzoek slechts toegewezen, indien:

a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende tenminste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

- 3. Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

- 4. …

- 5. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien:

a. het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;

b. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of

c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

Art. 253w

De ander die met de ouder gezamenlijk het gezag uitoefent, is verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud jegens het kind dat onder zijn gezag staat. Nadat een rechterlijke beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag in kracht van gewijsde is gegaan of na het overlijden van de ouder met wie tot het tijdstip van overlijden het gezag gezamenlijk werd uitgeoefend, blijft deze onderhoudsplicht gedurende de termijn dat het gezamenlijk gezag heeft geduurd, bestaan, tenzij de rechter in bijzondere omstandigheden op verzoek van de ouder of de ander een langere termijn bepaalt. Zij eindigt uiterlijk op het tijdstip dat het kind de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. …

Art. 253x

- 1. Na de dood van de ouder die tezamen met de ander het gezag uitoefende, oefent die ander van rechtswege de voogdij over de kinderen uit.

- 2. De rechtbank kan op verzoek van de overlevende ouder te allen tijde bepalen dat deze, mits daartoe bevoegd, alsnog met gezag wordt belast.



Art. 377a

- 1. Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar.

- 2. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

- 3. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a …

b …

c. Het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. Omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

- 4. Tot kennisneming van de in dit artikel bedoelde verzoeken is de rechtbank bevoegd. Indien evenwel een procedure inzake gezagstoewijzing bij de kantonrechter aanhangig is, kan een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling in verband daarmee aan de kantonrechter worden gedaan.



Art. 377b



- 1. De ouder die met het gezag belast is, is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

- 2. Indien het belang van het kind zulks vereist kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.





Art. 377c
- 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van dit boek wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.

- 2. Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.



Art. 377f

- 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 377a, kan de rechter op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. De rechter kan het verzoek afwijzen, indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet of indien het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt.





Art. 377g

De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 377a, 377b of 377f, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377c van dit boek wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.



Art. 377h

- 1. Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft, of inzake het verschaffen van informatie aan dan wel het raadplegen van die ouder als bedoeld in 377b, eerste lid, dan wel inzake het verschaffen van informatie als bedoeld in artikel 377c, eerste en tweede lid, van dit boek.





wetboek van burgerlijke rechtsvordering

Art. 29

Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden

Art. 30

- 1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

- 2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens een terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.

- 3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.

- 4. Een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.

- 5. Geschiedt het verzoek ter terechtzitting, dan wordt de terechtzitting geschorst.



Art. 32

- 1. …

- 2. De verzoeker en de rechter wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het gerecht kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of de rechter wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord.





INTERESSANTE LITERATUUR



- A. Burgess; Het vaderinstinct; Amsterdam, 1997; ISBN 90-57490018.

- Commissie De Ruiter; Anders scheiden; 1996. Uitg. Ministerie van Justitie.

- A. v. Dam; De ideale vader; Utrecht, 1993.

- R. Dorrestein/Opzij; De nieuwe man; Amsterdam, 19990.

(lezingen van Renate Dorrestein, Gerda van Dijk, Else Marie van den Eerenbeemt, Annemarie Grewel, Iteke Weeda, met een inleiding van Cisca Dresselhuis)

- V. Duindam; Ouderschapsarrangement en geslachtsidentiteit; Utrecht, 1991.

- V. Duindam e.a.; Ruimte voor mannen; Amsterdam, 1999.

- FIOM; Vaderschap na scheiding, informatie en hulpverlening;

’s-Hertogenbosch, 1993.

- R.A. Gardner; The Parental Alienation Syndrome; New Jersey, 1992. 2e dr.

- Groen & Van Montfoort (red.); Kinderen beschermen en jeugd hulp verlenen; Arnhem, 1993. ISBN 90-387-0105-5 (o.a. artikelen van Ton Veldkamp en prof. Doek)

- G.P. Hoefnagels; Het huwelijk; Zwolle, 1992.
G.P. Hoefnagels; Opstellen over rapportage; Asssen, 1996; 9e dr. ISBN 90-23231716

- Jeugd en samenleving; Kinderen en echtscheiding; Utrecht, 1979.

- A. Ladan e.a.; De betekenis van de vader, Psychoanalytische visies op het vaderschap; Meppel, 1985.

- M. Legêne; Hoe steel je een kind? Vader en kind als de ondermensen van de Nederlandse rechtsstaat; 1999.

Bestellen bij P.M. Legêne te Amsterdam pmlegene@wxs.nl

- A. Mitscherlich; Op weg naar een vaderloze maatschappij; Deventer, 1968.

- C. v. Nijnatten; Moeder justitia en haar kinderen; Lisse, 1986.

- J. Zander; Moeder-kind-vader, een drieluik over ouderverstoting; Deventer, 2004; ISBN 90-80863114



BRONVERMELDING



Mr. C. Asser’s handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht; Personen- en Familierecht, 15e druk bewerkt door

Prof. Mr. J. de Boer; Deventer, 1998

B. van den Berg; Deskundigheid in het geding; proefschrift, Amsterdam, 1999

H. Heijermans; Gezamenlijk gezag na echtscheiding. In: Ars Aequi, november 1999.



E.H. Hulst; Nieuw familierecht heeft betekenis voor de huisarts, wie vertegenwoordigt het kind? In: Praktijk

Management oktober 1999.



J. Zander; Het ouderverstotingssyndroom in de Nederlandse context, bundel n.a.v. The Parental Alienationsyndrome van

R.A. Gardner, Assen 1999. Ook op deze site in de map PUBLICATIES.



E.P. Rijks; Scheiden, en de kinderen? Amsterdam, 1984 (uitverkocht).



G.J. van Wijk; Hoezo noodzakelijk? Rechtsgronden voor kinderbeschermingsmaatregelen; Amsterdam, 1999.



Tuchtrecht in de gezondheidszorg, een klacht indienen bij het tuchtcollege; 1997.

Gratis schriftelijk te bestellen bij het Ministerie van VWS, afd. Publieksvoorlichting, Postbus 5406, 2280 HK Rijswijk

fax 070-3406251.



Richtlijnen voor het (laten) verrichten van extern onderzoek. Ministerie van Justitie, dienst preventie, jeugdbescherming

en reclassering, 1996. Ook op deze site in de map NUTTIG OM TE WETEN en op www.kinderbescherming.nl



Normenrapport. Overzicht van beleidsuitgangspunten voor de behandeling van categorieën zaken door (de sociale

afdelingen van) de Raden voor de Kinderbescherming. Ministerie van Justitie.

Ook op www.kinderbescherming.nl