Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Deel 1: De maatregelen
<< vorige pagina   
print pagina
 
Deze tekst mag alleen voor eigen gebruik uitgeprint worden.
Als u er iets anders mee wilt doen, neemt u contact op met het secretariaat:
Koninginneweg 90, 2012 GR Haarlem, tel. 023 – 5 32 12 23,
kog@upcmail.nl

Kinderbescherming en valkuilen

Deel 1: De maatregelen 

Bureau jeugdzorg als voorportaal van de
Raad voor de kinderbescherming;
ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en andere maatregelen



Dit is de "4e druk" van Kinderbescherming en valkuilen deel 1: De maatregelen,
in 1999 geschreven door Truus Barendse met een werkgroep bestaande uit Peter Prinsen (advocaat), Yvonne van Lijden (KOG), Ipe Smit (Ouders voor Kinderen), Wouter Hanhart (Scheiden en Blijvend Ouderschap), en uitgegeven door Platform SCJF.
Ouders voor Kinderen, Scheiden en Blijvend Ouderschap en Platform SCJF zijn opgeheven.
KOG heeft voor de website de tekst in mei 2004 bijgewerkt, in januari 2005 nogmaals aangevuld en gewijzigd in verband met de Wet op de jeugdzorg, en o.a. naar aanleiding van jurisprudentie veranderingen aangebracht in december 2005.

Hier vindt u juridische informatie in kort bestek, en praktijktips, dus de gegevens waarvan mensen zeggen:
als ik dat van tevoren geweten had!





De maatregelen van kinderbescherming:
ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing,
ontheffing en ontzetting









Overal waar in deze tekst hij/hem/zijn staat, kan ook zij/haar gelezen worden.


De overheidsbemoeienis met gezinnen heeft een wettelijke grondslag in de Wet op de jeugdzorg
Vanaf januari 2005 vervangt deze wet in etappes de Wet op de jeugdhulpverlening.

Elke provincie heeft een Bureau jeugdzorg, meestal op verscheidene locaties. In feite zijn deze bureaus voor ouders en hun kinderen extra raden voor de kinderbescherming. Hoewel de naam Raad voor de Kinderbescherming in 1956 een geniale vondst was, hebben veel ouders tenslotte begrepen dat de Raad kinderen TEGEN HUN OUDERS beschermt, en bleven zij er dus ver vandaan en probeerden zij advies en hulp ergens anders te zoeken. Een soortgelijke rol spelen nu de Bureaus jeugdzorg: mensen gaan erheen voor advies of hulp, maar alle medewerkers van Bureau Jeugdzorg kijken ‘met beschermersogen’:
"Als een kind nu met gedragsproblemen komt, denken we aan allerlei oorzaken: is het geslagen, misbruikt, verwaarloosd, of zijn er drugs in het spel?" aldus een beleidsmedewerker van het Ministerie van Justitie in het blad Perspectief (2003 nummer 6 pag. 10). Moet dit kind misschien beschermd worden tegen deze ouders?
Als het antwoord ‘ja’ luidt, doet Bureau jeugdzorg een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming.
En als het antwoord ‘nee’ luidt en er een hulpverleningstraject wordt ingezet waarvan de ouders na een poosje zeggen dat zij het niet goed genoeg vinden, is er ook een dikke kans dat Bureau jeugdzorg een melding doet, om de "hulpvraag veilig te stellen".

Sinds januari 2005 werd psychologische hulp voor een kind alleen nog na indicatie door Bureau jeugdzorg betaald uit de AWBZ. Gezinnen werden door de kosteloze hulp a.h.w. de fuik van bureau jeugdzorg / kinderbescherming ingelokt.
Als u i.v.m. het nieuwe zorgstelsel aandacht aan uw ziektekosten-verzekering schenkt, neemt u dan in aanvulling op de basisverzekering een module waarin kinder- en jeugdpsychologie zit.
FBTO had in 2005 na een verzoek van KOG psychologische hulp voor kinderen opgenomen in het Totaalzorgpakket en heeft deze hulp in 2006 in de module Therapieën. Kijk op www.fbto.nl . Verzekeraar CZ bood deze hulp in 2005 in aanvullende verzekering Plus.
Kijk op www.cz.nl . Informeer bij uw verzekeraar of hij iets dergelijks heeft. Zo niet: verandert u als de wiedeweerga van verzekeraar.

In 1999 schreven wij over de Raad voor de Kinderbescherming: "Daar past dus maar één advies bij: blijf er uit de buurt als het enigszins kan. Het is de organisatie die in Amsterdam vroeger ‘de kinderdief’ werd genoemd, en tegenwoordig ‘Raad voor de Kinder-beschadiging’." (In Limburg gebruikt men nog steeds de naam ‘kinderdief’ volgens de Raad voor de Kinderbescherming Maastricht.)

Wij vrezen dat wij nu hetzelfde moeten schrijven over de Bureaus jeugdzorg:
blijf er uit de buurt als het enigszins kan.

In 1956 gingen de voogdijraden raden voor de kinderbescherming heten. Deze raden voor de kinderbescherming zijn gereorganiseerd tot de huidige Raad voor de Kinderbescherming.

Deze RvdK is een afdeling van het Ministerie van Justitie. Het is werkelijk een vondst geweest om de naam Raad voor de Kinderbescherming te gaan gebruiken. Mensen hadden associaties met adviesbureau of consultatiebureau en klopten aan met een probleem, in de veronderstelling dat de RvdK hun kinderen wilde beschermen. En kinderen beschermen wilde de Raad ook. Tegen hun ouders wel te verstaan. Particulieren kunnen zich sinds de Wet op de jeugdzorg niet meer rechtstreeks tot de RvdK wenden, maar moeten naar Bureau jeugdzorg of een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK, onderdeel van Bureau jeugdzorg) dat eventueel een melding bij de RvdK doet. De RvdK zit dus helemaal op rozen: er komt een melding binnen van een professional, het is dus nooit aan de RvdK te verwijten dat er een onderzoek ingesteld wordt.

De Raad voor de Kinderbescherming wil zoals de naam zegt kinderen beschermen, maar dus alleen tegen hun eigen gezin. Zo is de Raad ook ontstaan: om kinderen te beschermen tegen hun mishandelende en verwaarlozende ouders.

Sommige kinderen moeten werkelijk beschermd worden tegen hun eigen ouders.

Als die ouders hun kinderen (seksueel) misbruiken, mishandelen of ernstig verwaarlozen, moeten de kinderen inderdaad beschermd worden

Helaas wil de Nederlandse overheid alle kinderen beschermen. Daarom wordt er met "beschermersogen" gekeken naar kinderen op consultatiebureaus, in crèches en kinderdagverblijven, op clubs als bijvoorbeeld scouting, en op scholen niet alleen bij de schoolarts: "het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het onderwijs" wordt in art. 10 van de Wet op de jeugdzorg genoemd als een van de taken van Bureau Jeugdzorg. Helaas, want dat kijken met beschermersogen gaat niet altijd deskundig.
In Trouw van 8 januari 2005 staat een artikel ‘Kind vermoord, wethouder weg’. Hierin komt drs S. van Eijck aan het woord, de regeringscommissaris jeugd- en jongerenbeleid.
Het kabinet is het met hem eens dat het anders moet en is daarom Operatie Jong gestart.
“Er komt een sluitend systeem waarbij kinderen van 0 tot 23 jaar door de overheid goed gevolgd worden, zodat problemen al in een vroeg stadium worden gezien en kunnen worden aangepakt. ‘Al voor een kind geboren wordt, tijdens de zwangerschap van de moeder, moet het consultatiebureau de verslaggeving van de aanstaande baby beginnen. Zijn er achterstanden in het gezin, zijn er oudere broertjes met losse handen, zijn er taalproblemen te verwachten?’ Ieder kind krijgt een elektronisch dossier, waarin de gegevens worden opgeslagen. Het consultatiebureau is daarvoor verantwoordelijk tot een kind vier is en naar school gaat. Dan neemt een Zorg Advies Team (Zat) dit over voor de leeftijd 4 tot 16 jaar. Iedere school krijgt zo’n Zat. Daarin zit, naast een vertrouwenspersoon van school, een maatschappelijk werker, iemand van Bureau Jeugdzorg en de wijkagent. … Een regionaal meld- en coördinatiecentrum moet het voortouw nemen in het volgen van jongeren nadat ze school verlaten. Ook zij hebben dan toegang tot de elektronisch vastgelegde gegevens over een kind. De veelgehoorde opvatting dat in dergelijke dossiers vertrouwelijke gegevens staan die niet gedeeld mogen worden, ‘is lulkoek’, zegt Van Eijck. Hij heeft er met minister Donner (justitie) over gesproken en die verzekerde hem dat vertrouwenspersonen met elkaar informatie mogen delen. … Om te zorgen dat consultatiebureau, school en vervolgens regionaal meldcentrum deze taak goed op zich nemen, moet de bestuurlijke regie van de jeugdzorg bij de gemeente komen. … De plannen van aanpak zijn klaar en overgenomen door de politiek. Voor Van Eijck het moment om zich terug te trekken, zegt hij.”

De bakker wil dat wij veel brood eten, de Raad voor de Kinderbescherming wil veel kinderen beschermen tegen hun ouders. Waar mensen hun geld mee verdienen, dat vinden zij belangrijk en dat willen zij uitbreiden.

Maar als er oud brood verkocht wordt, bestaat de bakkerszaak niet lang. En de Raad? Niemand hoeft tevreden te zijn, er zijn alleen maar gedwongen klanten.

Ouders willen meestal heel gauw een eind maken aan de contacten met de RvdK als ze merken dat die hun kinderen tegen henzelf wil beschermen, maar dan is het vaak te laat.
Want terwijl die ouders denken dat er gewoon een probleem is waar zij advies bij kunnen gebruiken, denken medewerkers van de RvdK of Bureau jeugdzorg vaak dat die ouders gedwongen moeten worden om een bepaalde oplossing te aanvaarden. Ouders zeggen vaak: "Je vraagt hulp, en je krijgt een maatregel (en geen hulp)."

De RvdK heeft in 1999 een tevredenheidsonderzoek onder klanten gedaan. Daaruit bleek ongeveer de helft tevreden. In het jaarbericht 2004 staat: “Op zes vestigingen werd een klanttevredenheidsonderzoek met een nieuwe vragenlijst uitgevoerd. Vijftien vestigingen deden onderzoek naar de tevredenheid van de afnemers van de diensten van de Raad: rechters, officieren van justitie en BJZ.” Wat er uit die onderzoeken is gekomen wordt niet vermeld!

Van alle klanten van de RvdK krijgt ongeveer de helft een ondertoezichtstelling (ots), van de kinderen met een ots wordt weer ongeveer de helft uit huis geplaatst.

Soms vraagt de RvdK bij de ots meteen een uithuisplaatsing (uhp), soms maakt Bjz dat karwei later af. Het komt ook voor, dat ouders alleen weten van een verzoek aan de kinderrechter tot ots, en dat tijdens de zitting er opeens sprake is van uhp. Met name bij wegloopkinderen komt dit voor.

Sinds 1 november 1995 heeft niet langer de kinderrechter de leiding van de ots, maar de gezinsvoogdij-instelling (gvi). Sinds 2005 is gezinsvoogdij een taak van bureau jeugdzorg. AMK, (gezins)voogdij, bureau jeugdzorg, het is allemaal bureau jeugdzorg.
De kinderrechter spreekt de ots uit, en daarna is zijn rol bijna uitgespeeld.

Een tweede belangrijke verandering is, dat een uhp nu onbeperkt verlengd kan worden.
Dit is iets nieuws: een ots in naam, een ontheffing in de praktijk. Want een uit huis geplaatst kind, wat hebben de ouders er nog over te zeggen?
Het enige waar een ouder met ouderlijk gezag nog werkelijk iets over te zeggen heeft bij een uit huis geplaatst kind, is een medische behandeling (en een paspoort). Daarvoor is, tenminste in theorie, zijn toestemming nodig, en als hij die weigert de toestemming van de rechter. Maar om te weten dat er een medische behandeling gepland is of aan de gang is, moet hij de boel wel erg goed in de gaten gehouden hebben. (Zo kon het gebeuren dat een medisch niet geschoold functionaris zei dat het kind vermoedelijk aan ADHD leed en daarom Ritalin zou moeten slikken. Het bleek vervolgens mogelijk voor de gezinsvoogd een arts te vinden die een recept uitschreef zonder diagnose en zonder toestemming van de ouders, die nog gewoon het gezag hadden.) Maar afgezien van toestemming voor medische behandeling staan de ouders van een uit huis geplaatst kind buiten spel. Ze mogen al blij zijn als ze hun kind af en toe mogen ontmoeten zonder dat daar een gezinsvoogd of pleegouder bij zit.

Voor 1995 stond er in de wet: Indien een kind zodanig opgroeit, dat het met de zedelijke of lichamelijke ondergang wordt bedreigd, kan de kinderrechter het onder toezicht stellen.

Sinds 1995 staat er: Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van … (art. 254 lid 1 van boek I van het Burgerlijk Wetboek).

In het Justitie Magazine van december 2003 staat: "Een kind met probleemgedrag kan civielrechtelijk of strafrechtelijk worden ‘aangepakt’. Grof gezegd beschermt het civiele recht de jongere tegen zijn ouders of opvoeders en het strafrecht de maatschappij tegen de jongere. Een civielrechtelijke maatregel wordt, net als een strafrechtelijke, opgelegd door de rechter. Een civielrechtelijke ingreep is in tachtig procent van de gevallen een ondertoezichtstelling, waarbij de ouders wel het ouderlijk gezag houden, maar begeleiding moeten accepteren van een gezinsvoogdij-instelling.
Bij de twintig procent zeer ernstige problemen ontneemt de rechter de ouders het ouderlijk gezag – met een ontzetting of een ontheffing – en gaat dat gezag over naar de voogdij-instelling.
Een civiele maatregel - ondertoezichtstelling, ontheffing of ontzetting - gaat soms gepaard met aanvullende hulpverlening als een uithuisplaatsing in een pleeggezin, een tehuis of een justitiële jeugdinrichting. Omdat het ouderlijk gezag slechts geldt zolang een jongere minderjarig is, eindigt een civiele maatregel per definitie op de dag dat de betrokkene achttien wordt." (pag. 12)
Wij merken meteen even op, dat veel rechters vinden dat u bij de zeer ernstige problemen hoort als u er niet in berust dat uw kind uit huis geplaatst is, als u hem gewoon terug naar huis wilt hebben, of als u ontevreden bent met een behandeling en dat duidelijk maakt. Als Bureau jeugdzorg het verzoekt, ontheffen zij u dan meestal van het ouderlijk gezag.

Het is normaal dat ouders het ouderlijk gezag over hun kinderen hebben. Dat betekent dat zij bepalen wat er met hun kinderen mag gebeuren.

Maar de wet kent dus verschillende kinderbeschermingsmaatregelen:
ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing, ontheffing van het ouderlijk gezag, ontzetting uit het ouderlijk gezag.

Door zo’n kinderbeschermingsmaatregel, uitgesproken door de kinderrechter, wordt bemoeienis van buiten af met de opvoeding van uw kinderen in het leven geroepen.

Deze maatregelen worden hierna uiteengezet. Vooraf enkele opmerkingen over instanties en hoe u zich wat in de wet staat praktisch moet voorstellen.



DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING

De RvdK is dus, anders dan sommige mensen nog denken, geen hulpverleningsinstelling of adviesorgaan voor ouders.
De RvdK heeft tot taak door een uitspraak van de kinderrechter justitieel ingrijpen in gang te zetten door aanstelling van een gezinsvoogd of door verwijdering van uw kind uit uw gezin, indien daar redenen voor zijn volgens de RvdK.



GEZINSVOOGDIJ-INSTELLING / BUREAU JEUGDZORG

Het verzoek tot ondertoezichtstelling (ots) of een andere kinderbeschermingsmaatregel wordt ingediend bij de kinderrechter. Wordt dat verzoek toegewezen (en dat is bijna altijd het geval), dan komt de uitvoering van de ots in handen van een van de 15 provinciale Bureaus jeugdzorg of van een van de 4 landelijk werkende instellingen. Deze organisatie wijst een van haar maatschappelijk werkers aan als contactpersoon, de gezinsvoogd.

Voor het gemak noemen wij de in totaal 19 organisaties hier allemaal Bureau jeugdzorg.
Heeft de kinderrechter eenmaal uitspraak gedaan, dan heeft de RvdK geen bemoeienis meer met de zaak tot het moment waarop Bureau jeugdzorg meent dat een ots of uithuisplaatsing beëindigd kan worden.



SPOEDMAATREGELEN

Hierna worden de maatregelen behandeld in de volgorde onderzoek – ots – uhp, alsof dat opeenvolgende gebeurtenissen zijn. Dat kan, maar in de praktijk wordt een en ander vaak geregisseerd. Een ouder wordt dan opgeroepen voor de kinderrechter, waar hij te horen krijgt dat zijn kind, hangende een onderzoek, onder toezicht wordt gesteld en uit huis geplaatst, terwijl "op dit moment" een raadsmedewerker het kind uit school of uit het ziekenhuis aan het halen is om het naar een geheim adres te brengen. Dat adres kan voorgoed geheim gehouden worden. Wij raden aan al minstens een dag voor de zitting het kind te laten “weglopen” (onderduiken).
Ten eerste kan het kind dan niet plotseling door een wildvreemde naar een onbekend adres gebracht worden (dat kan niet goed zijn voor een kind), ten tweede kunt u tegen de rechter zeggen dat het kind verdwenen is en dat u vreest dat het echt niet tevoorschijn zal komen als er nu een uithuisplaatsing wordt opgelegd. De kans dat de rechter echt naar u luistert, en niet alleen naar de RvdK, is dan groter. Verzoekt u hem in ieder geval de concrete feiten aan u bekend te maken die ots, uhp en de grote spoed nodig maken.

Terwijl de spoedmaatregel plaatsvindt hangende een onderzoek naar de gegrondheid ervan, wordt met dat onderzoek vaak helemaal geen haast gemaakt. Een onderzoeksfase kan vele maanden duren en vaak blijven de onderzoeksresultaten aanvechtbaar.

Een voorlopige ondertoezichtstelling kan met een telefoontje naar de kinderrechter verkregen worden. Het is toch zaak in het oog te houden dat pas tijdens de zitting bij de kinderrechter die daarna gehouden wordt, beslist gaat worden over de vraag of het kind nu wel of niet onder toezicht gesteld wordt. Gaat u naar die zitting met een advocaat want zonder advocaat bent u kansloos, en zorgt u ervoor dat u en uw advocaat het dossier over uw kind grondig bestudeerd hebben. Vraag naar concrete feiten die de ondertoezichtstelling nodig zouden maken!


SEKSUEEL MISBRUIK
Wij horen te vaak, dat ouders vermoeden dat hun kind seksueel is misbruikt en alarm slaan door contact met een ziekenhuis, een vertrouwensarts of Bjz en dat het resultaat is dat het kind uit huis gehaald wordt, zelfs zonder dat zij ooit van hun leven gehoord hebben van een voorlopige ondertoezichtstelling. Als het nog meer tegen zit worden zij zelf als verdachte beschouwd. Als vervolgens komt vast te staan dat die verdenking ongegrond is, betekent dat nog niet onmiddellijk dat het kind terug komt. Er is tenslotte tijd geweest om andere bedreigingen voor het kind te “vinden”.
Wij zijn geneigd te zeggen: zoek geen enkel contact met een instantie. Als u een vermoeden hebt wie de dader is, neem dan het zekere voor het onzekere en houd uw kind bij hem uit de buurt, maar doe verder niets. Uw eerste verantwoordelijkheid is ten slotte uw eigen kind.


OM ALLE INSTANTIES TE KUNNEN VERMIJDEN
moet u eens overwegen als u de enig overgebleven ouder bent door overlijden van de andere ouder, of het mogelijk is dat u gezamenlijk gezag aanvraagt met iemand anders. Als u dan overlijdt, en tenslotte kan iedereen een dodelijk ongeval krijgen, is er nog iemand die gezag heeft over het kind en komt er geen instantie aan te pas. Overeenkomstig artikel 1:253t moet er een gezamenlijk verzoek daartoe bij de rechtbank worden ingediend. De ander hoeft helemaal niet uw partner te zijn. Het gaat om een ander dan de ouder, van hetzelfde of van verschillend geslacht, die niet in een familierechtelijke betrekking tot het kind hoeft te staan, maar wel in een nauwe persoonlijke betrekking. Een familierechtelijke betrekking mag wel. Het kan bijvoorbeeld uw broer of zus en dus de oom of tante van het kind zijn. De wetgever stelt in dit wetsartikel geen enkele eis aan de aard van de relatie tussen de ouder en de ander dan de ouder. Wel of niet met elkaar gehuwd, wel of niet met elkaar geregistreerd, wel of niet een samenlevingscontract met elkaar, wel of niet feitelijk met elkaar samenlevend: het maakt allemaal niets uit. De enige eis die wordt gesteld, is dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de ander dan de ouder enerzijds en het kind anderzijds.




1. ONDERTOEZICHTSTELLING (OTS)

AANLEIDING

Een ots wordt in werking gezet doordat iemand aangifte tegen u doet bij Bjz of AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, onderdeel van Bjz) van verwaarlozing of mishandeling van uw kind. De term mishandeling is wel om even bij stil te staan.
Op de werkconferentie ‘Tien jaar Kinderrechten in Nederland’ op 4 november 2005 is duidelijk geworden dat het begrip kindermishandeling zo ver mogelijk wordt opgerekt.
Prof. dr. M.R. Bruning, bijzonder hoogleraar in Leiden en medewerker van Bjz Noord-Holland, heeft voor de conferentie het volgende geschreven: “De definitie van kinder-mishandeling is tegenwoordig zeer ruim geformuleerd. Baartman (2005) geeft aan dat er een tendens is om elke situatie die zorgelijk is aan te duiden als kindermishandeling. …
In de Wet op de Jeugdzorg is de definitie van kindermishandeling: “elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.”
Indien ouders zelf vragen om jeugdzorg en zij daarbij de intentie hebben in het belang van hun kind te handelen, zal van deze definitie meestal geen sprake zijn. Als het echter gaat om ouders die door derden worden overtuigd van de noodzaak tot (gedwongen) jeugdzorg in het belang van hun kind, terwijl zij hier zelf eigenlijk geen heil in zien, zal de definitie vaak kunnen opgaan, bijvoorbeeld bij ouders die pedagogisch onmachtig zijn hun kind te verzorgen en op te voeden en daarmee het kind aan emotionele verwaarlozing blootstellen.
Met deze ruime definitie van kindermishandeling valt de stelling te verdedigen dat elke vorm van gedwongen hulpverlening aan gezinnen waarbij ouders duidelijk aangeven geen hulp te accepteren ondanks de geuite zorgen over hun kind, een vorm van kindermishandeling betreft. Alleen in jeugdbeschermingszaken waarbij ouders akkoord gaan met gedwongen hulp ten behoeve van hun kind (…) zou dan geen sprake zijn van kindermishandeling volgens bovenstaande definitie. Hiermee wil ik aangeven dat het begrip kindermishandeling vanwege de in de huidige praktijk ruim gehanteerde definities (in feite) onlosmakelijk verbonden is met jeugdzorg en jeugdbescherming en dat in een groot deel van de gezinnen die te maken krijgen met jeugdzorg en jeugdbescherming op grond van deze definities sprake is van enige vorm van kindermishandeling.”

De aangifte, melding genoemd (de geuite zorgen), wordt gedaan door buren, familie, de school, het ziekenhuis waar u heen was gegaan voor een gezondheidsprobleem van uw kind, buren, familie of noem maar op.

Het is ook heel goed mogelijk dat de melding bij de RvdK gedaan wordt door een Bureau Jeugdzorg waar u zelf had aangeklopt om hulp of advies. In het Jaarbericht 2002 van de RvdK staat: "Gevolgen van de Wet op de Jeugdzorg. Nieuwe beschermingszaken worden steeds vaker door BJZ en AMK in behandeling genomen, zodat de Raad zijn ‘intakefunctie’ in 2002 verder heeft kunnen afbouwen. Daardoor heeft de Raad logischerwijze meer meldingen van BJZ en AMK ontvangen. Dat aandeel steeg van 42% van het totaal aantal beschermingszaken in 2001, naar 52% in 2002." En in het Jaarbericht 2003 over de Wet op de jeugdzorg:
"De belangrijkste verandering die de wet voor de Raad met zich meebrengt, is de overdracht van de intake van cliënten aan BJZ. Vooruitlopend daarop kwamen in 2003 al meer meldingen dan voorheen via BJZ bij de Raad binnen. Dat geldt ook voor het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling." Blijkens een schema is de lijn: 2001 42%,2002 52%, 2003 56% van de raadsonderzoeken aangemeld door Bureau jeugdzorg. In 2004 is dat 67%.

De RvdK beslist al dan niet een "onderzoek" naar uw gezin in te stellen. Komt er een onderzoek, dan stelt een raadsonderzoeker (met meestal de opleiding tot maatschappelijk werker) daarover een rapport op dat met u wordt besproken. U hebt recht op een kopie ruim voor de zitting. U mag verweer voeren, maar daaraan wordt geen betekenis toegekend. Alleen op het niveau van spelfouten en geboortedata e.d. tellen uw bezwaren. Uw bezwaren worden genoteerd, maar hoogstens aan het rapport toegevoegd. De RvdK schrijft hierover zelf (Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming pag. 75):
"De cliënten krijgen het rapport ter inzage aangeboden en hun reactie wordt toegevoegd aan het rapport." Indien de RvdK vindt dat daar voldoende reden voor is, vordert de RvdK door een verzoekschrift bij de kinderrechter een ots.



BETEKENIS VAN DE OTS

Door zo’n kinderbeschermingsmaatregel gaat de staat zich met de opvoeding bemoeien. Wat moet iemand zich daarbij voorstellen?

Zolang het alleen een ondertoezichtstelling is: weinig. Het Ministerie van Justitie geeft een blad uit, Justitie Magazine.
Een voorloper hiervan, de Justitiekrant, van 28 april 2000 bevatte een artikel ‘Kinderen bescherm je niet vanachter je bureau vandaan’. Daarin stond: "Gezinsvoogden hebben gemiddeld 24 kinderen onder zich, waardoor zij per maand gemiddeld een à anderhalf uur kunnen besteden aan direct contact met deze kinderen en hun ouders. … Doordat de gezinsvoogd in veel gevallen te weinig tijd heeft om zijn of haar werk goed te doen, escaleert de situatie binnen veel gezinnen met als gevolg dat kinderen vaker uit huis geplaatst moeten worden." En een stukje verderop over ouders
"Die mensen zijn al bij de rechter geweest die hen heeft verteld dat ze gefaald hebben."

Krasse taal. Kinderrechters maken er geen gewoonte van ouders te vertellen dat ze gefaald hebben, maar door de maatregel van ondertoezichtstelling op te leggen zeggen ze dat eigenlijk wel. Als een gezinsvoogd iedere maand een uurtje met het gezin praat hindert dat natuurlijk niet. Misschien hebben de gezinsleden er zelfs iets aan. Maar omdat wij weten dat de helft van alle onder toezicht gestelde kinderen uit huis geplaatst wordt, dus naar een kindertehuis of een pleeggezin gaat, is ons advies toch altijd: probeer er zo gauw mogelijk vanaf te komen. Aan advies en steun is altijd wel op een andere manier te komen.

De vordering van de RvdK tot ots betekent dus, dat de RvdK vordert dat er een z.g. gezinsvoogd wordt aangesteld.
Dat is een maatschappelijk werker die regelmatig rapportageformulieren invult (een zogenaamd hulpverleningsplan, voortgangsrapportages e.d.) en die de ouders zegt hoe zij hun kind moeten opvoeden.
Sommige ouders zeggen hier baat bij te hebben.

Ongeveer in de helft van de gevallen betekent een ots dus dat uw kind vervolgens uit huis wordt geplaatst.



FUIKWERKING

Vaak is het de ouder zelf die bij instanties (politie, Bureau jeugdzorg, vertrouwensarts, ziekenhuis) aanklopt om hulp en daarmee een raadsonderzoek over zich afroept, uitmondend in een ots.

Aanleiding kan zijn:

· U vraagt de politie om hulp in verband met overlast van uw ex-partner of omdat u meent dat uw kind slachtoffer is van een meer of minder ernstig misdrijf.

· Uw kind wordt in het ziekenhuis opgenomen en daar treft u iemand die van mening is dat u de medische narigheid zelf hebt veroorzaakt (shaken baby syndrome, Münchhausen by Proxy, mishandeling in het algemeen).

· U ervaart problemen met de opvoeding en laat u verwijzen naar een opvoedings-consulent van de gemeente, die dit doormeldt aan Bureau jeugdzorg.

Op de school van uw kind houdt de GGD spreekuur voor opvoedingsproblemen. U gaat erheen, wordt doorverwezen naar Bureau jeugdzorg, en bent in de fuik gezwommen.

Dit verschijnsel staat bekend als "de fuikwerking": u vraagt zelf hulp, maar u belandt in een dwangsituatie en raakt uiteindelijk, via allerlei tussenstappen, uw kind kwijt.
Als u werkelijk opvoedingsadvies nodig hebt en er is niemand in uw eigen kring van bekenden bij wie u terecht kunt, neem dan contact op met een vrijgevestigd psycholoog of pedagoog (aanvullende verzekering bij de nieuwe basisverzekering). Als het om "instanties" gaat: begin er niet aan als u beslist uw naam en adres moet opgeven.



ONDERZOEK

De techniek van het raadsonderzoek bestaat hierin, dat de raadsonderzoeker het vertrouwen van de ouders probeert te winnen. De wet voorziet niet in de verplichting van de onderzoeker u te waarschuwen dat u mag zwijgen en dat alles wat u zegt tegen u gebruikt kan worden.
Op de politie rust volgens de strafwet wel zo’n verplichting. In de Wegwijzer Onderzoeks-model Raad voor de Kinderbescherming staat op pag. 19: "Vanaf 2002 zullen alle raads-medewerkers gaan werken volgens een landelijk gestructureerd model: het Onderzoeksmodel. … De informatie wordt betrokken uit meerdere bronnen (de melder, de intake, de cliënten, de samenwerking tijdens het onderzoek, betrokken derden, deskundigen), zodat er een veelzijdig, intersubjectief beeld kan worden gevormd." U ziet de adder onder het gras: uw samenwerking tijdens het onderzoek geeft informatie. Als u niet uw hele ziel en zaligheid op tafel legt, heeft u vast iets te verbergen. Toch raden wij u aan uitermate voorzichtig te zijn.

Laat u niet verleiden tot uitweidingen over uw eigen (vroegere of huidige) problemen of uw huwelijksproblemen, ook al ervaart u in de onderzoeksfase de belangstelling van de raadsonderzoeker misschien als weldadig. Laat u ook niet tegen de andere ouder uitspelen met de vraag om een aantal positieve eigenschappen van uw (ex-)partner te noemen.
De volgende vraag is de negatieve eigenschappen van uw (ex-)partner te noemen. In de rapportagefase keert alles zich tegen u. De raadsonderzoeker zal fijntjes opmerken dat hij er alleen maar is voor het belang van uw kind, en aan uw belang of uw gestelde vertrouwen geen boodschap heeft. Als u zich laat afschilderen als iemand met problemen, ontstaat al gauw het beeld van iemand die wel niet geschikt zal zijn om kinderen op te voeden.



DE ZITTING EN DE UITSPRAAK

Als het rapport klaar is, dient de RvdK in de helft van de gevallen een verzoekschrift bij de kinderrechter in en volgt de zitting. De ouders worden daarvoor opgeroepen en het kind als het minstens 12 jaar oud is. Op die zitting zijn ook aanwezig een vertegenwoordiger van de RvdK (niet de opsteller zelf van het rapport) en iemand van een Bjz. Wij adviseren u er bij het begin van de zitting op te staan dat de vertegenwoordiger van Bjz de zaal verlaat. (Bespreek dit van te voren met uw advocaat.) Dat zal enige opschudding geven en enige discussie, maar als u/uw advocaat er werkelijk op staat, zal het gebeuren. Zittingen bij de kinderrechter zijn (helaas) zittingen achter gesloten deuren, u bent partij en de RvdK is de verzoekende partij, verder heeft dus niemand er iets te zoeken.
Het nut van deze actie is, dat u hebt benadrukt dat deze zitting geen formaliteit behoort te zijn, maar dat de rechter op deze zitting er achter moet zien te komen of er werkelijk reden is voor een ots. De RvdK vindt van wel, u vindt van niet: de rechter moet rechtspreken!

Bij de vaststelling of uw kind in zijn belangen wordt bedreigd, verlaat de rechter zich bijna altijd geheel en al op het rapport. Raadsmedewerkers zijn beëdigd, maar dat schijnt als voornaamste effect te hebben dat zij voor de rechter geloofwaardiger zijn dan u bent.

Dit maakt de zittingen bij veel kinderrechters tot showprocessen.



PERIODE

De periode van ots is maximaal een jaar. Na afloop van de periode kan de maatregel telkens weer voor maximaal een jaar worden verlengd.



HULP EN STEUN

Het "toezicht" wordt dus uitgeoefend door een maatschappelijk werker van Bureau jeugdzorg, gezinsvoogd genaamd. De wet eist dat aan de ouder hulp en steun geboden wordt, er op gericht om de ouder de verantwoordelijkheid zo veel mogelijk te doen behouden. Dit is een dode letter. Zelfs als u schriftelijk vraagt om steun waardoor u een betere opvoeder zou worden, zal het vaak niet gebeuren.

De instanties zijn van mening, dat ots’en altijd zeer problematische gezinssituaties betreffen (‘multi-problem-gezinnen’). Wij weten wel beter. Iemand kan met een ots te maken krijgen doordat zijn puber-kind na een hevig conflict wegloopt, doordat de hulp die hij vraagt alleen gegeven wordt als er een ots is, doordat hij hulp wil beëindigen. Dan wordt namelijk soms "de hulpvraag veilig gesteld". Door een ots wordt de ouder dan gedwongen een zinloze of slechte behandeling voort te laten duren.

Als ouders uit elkaar gegaan zijn en er omgangsproblemen zijn, is er in principe een mogelijkheid een zogenaamde omgangs-ots aan te vragen. Er zijn rechters die daar niet aan beginnen, er zijn er die het wel doen. De omgangs-ots staat niet in de wet, bestaat dus niet.

Eenmaal opgelegd is een omgangs-ots gewoon een ots. Vraagt u aan de rechter de omgang in de doelstellingen van de ots op te nemen. En dan? Misschien komt er een gezinsvoogd die weet dat een ouder moeten missen veel verdriet geeft en schadelijk is voor een kind, en die er dus alles aan doet om te zorgen dat er wel omgang komt. Dan is er nog altijd de kans dat de ouder die de omgang frustreert een klacht indient over de gezinsvoogd (een reden is altijd wel te verzinnen) en er daarna een ander komt. Misschien heeft de ouder die de band met zijn kind wil beschermen nu twee tegenstanders: de andere ouder en de gezinsvoogd. Als het om een schoolgaand kind gaat, worden de twee tegenstanders makkelijk drie tegenstanders: de leerlingbegeleider (mentor, tutor) wordt soms door de gezinsvoogd in het kamp van de omgangsverhinderende ouder gehaald.

Misschien moet u alleen een "omgangs-ots" vragen, als u van mening bent dat er alle reden is voor een "gewone" ots, en dat het misschien zelfs beter is als uw kind niet opgroeit bij de andere ouder (dat uw kind bij u geplaatst zou worden, is bijna onmogelijk).
Denk dus heel goed na voor u eraan begint, en doe het alleen als uw kind eigenlijk niets te verliezen heeft, wat de ots ook voor gevolgen zou hebben.




2. UITHUISPLAATSING (UHP)

De kinderrechter kan Bureau jeugdzorg machtigen uw kind bij u weg te halen en bij een pleeggezin of in een kindertehuis onder te brengen. De wet eist dat dit "noodzakelijk" is:

in het belang van de verzorging en opvoeding
of
tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van het kind (in dit laatste geval maximaal 3 maanden).

Ook bij uhp wordt de wettelijk vereiste "noodzaak" vaak geconstrueerd op grond van aanvechtbare motieven, is dus vaak kletskoek.



DOEL

Nog altijd moet tijdens de uhp het doel van de ots nagestreefd worden: de ouder de verantwoordelijkheid zo veel mogelijk doen behouden, en toewerken naar terugkeer van het kind in zijn eigen gezin.



DUUR

Tot 1995 mocht een uhp in beginsel niet langer duren dan 2 jaar, uitzonderingen daargelaten. Sinds die maximumperiode verlaten is, wordt de uhp vaak gebruikt als een verkapte vorm van ontheffing, geheel in strijd met het wettelijk doel van deze kinderbeschermingsmaatregel.



CONTACT OUDER/KIND

Voor zover noodzakelijk voor het doel van de uhp kan Bureau jeugdzorg de contacten tussen ouder en kind beperken. Bjz heeft niet het recht een door de rechter vastgestelde omgangs-regeling aan te tasten, daarvoor moet Bjz zelf eerst naar de rechter. Maar ‘niet het recht hebben’ en ‘niet doen’ is bij veel Bjz’s absoluut niet hetzelfde. Is het doel van de uhp het onderzoek naar de geestelijke of lichamelijke gesteldheid (maximaal 3 maanden), dan zou men zich in uitzonderlijke situaties de noodzaak van een beperking kunnen voorstellen. In de praktijk ziet men de contacten zeer vaak beperkt tot een bezoek van een uur per twee of drie maanden. Vaak zit daar dan ook nog iemand bij, wij denken om te voorkomen dat u met uw kind over iets anders praat dan over koetjes en kalfjes, terwijl uw kind vol zit met vragen, vooral ‘waarom ben ik hier?’. Als u af en toe mag opbellen is het altijd verstandig er rekening mee te houden dat het gesprek wordt afgeluisterd.



"PERSPECTIEF"

Sinds de wet geen maximumduur meer kent van de uhp, wordt deze dus gebruikt als verkapte vorm van ontheffing uit het ouderlijk gezag. Dat is in strijd met de wet, die voorschrijft dat hulp en steun geboden wordt, erop gericht om de ouder de verantwoordelijkheid zo veel mogelijk te doen behouden. Om dit te verhullen is in de rapportagepraktijk het woord "perspectief" ingevoerd: in het hulpverleningsplan (als dat er is!) leest men dan over een "perspectiefplaatsing", "perspectiefbiedende plaatsing", of, minder stiekem, dat er geen "perspectief" is voor terugkeer naar de ouders (nota bene veelal "terugplaatsing" genoemd).

Indien dit zich voordoet, dient u hiertegen krachtig stelling te nemen.



3. ONTHEFFING/ONTZETTING

Bij ontheffing en ontzetting raken ouders het ouderlijk gezag kwijt. Het gezag gaat dan naar een voogd, meestal naar een voogdij-instelling. Het verschil tussen ontheffing en ontzetting is, dat er bij ontzetting eigenlijk gezegd wordt tegen de ouders: schaamt u zich niet, en ook wel: u belemmert de uithuisplaatsing en als u dat nu nog blijft doen, zult u zich schuldig maken aan een strafbaar feit, namelijk onttrekking aan het gezag, dat nu immers niet meer bij u berust (art. 279 Wetboek van Strafrecht).
Artikel 1:269 van het Burgerlijk Wetboek zegt dat de rechtbank een ouder van het gezag kan ontzetten op grond van o.a.
grove verwaarlozing,
onherroepelijke veroordeling wegens onfrisse zaken, en
“het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogdij-instelling of belemmering van een uithuisplaatsing…” en bovendien op grond van
“het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.” Allemaal prettig bij elkaar in één wetsartikel.
Klinkklare onzin is in ieder geval het volgende: “De jeugdzorg biedt hulp bij opvoedings-problemen. Is de situatie zeer ernstig dan kan de kinderrechter een kinderbeschermings-maatregel treffen. … Als een ouder niet in staat is om zijn kind op te voeden, dan kan de rechter hem uit het ouderlijk gezag ontheffen. … Dat is ook zo bij de maatregel ontzetting uit het gezag. Hiertoe gaat de rechter over als dat in het belang van het kind is en als de ouders zich verwijtbaar misdragen tegenover hun kind.”
Dit fraais is te lezen op pag. 22 van een op 4 november 2005 uitgekomen boekje “Kinderrechten en ouders”, uitgegeven door Defence for Children International Nederland.
Behalve het verwijt dat aan ontzetting kleeft en niet aan ontheffing, is ontheffing en ontzetting hetzelfde: de ouders raken het ouderlijk gezag kwijt.

Overigens maakt op grond van een recente uitspraak van de Hoge Raad ook een ouder die nog gewoon het ouderlijk gezag heeft zich schuldig aan een strafbaar feit als hij zijn uit een instelling weggelopen kind binnen laat en hem niet terugbrengt.
In Perspectief van november 2005 staat hierover: “De strafkamer van de Hoge Raad heeft op 23 augustus 2005 (LJN-nr. AT5802) een uitspraak van het Hof Den Haag in stand gehouden waarin een vader veroordeeld werd wegens het tegenwerken van Bureau Jeugdzorg bij de uitvoering van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing van zijn eigen zoon. De vader bood zijn zoon herhaaldelijk onderdak als deze wegliep uit het tehuis waar hij verbleef. De uitspraak biedt perspectieven voor Bureaus Jeugdzorg als ouders een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing tegenwerken.
… Hij loopt weg uit dit tehuis en wordt opgevangen door zijn vader, die de gezinsvoogd belt om aan te geven dat zijn zoon bij hem verblijft. … vraagt deze de vader herhaaldelijk zijn zoon terug te brengen. Dit weigert de vader, ook als hij van Bureau Jeugdzorg een schriftelijke aanwijzing krijgt. Pas ruim drie weken later brengt hij zijn zoon uiteindelijk terug. De jongen loopt nog diezelfde avond opnieuw weg, en weer vangt de vader hem op. Voor de gezinsvoogd is de maat nu vol. Er volgt aangifte bij de politie omdat de vader zijn zoon heeft onttrokken aan het toezicht van de gezinsvoogd en dit een strafbaar feit zou opleveren. … De vader wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaar, plus een taakstraf van veertig uur. … De Hoge Raad oordeelt dat wel degelijk sprake is van onttrekking aan het toezicht dat werd uitgeoefend door Bureau Jeugdzorg. Als diegene die het gezag over een minderjarig kind uitoefent dit kind in strijd met een rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing onderdak verleent, levert dit een strafbaar feit op. De Hoge Raad bekrachtigt hiermee de uitspraak van het Hof. … Het is dan wel belangrijk dat de gezinsvoogd de met gezag beklede ouders eerst een schriftelijke aanwijzing geeft.”
Wij zouden ons naar huis terug gekomen kind zeker niet weer wegbrengen, behalve als dit in goed overleg met het kind zou kunnen: ik breng je nu weg, jij komt morgen weer naar huis, dat kunnen we samen heel lang volhouden; eens kijken wie de langste adem heeft.

Wij hebben een aantal malen vermoed dat ouders ontheven werden omdat ze "lastig" waren. De kinderen waren namelijk uit huis geplaatst en de ouders bleven maar zeggen dat ze veel meer contact met hun kinderen wilden.

Als een ouder "ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen" kan de rechter hem dus "van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen" (art. 266). In principe kan dit alleen met instemming van de ouder. Maar ontheffingen omdat ouders zich niet neerleggen bij een uithuisplaatsing maar zich bij iedere verlenging verzetten, zijn aan de orde van de dag. Dat heten ontheffingen op grond van art. 268 lid 2 onder a.

Wij hebben een keer meegemaakt dat een grootmoeder onderdook met haar kleinzoontje omdat het kind, dat al een aantal jaren bij haar woonde, overgeplaatst zou worden naar een instelling. Zij werd veroordeeld op grond van art. 279 Wetboek van Strafrecht (onttrekking aan het gezag), maar zonder strafoplegging.

In stukken van de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1992-1993, 23 003, nr. 3 (MvT), p. 18) is het volgende te lezen: “De Nederlandse Vereniging voor Rechtsspraak wijst op een werkafspraak tussen kinderrechters die ertoe leidt, dat ten aanzien van kinderen tussen nul en zes jaar aan ouders binnen een half jaar tot een jaar nadat het kind uit huis geplaatst is, een kans tot terugplaatsing wordt geboden. Slaagt deze poging niet, dan dient … juridisch duidelijk te zijn dat de ouders in beginsel hun verzorgende taak niet meer op zich zullen nemen. Deze werkafspraak is gebaseerd op de beleidslijn dat, hoe jonger het kind is, des te eerder duidelijk moet zijn wie langdurig voor het kind als verzorgende ouder zal functioneren, dit vooral in verband met de gewenste wederzijdse hechting van kinderen en verzorgers.”

Dit betekent dus dat een kind onder de zes dat al een jaar uit huis geplaatst is, in principe niet meer terugkomt. Bjz en de RvdK zullen er misschien alles aan doen om u in de rapportage “ongeschikt” of “onmachtig” tot de verzorging te verklaren. Probeer voor papieren te zorgen die aantonen dat het onzin is.

UW ADVOCAAT

U hebt geen advocaat nodig voor een contact met de kinderrechter; u moet er maar over denken of dat in uw geval verstandig is. Advocatenhulp is bepaald niet gratis, maar volgens ons bijna onmisbaar om kans te maken serieus genomen te worden door de rechter.

Misschien komt u in aanmerking voor een "toevoeging", dan betaalt u veel minder. In 2005 ligt de grens hiervoor bij een netto maandinkomen van € 1.518 (alleenstaanden) of € 2.135 (gehuwden, samenwonenden of eenoudergezinnen).
Er is een vermogensvrijstelling van € 7.300 resp. € 10.500. Het bezit van een eigen huis kan een lelijke spaak in het wiel steken: de grens ligt bij € 65.344. U moet dus in principe als u meer verdient, meer vermogen hebt of een huis met een hogere waarde, gewoon zelf betalen (zie www.justitie.nl ). U kunt de brochures ‘U wilt rechtsbijstand’ en ‘Verklaring omtrent inkomen en vermogen’ aanvragen bij tel. 0800 8051 (maandag t/m vrijdag van 9 tot 21 uur), of bij vragen@postbus51.nl en bij voorlichting@minjus.nl
In reactie op een brief van KOG van 19 oktober 2004 (“kosteloze rechtsbijstand ter beschikking stellen in elke zaak waarin het gaat om ots of onvrijwillige uithuisplaatsing”) heeft het Ministerie van Justitie op 3 januari 2005 geschreven “Voor kinderbeschermings-zaken is het normale systeem van rechtsbijstand van toepassing.” Ja, dat wisten we, maar dat wilden we juist anders.

Als u net teveel verdient voor een toevoeging, is er een mogelijkheid dat u gebruik kunt maken van Rechtshulp op Maat. Kijk op www.advocatenorde.nl. U kunt daar kantoren vinden die hun tarief aanpassen aan de draagkracht van hun cliënt.

Sommige kantoren houden een eerste gesprek gratis of tegen een zeer beperkt tarief. Als u opbelt voor een afspraak, vraag daar dan gerust naar. De bijstand van uw advocaat kan in dit soort kwesties duizenden gaan kosten. Vraag hem een schatting te maken, en zeg desnoods dat u op zoekt wilt gaan naar een goedkopere advocaat. Dat is niet gek: iedereen weet dat geld verdiend moet worden om het uit te kunnen geven. Vraag hem regelmatig, bijvoorbeeld maandelijks, een rekening te sturen. En wat u nooit moet doen: uw advocaat als praatpaal gebruiken. Veel mensen bellen (voor zij de eerste rekening ontvangen hebben!) hun advocaat bijna dagelijks. Er is behoefte aan contact en steun. Doe het niet. Al die minuten telefoon bij elkaar worden honderden euro’s op de rekening.



Neem een rechtsbijstandsverzekering!!

Een verzekering dekt nooit kosten die gemaakt worden i.v.m. problemen die al "lopen".
Toch is het goed mogelijk dat als uw kind een ots heeft maar er nog geen sprake is van uithuisplaatsing, de advocatenkosten die u later moet maken i.v.m. een uhp, wel vergoed worden. Vergelijk offertes van verschillende maatschappijen en informeer hier desnoods expliciet naar. Informeer er ook naar, of de kosten van uw "eigen" advocaat tot een bepaald maximum vergoed worden, of dat u aangewezen zult zijn op een advocaat die voor de verzekering werkt.

De keuze van uw advocaat zal o.a. bepaald worden door uw financiële mogelijkheden. Wij weten zeker, dat duurder niet automatisch beter betekent. ‘Alle waar naar zijn geld’ gaat op dit terrein zeker niet op. Verder is misschien de beste manier om een advocaat te vinden die zich voor uw zaak zal willen en kunnen inspannen: informeren bij bekenden.
"De wachtkamer van de dokter" is soms een uitstekende inlichtingenbron.
Kinderbescherming is een terrein waar een advocaat toevallig in thuis moet zijn, dat hem veel tijd kost, en waar hij beslist niet rijk en beroemd mee zal worden.

Niet alle advocaten weten wat er in de beschermingswereld omgaat, niet alle advocaten geloven uw verhalen, niet alle advocaten hebben er zin in. Als u het gevoel krijgt dat u niet serieus genomen wordt, zoek dan een ander. Hoe? We weten het zelf niet.
Informeer bij vrienden en bekenden, dat is eigenlijk het enige advies dat we geven kunnen, en kijk op www.advocatenorde.nl en op www.alleadvocaten.nl



PRAAT OVER UW PROBLEEM

En dat brengt ons op het volgende: een advocaat nodig hebben, en nog wel omdat je strijd moet leveren om je kind, vervult de meeste mensen in het begin met schaamte. Al weet u 100% zeker dat het allemaal onzin is, dat u gewoon een goede ouder bent en dat de overheid geen enkele reden heeft om haar neus in uw gezin te steken: mensen schamen zich.

Praat er over! Buren en familie komen er toch wel achter, en dan is het beter als ze het van uzelf horen. Vertel meteen hoe de vork in de steel zit, gesteld dat u daar zelf achter bent gekomen. Heeft bijvoorbeeld de school een melding gedaan bij Bureau jeugdzorg?

Vertel het dan aan zoveel mogelijk ouders die een kind op die school hebben. Dan zijn zij gewaarschuwd, en misschien hoort u dat de school nogal vaak een melding doet. Werk samen met de ouders van die kinderen. Profiteer van hun ervaringen. Kijk of de school op grond van hetzelfde verhaal gemeld heeft: samen sta je sterker.
En erover praten vermindert de schaamte.

Als uw kind uit huis geplaatst wordt zijn er mensen die u niet meer willen kennen. Die hebben kennelijk zo’n groot vertrouwen in "instanties", dat ze nu maar aannemen dat ze zich geweldig in u vergist hebben. Als uw kind weggelopen is en vervolgens uit huis geplaatst, is sociaal isolement niet een te groot woord voor de toestand waarin u terecht kunt komen.

Weliswaar staat er in de kranten af en toe een verslag van een kwestie waarbij de onzinnigheid van de getroffen maatregelen eraf druipt, veel mensen denken toch dat dat heel uitzonderlijke gevallen zijn, en verdenken u nu van allerlei kwalijks. Attendeert u ze maar op deze website!

Als mensen de moeite nemen zich te organiseren in de hoop een maatschappelijke verandering teweeg te brengen, als mensen de moeite nemen en hun vrije tijd opofferen om bijvoorbeeld deze website te maken terwijl er toch heel veel leuke dingen te doen zijn in de wereld, dan is er iets mis. Vat wat er mis is, bent u en is uw kind het slachtoffer geworden.

Wij vermoeden dat de meeste ouders van wie de kinderen een ondertoezichtstelling hebben wel gewoon voor hun kinderen kunnen zorgen zonder dat zij gedwongen zijn bepaalde hulp te accepteren. Nederland heeft van heel West-Europa de meeste gedwongen hulp, want dat is een ots dus. Waarschijnlijk zegt dat niet veel over de Nederlandse ouders, maar meer over de Nederlandse jeugdzorg.

Het kan twee dingen betekenen, en ook nog die twee dingen samen:

· de Nederlandse overheid heeft meer last van regelzucht dan de overheid in andere Europese landen

· de Nederlandse jeugdzorg is zo slecht dat veel ouders na een poosje zeggen: hier heb ik niks aan, wij stoppen ermee; de hulpverlener vraagt dan een ots aan of laat een ots aanvragen, en dan zijn zij daarna gedwongen die slechte "hulp" te accepteren.



DE RECHTER

De rechter in het jeugd- en familierecht zal u waarschijnlijk tegenvallen. We kennen de rechter voornamelijk van de televisie, waar in misdaadfilms geen geslepen liegende boef of advocaat hem weet te misleiden.
Helaas, in kinderbeschermingszaken zijn rechters soms helemaal niet op zoek naar de waarheid, want zij menen dat die waarheid al door de RvdK voor hen op papier is gezet.
Zij zouden alle rapporten die zij voorgelegd krijgen moeten toetsen, maar doen dat niet.
In het rapport staan volgens hen de feiten, en zij zijn verplicht u te horen dus zij doen dat, maar dat betekent niet dat u hen aan die "waarheid" kunt doen twijfelen.
Zo is het niet altijd, maar wel vaak.


WRAKING

Als u vindt dat de rechter het te bont maakt, dus als u duidelijk meent te merken dat hij bevooroordeeld is, kunt u verzoeken een andere rechter de zaak te laten behandelen. U zegt op het moment dat het u te bar wordt: "Ik wil u wraken, ik zal de president van deze rechtbank verzoeken de zaak door een andere rechter te laten behandelen."
Let wel: dit kan tijdens de zitting mondeling gebeuren, of na de zitting schriftelijk. Zie erop toe dat de griffier het opschrijft, zie er ook op toe dat daarna de zitting echt stopt. Als de rechter door wil gaan alsof hij doof is, moet u erop wijzen dat u hem hebt gewraakt, zeggen dat u wilt dat de griffier het noteert, en de zaal verlaten. Als u met een advocaat werkt moet u deze mogelijkheid van te voren met hem bespreken. Veel advocaten zijn hier absoluut niet toe bereid. (Dat is een van de redenen waarom het de voorkeur verdient te werken met een advocaat uit een ander arrondissement. Die hoeft niet te denken: morgen sta ik weer met deze rechter.) Aan de president van de rechtbank schrijft u vervolgens een brief waarin u zo letterlijk mogelijk weergeeft wat de rechter zei waardoor u aan zijn onpartijdigheid ging twijfelen. Vervolgens wordt u opgeroepen voor de wrakingszitting, die alleen gaat over de vraag of er voldoende aanleiding is om een andere rechter de zaak te laten behandelen. Als alles loopt zoals u had gehoopt, wordt de zaak daarna inderdaad behandeld door een andere rechter dan de gewraakte rechter.



Als u op een zitting verschijnt, probeer dan een goede indruk te maken. Zie er keurig uit, wees kalm en beheerst.
Een moeder mag in tranen uitbarsten, een vader mag alleen maar bezorgd zijn. Word in geen geval driftig, maak de raadsmedewerker of degeen die een melding bij RvdK of Bureau Jeugdzorg heeft gedaan niet uit voor het een of ander. U bent een geschrokken en bezorgde ouder, u bent niet een dolle stier die iemand nog wel eens zal krijgen.
Dus nogmaals: wees kalm. Let ook op uw taalgebruik. Er zijn rechters die het erger vinden als iemand zegt: dat is gelogen, of dat is een leugen, of vuile leugenaar, dan het feit dat er gelogen wordt. Zeg liever iets als: volgens mij is dat anders, en wel … .

Val niemand in de rede. Antwoord zo zakelijk en kort mogelijk. Veel vragen zijn te beantwoorden met simpel ja of nee. Doe dat dan ook. Wees in geen geval sarcastisch of humoristisch. Dat geeft maar misverstanden. "Hebt u uw dochtertje aangerand?" "Ja hoor, en de hele voetbalclub ook." U bedoelt nee? Zeg dan gewoon nee: niemand kwaad gemaakt, en misverstand uitgesloten.

Rechters blijken op de zitting soms zaken te weten die ze eigenlijk niet kunnen weten en die ze niet behoren te weten.
Wij weten niet hoe dat werkt, maar wij hebben het wel een aantal malen gehoord.
Bent u al eens veroordeeld?
Zorg ervoor dat uw advocaat dat weet. Er is namelijk een kans, dat de rechter er opeens mee op de proppen komt.
U bent wegens mishandeling toen en toen veroordeeld. Niets zo erg als een advocaat die dat voor het eerst hoort, dus met de mond vol tanden staat en misschien ook wel aan uw zaak begint te twijfelen. Laat dat dus niet gebeuren, vertel hem alles van te voren.



WIE IS WAARVOOR VERANTWOORDELIJK?

Al dan niet op aangeven van Bureau jeugdzorg (AMK), krijgt een ouder te maken met de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, die aan de RECHTER ondertoezichtstelling (al dan niet met uithuisplaatsing) verzoekt, die een GEZINSVOOGDIJ-INSTELLING / BUREAU JEUGDZORG belast met de uitvoering van de ots, die een contactpersoon aanwijst die meestal de GEZINSVOOGD genoemd wordt.

Bewaar elk snippertje papier over uw kind; geef nooit iemand een origineel maar werk altijd met kopieën; neem een map waarin u alles op volgorde opbergt.

Denk tien keer na voor u zelf contact zoekt met Bureau jeugdzorg.

U en de andere ouder van het kind zijn uit elkaar, en u vindt dat uw kind niet goed verzorgd wordt. U ziet zelf geen kans daar verandering in te brengen. Is het echt verschrikkelijk met uw kind? Dan moet u het misschien doen, maar anders wordt het vermoedelijk alleen maar slechter. De verzorgende ouder komt er achter dat u contact hebt opgenomen met AMK / Bjz, en zal misschien niet meer willen dat het kind u nog ziet. Is dat beter voor uw kind?
Of de RvdK verzoekt de rechter om een ots met uhp. Is dat beter voor uw kind? U hoeft er echt niet op te rekenen dat het kind bij u geplaatst wordt: het gaat hoogstwaarschijnlijk naar een pleeggezin of een tehuis, en wordt als het tegenzit een aantal malen overgeplaatst. Het is heel goed mogelijk dat contacten met de familie verbroken worden voor zover ze niet door de rechter vastgesteld zijn (en zelfs dan), of teruggebracht tot een uur in de maand. Is dat beter voor het kind? Dan moet het wel heel erg met hem gesteld zijn. Maar soms is dat inderdaad het geval.

Sinds 1995 kan de KINDERRECHTER zich niet meer bemoeien met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, maar beperkt hij zich tot de rechtsprekende taak, d.w.z. dat hij de ots uitspreekt, verlengt, en opheft op uw verzoek en/of op verzoek van de minderjarige die minstens 12 jaar oud is.
Hij spreekt de ondertoezichtstelling uit "op verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de Raad voor de Kinderbescherming, dan wel op vordering van het openbaar ministerie." (art. 1:254, 2 BW)
Binnen de ots gaat hij dus alleen nog over uithuisplaatsing en daarna over verlenging en (op uw verzoek) opheffing daarvan, en over omgang van het kind.

Ook kan hij (schriftelijke) beslissingen van Bureau jeugdzorg, de zogenaamde aanwijzingen, op verzoek van een ouder met ouderlijk gezag of op verzoek van een kind van minstens 12 jaar toetsen en eventueel vernietigen.
Dit toetsen van de schriftelijke beslissing (de ‘aanwijzing’) kunt u zelf verzoeken in een brief aan de kinderrechter. U hebt dus geen procureur (dus geen advocaat) nodig. Of dat verstandig is, en of dat in uw geval verstandig is, moet u zelf beoordelen. Helaas worden er heel weinig aanwijzingen gegeven, zodat er voor de rechter ook niet veel te toetsen valt.
Een interessante uitspraak in dit verband is de uitspraak van de Hoge Raad van 26 september 2003, te vinden o.a. in Rechtspraak van de Week 2003, 150.
”Noch de wet van 26 april 1995 tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen (Stb. 1995, 255), noch de geschiedenis van haar totstandkoming biedt een aanknopingspunt voor de opvatting dat de kinderrechter – en in appèl het hof – het belang van het kind niet zelfstandig zou moeten beoordelen en dit belang niet ten volle bij zijn beslissing in aanmerking zou moeten nemen. Voor die opvatting is te minder aanleiding, nu de kinderrechter en de rechter in appèl dienen uit te gaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van hun beslissing en dan ook in voorkomend geval rekening moeten houden met omstandigheden die zich na de beslissing van de GVI hebben voorgedaan, terwijl zij ook omtrent nieuwe ontwikkelingen inlichtingen kunnen winnen (een en ander ook conform rechtspraak van het EHRM).”
Deze uitspraak van de Hoge Raad wordt besproken in het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht FJR van december 2003.



DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING

"De beslissing van de kinderrechter om een maatregel van ondertoezichtstelling uit te spreken, komt niet zomaar uit de lucht vallen. In vrijwel alle gevallen gaat aan deze rechterlijke beslissing een onderzoek vooraf van de Raad voor de Kinderbescherming.
Het raadsonderzoek heeft tot doel de opvoedingssituatie in kaart te brengen. Dit houdt in dat zoveel mogelijk relevante informatie wordt verzameld die inzicht kan geven in de omstandigheden van het kind, de ouders en (de omgeving van) het gezin. Op basis van de vergaarde informatie kan de Raad besluiten om de rechter te verzoeken een ondertoezichtstelling uit te spreken. Dit gebeurt alleen als de Raad tot de slotsom is gekomen dat aan de formele gronden voor de maatregel wordt voldaan – dat wil zeggen dat de lichamelijke of geestelijke ontwikkeling van het kind wordt bedreigd – en dat vrijwillige hulpverlening niet (meer) tot de mogelijkheden behoort.

Ter bescherming van de cliënten en om het onderzoek zorgvuldig te laten verlopen, bestaan er tal van voorschriften en richtlijnen die de raadsonderzoeker in acht moet nemen. Schending van deze regels kan aanleiding geven tot klachten en kan tot gevolg hebben dat de onderzoeker ter verantwoording wordt geroepen."
Dit is overgenomen uit ‘Het raadsonderzoek; voorportaal van de ondertoezichtstelling’ (Ton Veldkamp), hoofdstuk 2 van ‘De gezinsvoogdij in theorie en praktijk’.

Dit is de theorie dus, de praktijk is vaak anders. Op één punt na: de klachten. Dat klopt met de praktijk. Iemand kan klagen en zelfs gelijk krijgen, maar dat verandert niets. Als de regels geschonden zijn en u klaagt, kan dat hoogstens "tot gevolg hebben dat de onderzoeker ter verantwoording wordt geroepen". U moet niet verwachten dat de RvdK een rapport terughaalt, of probeert een maatregel terug te draaien. Wij raden u overigens wel aan te proberen de RvdK, desnoods via een kort geding, te dwingen het rapport te veranderen als het een kwestie betreft die de moeite waard is. Het is niet genoeg dat u een excuusbrief krijgt met daarin een verbeterde formulering van een passage uit het rapport.
Wij hebben een keer meegemaakt dat een zeer vasthoudende ouder zo’n excuusbrief had ontvangen, maar de RvdK had dus niet een nieuw rapport gemaakt. En wat gebeurt er op de zitting? Deze ouder wappert met de excuusbrief en leest voor wat daarin staat en de jurist die namens de RvdK de zitting bijwoont zegt glashard dat die excuusbrief wel geschreven is, maar dat de directeur dat nooit had mogen doen omdat deze ouder enzovoort enzovoort.
(Je reinste muiterij dus. De ouder heeft hierover een klacht ingediend, maar deze is door de directeur ongegrond verklaard! Deze ouder had er toen genoeg van en is niet meer naar de klachtencommissie gegaan.) Blijf dus ook na een excuusbrief aandringen op een nieuw rapport en verzending van dat rapport aan iedereen aan wie het oorspronkelijke rapport verstuurd was; span desnoods een kort geding aan.

Op andere punten is er soms een groot verschil tussen de theorie hierboven en de praktijk.
Het komt voor dat er niets aan de hand is, of dat de ouders willen meewerken aan vrijwillige hulp aan het gezin, en dat er toch een ots wordt gerekwestreerd (=aan de rechter gevraagd) en uitgesproken.

Het komt niet vaak voor dat de RvdK een ots verzoekt en de rechter die niet oplegt. Dat heeft twee oorzaken.

De eerste oorzaak is, dat er soms sprake is van een onzakelijke verhouding tussen kinderrechter en raadsmedewerkers.
Dan zijn het goede kennissen, en neemt de rechter min of meer blindelings aan dat de ander gelijk heeft.
Een van ons heeft in het kader van een rechtenstudie een dag zittingen bijgewoond en toen meegemaakt dat rechter en raadsmedewerksters op jij- en jou-voet stonden, elkaar voor een zitting verslag deden van een nieuwe kapper,
en tussen neus en lippen door afspraken dat er voor twee kinderen uit een gezin een ots zou worden opgelegd,
hoewel de RvdK die maar voor één kind had gevraagd. "Maar dan moet je wel vandaag een verzoekschrift sturen hoor!"

Helemaal in die lijn is wat kinderrechter Quik-Schuijt zegt in een artikel in het meinummer 1999 van Trema:
"Als kinderrechter pleeg ik regelmatig overleg met de Raad voor de Kinderbescherming en de Gezinsvoogdij-instellingen. We hebben eens in de maand een zogenaamd tripartite-overleg, zonder notulen en zonder agenda.
Twee keer per jaar hebben we een grote vergadering. Daar bespreken we altijd een bepaald beleidspunt."



Hier sluit ook bij aan wat te lezen is in ‘De gezinsvoogdij in theorie en praktijk’ op pag. 19: "In sommige arrondissementen is het gebruikelijk dat al voor de zitting (en dus de beslissing) van de kinderrechter een kennismakingsbezoek of zelfs al een ‘overdracht’ van de zaak aan de gezinsvoogdij-instelling plaatsvindt", als de RvdK een verzoek tot ots in heeft gediend.

Een en ander verklaart misschien hoe het kan dat kinderen een dag voor de zitting opgehaald worden voor een uithuisplaatsing, en dat een raadsonderzoekster voor de zitting tegen een kind zegt: "Jij wordt uit huis geplaatst".

De tweede oorzaak is, dat raadsrapporten niet objectief zijn. Ze dwingen de rechter a.h.w. een bepaald advies te volgen, door aan te dikken wat dat advies steunt, en weg te laten wat dat advies niet steunt. Door een karikatuur van de werkelijkheid te tekenen, maakt de raads-medewerker het bijna onmogelijk dat de rechter het niet met hem eens is.

"Het enige kwaad dat een goede journalist kan verrichten is het vertellen van de halve, dus ongecompliceerde en meer spectaculaire waarheid, en dat is … al kwaad genoeg." (Anil Ramdas in NRC van 9 augustus 2003) Vervang ‘journalist’ door ‘raadsonderzoeker’ en u hebt precies wat de raadsmedewerker doet. Jammer, dat die in het individuele geval zoveel meer macht heeft dan de journalist ooit. In de interne opleiding voor raadsonderzoekers wordt geleerd om op deze manier te rapporteren: "De conclusies zijn leidraad bij het schrijven van het rapport. De conclusie (ook wel: Raadsvisie) wordt aan het eind van het rapport vermeld. Voordat de Raadsonderzoeker echter begint met schrijven, weet hij al wat zijn conclusies zullen zijn. Dat is ook het belangrijkste gedeelte: hoe nu verder? De Raadsonderzoeker moet het rapport toeschrijven naar deze Raadsvisie. Alle zijpaden, andere overwegingen, losse einden, en mogelijke alternatieve verklaringen worden in het rapport vermeden. Met dit rapport neemt de Raad voor de Kinderbescherming stelling. Het moet in een rit – zonder zijsporen en wissels – duidelijk zijn waarom die stelling wordt ingenomen.
Hoe meer zijpaden, hoe vager en onduidelijker het rapport, en des te meer afbreuk er aan de stellingname, de visie van de Raad wordt gedaan." (Interne opleiding, hoofdstuk VI, fase 6: Rapportage).
Wij zijn van mening dat dit manipuleren is. En is er niet een spreekwoord: ‘de halve waarheid is een leugen’?

Toen in 1999 het bovenstaande stukje van de interne opleiding naar buiten gebracht werd in het eerste deel van Kinderbescherming en valkuilen (de eerste versie van deze tekst dus, in boekvorm), was de RvdK woedend, "zeer verontwaardigd", zoals Trouw schreef op 9 oktober 1999. In hetzelfde Trouw-artikeltje ‘Kinderbescherming boos om publicatie’ kreeg Truus Barendse de gelegenheid te reageren: "T. Barendse noemt Hooymans’ opstelling ‘onprofessioneel’. Hooymans is verontwaardigd, waar geschoktheid en bezorgdheid meer op hun plaats zouden zijn. Onze kritiek is niet bedoeld om wie dan ook naar het schavot te leiden, maar om het functioneren van de Raad te verbeteren." De brief die de toenmalige algemeen directeur van de RvdK schreef en de reactie daarop van de schrijvers van de eerste druk, is verderop te vinden.

Dit materiaal voor de interne opleiding is gebruikt tot de invoering in 2002 van de Wegwijzer Onderzoeksmodel. Dit lijkt een verbetering, maar is waarschijnlijk dezelfde oude wijn in nieuwe zakken:

"De gegevens worden zo geordend, dat zij een consistent geheel vormen" (Onderzoeksmodel pag. 79) klinkt eleganter dan "De Raadsonderzoeker moet het rapport toeschrijven naar deze Raadsvisie" uit het oude opleidingsmateriaal, maar wij zien inhoudelijk geen verschil.

In het Jaarbericht 2002 van de RvdK staat over raadsmedewerkers: "Verder maken zij deel uit van netwerken en preventieprojecten, waarin onder andere scholen, (huis)artsen, politie, Bureau Slachtofferhulp, blijf-van-mijn-lijf-huizen, BJZ en het AMK participeren."

U ziet, het gevaar loert overal. Bezweer het waar dat mogelijk is.
En voor wie dat interessant vindt: blijkens het Jaarbericht 2004 beschikte de RvdK voor 2004 over een budget van € 123.000.000 (€ 117.000 000 in 2003).



WIE WEET HOE DE RAAD DENKT EN WERKT, KAN DAAR REKENING MEE HOUDEN

1) Misschien is het verstandig niemand binnen te laten, behalve politie met een huiszoekingsbevel. Dat betekent niet dat u iets te verbergen hebt, dat betekent dat u uw privacy beschermt. Iemand die veel moeite doet om bij u binnen te komen heeft waarschijnlijk niet veel goeds in de zin. Misschien is het een gelegenheid om u met uw kind samen te zien. Want alleen als je mensen samen gezien hebt, kun je in een rapport zetten dat je het door deze waarneming waarschijnlijk acht dat de ouder het kind (geestelijk) mishandelt. Als u toch een raadsmedewerker in uw huis laat (waarom zou je?) laat dan iemand anders uw kind even ophalen bij de tramhalte.

2) Kijk op www.kinderbescherming.nl in Normen 2000. Dit rapport, dat door de minister van Justitie is vastgesteld (wederom herziene versie 1 september 2004) beschrijft de beleidsregels voor de werkwijze van de Raad.

3) Als de RvdK u oproept voor een gesprek, begin dan maar met die oproep in de kast te leggen: u bent niet verplicht te reageren. Maar neem contact op met ons, en zoek een advocaat, liefst iemand die bereid is aanwezig te zijn bij alle gesprekken. Misschien hoort u nooit meer iets, maar waarschijnlijker is dat u een nieuwe oproep krijgt. U hoeft dan geen tijd meer te verdoen met het zoeken van de juiste advocaat.

4) Vraag het dossier van uw kind op bij de RvdK, verstuur dit verzoek aangetekend met ontvangstbevestiging, of per fax en bovendien per gewone post, of per koerier die u meldt hoe laat hij de brief aan wie heeft afgegeven, of u brengt de brief zelf weg en vraagt aan de balie een bewijs van afgifte.

Schrijf bijvoorbeeld:

Eigen naam
adres

Aan de directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Locatie Amsterdam (of wat het zijn moet)
Postbus …..
Postcode ….. Amsterdam

Uw woonplaats, datum

Betreft: naam van uw kind

Geachte Heer/Mevrouw,

Met beroep op het Normenrapport, artikel 811 Rv en de wet openbaarheid van bestuur verzoek ik u mij binnen de daarvoor geldende termijn kopie te zenden van het dossier betreffende naam van uw kind.
Ik wil het volledige dossier ontvangen, inclusief "professionele werkaantekeningen" en contactjournaal.

Hoogachtend,



5) Schrijf een briefje (aangetekend enzovoort, zie punt 4), dat u eerst het dossier wilt lezen en dan het gesprek voeren. Dan weet u namelijk waardoor de RvdK belangstelling voor uw gezin gekregen heeft.

6) Vraag een gesprek met degeen die een melding over uw kind gedaan heeft.

Soms is er een misverstand dat u direct kunt ophelderen. Bijvoorbeeld: uw kindje was niet mishandeld, maar het oogje was recht gezet en daardoor was de omgeving van het oog bont en blauw. Als het zo simpel ligt, wil de melder waarschijnlijk wel een briefje schrijven aan de Raad waarin hij een en ander rechtzet.

Als de school erbij betrokken is, vraag dan een gesprek met de leerkracht in aanwezigheid van de directeur. Sta erop, dat de leraar schriftelijk alles terugneemt wat hij niet met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord heeft. Dwing hem tot een neutrale beschrijving van dat wat hij werkelijk weet. Veronderstellingen, bijvoorbeeld op grond van taalachterstand, hoeft u niet te accepteren. Als hij dit niet wil, schakelt u de inspectie in. De directeur is waarschijnlijk gevoelig voor uw dreigement andere ouders in te lichten. Doe uw kinderen eventueel op een andere school zodra u de verklaring in handen hebt.
Licht het schoolbestuur in; als het een openbare school is, is dat de gemeente. Vraag het schooldossier van uw kind op. Lees op deze website de brief van het College Bescherming Persoonsgegevens over het schooldossier.

Als de melding van een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling komt, is het moeilijker want bij AMK’s kan men anoniem melden. Als er over lichamelijke beschadigingen van uw kind gesproken wordt, is er een dokter aan te pas gekomen. Eis de naam van die dokter en neem contact met hem op. Is wat hij geconstateerd heeft goed weergegeven in de melding? Het blijkt namelijk mogelijk dat de betrokken arts niet gezien heeft wat er van zijn verklaring gemaakt is door een maatschappelijk werker. Als hij dat inderdaad niet gezien had, vraag dan een kopie van wat hij wel op papier heeft gezet. Misschien kunt u de verwondingen die hij geconstateerd heeft verklaren.

Vraag een verklaring over de gezondheidstoestand van uw kind aan uw huisarts.
Schrijf hem als u die verklaring hebt, dat u het niet goed vindt als hij zonder overleg met u inlichtingen geeft aan welke instantie dan ook. (Mondelinge inlichtingen vindt u nooit goed, u gaat uitsluitend akkoord met vooraf door u geziene schriftelijke antwoorden op schriftelijke vragen.)

Schrijf ook aan alle instanties waar uw kind mee te maken heeft gehad, zoals het consultatiebureau, een ziekenhuis, een RIAGG, de schoolarts, de tandarts, een fysiotherapeut.

Overigens is er een gloednieuw artikel in het Burgerlijk Wetboek, en wel artikel 240: “Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan de raad voor de kinderbescherming inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van de raad.”
Maar dit gaat dus uitsluitend over de RvdK, niet over bijvoorbeeld een gezinsvoogd.

7) Beperkt het contact met de RvdK zoveel mogelijk. Als u geen contact hebt met de RvdK, doet u ook geen uitspraken waarvan u later denkt als u ze leest in het rapport: maar zo heb ik het niet bedoeld!

8) In het eerste gesprek geeft de raadsonderzoeker u een folder over de gang van zaken en een folder over de klachtenregeling. Vraag ernaar als dat niet gebeurt. Vertel dat u op internet het Normenrapport hebt gelezen.

9) Als u van uw kant een vraag stelt, wordt daar soms overheen gepraat; herhaal de vraag tot u antwoord hebt gekregen.

10) Als uw advocaat niet met u mee kan gaan, neem dan een vertrouwenspersoon mee.
Dat geldt voor elk gesprek. Dat is geen gunst, dat is een recht en dat hoeft u niet van te voren te vragen.

Soms krijgen mensen een briefje: bij het gesprek zal die en die aanwezig zijn. Als dat geen raadsmedewerker is, maar bijvoorbeeld een stagiaire of een medewerkster van een meisjescentrum, kunt u zeggen dat u dat niet goed vindt. Voer het gesprek dan niet tot de persoon in kwestie vertrokken is!

Als Nederlands niet uw moedertaal is, hebt u behalve recht op de aanwezigheid van uw vertrouwenspersoon recht op een tolk. De RvdK moet daar voor zorgen. Vraag aan de raadsmedewerker, of de aanwezige inderdaad beëdigd tolk is. Let erop dat hij niets anders doet dan vertalen, want het kan zijn dat u een "tolk" treft die de neiging heeft de leiding over te nemen of commentaar te leveren. Als iemand helemaal geen Nederlands spreekt en de vertrouwenspersoon ook niet, (is er echt niemand anders te vinden?) is het toch mogelijk te controleren of hij inderdaad alleen maar vertaalt: wat gezegd is en de vertaling moeten ongeveer even lang zijn. Als u denkt dat de tolk niet echt vertaalt, zeg dan dat u het gesprek een andere keer wilt voeren met een andere tolk.

11) Vraag of u het gesprek (elk gesprek!) mag opnemen. Iedereen is zenuwachtig tijdens een gesprek met een raadsmedewerker, en alles precies onthouden is voor bijna iedereen al moeilijk als je niet zenuwachtig bent. De raadsonderzoeker is bovendien niet verplicht aantekeningen te maken!
Als opnemen niet mag, kunt u het beste verder contact met deze medewerker weigeren. Als u dat te bar is, spreek dan met de raadsmedewerker af dat uw vertrouwenspersoon een gespreksverslag maakt en dat de medewerker dat voor akkoord tekent dan wel zijn aanpassingen voorstelt. Dat voorkomt nietes-welles-klachtprocedures. Als ook dit geweigerd wordt, vraag dan onder opgave van deze redenen aan de directeur om een andere onderzoeker. Weiger alle verdere contact met de eerste onderzoeker. Maak wel goed duidelijk waarom dat is, want "Aan de wijze waarop de samenwerking tot stand komt, ontleent de raadsonderzoeker veel informatie." (Wegwijzer Onderzoeksmodel Raad voor de Kinderbescherming pag. 77).

De rechter zal geen bandje aannemen, maar de uitgetikte tekst kan hij niet weigeren als de tegenpartij die ook ontvangen heeft.
U kunt erbij vertellen dat u de bandopname hebt van het gesprek dat u hebt uitgetikt.

12) Houd u stipt aan afspraken, en bevestig telefonisch gemaakte afspraken schriftelijk.

13) Laat u geen woorden in de mond leggen. De raadsonderzoeker zegt bijvoorbeeld: "Pubers, je zou ze soms toch door de wringer halen." U antwoordt: "Dat zou je zeker." In een rapport zou dat kunnen worden dat u gezegd hebt dat je pubers soms door de wringer zou halen. Reageer liever door bijvoorbeeld te zeggen: "Nou ja, we zijn ook pubers geweest hè?"

Laat ook niets uit u wringen. Wij hebben meegemaakt dat een moeder van een meisje dat veel spijbelde vertelde, na veel gewroet en getrek van de raadsmedewerkster, dat het kind een keer een lipstick gestolen had en dat zij haar ouders heel ongerust had gemaakt door niet thuis te komen. Toen de vader tenslotte om 2 uur ’s nachts ging kijken op het meest waarschijnlijke adres, zat de hele klas daar in de tuin alsof het gewoon was.
Dit werd in het raadsrapport spijbelen, stelen en zwerven: reden voor plaatsing in een gesloten inrichting.

14) Laat het niet merken als u kwaad wordt. Blijf (uiterlijk) kalm, maar houd wel vast aan de feiten.
Zeg rustig: "Daar ga ik niet op in," als u vindt dat de raadsonderzoeker er zaken bijhaalt die niet direct te maken hebben met uw gedrag tegenover de kinderen (bijvoorbeeld het laatste diploma dat u gehaald hebt. Als dit diploma er een is van een pedagogische opleiding, vertel het dan juist wel: sommige raadsonderzoekers denken dat uw inzichten dan meer waard zijn).

15) Attendeer de raadsonderzoeker op informanten van wie u denkt dat ze een verstandig oordeel over uw gezin kunnen hebben. Buren, een sporttrainer, de oude mevrouw voor wie uw zoontje de hond uitlaat. Vraag van tevoren of ze dat goed vinden. Als de onderzoeker weigert met hen te praten, vraag dan waarom, en vraag hem uw verzoek en zijn weigering in het rapport te vermelden.
Als de raadsonderzoeker wel met hen praat, wijs ze er dan zelf op dat ze hun inbreng in het rapport zwart op wit moeten krijgen ter goedkeuring. Laat het niet gebeuren dat het met een telefoontje wordt afgedaan door de RvdK, of zelfs helemaal niet.

16) Wees niet te openhartig. Vertel vooral niet dat u in het verleden slachtoffer bent geweest van wie of wat dan ook. Vaak wordt een raadsonderzoek gehouden in emotionele omstandigheden. Mensen grijpen dan de gelegenheid om hun hart uit te storten. Ze leggen hun hele ziel en zaligheid op tafel en zijn verbaasd als daar volgens de grabbelton-methode voor het rapport alles uitgehaald is wat het waarschijnlijk maakt dat zij geen ideale opvoeders zijn. Wat dan in het rapport staat is misschien allemaal waar, en u hebt het misschien allemaal zelf gezegd, en het kan toch een totaal vertekend beeld van de werkelijkheid geven.

Weiger daarom over het verleden te spreken. Op pag. 29 staat in de Wegwijzer Onderzoeksmodel: "Indien mogelijk maakt de raadsonderzoeker een analyse van de geschiedenis van het kind en de ouders." Zeg tegen de onderzoeker dat het niet om het verleden gaat, maar om het heden en de toekomst. Dat het er niet om gaat of het door uw eigen verleden waarschijnlijk is dat u tekortschiet tegenover uw kinderen, dat het er alleen om gaat of u werkelijk tekortschiet.
Het gaat alleen om uw gedrag tegenover uw kinderen.

Waarom leggen we hier zoveel nadruk op? Raadsonderzoekers leren in hun opleiding de algemeen bekende wijsheden: dat er moeilijkheden zijn in het leven, bijvoorbeeld zwaar en eentonig werk, geldgebrek, schulden, in een achterstandswijk wonen; dat moeilijkheden de draagkracht verkleinen en de draaglast vergroten; dat iemand zich tegenover zijn kinderen waarschijnlijk gedraagt zoals hij zelf als kind behandeld is, dat een mishandeld kind dus grotere kans heeft later zelf een mishandelaar te worden; dat traumatische ervaringen grote gevolgen kunnen hebben voor iemands relatievorming met zijn eigen kinderen; dat een ongewenst kind, een te vroeg geboren kind, een kind dat met een moeilijke bevalling op de wereld is gekomen, een couveusekind, een kind dat een huilbaby was, een kind dat als baby veel ziek is geweest, een gehandicapt kind, kortom elk kind dat niet op de reclame voor luiers lijkt, een grotere kans op mishandeling, verwaarlozing en misbruik loopt dan een kind dat zo op de televisie kan.

Als ouder bent u "verdacht" als u relatieproblemen hebt of als er weinig sociale contacten zijn. Als u veel tijd doorbrengt met chatten, vertel dat dan niet. De conclusie zou wel eens kunnen worden getrokken, dat u weinig "echte" sociale contacten hebt en in de put zit (onderzoek genoemd in NRC-Handelsblad van 18 oktober 2003). Ook kan het voor de RvdK een slecht teken zijn als er sprake is van langdurige of blijvende lichamelijke klachten, want die kunnen ontstaan zijn door traumatisering. En traumatische ervaringen kunnen weer een negatief effect op het opvoeden hebben.
Dit is extra ernstig als bovendien uw kind psychosomatische klachten heeft, of als er sprake is van lage zelfwaardering. Geef ook geen informatie die hoogstwaarschijnlijk verkeerd uitgelegd zal worden. Bedplassen? Nooit van gehoord!

Vertel nooit iets waarvan u niet wilt dat het in het rapport terecht komt. Zelfs als er afgesproken is dat dat niet zal gebeuren, gebeurt het soms toch. Vertel het dan dus niet!
Als u niet van liegen houdt, zeg dan simpelweg "hier wil ik niet op antwoorden", of "ik vind dat deze vraag niets te maken kan hebben met het onderzoek". Weiger informatie over uw financiële situatie; zeg niet hoeveel uw inkomen is en ook niet waar het vandaan komt.
Uit inkomensgegevens worden soms zeer onterechte conclusies getrokken. Zeg eenvoudig dat u niet illegaal aan geld komt en verder alleen dat het genoeg is om van te leven.

Om u een idee te geven van de achterstandswijk (en dus van het beeld dat de raads-onderzoeker niet van u moet krijgen): "Hoe leven kinderen in een achterstandswijk? … Enkele van de veel voorkomende ongezonde leefgewoonten zijn: roken door de ouders, het bezit van (veel) huisdieren, geen dagelijkse douche/badcultuur, eten van het bord op schoot, voor de televisie die toch al de hele dag aan staat. Allochtonen wonen weer anders: veel minder (stoffig) meubilair, geen huisdieren, maar dikwijls wel met veel mensen in een huis. De kleine kinderen gaan laat naar bed en als ze al gaan slapen dan in de woonkamer waar de volwassenen nog bij elkaar zitten … Verdere ongunstige omstandigheden zijn onvolledige gezinnen (veel alleenstaande moeders met een of enkele kinderen, dikwijls van verschillende vaders), gezinnen waarvan vader jaren in de bak zit. Financiële problemen: uitkeringen wegens werkloosheid en arbeidsongeschiktheid (…), schulden doordat mensen meer uitgeven dan ze te besteden hebben, of gokverslaafd zijn, of hun familie in het land van herkomst financieel moeten ondersteunen. Tweede generatie-problematiek onder de allochtonen: jongeren die niet meer uit de voeten kunnen met de normen en waarden van hun ouders, weglopen van huis, op straat rondhangen en daar gemakkelijk met criminele circuits in aanraking komen. Ze blijven van school weg en gooien zo hun eigen glazen in."
(Bij nader toezien, 75 jaar Ondertoezichtstelling, pag. 21/22, 1997)

Als uw situatie het tegendeel is van de achterstandswijk (u hebt een universitaire opleiding, een uitstekende baan en een mooi huis) zult u merken dat dat net zo goed tegen u pleiten kan. U hebt het kind toen het nog niet naar school ging aan een hulp "overgelaten" (de Koningin zou er slecht afkomen bij de RvdK!); uw kind zou gezegd hebben dat het niet zo wil worden als zijn ouders, altijd maar bezig met geld verdienen; er is geen sprake van een normale moeder-dochter-relatie (zonder dat daar een argument voor gegeven wordt).
Kortom, het is niet goed of het deugt niet.



RAADSONDERZOEKERS CONTROLEREN IN HET ALGEMEEN GEEN MEDEDELINGEN OP JUISTHEID; SOMS IS DAT TROUWENS ONMOGELIJK

U kunt ook elk contact met de RvdK weigeren. (Als u die weg volgt, is het toch verstandig het dossier op te vragen.)
U bent niet verplicht de RvdK binnen te laten, u bent ook niet verplicht ermee te praten of uw kind ermee te laten praten. Dan loopt u wel het risico dat de RvdK een voorlopige ots vraagt en krijgt. Tegen een voorlopige ots kunt u niet in beroep, alleen in cassatie.
Gevaarlijk in dit verband is artikel 261 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: "Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie."

Wegwijzer Onderzoeksmodel pag. 77: "Aan de wijze waarop de samenwerking tot stand komt, ontleent de raadsonderzoeker veel informatie."

17) Maak de raadsonderzoeker duidelijk dat u bereid bent tot hulp en begeleiding voor uzelf en de kinderen voor problemen die hij eventueel signaleert, maar vertel niet uit uzelf over vrijwillige hulpverlening waar u niets aan gehad hebt. Dit is van belang, want in art. 1:254 BW staat: "Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening."

18) Zeg als daar aanleiding toe is, dat u tot elke hulp bereid bent, maar dat u het heel erg zou betreuren als uw kind uit huis geplaatst zou worden. Zeg vooral niet iets in de trant van: ‘over mijn lijk’, of ‘dat lukt jullie nooit’. Dan lokt u alleen maar uit dat het kind al voor de zitting wordt opgehaald of op school wordt opgepikt.

Als u de indruk hebt dat de raadsonderzoeker eigenlijk van te voren al weet wat er uit het onderzoek zal komen, wend u dan tot de unitleider. U kunt deze beschouwen als een soort EHBO-post. Als het echt helemaal mis loopt, verzoek de directeur dan schriftelijk de raadsmedewerker te vervangen.

HET RAADSRAPPORT

19) Misschien is de raadsonderzoeker bereid u tussentijds de gelegenheid te geven een deelrapport op feitelijke onjuistheden te controleren en deze te verbeteren. Deze "bouw-stenenmethode" kan helpen te voorkomen dat er conclusies getrokken worden uit onjuiste veronderstellingen. Deze werkwijze staat op gespannen voet met wat de raadsonderzoekers in de interne opleiding leren. Gelukkig bestaan er wel raadsonderzoekers die gewoon hun eigen gezond verstand gebruiken.

20) Voor het eerste gesprek met de raadsonderzoeker hebt u kopie van het volledige dossier opgevraagd. Het is verstandig op te vragen wat er sindsdien is bijgekomen als het conceptrapport klaar is. In ieder geval zijn er bijgekomen een contactjournaal en de zgn. professionele werkaantekeningen.

De RvdK mag niet zomaar gedeelten achterhouden, ook niet om de privacy van een derde te beschermen. Dat mag alleen met toestemming van het Ministerie van Justitie. Als die toestemming er niet is en het dossier toch niet volledig is, wend u dan tot de directeur.

Schrijf bijvoorbeeld (aantekenen enz. zie punt 4):

Uw naam
Adres
Postcode en Woonplaats

Aan de Directeur van de Raad voor de Kinderbescherming, Locatie X
Adres
Postcode en plaats

Betreft: dossier naam kind

Woonplaats, datum

Geachte Heer/Mevrouw,

Met deze brief verzoek ik u mij binnen een week kopie van het VOLLEDIGE dossier betreffende mijn zoon/dochter naam kind te sturen, dan wel kopie van de brief van het Ministerie van Justitie waarin er toestemming gegeven wordt een deel daarvan voor mij achter te houden.

Hoogachtend,



Als dat niet onmiddellijk helpt, neem dan zelf telefonisch contact op met het Ministerie van Justitie.
Krijgt u geen uitzicht op een spoedige oplossing, wend u dan tot de bestuursrechter.
U schrijft een brief aan de arrondissementrechtbank waar uw woonplaats onder valt, sector bestuursrecht. (Aantekenen met ontvangstbevestiging enzovoort, zie punt 4.)
Zet boven de brief: ‘Versnelde behandeling’.

Schrijf bijvoorbeeld:

Uw naam
Adres
Postcode en Woonplaats

VERZOEKSCHRIFT VERSNELDE BEHANDELING

Woonplaats, datum

Aan de bestuursrechter in het arrondissement X
Postbus nummer
Postcode en plaats

Zeer geachte heer / mevrouw,

De Raad voor de Kinderbescherming vestiging ….. wil mij niet kopie van het gehele dossier van mijn kind naam en geboortedatum sturen.
Ik heb recht op dit dossier op grond van het Normenrapport Raad voor de Kinder-bescherming, de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet bescherming persoonsgegevens.
Ik heb er belang bij het gehele dossier te kunnen bestuderen voor de zitting bij de kinderrechter, waar het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming mijn kind naam onder toezicht te stellen / mijn kind naam onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen behandeld zal worden.
Ik zend u hierbij kopie van mijn brief aan de Raad door de Kinderbescherming d.d. ….. en de brief van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. ….. waarin mij delen van het dossier geweigerd worden (of: mijn brief is niet beantwoord).

Ik verzoek u de Raad voor de Kinderbescherming op te dragen mij onmiddellijk kopie van het VOLLEDIGE dossier te zenden.

Tot het volledige dossier behoren ook een contactjournaal en wat de Raad voor de Kinderbescherming noemt "professionele werkaantekeningen". Er bestaan twee soorten documenten: persoonlijke werkaantekeningen en dossierstukken. De Raad voor de Kinderbescherming voegt daar een derde soort aan toe: ‘professionele werkaantekeningen’. Deze aantekeningen worden echter in het team besproken en zijn dus onderdeel van het dossier. Nu de Raad voor de Kinderbescherming weigert deze uit handen te geven, vormen zij een (tijdelijk) schaduwdossier.

Met gevoelens van hoogachting,



Een enkele maal krijgen ouders een conceptrapport en moeten zij dat vlug even lezen. Dat hoeft u niet te accepteren. U hebt er recht op een kopie te krijgen en die thuis rustig te lezen, samen met wie u maar wilt. Neemt u daar maar een week voor. Als u dus een kopie gestuurd krijgt met de mededeling dat de RvdK aanneemt dat u het ermee eens bent als u over drie dagen niets hebt laten horen, schrijft u een briefje (aangetekend met ontvangstbevestiging o.i.d., zie punt 4) dat het niet zo vlug gaat, en dat u op die en die datum uw commentaar zult leveren.

Het rapport lezen is voor de meeste mensen moeilijk. Ze ervaren de hele situatie als bedreigend, herkennen zich niet in het rapport, vinden het tendentieus maar kunnen niet onmiddellijk zien waardoor dat komt. Lees het, leg het weg, lees het op een later tijdstip weer, en herhaal dat. Laat het lezen aan een paar mensen en bespreek het met hen.

Klopt het voorblad? Namen, geboortedata enzovoort.

Zijn alle pagina’s genummerd of zitten er ongenummerde tussen die dus ongemerkt zouden kunnen verdwijnen?

Worden alle informanten duidelijk genoemd?

Controleer bij alle informanten of zij inderdaad gezegd hebben wat er staat. Hebben zij niet nog iets gezegd wat niet in het rapport staat, maar waardoor wat wel in het rapport is opgenomen in een ander licht komt te staan?

Weten de informanten uit eigen waarneming wat zij verklaard hebben?

Zijn alle feitelijke mededelingen juist (dus mededelingen als: heeft drie maal een gebroken sleutelbeen gehad)?

Zijn alle feitelijke mededelingen voldoende duidelijk? Niet voldoende duidelijk is bijvoorbeeld: heeft herhaaldelijk botbreuken gehad. Wel voldoende duidelijk is dan: heeft eenmaal een sleutelbeen gebroken door een val met een bromfiets, heeft eenmaal een pols gebroken op de ijsbaan, heeft eenmaal een been gebroken door een val van de trap thuis.
Dit is belangrijk, want "heeft herhaaldelijk botbreuken gehad" suggereert mishandeling voor wie dat er in wil lezen; door de bromfiets en de ijsbaan apart te vermelden houden we niet meer dan één geval van botbreuk door mogelijke mishandeling over.

Geeft de raadsonderzoeker neutraal de feiten weer, of leest u ook een waardeoordeel?
(Bijv.: om de week bivakkeren de kinderen bij vader.)

Maakt de raadsonderzoeker opmerkingen die niet onjuist zijn, maar die a.h.w. een dubbele inhoud hebben?
(Bijv. "de bezorgdheid van de moeder over de kinderen is oprecht." De bezorgdheid van de vader niet dan?)

Is steeds duidelijk wie er aan het woord is: een informant of de raadsonderzoeker?

Zijn er andere onduidelijkheden in het rapport?

Bent u tevreden over het taalgebruik? "Vader zegt" bijvoorbeeld maakt op de lezer (de rechter) een andere indruk dan "vader beweert".

Maken allerlei kleinigheden samen, juist ook weglatingen, dat het rapport tendentieus is, dus de rechter een bepaalde kant op dwingt?

Zet per pagina uw commentaar op papier. Dring erop aan, dat door u gewijzigde feiten in het rapport zelf veranderd worden en niet alleen als commentaar toegevoegd.

Als u een advocaat hebt, vraag dan eerst zijn mening over wat u naar de RvdK wilt sturen.

De RvdK verandert nu het rapport of voegt alleen uw commentaar toe. Lees het veranderde rapport. Bent u nu echt helemaal tevreden? Zo niet, schrijf dan weer een commentaar en stuur dit ook rechtstreeks aan de rechter met vermelding van de zittingsdag (aantekenen met ontvangstbevestiging enz.)

Als de RvdK uw commentaar alleen heeft toegevoegd, stuur dan dat commentaar voor de zekerheid rechtstreeks aan de rechter met vermelding van de zittingsdag (aantekenen enz.).

21) Als het allemaal niet kan voor de zitting, verzoek dan uitstel.
Of: houd uw kruit droog en vertel op de zitting aan de rechter wat u te melden hebt naar aanleiding van de rapportage. Zie ook onder 24 laatste alinea.

22) Een enkele maal heeft een ouder nog geen rapport ontvangen, laat staan commentaar kunnen geven, en nadert de zittingsdatum. Verzoek uitstel.



PROFESSIONELE WERKAANTEKENINGEN

23) Er bestaan twee soorten documenten: persoonlijke werkaantekeningen en stukken die deel uitmaken van het dossier. Vergelijk wat gebruikelijk is in de gezondheidszorg:
"Het inzagerecht omvat niet persoonlijke werkaantekeningen van de hulpverlener. Daaronder worden verstaan apart opgeborgen, voor anderen niet toegankelijke aantekeningen die de hulpverlener voor persoonlijk gebruik nodig heeft."
(H.J.J. Leenen; Handboek gezondheidsrecht deel I: Rechten van mensen in de gezondheidszorg; 4e dr. 2000, pag. 260)

De RvdK meent daar een derde soort stukken aan toe te kunnen voegen: professionele werkaantekeningen (Wegwijzer Onderzoeksmodel pag. 53). Deze zijn echter wel voor anderen toegankelijk, namelijk voor het multidisciplinaire team. Sta erop dat men u ook kopie van dit schaduwdossier verstrekt. Dat zal niet meevallen. U kunt zich tot de bestuursrechter wenden, zie de brief bij nummer 20.



DE GROTE VERDWIJNTRUC

24) Zoals er stukken zijn die u niet mag zien van de RvdK, zo zijn er soms ook stukken die de RvdK zelf liever niet wil zien. Wij hebben enkele jaren geleden meegemaakt dat een moeder in haar onervarenheid op aanraden van een kleuterjuf een beroep deed op de RvdK. Zij wilde niet dat het kind onbegeleid contact had met zijn vader omdat de kleuter tekeningen maakte met enorme geslachtsdelen en de vader blootfoto’s van hem maakte. Zij liet de foto’s zien, de raadsmedewerker kopieerde deze. Wat men daar ook van mag denken, wat er daarna gebeurde was in ieder geval wonderlijk: na enige tijd bleken de foto’s uit het dossier verdwenen zonder daarin een spoor te hebben achtergelaten. Toen zij hierop attendeerde kreeg zij te horen dat die aan haar terug gestuurd waren. Zij vertelt ons dat zij ze nooit ontvangen heeft.
Controleer af en toe de inhoud van het dossier, dus niet alleen om te zien wat er bijgekomen is, ook om te zien of er niets verdwenen is. Soms kost het moeite een stuk in het dossier te krijgen, bijvoorbeeld een verklaring van een psychiater dat hij behandeling of medicatie niet meer nodig vindt. De raadsmedewerker zegt dan dat het niet relevant is en weigert het aan te nemen. Stuur het in dat geval per post en controleer later of het wel in het dossier zit.

”Doek/Vlaardingerbroek geven duidelijk weer dat het inzagerecht op stukken van de raad voor de kinderbescherming in drie regelingen is vervat, namelijk het Normenrapport II van de raad voor de kinderbescherming zelf; de regeling van artikel 811 Rv; en de regeling die de Wet op de jeugdhulpverlening geeft. …
Het Normenrapport II regelt het recht op inzage van stukken tijdens het begin en de voorbereiding van de verzoekschriftprocedure. Dit betekent feitelijk dat betrokkenen op dit inzagerecht een beroep kunnen doen tijdens het lopende onderzoek van de maatschappelijk werker. De regeling van artikel 811 Rv waarborgt de inzage van stukken tijdens de rechterlijke procedure, maar de ouders en de oudere minderjarige behoeven uitsluitend een beroep op artikel 811 Rv te doen indien de raad voor de Kinderbescherming hen stukken heeft onthouden in een eerdere fase. De regeling die de Wet op de jeugdhulpverlening geeft, geldt ten slotte pas nadat de rechter de maatregel heeft uitgesproken.” (Proefschrift van B. van den Berg; Deskundigheid in het geding; 1999 ISBN 90 5454 107 5, pag. 78/79)

De volgende passage uit dit proefschrift (pag. 222) geeft te denken: “Indien de raad voor de kinderbescherming in eerste ots-zaken door het protest van de ouders tijdens het RvdK-onderzoek vermoedt dat de rechter geen genoegen zal nemen met alleen een RvdK-rapport, is de RvdK-onderzoeker volgens een geïnterviewde rechter vaker geneigd een externe deskundige in de zaak te betrekken voordat het verzoekschrift wordt ingediend. Een dergelijk extern deskundigenonderzoek drukt niet op het budget van de rechtbank, maar via de raad voor de kinderbescherming rechtstreeks op het budget van het Ministerie van Justitie. Vervolgens vindt de rechter in het dossier een extern deskundigenrapport van een goed bekend staande deskundige. Uit de interviews blijkt dat de rechter dan vaker, in weerwil van het protest van verweerder, het RvdK- en extern deskundigenrapport zal volgen.”
Misschien een zwaar argument om zolang het verzoekschrift van de RvdK tot ots en/of uithuisplaatsing nog niet de deur uit is, dus zolang de gesprekken nog aan de gang zijn, maar min of meer te doen of u “achterlijk” bent, niet te hevig te protesteren?!
Dat zou dus betekenen: houd al uw kruit droog voor de rechter.

KLACHTEN

In het "Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming" van 24 juni 1996 staat in artikel 2:

· Een ieder, die als belanghebbende of als informant betrokken is bij een bij de raad voor de kinderbescherming in behandeling zijnde of geweest zijnde aangelegenheid kan zich bij de directeur beklagen over gedragingen jegens hem in die aangelegenheid van een medewerker in het desbetreffende ressort.

· …

· Indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de raad een verzoek of een advies tot de rechter heeft gericht en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing heeft genomen, stelt de directeur de rechter onverwijld in kennis van het indienen van de klacht.

Het is verstandig als u zelf de rechter inlicht over de inhoud van uw klacht en de uitkomst van de klachtprocedure. Als uw kind uit huis is geplaatst kunt u maar beter geen klacht indienen kort voor een zitting over verlenging van de uhp. Anders wordt de zitting uitgesteld tot de uitspraak op de klacht, en ondertussen duurt de uhp voort.

25) U kunt niet klagen over het advies aan de rechter, dus over de conclusie van het rapport, behalve als deze conclusie niet aansluit bij wat eraan voorafgaat.

U kunt wel klagen over de manier waarop het rapport tot stand gekomen is. Als er bijvoorbeeld geen enkele informant die u hebt aangedragen is gehoord, zou dat tot een eenzijdig, partijdig, rapport kunnen leiden. Als er verregaande conclusies getrokken zijn door de raadsmedewerker uit wat de kinderen hebben gezegd, gaat deze zijn competentie te buiten, doet hij dus uitspraken waar hij niet voor opgeleid is. Als u hier dus ontevreden over bent (of de manier waarop u behandeld bent: bijv. niet verstrekken gehele dossier, partijdigheid, niet nakomen van afspraken), kunt u klagen. Dat moet u eerst schriftelijk doen bij de directeur. Vraag hem geen verzoekschrift (voor een ots of een uithuisplaatsing) naar de rechter te sturen voor uw klacht behandeld is, eventueel ook door de externe commissie. (Want dat dat niet mag op grond van het Besluit klachtbehandeling, wil nog niet zeggen dat men zich daar altijd aan houdt.)
Neem als u meer dan een klachtpunt hebt, voor ieder punt een apart vel, schrijf dus desnoods 12 brieven (in 1 envelop).
Nummer de klachten/brieven.

26) U krijgt soms een aanbod voor een bemiddelingsgesprek. Het is niet nuttig daar tijd aan te besteden.

Schrijf bijvoorbeeld:

Uw naam
Adres
Postcode en woonplaats

Aan de directeur van de RvdK locatie ….
Postbus ….
Postcode en plaats

Betreft: uw brief d.d. …..

Woonplaats, datum

Geachte heer/mevrouw,

Uw brief d.d. …. heb ik in goede orde ontvangen. Hierin wordt mij een bemiddelingsgesprek aangeboden. Ik wil hier echter niet op ingaan.

Hoogachtend,



27) De directeur nodigt u uit voor een gesprek en daarna spreekt hij met de raadsonderzoeker.
Van het gesprek met u ontvangt u een verslag. Lees dat nauwkeurig en aarzel niet wijzigingen te vragen. Als u overigens van mening bent dat u uw klacht helder op papier hebt gezet en dat er niets aan toe is te voegen, schrijft u dan een briefje dat u er geen behoefte aan hebt gehoord te worden.
Zie het briefje hierboven.

Schrijf na de eerste zin:

Hierin nodigt u mij uit om mij te horen over mijn klacht. Ik wil hier echter geen gebruik van maken. Ik verwacht uw schriftelijke uitspraak over mijn schriftelijke klacht.

Hoogachtend,

Vraag, ook als u zelf niet in gesprek gaat, het verslag van het gesprek met de medewerker.

De directeur stuurt u een brief waarin hij u gelijk geeft, gedeeltelijk gelijk geeft, of helemaal geen gelijk geeft. Ook als u gelijk hebt gekregen en zelfs een brief met excuses hebt ontvangen van de directeur, moet u niet verbaasd zijn als de raadsvertegenwoordiger op de zitting toch weer dat beweert waar de klacht over ging, eventueel zelfs met de opmerking dat de directeur de excuusbrief niet had mogen schrijven. Zorg ervoor dat u de excuusbrief bij u hebt tijdens de zitting. Beter is het ervoor te zorgen dat deze excuusbrief de rechter bereikt voor de zitting. Nog beter is het erop aan te dringen dat er een nieuw rapport komt, dat gestuurd wordt aan de instantie die het eerdere rapport had ontvangen. Span daar desnoods een kort geding voor aan.

28) Als u nog niet tevreden bent, kunt u een schriftelijke klacht indienen bij de externe klachtencommissie. Die houdt een zitting waarop u en de RvdK allebei gehoord worden. Het is verstandig daar heen te gaan. Schrijf een briefje dat u naar de zitting zult komen en verzoek om openbaarheid van de zitting. In de praktijk zijn deze zittingen niet openbaar, maar de wet verbiedt openbaarheid niet. Na de zitting krijgt u een schriftelijke beslissing. Stelt u zich daar vooral niet te veel van voor. En zelfs als uw klacht gegrond wordt verklaard zal de RvdK daar waarschijnlijk zijn koers niet door laten beïnvloeden. Zorg ervoor dat de gegrondverklaring de rechter bereikt voor de zitting.

29) Na de externe klachtencommissie is er nog de Nationale Ombudsman, en er is altijd de bestuursrechter die u kunt verzoeken de Raad voor de Kinderbescherming te bevelen u kopie van stukken te verstrekken.

30) De laatste jaren gaan er stemmen op die zeggen dat klagen alleen maar energieverspilling is, en dat het nuttiger is aangifte te doen bij de politie als de beëdigde raadsonderzoeker iets in zijn rapport zet en weigert het te veranderen, terwijl hij weet dat het niet waar is. Laat u niet wijsmaken dat dat niet kan.
Als de politie toch weigert uw aangifte op te nemen, doet u aangifte per fax en per gewone post. U kunt bij weigering ook aangifte doen bij de burgemeester.



DE ZITTING

31) Als er geen sprake is van uhp, alleen van een ots, en u bent het er niet mee eens, zeg dat dan op de zitting. Houd dat vol. Sommige rechters gaan eindeloos door om u maar te laten zeggen dat u het ermee eens bent en er het nut van inziet. Soms geeft de rechter een heel verkeerde voorstelling van de ots: zou het niet fijn zijn als u iemand had die een knutselclubje kon helpen zoeken (Truus Barendse heeft dit letterlijk gehoord!).
De rechter heeft de tijd? U hebt ook de tijd. Als u het er niet mee eens bent, bent u het er niet mee eens. Tenslotte kan er narigheid van komen, zoals een gezinsvoogdij-instelling die op een later tijdstip toch nog uhp verzoekt. Weiger doodgewoon uw instemming. Het is voorgekomen dat een rechter om die reden de ots niet uitsprak. De ots wordt uitgesproken voor maximaal een jaar, maar kan steeds met maximaal een jaar verlengd worden tot het kind meerderjarig is. Ook kan de ots tussentijds opgeheven worden.
Art. 256 lid 4 zegt: "De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat. Hij kan dit doen op verzoek van de gezinsvoogdijinstelling, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder."
Wij hebben meegemaakt dat een gvi verlenging vroeg, hoewel de met het gezag belaste ouder schriftelijk had meegedeeld verder elk contact met de gvi te weigeren, en het kind van 16 jaar dat ook had geschreven. De ots werd niet verlengd.

32) Veel mensen vinden dat een ouder er verstandig aan doet zijn kind dat jonger is dan 12 jaar te laten "verdwijnen" zodra hij voelt aankomen dat de RvdK (of later de gvi) een uhp gaat verzoeken. Als u dat doet, breng uw kind dan niet onder bij een familielid met dezelfde achternaam als een van de ouders. Laat uw advocaat in zijn eentje naar de zitting gaan.
Als hij daar kan zeggen dat u tot alles bereid bent, zelfs tot een dagverblijf, maar niet tot een uithuisplaatsing, hebt u een kansje dat het wel een ots wordt, maar geen uhp.
Als het kind minstens 12 jaar is, moet hij juist wel van de mogelijkheid gebruik maken om de rechter te vertellen wat hij van een uhp vindt. (Een kind van 12 jaar of ouder krijgt een uitnodiging om door de rechter gehoord te worden.) Als hij het te "link" vindt, kan hij de rechter een brief schrijven.
Het kind laat zo samen met u duidelijk horen dat hij thuis wil blijven wonen.

33) Een verleende maar ongebruikte machtiging tot uithuisplaatsing verloopt na drie maanden, daarna is er een nieuwe beschikking van de kinderrechter nodig (art.1:262 lid 3). U treft dan misschien een andere kinderrechter, en u hebt opnieuw de kans verweer te voeren. Er zit hier wel een adder onder het gras: verhinderen dat uw kind uit huis geplaatst wordt terwijl er wel een machtiging tot uithuisplaatsing ligt van de kinderrechter, is grond voor ontzetting: art. 269 lid 1 zegt "Indien de rechtbank dit in het belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt, kan zij een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van: … d. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogdij-instelling of belemmering van een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 261." (uhp).
Als u de uhp niet verhindert, maar het kind zelf wegloopt, is ontzetting niet aan de orde.

34) Als er een uhp is uitgesproken kunt u daartegen in hoger beroep. In dat verband kan het nuttig zijn dat uw kind verdwenen is, want zolang het kind nog niet ergens is ondergebracht staat u sterker. Ook is het niet helemaal uitgesloten dat het enige invloed heeft als uw klachten gegrond verklaard zijn.
Een misverstand is, dat het hoger beroep de uhp uitstelt. Aan het eind van de beschikking van de kinderrechter staat "uitvoerbaar bij voorraad", en dat betekent dat het voorlopig mag gebeuren, of u nu in beroep gaat of niet.

35) Vraag direct na de zitting het proces-verbaal op. Als u dat niet doet wordt het namelijk niet gemaakt.
Als u er dan later toch nog om vraagt, moet de griffier zijn oude aantekeningen ontcijferen, wat vermoedelijk de verklaring is voor de vele onjuistheden die men soms in een proces-verbaal kan aantreffen.



EN VERDER:

36) Een uit huis geplaatst kind kan natuurlijk ook zelf teruggaan naar huis. U kunt er min of meer op rekenen dat een plaats in een instelling niet langer dan twee weken wordt opengehouden.
Leest u wel hierboven onder 3. ONTHEFFING EN ONTZETTING (pag. 13/14).

37) Laat u niet wijsmaken dat een wegloper vervolgens in een gesloten inrichting geplaatst zal worden. In een gesloten inrichting komt een kind alleen als in de beschikking van de kinderrechter staat dat het een machtiging tot uhp in een gesloten inrichting is. De kinder-rechter geeft zo’n machtiging "wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige", en dan gaat het om spijbelen, zwerfgedrag, criminaliteit, prostitutie. Weglopen omdat een kind gewoon thuis wil wonen valt daar niet onder.



De gezinsvoogdij-instelling / Bureau jeugdzorg

Het werk van de gvi valt onder de regels die de Wet op de jeugdzorg stelt. Let op: alles in de Wet op de Jeugdhulpverlening wat niet expliciet gewijzigd is door de Wet op de jeugdzorg, blijft gewoon wet. De gvi’s zijn, behalve de landelijk werkende instellingen, opgehouden te bestaan, het werk van de gvi is nu een taak van de Bureaus jeugdzorg. Er verandert in de praktijk dus niet veel.

Lees op deze website in de map PUBLICATIES "Jongleur over de schreef".
Dit is het door Truus Barendse en Alice Jansen geschreven commentaar op HET handboek voor de (gezins)voogd: "De (gezins)voogd als jongleur, een methodisch handboek voor het (gezins)voogdijwerk".

U ziet wat gezinsvoogden leren, en wat u dus kunt verwachten. Dit commentaar kunt u ook gebruiken om uw gezinsvoogd bijvoorbeeld te laten zien dat het niet in overeenstemming met de wet is als hij informatie over uw gezin van uw huisarts probeert los te peuteren. Het nieuwe artikel 240 heeft namelijk alleen betrekking op de RvdK, niet op gezinsvoogden.

Als er een ots is uitgesproken gaat er een Bjz aan de slag. U krijgt te maken met een gezinsvoogd, die misschien onder de nieuwe wet ook wel een andere naam krijgt. Verwar de gezinsvoogd niet met de gezinscoach: die werkt in een vrijwillig kader, de gezinsvoogd komt pas in beeld na een uitspraak van de kinderrechter. Deze gezinsvoogd heeft een opleiding tot maatschappelijk werker, in het beste geval op HBO-niveau. Mogelijk heeft hij bovendien een interne opleiding binnen Bjz gevolgd. Als dat het geval is, heeft hij waarschijnlijk gebruik gemaakt van ‘De (gezins)voogd als jongleur, een methodisch handboek voor het (gezins)-voogdijwerk’, verschenen in 2001. Het is een boek waaruit de gezinsvoogd veel leert wat in strijd is met de wet, en dat verklaart o.a. waarom hij met zoveel overtuiging overal kan zeggen dat hij alle informatie mag hebben.

Nogmaals: lees ‘Jongleur over de schreef’ op deze website.

Veel belangrijker dan zijn opleiding is zijn houding en karakter. Wil hij gezinnen helpen, wil hij kinderen van hun ouders redden, is hij vast van plan u zijn macht te laten voelen? Het komt allemaal voor.

Let op: u bent nog gewoon de ouder van uw kind en u hebt nog gewoon het gezag dat u had voor de ots werd uitgesproken. Stel dat u van plan bent om met uw kind in het buitenland te gaan wonen: u hebt, ook met een ots, dat recht nog steeds blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad. Dus: niets zeggen (want anders wordt er misschien vlug een uithuisplaatsing geregeld, en dan hebt u dit recht niet meer), gewoon doen wat u van plan was, en u niets aantrekken van de post die u later daarover misschien toch nog van de gezinsvoogd ontvangt. U mocht dit namelijk gewoon doen. U hebt dus nog gewoon het gezag, maar u moet verder wel doen wat de gezinsvoogd zegt i.v.m. de verzorging en opvoeding van uw kind (maar dan ook alleen in verband daarmee), maar u kunt zich tot diens unitleider, de directie van Bjz, en soms tot de kinderrechter wenden (zie verderop) als u het er niet mee eens bent. Veel gezinsvoogden nemen niet vaker dan ongeveer eens in de zes weken contact op, keurig aangekondigd. In feite merkt u dan niet veel van de ots, zolang er geen plannen voor therapieën e.d. gemaakt worden waar u het niet mee eens bent.



Trainen voor de grote ramp

In NRC van 8 januari 2005 stond een artikel met de titel ‘Trainen voor de grote ramp’ over het enige opleidingsinstituut ter wereld voor internationale hulpverleners. Een van de dingen die deze hulpverleners daar leren, is omgaan met spanning in een crisissituatie als gegijzeld worden of door de politie gearresteerd. “Er blijken drie vuistregels te bestaan: bij elkaar blijven, respect tonen voor de belager, meewerken. … Nee, natuurlijk moet je soms juist helemaal niet meewerken. … Iedere situatie is weer anders.”
Als u eenmaal een ots hebt, verkeert u in een crisissituatie: uw kind heeft ongeveer 50% kans om uit uw gezin weggehaald te worden. Dan zijn de drie vuistregels precies van toepassing.
Bij elkaar blijven. Laat het niet merken als u en uw partner niet meer erg dol op elkaar zijn. Voor u het weet wordt er gesproken van een kind dat klem zit tussen de ouders, en dat is soms een reden om een kind weg te halen. Als uw kind uit huis geplaatst is, geldt nog sterker ‘bij elkaar blijven’. Stel uw kind is uit huis geplaatst omdat u verdacht wordt van seksueel misbruik. De strafzaak wijst uit dat u niets gedaan hebt. Hebben uw partner en u inmiddels laten blijken dat er veel ruzies zijn, dan is er toch een reden gevonden om het kind niet terug te laten gaan. Werk samen, val elkaar niet af waar de gezinsvoogd bij is of iemand van het kinderhuis.
Respect tonen voor de belager. Als u de gezinsvoogd helemaal niet ervaart als een belager boft u geweldig. Dan hebt u een gezinsvoogd getroffen zoals hij bedoeld is: iemand die een gezin wil ondersteunen. Veel mensen ervaren de gezinsvoogd wel als een belager: hij kan ervoor zorgen dat zij hun kind verliezen. Respect tonen is in alle gevallen goed, en uiteraard soms heel erg moeilijk. In ieder geval is de gezinsvoogd een mens, en bijna alle mensen reageren sterk negatief op gevoeld gebrek aan respect. U hoeft het niet altijd eens te zijn met de gezinsvoogd, maar u moet wel altijd respect tonen. Dus bijvoorbeeld niet eerst een afspraak maken en dan niet thuis zijn, rustig wijzen op veronderstellingen die als feiten worden gepresenteerd, op uw taalgebruik letten ook al bent u nog zo gespannen. Iedereen weet wat ‘respect tonen’ inhoudt.
Meewerken. In principe werkt u mee met wat de gezinsvoogd voorstelt. Hij denkt dat meer sportbeoefening goed is voor uw kind? U laat uw kind naar een sportclub gaan. Hij wil dat u een opvoedcursus doet? U gaat naar een opvoedcursus.
Soms moet je natuurlijk helemaal niet meewerken. De gezinsvoogd zegt dat u geen contact mag hebben met de school van uw kind, dat contact loopt nu via hem. U zegt kalm dat u nog altijd gewoon recht hebt op alle informatie over uw kind en dat u wel naar de ouderavond gaat of even apart met de juf gaat praten. Of u vertelt dat niet, maar doet het gewoon.
De gezinsvoogd zegt dat het dossier eerst geschoond moet worden voordat u kopie kunt krijgen. U zegt kalm dat u gewoon recht hebt op het VOLLEDIGE dossier en dat u er alles aan zult doen om dat te krijgen, via hem, via de directeur, desnoods via het College Bescherming Persoonsgegevens.
Mensen kunnen het oneens zijn en toch rustig en vriendelijk met elkaar praten. De gezinsvoogd vertelt ook maar wat hij geleerd heeft, o.a. in ‘De (gezins)voogd als jongleur’. Attendeer hem bij dit soort onenigheden op deze website.



Wat hiervoor over omgaan met medewerkers van de RvdK gezegd is, geldt precies zo voor omgang met een gezinsvoogd.

U bent niet verplicht iemand binnen te laten; bevestig telefonisch gemaakte afspraken altijd schriftelijk; houd u altijd stipt aan afspraken; laat altijd iemand aanwezig zijn bij een gesprek; zorg ervoor dat al uw vragen beantwoord worden; vraag of u het gesprek mag opnemen; als dat niet mag, laat uw vertrouwenspersoon dan aantekeningen maken en vraag de gezinsvoogd het gespreksverslag te ondertekenen voor akkoord; vraag de directeur de gezinsvoogd te vervangen als hij ook niet wil ondertekenen voor akkoord. Als de directeur dat niet doet kunt u de kinderrechter vragen u een andere gezinsvoogdij-instelling te geven. Als de kinderrechter dat niet doet bent u uitgepraat; maar als de rechter het wel wil, kan hij niet anders dan de uitvoering van een ots die in handen was van een van de 15 provinciale Bjz’s opdragen aan een landelijk werkende instelling. Of u dan beter af bent is nog maar de vraag.
(Over Joods Maatschappelijk Werk hebben wij nog nooit iets gehoord, positief noch negatief.)
Neem een aantal maanden de tijd om er achter te komen wat voor persoon de gezinsvoogd is.
Misschien hebt u het reuze getroffen en is ‘uw’ gezinsvoogd iemand die oprecht is, nauwkeurig, vast van plan (en in staat!) u op die punten te ondersteunen waar u steun nodig zou hebben i.v.m. uw gezin. Maar zolang u dat niet honderd procent zeker weet is het verstandiger met hem om te gaan zoals met een raadsmedewerker: zeg niet te veel; stort uw hart liever bij iemand anders uit (tutoyeer niet en laat u niet tutoyeren, dat lokt uit tot vertrouwelijke mededelingen); vertel vooral niet dat u ooit slachtoffer bent geweest (van mishandeling bijvoorbeeld); praat in het algemeen niet over het verleden. Als dat niet lukt, laat het verleden dan in ieder geval niet beginnen voor de geboorte van het onder toezicht gestelde kind. En: u was dolgelukkig met de zwangerschap, de bevalling was een feest, de wolk van een baby was een zelden huilende, goedlachse filmster-in-de-dop. U hebt familie en vrienden om op terug te vallen, u kunt het leven en dit kind in het bijzonder heel goed aan, u ziet de toekomst met vertrouwen tegemoet. Maar u staat geheel open voor de goede raad van de vakman!

Maar … als alles rozengeur en maneschijn lijkt, kan het weer gebeuren dat er geschreven wordt dat u en het kind een relatie hebben waarin het kind, misschien zonder dat te merken, niet de kans krijgt een eigen mening te ontwikkelen, een eigen leven te leiden, kortom een zelfstandig persoon te zijn. Als de gezinsvoogd een gesprek voert met u en het kind samen, val uw kind dan niet in de rede; laat toe dat de gezinsvoogd met hem praat zonder dat u erbij bent (liefst iemand anders wel, bij voorkeur uw advocaat); kortom,
laat zien dat u uw kind de ruimte geeft.

Evenals raadsmedewerkers controleren gezinsvoogden niet vaak een verhaal op waarheid, en veel is trouwens moeilijk te controleren.

Wat u zich goed moet realiseren, is dat de gezinsvoogd part noch deel heeft aan de ots.
Hij heeft er niet aan meegewerkt, maar hij begint niet met een schone lei: hij gaat uit van het raadsrapport. Dat is voor hem de waarheid. Als u het onzin vindt, bewijst dat voor hem misschien alleen maar dat u echt gedwongen hulp nodig hebt. Hij is degene die u moet helpen bij de opvoeding van uw kind. De ots is dus een vorm van hulpverlening, maar u (of het kind van minstens 12 jaar) kunt die hulp niet weigeren. Als dat toch gebeurt, kan de gezinsvoogd u (of het kind van minstens 12 jaar) een schriftelijke aanwijzing geven, bijvoorbeeld de opdracht om het kind spraaklessen te laten volgen.

Als u die aanwijzing niet opvolgt (en niet alleen dan), kan de gvi de kinderrechter om uithuisplaatsing vragen, maar u kunt (en het kind van 12 jaar of ouder kan) de kinderrechter vragen de schriftelijke aanwijzing te vernietigen, of gedeeltelijk te vernietigen. Dat moet gebeuren binnen twee weken nadat u die aanwijzing hebt ontvangen. Na die twee weken kunt u bij Bjz nog een verzoek indienen tot (gedeeltelijke) intrekking van de aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden (aantekenen met ontvangstbevestiging!). Bjz geeft binnen twee weken na ontvangst van het verzoek een schriftelijke beslissing. Die beslissing kunt u voorleggen aan de rechter. Geen tijdig antwoordt geldt als een weigering, waarmee u naar de rechter kunt.

Schrijf voor alle zekerheid een briefje aan uw huisarts en aan wie verder in dit verband van belang zou kunnen zijn, dat u het niet goed vindt dat hij buiten u om inlichtingen geeft aan de gezinsvoogd. Informatie die niet gegeven wordt kan ook niet uit zijn verband gerukt of verdraaid worden. De gezinsvoogd leert namelijk dat hij recht heeft op alle inlichtingen over alle gezinsleden en dat het zijn plicht is die te verzamelen. Dit staat met zoveel woorden in ‘De (gezins)voogd als jongleur’; als inlichtingenbron worden de schoolarts en de huisarts speciaal genoemd (die dus aan een gezinsvoogd helemaal geen inlichtingen mogen geven zonder uw toestemming, behalve als ze te maken krijgen met “een conflict van plichten”).

Schrijft u bijvoorbeeld:

Naam
Adres
Postcode en Woonplaats

Aan de weledelgeleerde heer dokter X
Adres
Postcode en Woonplaats

Woonplaats, datum

Geachte dokter X,

Sinds die en die datum heeft ons gezin te maken met de kinderbeschermingsmaatregel ondertoezichtstelling. Dat houdt in, zoals u vermoedelijk weet, dat de ouders de aanwijzingen van een gezinsvoogd over de opvoeding en verzorging van het onder toezicht gestelde kind moeten volgen.
De gezinsvoogd zal waarschijnlijk proberen bij u inlichtingen over ons gezin te krijgen.
Het recht om die inlichtingen te krijgen zal wel overtuigend gebracht worden, maar dat recht bestaat niet. In hun opleiding leren gezinsvoogden ten onrechte dat ze het recht en zelfs de plicht hebben om alle inlichtingen over alle gezinsleden te verzamelen.

Ik weet dat artsen soms hun zwijgplicht kunnen doorbreken, namelijk indien door het handhaven van de plicht de arts in een noodtoestand in de zin van conflict van plichten zou komen, waarvoor criteria worden gegeven in het Handboek Gezondheidsrecht van Leenen deel 1, Rechten van mensen in de gezondheidszorg, 4e druk op pag. 234.

Ons gezin veroorzaakt bij u geen conflict van plichten. Wij rekenen er dan ook op dat u buiten ons om geen inlichtingen over ons gezin geeft aan derden, alleen al omdat inlichtingen die niet gegeven worden ook niet verdraaid of uit hun verband gerukt kunnen worden. Ook rekenen wij erop dat u erop zult toezien dat inlichtingen over ons niet gegeven worden door uw assistente of administratie.

Contacten van de gezinsvoogd worden genoteerd in het zgn. contactjournaal, dat onderdeel uitmaakt van het dossier en dus voor de ouders is in te zien.

Met vriendelijke groet,



Een ongebruikte machtiging tot uithuisplaatsing blijft drie maanden geldig. Als hij na drie maanden nog niet gebruikt is, bijvoorbeeld omdat het kind niet te vinden is, heeft Bjz dus niet langer de bevoegdheid het kind uit huis te plaatsen (zie RvdK). Pas op: een nieuwe machtiging is snel gevraagd. Maar er is dan wel de mogelijkheid dat u een andere kinderrechter treft, en u hebt in ieder geval een nieuwe kans om verweer te voeren.
Het kan ook nooit kwaad als uw kind duidelijk maakt, tijdens de zitting of in een brief, dat hij absoluut niet uit huis geplaatst wil worden, en dat hij zal teruggaan en blijven teruggaan. Een brief is beter als hij bang is tijdens de zitting meteen opgepakt te worden, of in geval de rechter hem niet wil horen, wat alleen kan bij een kind jonger dan 12 jaar. Als uw kind uit huis geplaatst is, heeft Bjz alle vrijheid om hem over te plaatsen tot iedereen er duizelig van is.

Alle rechten die een ouder heeft, heeft een kind van 12 jaar of ouder ook. Hierna schrijven we niet steeds weer: (of het kind). Een kind dat nog geen 12 is, heeft niet het recht gehoord te worden, maar kan de kinderrechter een briefje schrijven. Soms wordt hij dan toch gehoord.

U hebt geen advocaat nodig voor een contact met de kinderrechter; u moet er maar over denken of dat in uw geval verstandig is. Als u zonder advocaat werkt, moet u de kinderrechter schriftelijk vragen of u bijvoorbeeld een verzoek tot opheffing van de ots aan hem mag voorleggen.

U kunt tegen beslissingen van de kinderrechter (behalve voorlopige ots) in hoger beroep bij het gerechtshof; daar is wel een advocaat voor nodig. U kunt niet in hoger beroep als de rechter weigert Bjz te vervangen, dan is alleen cassatie mogelijk. Maar denk nog maar eens diep na als u een provinciaal Bjz zou gaan inruilen voor een van de landelijk werkende instellingen.

Let op: voor vervanging van de gezinsvoogd (dus niet Bjz) moet u bij de directeur zijn.

De gezinsvoogd geeft u bij het eerste contact een exemplaar van de klachtenregeling en van het privacyreglement. Vraag erom als het niet gebeurt. Als u vindt dat in strijd met de wet uw privacy geschaad is, kunt u het College Bescherming Persoonsgegevens, de vroegere Registratiekamer, verzoeken om een onderzoek.

Binnen 6 weken nadat de ots is uitgesproken, stelt de gezinsvoogd een hulpverleningsplan op (daar kan een schriftelijke aanwijzing in verborgen zitten.) Hij moet daarover overleggen (en dat is dus iets anders dan meedelen) met o.a. het kind van 12 jaar of ouder en de ouders.

U moet ondertekenen voor akkoord, niet alleen voor ‘gezien’ dus. Maar de Wet op de jeugdzorg zegt in artikel 24 lid 5: Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliënt vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht.

Als het hulpverleningsplan er niet op tijd is, is dat een mooie reden om de kinderrechter beëindiging van de ots te verzoeken. De gezinsvoogd is na 6 weken nog niet aan de slag gegaan, dus hoe dringend is het eigenlijk allemaal?

In het hulpverleningsplan moet staan: wat de ots gaat inhouden (doelen voor de korte termijn, doelen voor de lange termijn), wanneer er met wie, waarover, overleg zal zijn, hoe gezinsleden van het kind bij de hulpverlening betrokken worden (of waarom zij niet betrokken worden).

Een hulpverleningsplan opstellen is één ding, het uitvoeren weer een ander.

U hebt, net als bij de RvdK, recht op een kopie van alle stukken die samen het dossier vormen. Let erop dat het contactjournaal erbij zit. Daarin kunt u lezen met wie wanneer de gezinsvoogd over uw kind contact heeft gehad, wat dat contact heeft ingehouden, en welke afspraken er gemaakt zijn. Hierin kunt u dus zien of uw privacy geschonden is. Als de RvdK een stuk voor u wil geheim houden, moet daar toestemming voor zijn van het ministerie van justitie. De gvi bepaalt zelf of een stuk achter wordt gehouden om iemands persoonlijke levenssfeer te beschermen (niet die van het kind). Zo’n beslissing om u een stuk niet te geven kunt u voorleggen aan het College Bescherming Persoonsgegevens. Als het kind 16 is, krijgt u het dossier alleen met toestemming van het kind. Vraag aan de gezinsvoogd of hij een door de gesprekspartner geparafeerd contactjournaal wil bijhouden. Dat voorkomt dat u later een klacht indient bijvoorbeeld omdat hij een bespreking met u in het contactjournaal heeft geschreven waarvan u zegt dat die niet gehouden is.

U kunt als u ouderlijk gezag hebt Bjz verzoeken de gezinsvoogd te vervangen.

U kunt als ouder, ook zonder dat u ouderlijk gezag hebt, klagen bij de directeur, en als u daarna nog ontevreden bent, bij de klachtencommissie. De provinciale klachtencommissies zijn per januari 2005 opgeheven.En daarna kunt u zich wenden tot de Nationale Ombudsman. Lichtpuntje: nu de provinciale klachtencommissies verdwenen zijn, kunt u eerder naar de Nationale Ombudsman. Het is verstandig u te laten bijstaan. Zie "De kracht van de klacht" op deze website in de map PUBLICATIES.

Of u iets overhoudt aan de klachtencommissie, behalve eventueel een gevoel van voldoening, is een ander verhaal: deze commissies hebben namelijk geen andere bevoegdheid dan hun mening te geven. Zij doen vaak wel aanbevelingen aan Bjz.
Een gegrond verklaarde klacht kan misschien nuttig zijn bij een hoger beroep. Een uitspraak van de Nationale Ombudsman is dat zeker.
De directeur laat u weten welk gevolg hij verbindt aan gegrondverklaring van uw klacht.

Stuur kopie van de stukken betreffende uw klacht als u te maken hebt met een van de 15 Bjz’s aan de Gedeputeerde die jeugdzorg in zijn portefeuille heeft in uw provincie, en altijd aan de inspectie van uw regio, de hoofdinspectie en KOG.
De Gedeputeerde die jeugdzorg in zijn portefeuille heeft is de enige die iets te zeggen heeft in dit verband, al is het ook op de wat langere termijn door de geldkraan dicht te draaien. Als hij niets van klachten hoort, zal hij minder makkelijk op het idee komen dat niet alles goed gaat.
“De inspectie kan een schriftelijk bevel geven om onmiddellijk maatregelen te nemen, indien zij een situatie aantreft die acuut bedreigend is voor een cliënt.” (Inspectie jeugdzorg in zicht, pag. 11, 2004) Acuut bedreigend voor een cliënt is een situatie niet vlug, want waarschijnlijk gaat het dan om leven of dood (wij hebben wel meegemaakt dat de inspectie een telefoontje pleegde en dat daarna de jongen die steeds zei dat hij dood wou de door zijn ouders gevraagde, eerst geweigerde, psychiatrische behandeling wel kreeg).
Soms doet de inspectie een onderzoek ook in een individueel geval; zelfs dan is het heel goed mogelijk gebleken dat de instelling zich niets aantrekt van de aanbevelingen.

Er gaan de laatste tijd stemmen op die zeggen dat ouders beter de klachtencommissies links kunnen laten liggen, en gewoon aangifte moeten doen bij de politie als ze van mening zijn dat een raadsmedewerker of gezinsvoogd dingen opschrijft die aantoonbaar onjuist zijn en dat weigert te veranderen. Laat u niet door de politie wijsmaken dat dat niet zou kunnen, het kan wel. Als de politie blijft weigeren, kunt u aangifte doen per fax of u doet aangifte bij de burgemeester (zie Raad voor de Kinderbescherming).

Het is van belang dat alle instellingen die op een of andere manier betrokken zijn bij jeugdzorg sinds 1 januari 2005 onder verantwoordelijkheid van de provincie vallen, behalve de landelijk werkende instellingen, RvdK en de justitiële jeugdinrichtingen.
Daarom kunt u zich tot de Gedeputeerde wenden die jeugdzorg in zijn portefeuille heeft als er al te barre zaken gebeuren. De provincies moeten heel belangrijk worden op dit punt, want verder is er niemand en geen instantie die werkelijk iets te zeggen heeft over de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel.
Zie de adressenlijst van de Colleges van Gedeputeerde Staten op pag. 70.
Laat u bijstaan, net als voor klachtencommissies.

Sinds 1995 kan de kinderrechter alleen nog een uitspraak doen over een schriftelijke aanwijzing, een uithuisplaatsing en contacten van het kind. Een kind wordt inderdaad zelden uit huis geplaatst als de kinderrechter dat niet heeft beschikt (helaas niet nooit, wij hebben onlangs twee maal te maken gekregen met een Bjz dat een kind ontvoerde); wat de gevolgen zijn van een uitspraak van de rechter voor een schriftelijke aanwijzing weten wij niet bij gebrek aan ervaring hiermee. Helaas weten wij wel dat er (gezins)voogdij-instellingen zijn die zich niets van een omgangsbeschikking aantrekken (vraag daarom altijd meteen een dwangsom!), evenmin als zij zich iets van een inspectierapport aantrekken.
En dat kan allemaal. Het Ministerie van Justitie geeft op dit punt niet thuis. Daar gaan wij niet over. Wie dan wel? Niemand.


En na alle klachtprocedures is er nog de Nationale Ombudsman
zie www.nationaleombudsman.nl



Onderschat niet het gevaar dat scholen opleveren.

In sommige gemeentes worden aan leraren van de basisschool cursussen incest- en mishandelingsherkenning gegeven. Wat je op je vrije avonden geleerd hebt, wil je ook wel eens in praktijk brengen! Bovendien hebben veel basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs en zelfs ROC’s (binnenkort alle scholen), leerlingbegeleiders onder verschillende titels als bijvoorbeeld intern begeleider coördinatie, mentor of tutor, die in overleggen zitten waarin Bureau jeugdzorg (kinderbescherming) deelneemt. Wie zijn brood verdient met het signaleren van problemen, signaleert uiteraard problemen. Houd dus uw mond op school.
Uw hart luchten kunt u altijd wel ergens anders. Voor u het weet, begint men uw gezin te "helpen". Vermijd "opvoedspreekuren". De mensen die zo’n spreekuur houden, weten soms niet meer van opvoeden dan de kat van de buren (trouwens: een kind opvoeden is toch niet zoiets als een leeuw temmen?!). Hun ware taak is dan ook vaak u te verwijzen naar Bureau jeugdzorg. Als u het goed treft krijgt u daar inderdaad advies. Als u het slecht treft krijgt u ook advies en doet Bjz al onmiddellijk een melding bij de RvdK. Ook als u het advies niet opvolgt is een melding nogal eens het resultaat.

De rest kunt u nu zelf invullen.

Het is misschien verstandig zowel de klassenleraar als de directeur te laten weten dat buiten u om geen informatie gegeven mag worden aan welke instantie dan ook, en dat u er door het dossier achter komt als dat toch gebeurt. Als de toezegging niet vlot gegeven wordt, dreig dan met het College Bescherming Persoonsgegevens, dat boetes kan opleggen, dreig eventueel vaag met "de rechter", en zeg dat u andere ouders zult waarschuwen. Vooral dat laatste helpt.

Vraag het schooldossier van uw kind ter inzage, u hebt recht op kopie van stukken. Als er stukken inzitten waarvan u denkt dat ze er niet in horen, bijvoorbeeld stukken over de ots van uw kind, verzoek dan die stukken te verwijderen. En verwijderen betekent niet "nog even een kopietje maken voor mijn eigen gebruik". Verwijderen is zonder meer aan u geven. Als dit geweigerd wordt, verzoek het dan schriftelijk aan de directeur. Als ook deze weigert (of niet antwoordt), schrijf dan aan het bevoegd gezag van de school. Dat is bij een openbare school de gemeente, bij een bijzondere school het schoolbestuur.

Schrijft u bijvoorbeeld:

Uw naam
Adres
Postcode en Woonplaats

Aan het Gemeentebestuur van X

Betreft: schooldossier van naam van uw kind, leerling van naam school

Woonplaats, datum

Geacht Gemeentebestuur,

Nadat ik mijn vraag eerst heb voorgelegd aan de directeur van school A en een negatieve reactie heb ontvangen (zie bijlagen), wend ik mij tot u.

In het schooldossier van mijn kind naam van uw kind bevinden zich stukken uit zijn ondertoezichtstellingsdossier. Ik heb daar bezwaar tegen en wil dat zij verwijderd worden.

Gegevens die de gezinsvoogdij-instelling heeft vastgelegd, vallen onder de werking van de Wet Persoonsregistraties. Deze WPR kent bij het verstrekken van gegevens de categorie ‘derden’ (artikel 1 WPR). Derden zijn alle personen en instanties, uitgezonderd de houder en personen behorend tot zijn organisatie, de bewerker en personen behorend tot zijn organisatie, en geregistreerden zelf.
Het verstrekken van gegevens is in artikel 1 van de WPR omschreven als het bekend maken of ter beschikking stellen van gegevens. Het begrip verstrekken heeft volgens de parlementaire geschiedenis een zeer ruim bereik. De wijze van verstrekken is op zichzelf niet van betekenis: dit kan mondeling, schriftelijk, langs elektronische weg of door het overhandigen van "een magneetband met gegevens". Ook het raadplegen van gegevens valt onder verstrekken. Onder het verstrekken valt niet alleen het nauwkeurig weergeven van de uit de registratie verkregen informatie, maar ook het in iets andere vorm doorgeven van in wezen dezelfde gegevens (uitspraak van de registratiekamer d.d. 29 december 1994, 93.A.008).

Op grond van artikel 11, lid 1, van de WPR kunnen gegevens uitsluitend aan een derde verstrekt worden als dit voortvloeit uit het doel van de registratie. Dit houdt in dat het doel van de betrokken registratie de verstrekking met zich mee moet brengen.

Met toestemming van de geregistreerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen altijd gegevens verstrekt worden. Ik heb echter geen toestemming gegeven aan de gezinsvoogdij-instelling voor het verstrekken van gegevens over mijn kind naam kind aan de school. De WPR is in volle omvang toepasselijk op gezinsvoogdij-instellingen en scholen. Ik heb dus alle recht niet toe te staan dat de WPR overtreden wordt, bovendien heb ik daar alle belang bij.

Ik vertrouw erop dat u de situatie zult verhelderen voor de directeur, zodat hij alsnog opdracht zal geven de gegevens waartegen ik bezwaar heb gemaakt te verwijderen.

Hoogachtend,



In kopie aan de heer X, directeur van de A-school.

Bijlagen: mijn brief aan de heer X d.d. …..
antwoord van de heer X d.d. ….

Als het gemeentebestuur het ook laat afweten, schrijft u aan het College Bescherming Persoonsgegevens.
Zie ook de brief van het CBP over het schooldossier op deze website in de map Verzonden en Ontvangen.



DE UITHUISPLAATSING

De RvdK kan dus ots met uithuisplaatsing verzoeken aan de kinderrechter of alleen ots. In dat geval kan Bjz later zelf nog een uhp verzoeken.

Als er een uhp dreigt waar u en het kind het niet mee eens zijn, kunt u (kan uw advocaat) en kan het kind van 12 jaar of ouder verweer voeren op de zitting. Een kind jonger dan 12 jaar kan de rechter schrijven, en verzoeken gehoord te worden. Het is niet altijd zinloos wat er op een zitting gebeurt: wij hebben zelfs meegemaakt dat de RvdK ots met uhp verzocht, en de rechter niet eens een ots nodig vond.

Ook kan het kind verdwijnen: na drie maanden is de machtiging niet meer geldig. (Let op: het kind verdwijnt, u laat hem niet verdwijnen!) Dan geldt wel wat we ook onder de RvdK geschreven hebben: een nieuwe machtiging is snel gevraagd. Maar de rechter kan onder de indruk zijn van wat het kind er voor over heeft, en u kunt een andere rechter treffen.

De "onderduik-situatie" moet u niet onderschatten. Het kind kan niet naar school, u kunt niet naar uw werk, u bent misschien na korte tijd toch niet welkom bij uw gastfamilie, het kind wordt op de politietelex gezet. Kan uw kind daar tegen? Kunt u daar tegen?

Uithuisplaatsing is het ernstigst voor een klein kind. Het is een puk van twee jaar niet uit te leggen. Hij zal heus wel ophouden met huilen en weer gaan slapen en eten, zelfs spelen, maar wie kinderen heeft of andermans kleine kinderen werkelijk heeft meegemaakt weet wat voor ramp er wordt aangericht. Ironisch genoeg weten de kinderbeschermers dat ook heel goed. Daarom vinden ze dan ook dat een kind dat eenmaal uit huis geplaatst is niet meer terug kan naar zijn ouders, want anders wordt het weer verplaatst! We verwachten niet dat u dit gelooft, maar leest u het zelf maar na in Perspectief van juni 2003 www.justitie.nl/publicaties . In het daarop volgende nummer van Perspectief hebben wij gereageerd.

Uithuisplaatsing, vooral van een klein kind, is dus heel gevaarlijk: hoe krijg je hem weer terug? Niet alleen de beschermers, ook veel kinderrechters denken op deze manier: ze maken geen verschil tussen een ouder en een andere verzorger. Daarom hebben de kinderrechters "werkafspraken" gemaakt, die eigenlijk neerkomen op: eens uit huis, blijft uit huis. U en uw advocaat zullen er op moeten hameren dat DE WET uhp alleen mogelijk maakt als deze NOODZAKELIJK is. Dus niet een beetje beter, maar NOODZAKELIJK.

Geef daarom nooit of te nimmer, onder wat voor omstandigheid dan ook, vrijwillig een kind "tijdelijk" in de hoede van een officiële instantie.
Mensen belden bijvoorbeeld i.v.m. afwezigheid van een ouder en een flinke griep van de andere ouder het medisch kindertehuis waar hun kind overdag verbleef: mag hij een nachtje blijven slapen? Dat werden heel veel nachtjes: 2 jaar.
Mensen vroegen i.v.m. een postnatale depressie een tijdelijk pleeggezin. Ze hebben er lang over gedaan de baby weer thuis te krijgen.
Mensen wendden zich tot een Bjz om een tijdelijk pleeggezin omdat zij dachten dat het beter was als zij en het dochtertje even uit elkaar waren (scheiding, nieuwe partner, langdurige ziekte, kind permanent in de contramine, moeder kon er niet meer tegen). Na twee dagen waren zij tot rust gekomen, hadden zij er spijt van, en deelden zij het pleeggezin mee dat zij het kind zaterdag zouden ophalen. Pleeggezin niet thuis. Maandagmorgen haalden zij het kind op. ’s Middags belt Bjz: zij krijgen bevel zich te komen verantwoorden!

Uit deze verzoeken om tijdelijke hulp blijkt, dat die mensen weinig ervaring hadden met jeugdzorg, en dachten dat het net zo werkt als een winkel of een ziekenhuis: wat je niet wilt hebben krijg je ook niet. Zo zou het natuurlijk ook moeten zijn. Maar de instanties denken dat zij beter dan de ouders kunnen bepalen wat goed is voor een kind. Kwade tongen zeggen: dat is altijd wat goed is voor de werkgelegenheid in hun branche.
Omdat zij denken het beter te weten, wordt als ouders geen gebruik meer willen maken van het aanbod, vaak "de hulpvraag veilig gesteld." De beschermers vragen toestemming van de kinderrechter om dat te doen wat de ouders niet (meer) willen. In de voorbeelden was dat uit huis plaatsen en de uithuisplaatsing laten voortduren.

Ieder mens heeft wel een familielid of buren of een familielid van een kennis die een poosje voor een klein kind wil zorgen. Dan is ook af te spreken dat hij iedere dag zijn ouders ziet, of bijvoorbeeld thuis komt slapen.
Het kan dan nog wel een nachtmerrie voor hem zijn, maar de band blijft behouden, en soms is het nu eenmaal onvermijdelijk. Als het absoluut moet, doe het dan buiten de instanties om!

Bij informele uithuisplaatsingen, dus buiten de instanties om, loert ook nog wel een gevaar: na een jaar mogen de ouders het kind alleen weer naar huis halen met toestemming van het pleeggezin. Laat de situatie dus nooit een jaar duren. Als die toestemming niet gegeven wordt, hebben de ouders de toestemming van de kinderrechter nodig. Wacht de toestemming niet af, probeer uw kind terug te halen. Als het pleeggezin vervolgens naar de kinderrechter gaat, staat u sterker ("een kind is geen jojo").

Aan de andere kant hebben wij een officiële uithuisplaatsing meegemaakt, met een ots en een machtiging van de kinderrechter dus, waarbij de moeder er op een dag genoeg van had en het kind ophaalde uit de kleuterschool. Vervolgens deed zij hem op een andere school en dreigde iedereen die zich ermee zou bemoeien, inclusief de gezinsvoogd, met hel en verdoemenis. Het werkte, de uhp werd beëindigd.

Als een kind van minstens een jaar of twaalf uit huis geplaatst is, is er veel mogelijk. Het kind kan weglopen, gewoon naar huis teruggaan dus. Het is nuttig niet alleen de technische kant van het weglopen grondig met het kind door te spreken. Als u het niet doet, gaat hij zich stout en ongehoorzaam voelen, omdat hij iets doet waarvan hij weet dat sommige grote mensen het niet willen. U moet hem goed uitleggen dat het van u wel mag: als hij teruggaat naar huis doet hij niet gek, de mensen die hem uit huis willen plaatsen doen gek.

Het is nuttig voor de uithuisplaatsing een weekje te oefenen in collect call bellen (zijn mobieltje moet hij waarschijnlijk inleveren), en met bus of trein reizen. Hij belt u en vertelt waar hij is. McDonald’s bijvoorbeeld is een prima punt: hij bestelt wat lekkers, belt u op, eet terwijl hij wacht. Als u arriveert betaalt u zijn bestelling en gaat samen met hem naar huis.
Of misschien kent u wel iemand die dicht bij het adres woont waar uw kind geplaatst zal worden. Schakel hem in. Oefen met uw kind de route naar zijn huis met de bus. De kennis belt u en u haalt uw kind op. Zorg dat het kind een strippenkaart heeft en geld voor de trein. Een mobieltje is heerlijk. Ook zonder geld kan hij met de trein reizen: bij controle zegt het kind dat hij geen kaartje en ook geen geld heeft. Hij zegt dat hij op weg is naar huis en zwijgt op alle verdere vragen. Hij geeft zijn naam en adres op en zegt dat zijn ouders zullen betalen. Misschien wordt u gebeld door de NS om die gegevens te controleren. Ze kloppen, u belooft te zullen betalen en weigert alle verdere informatie. U haalt uw kind op het station op. U geeft geen enkele uitleg. Als uw teruggelopen kind thuis gearriveerd is, belt u het pleeggezin of het tehuis waar hij geplaatst was om te vertellen dat hij niet zoek is, maar teruggegaan naar huis. Nee, u bent niet bereid hem te komen brengen. U bent eigenlijk van plan hem gewoon thuis te houden.

Dan wordt hoogstwaarschijnlijk het kind opgehaald. Bereid uw kind ook daar goed op voor. U bent niet verplicht iemand binnen te laten, ook geen politie, behalve als het politie met een huiszoekingsbevel is. (Soms dringt politie zonder huiszoekingsbevel toch binnen.) Die laat u binnen, en het kind gaat rustig mee. Politie zonder huiszoekingsbevel niet binnenlaten is nuttig: wij hebben meegemaakt dat er daarna niemand terugkwam met huiszoekingsbevel.
Het hield gewoon op. De jongere in kwestie verzocht de kinderrechter de uithuisplaatsing te beëindigen, en dat gebeurde.

Uw kind loopt weer weg zodra de gelegenheid zich voordoet, en dat zal dus bijna altijd de volgende dag zijn.
Het kan zijn dat de politie hem nog een keer komt ophalen, maar daarna is de uithuisplaatsing waarschijnlijk van de baan. De politie blijft namelijk niet bezig, en u laat niemand anders binnen. U weigert uw kind te komen brengen, want u wilt zijn vertrouwen niet beschamen.

Sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 23 augustus 2005 is het iets minder simpel geworden. Als de gezinsvoogd u nu een schriftelijke aanwijzing geeft dat u het kind moet terugbrengen verzoekt u de directeur deze aanwijzing in te trekken; dat gebeurt niet, dan verzoekt u de kinderrechter de aanwijzing vervallen te verklaren; als deze dat niet doet moet u beslissen: gaat u riskeren dat er aangifte tegen u wordt gedaan van een strafbaar feit of brengt u uw kind nu weg?

Laat u niet wijsmaken dat het kind nu geplaatst zal worden in een gesloten inrichting, want dat is kletskoek.
Een kind dat niet uit huis geplaatst wil zijn, gaat terug naar huis. Einde verhaal.
Het enige is, dat u en uw kind niet bang moeten zijn. En het is niet nodig bang te zijn: niemand kan uw kind iets maken en iemand die weet te verkopen dat hij niet wist van een machtiging van de kinderrechter ook niet.

Tijdens uithuisplaatsingen kunnen bizarre toestanden ontstaan. Wij hebben meegemaakt dat twee meisjes uit huis geplaatst werden omdat hun moeder naar de gevangenis ging wegens moord op hun vader. Na verloop van tijd vond de gezinsvoogdes dat de jongste wel heel erg afhankelijk was van de oudste, en besloot dat ze uit elkaar gehaald moesten worden (!). Protesten mochten niet baten.
Zodra de moeder weer vrij was, gingen de zusjes terug naar huis. Vervolgens verzochten zij de kinderrechter de uithuisplaatsing te beëindigen. De kinderrechter willigde dat verzoek onmiddellijk in.

Voor ouders is het heel erg moeilijk de zaken redelijk te laten lopen als de RvdK of een Bjz zich eenmaal iets in het hoofd heeft gezet, voor kinderen is dat makkelijker te doen als zij de durf hebben. Kinderen die nog niet de basisschoolleeftijd te boven zijn kunnen dit niet zelf.

Dan moet het van hun ouders komen, en dat ligt een stuk moeilijker.

Behalve weglopen kan het kind ook de rechter schrijven, en als het 12 jaar of ouder is inzage in het dossier vragen, een klachtprocedure voeren, dus alles wat de ouders ook kunnen. Als de instelling geen cliëntvertrouwenspersoon heeft is het nuttig dat uw kind voor deze activiteiten de (kosteloze: voor kinderen is donateurschap niet nodig) bijstand vraagt van KOG of een van de Kinderrechtswinkels zolang die nog subsidie krijgen.



WEER NAAR HUIS

Als de rechter bepaald heeft dat uw uit huis geplaatste kind terug naar huis mag (het komt wel voor!), ga hem dan onmiddellijk, liefst in gezelschap van uw advocaat, ophalen en neem contact met ons op. De instanties zullen zich namelijk misschien niet zonder slag of stoot neerleggen bij deze beslissing van de kinderrechter. (“Wij hebben ook onze eigen verantwoordelijkheid.”)



MEDEZEGGENSCHAP

Gvi’s/Bureaus jeugdzorg en uitvoerders (dus o.a. kindertehuizen) zijn sinds eind 1997 verplicht een cliëntenraad in te stellen. Een cliëntenraad behartigt uitsluitend de collectieve belangen van de cliënten, en mag zich niet bemoeien met concrete conflicten. Voor die conflicten is er de klachtenregeling. In een cliëntenraad kunnen jongeren, ouders, voogden, stiefouders, pleegouders zitting nemen. Voor de cliëntenraad verwijzen wij naar de kosteloze folder Medezeggenschap in de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming, schriftelijk aan te vragen bij het Ministerie van VWS, Directie Jeugdbeleid, Postbus 5406, 2280 HK Rijswijk, of per fax 070 3405410, en naar het boekje Aan het werk in de cliëntenraad. Van ‘Aan het werk in de cliëntenraad’ staat een enigszins bekorte en aangepaste tekst op deze website.
Het boekje zelf, waaraan gewerkt is door o.a. Alice Jansen, is tegen verzendkosten te krijgen bij Collegio (t.a.v. de heer Lex Jansen) te Utrecht.



De externe deskundige

De externe deskundige is als het goed is de BIG-geregistreerde pedagoog, gezondheidszorg-psycholoog of psychiater die een onderzoek instelt in opdracht van Bjz, RvdK, kinderrechter. De extern deskundige kan ook een bureau zijn, waarin deze gedrags-deskundigen werkzaam zijn. Kijk ook in Normen 2000 op www.kinderbescherming.nl .
Soms is het niet goed en dreigt u te maken te krijgen met iemand die onder geen enkel tuchtrecht valt. Vraag bij het eerste contact altijd naar het BIG-registratienummer.
Dat registratienummer heeft de bedoeling u de garantie van tuchtrecht (en vakmanschap) te geven. Is de deskundige niet geregistreerd, weiger dan bij de opdrachtgever schriftelijk elk contact met deze persoon onder opgave van deze reden. U bent wel bereid tot een onderzoek, maar niet door zomaar iemand. Het is uitermate belangrijk dat u hier op let. Als men een onderzoeker inschakelt die men eigenlijk niet mag inschakelen, wat zit daar dan achter?
Is hij bereid tot een “diagnose op bestelling”?



HOE GA JE ERMEE OM?

Er zijn verschillende heikele kwesties rond de externe deskundigen.

Allereerst is de kwaliteit van de deskundigen niet altijd even goed.
Er zijn zelfs zeer slechte deskundigen(bureaus), die juist veel gevraagd worden door de rechter en aanbevolen als "absoluut onafhankelijk" op nascholingscursussen voor advocaten.

Daarnaast (maar niet onafhankelijk daarvan) zijn de eigenlijke motieven van de opdrachtgevers vaak niet zuiver. Wat te denken van een gezinsvoogd die gebrek aan overtuigingskracht tracht te compenseren met een uitspraak van een deskundigenbureau? Een raadsmedewerker kan hetzelfde willen doen, zeker nu hij/zij tegenwoordig de opdracht heeft om open naar de cliënt toe te zijn.
Als deze medewerker eigenlijk niet veel meer te bieden heeft dan (a) ik ben de deskundige en (b) ik zeg dat het in het belang van het kind is als we die en die richting uitgaan, zal het soms aantrekkelijk zijn om een niet aflatende cliënt van zich af te schudden via een onderzoeksaanvraag bij een externe deskundige.

Het komt tamelijk vaak voor dat in de vraagstelling of in de bijlagen bij de onderzoeksopdracht suggesties voorkomen over de gewenste diagnose. Het is ons ook gebleken dat zelfs de praktijk van het begin van de negentiger jaren waarin opdrachtgever en uitvoerder vaak tussentijds contact hadden over de gewenste diagnose, nog niet geheel is afgesloten.

Een heel andere kwestie is dat veel onderzoeksvragen o.i. niet gesteld behoren te worden, o.i. immoreel zijn.
Wat te denken bijv. van een onderzoek naar de wenselijkheid van een omgangsregeling van het kind met een ouder bij wie het kind niet woont, als er wegens bijv. strafblad geen redenen zijn waarom een omgangsregeling verhinderd zou moeten worden? Moet een ouder na een scheiding ineens gescreend worden op de deugdelijkheid van zijn/haar ouderschap of de invulling daarvan? Zelfs al zou uit zo’n onderzoek een juiste conclusie worden getrokken dan is het onderzoek nog steeds ongewenst omdat er onnodig kostbare tijd verloren is gegaan.

De deskundigenbureaus kunnen niet uitgebreid aan waarheidsvinding doen (in ieder geval in veel mindere mate dan de RvdK zou kunnen). Daarnaast blijkt er in de praktijk ook weinig animo te bestaan om informanten te consulteren. Dat laatste kan namelijk worden gebruikt als een soort "quasi-waarheidsvinding". Informanten als gezinsleden, buren enz. kunnen de zaak toch van verschillende kant belichten. De kans op foutieve inschattingen zou daardoor o.i. kleiner worden. Men ziet dat maar weinig.

U begrijpt dat het niet eenvoudig is om in het algemeen een advies te geven over hoe u met deze dingen om zou moeten gaan. De mogelijkheden worden o.a. ook bepaald door uw rechten.



UW RECHTEN

Als u akkoord bent gegaan met een extern onderzoek, dan is het zaak om invloed te krijgen op de keuze van de externe deskundige resp. het deskundigenbureau. Handvat daarvoor vindt u in de "Richtlijnen voor het (laten) verrichten van extern onderzoek", een uitgave van april 1996 van Justitie, en onderdeel van het Normenrapport, zie www.kinderbescherming.nl. Deze richtlijnen zijn samengesteld door een commissie met o.a. vertegenwoordigers van RvdK, gedragswetenschappers en deskundigenbureaus. In de wandelgangen heet deze commissie ook wel cie. Dekker. In die richtlijnen staat o.a. dat u mag meebeslissen over de keuze van de deskundige, het deskundigenbureau. We raden u aan om contact met ons te zoeken om te horen wat de ervaringen met een bepaald deskundigenbureau zijn. Als u het voor elkaar weet te krijgen dat de keuze valt op een goede en onafhankelijke deskundige, dan is er vaak veel gewonnen. Wat niet wil zeggen dat dat in de praktijk allemaal zo gemakkelijk gaat. Probeer verder de onderzoeksvragen zo te krijgen dat ze gedragswetenschappelijk van aard zijn, probeer er voor te zorgen dat er geen suggesties over gewenste diagnoses in de vraagstelling zitten, er geen immorele vragen worden gesteld of vragen waarvan de beantwoording niet echt goed mogelijk is. Ga precies na wat voor materiaal door de opdrachtgever (Bjz, RvdK of kinderrechter) als achtergrondinformatie wordt meegestuurd. Vraag in ieder geval om een kopie van de volledige opdracht met alle volledige bijlagen, zelfs al denkt u dat u die bijlagen wel hebt. De reden is dat er toch hier en daar zo door de opdrachtgever met de voorinformatie wordt gemanipuleerd, dat de deskundige in feite erg eenzijdig wordt voorgelicht. Denk u bijvoorbeeld aan een raadsrapport dat bij de stukken zit. U bent in de veronderstelling dat het commentaar dat u op het rapport heeft geschreven, onderdeel is van dat rapport. Het is gebleken dat de opdrachtgever dat commentaar er soms niet bijvoegt, en dan als het ware ineens uitwijkt naar een ander begrip "raadsrapport". U kunt dit rechtzetten, door daartegen bij de opdrachtgever te protesteren en tegelijkertijd de ontbrekende stukken aan de externe deskundige op te sturen. Zicht op de precieze tekst van de voorinformatie is ook nuttig om een eventuele informant bij de externe deskundige te kunnen beargumenteren. Reden kan uiteraard zijn dat u meent dat het meegestuurde pakket de zaak te scheef belicht. Volgens de Richtlijnen van commissie Dekker heeft u recht om informanten voor te stellen. Zoiets dient u schriftelijk te doen en met redenen omkleed. De externe deskundige kan zo’n verzoek niet zondermeer naast zich neerleggen en is verplicht een eventuele afwijzing van een informant in het uiteindelijke deskundigenrapport te motiveren.



ANDERE RECHTEN DIE U HEBT TIJDENS HET ONDERZOEK

Recht op inzage in het dossier (ook tussentijds), recht op kopie, recht ook op rectificatie van de voorlopige rapporten. Het staat allemaal in de Richtlijnen cie. Dekker te lezen. U heeft ook het recht om commentaar te schrijven n.a.v. het rapport, welk commentaar vervolgens integraal onderdeel van het rapport behoort te zijn.

Wat er vaak fout gaat is het volgende. Wij menen dat het vanzelfsprekend is dat onderzoeksverslagen eerst ter rectificatie aan de cliënt worden aangeboden alvorens er conclusies worden getrokken. Eerst de bouwstenen goed afhechten die tot de conclusie moeten leiden, dan pas de conclusie zelf. Soms doen deskundigenbureaus dat allemaal in één keer: men krijgt het hele rapport in conceptvorm ineens te zien. Men mag dan, terwijl de conclusies er al staan, de feitelijke onjuistheden uit de verslagen halen. Niemand gelooft dat de conclusies nog in aanmerking komen om te worden gewijzigd. U kunt erop aandringen dat alle onderzoeksverslagen afzonderlijk door u op feitelijke onjuistheden worden onderzocht, alvorens het definitieve rapport (met conclusies) wordt gepresenteerd, waarop u dan weer een commentaar kunt schrijven. Overigens zijn er deskundigenbureaus die de conclusies op het juiste moment trekken en de hierboven aangeprezen systematiek als vanzelfsprekend beschouwen, ook al is zij tijdrovend.

We hebben in 2003 te maken gehad met een deskundigenbureau waarvan een “onderzoeker” (psycholoog, niet BIG-geregistreerd, geen psycholoog-NIP) weigerde inzage te geven in het conceptrapport, het al naar de rechter gestuurde rapport wel besprak, en toen er gewezen werd op een absolute misser (iets wat alleen door de moeder in kwestie verteld zou kunnen zijn, maar niet verteld was omdat het doodgewoon niet waar was) doodleuk opmerkte dat dit het definitieve rapport was, dat er daarom niets in veranderd of aan toegevoegd werd, en dat het al bij de rechter lag. Grote fout? Jammer dan.

Het kan zijn dat u vindt dat u onjuist bent behandeld en/of dat men tot de verkeerde conclusies is gekomen.
U heeft dan de mogelijkheid om een klacht of meerdere klachten in te dienen, men kan ook de weg proberen te gaan van de contra-expertise of van de second opinion.



KLACHTRECHT: MOGELIJKHEDEN EN NUT

Met kan een interne klacht tegen de deskundige indienen. Soms krijgen mensen de indruk dat de interne regeling eigenlijk gebruikt wordt om ze aan het lijntje te houden, om zodoende klachten bij andere instanties zo lang mogelijk uit te stellen. Als het goed is, geeft de deskundige u ongevraagd tijdens de eerste ontmoeting een klachtenregeling. De voorwaarden waaraan die klachtenregeling moet voldoen zijn vermeld in de Richtlijnen van cie. Dekker.
In ieder geval moet men zich kunnen wenden tot een onafhankelijke klachtencommissie.
Bij sommige deskundigenbureaus bestaat zo’n klachtencommissie alleen maar in naam.
Volgens de Richtlijnen behoort een pedagoog die in deze branche werkzaam is, lid te zijn van de NVO (Nederlandse vereniging van Onderwijskundigen en pedagogen). Lidmaatschap controleren bij de NVO en informeren naar de kwalificaties.
Psychologen behoren lid te zijn van het NIP (Nederlands Instituut voor Psychologen). Lidmaatschap controleren bij het NIP. Op zich garandeert het lidmaatschap niet veel, maar een lid valt onder het verenigingstuchtrecht en is tenminste student psychologie of psycholoog!
Psychiatrie is een specialisatie van het artsenberoep. Psychiaters vallen daardoor automatisch onder het medisch tuchtrecht.
Bij NVO, NIP en Medisch Tucht College bestaan Colleges van Toezicht, die een zekere kwaliteitscontrole zouden moeten uitoefenen in die zin, dat ze klachten behandelen over overtredingen van de betreffende beroepscode. Als men dus vindt dat een psycholoog zich tijdens het onderzoek niet volgens zijn beroepscode heeft gedragen, kan men een klacht bij het NIP indienen. Bij zowel de NVO als het NIP kan men tegen een beslissing van een College van Toezicht nog eenmaal in beroep (College van Beroep).
Tegen een beslissing van een Medisch Tucht College kan men in beroep bij het Centraal Medisch Tucht College. Zie op deze website in de map Publicaties ‘De kracht van de klacht’.

Nadeel van de procedures bij de beroepsgroepen is, dat ze over het algemeen erg lang duren: vaak langer dan driekwart jaar, t/m het hoger beroep duurt het ca. anderhalf jaar.

Een mogelijkheid tot klagen over het overtreden van de Richtlijnen van cie. Dekker door de externe deskundige is er verder niet, behalve de Nationale Ombudsman. Men kan de opdrachtgever erop wijzen.

Externe deskundigen vallen niet onder de inspectie jeugdhulpverlening, vallen niet onder de wet op de Jeugdzorg, vallen niet onder een Ministerie. Ook van die kant behoeft geen toezicht te worden verwacht.



CONTRA-EXPERTISE, SECOND OPINION, AANVULLEND ONDERZOEK

Er bestaat altijd de mogelijkheid om bij de rechter contra-expertise en/of second opinion aan te vragen.
Sterker, men heeft hier recht op. Dat betekent helaas echter niet automatisch dat men niet voor de kosten opdraait (zie BPR art. 810 a lid 2,3).

In de Richtlijnen van cie. Dekker komt ook een hoofdstukje over dit onderwerp voor. De opdrachtgever heeft de beleidsruimte om, o.a. op aangeven van de cliënt, bijv. tot een contra-expertise te besluiten. Omdat er in dat hoofdstuk in het geheel niet is aangegeven wanneer het voor de hand ligt om zoiets toe te staan, is het nogal vaag. De cliënt weet niet wanneer hij erop moet aandringen, de potentiële opdrachtgever weet in dit geval niet wat wijs is en wil de rechter verder niet in de wielen rijden. Aan ons is nog geen positief effect bekend van dit hoofdstuk.

Men kan ook buiten de rechter om een contra-expertise laten opstellen. Dan moet men uiteraard zelf betalen.
Probeer hiervoor een onderzoeksbureau te vinden dat ook wel voor justitie werkt.
Daarmee voorkomt u dat het rapport ongemotiveerd verworpen wordt.

In B. van den Berg, Deskundigheid in het geding, staat over contra-expertise o.a.: “… dient de ouder zelf aan de rechter te verzoeken of een contra-expertise mogelijk is. Indien een ouder een dergelijk verzoek doet, kan de rechter dit uitsluitend weigeren indien de contra-expertise niet van belang is voor de eindbeslissing en het belang van het kind zich tegen contra-expertise verzet. … Krachtens artikel 810a lid 1 Rv is de rechter echter bevoegd om een door een ouder aangeboden contra-rapport te weigeren indien het rapport niet tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen verzet.” (pag. 74/75)

Als de externe deskundige psycholoog of pedagoog is, kan hij als gezondheidszorg- psycholoog ingeschreven zijn. Controleer dat bij het BIG-register, onderdeel van het Ministerie van VWS: Postbus 16114, 2500 BC Den Haag, tel. 070 340 7911. U hebt daarvoor nodig de (meisjes)naam, alle voorletters en woonplaats. Ook kunt u aan de deskundige bewijs vragen van zijn registratie bij het BIG (let op: niet bij het ROG). Als hij niet ingeschreven staat, valt hij niet onder enig tuchtrecht. Dat is een goede reden om het onderzoek te weigeren en te verzoeken het onderzoek op te dragen aan een wel bij het BIG-register ingeschreven gezondheidszorgpsycholoog.

Als het om een onderzoek in het kader van ots gaat, dus terwijl er al een ots is, weiger dan niet een onderzoeksbureau dat wij u telefonisch afgeraden hebben zonder schriftelijk heel duidelijk te maken dat u wel wilt meewerken aan een onderzoek, alleen maar niet door dit bureau, waarvoor Bjz geen ander argument gegeven heeft dan "wij werken er altijd mee".
Wij hebben meegemaakt dat een moeder mondeling had verteld waarom zij niet wilde dat haar kind door dit bureau onderzocht werd, dat zij dus dit onderzoek weigerde, en dat er vervolgens een verzoekschrift tot uithuisplaatsing de deur uitging. Men staat dan sterker bij de rechter als men een stuk heeft liggen waaruit blijkt dat men geschreven heeft dat men in principe wel wil meewerken, maar liever, en ook alleen maar liever, een onderzoek heeft door een bureau dat bij cliënten beter bekend staat. Eindig uw brief met bijvoorbeeld: “Ik verzoek u mij te laten weten welk ander onderzoeksbureau u het onderzoek zult opdragen.” Bovendien krijgt u in reactie op uw brief ofwel gewoon een ander onderzoeksbureau, ofwel de mededeling dat u toch echt moet meewerken. Dan kunt u tegen die schriftelijke aanwijzing van de gezinsvoogd protesteren bij de kinderrechter.

Samenvattend kunnen wij zeggen dat het buitengewoon belangrijk is om een goede externe deskundige, goede vragen, goede voorinformatie te organiseren. Lukt dat niet of maar gedeeltelijk, dan zijn in geval van onjuiste conclusies de rampen vaak niet te overzien: als het al lukt om sommige conclusies terug te draaien, dan moet men daar veel tijd en moeite aan besteden. Daarbij moet men ook een halve deskundige zijn om zoiets op de juiste manier aan te zwengelen.



WEGLOPERS

In Trouw van 23 augustus 2003 vertelt Boris Dittrich, de fractievoorzitter in de Tweede Kamer van D’66, dat hij ooit van huis is weggelopen. "Toen we een liftplaats bij de snelweg passeerden, herinnerde ik mij ineens de dag waarop ik daar, op diezelfde plek, had gestaan. Het ging thuis niet goed, ik had het op school slecht naar mijn zin en ik dacht: ik ga de wijde wereld in. Het grote avontuur tegemoet. De eerste vrachtwagen die ik zag aankomen, stopte ook. Ik zie nog voor me hoe de chauffeur zich door de cabine boog om het portier aan de passagierskant open te kunnen doen. ‘Waar wil je naartoe?’ Ja, dacht ik, waar wil ik eigenlijk naartoe? ‘Maakt niet uit’, antwoordde ik ten slotte, ‘als ik hier maar weg ben.’ ‘Joh,’ zei die chauffeur, ‘ga toch lekker terug naar huis.’ Toen ben ik maar weer afgedropen. Wat er aan scheelde? Alles. Ik was een lastige puber. Ik vond dat ik volwassen was en zelf mocht bepalen wat ik wel of niet kon doen. Daar waren mijn ouders het niet mee eens. Dus: ruzies, slaande deuren, gemok aan tafel. Als ik nu, dertig jaar later, thuiskom, hebben mijn ouders het er nog over: ‘Weet je nog? Jij vroeger?’ … Ik had aandacht nodig, maar de aandacht die ik thuis, volop, kreeg, vond ik beknellend."

Veel weglopers treffen geen wijze chauffeur, maar hulpverleners en beschermers.



DE OUDERS

Bij veel kinderen komt het wel eens op om weg te lopen en een aantal voert het ook daadwerkelijk uit. Dan zult u al gauw uw toevlucht tot de politie nemen. Deze zal aan de hand van uw verhaal een inschatting maken of er al dan niet sprake kan zijn van een misdrijf. Hierop baseert de politie haar actie. Als stelregel wordt hiervoor een lage prioriteit gehanteerd (dus: daar beginnen wij niet aan). De meeste weglopers zijn immers binnen 24 uur weer thuis!

Ook u als ouder moet een inschatting maken van de situatie. Bedenk dat, als uw kind eenmaal in de "macht" is van de overheid, er een (wind)molen gaat draaien die zijn weerga niet kent. Maar daarover straks meer. Op het moment dat u weet waar het weggelopen kind verblijft, haal hem daar direct weg. Gebruik alle overredingskracht die u hebt, schakel uw familie in (geneer u alstublieft niet), of welke andere bekenden dan ook, om u hierbij te helpen. Overtuig hen van de noodzaak van hulp en bijstand. Als een opvangadres er lucht van krijgt dat de politie hen afdekt als zij melden dat er sprake is van verwaarlozing, mishandeling en misbruik, zal het moeilijk worden uw kind terug te krijgen.
U gaat automatisch de justitiële (wind)molen in.

Ons advies is: negeer de justitiële molen. Ga met niemand in gesprek, behalve natuurlijk met uw kind als u daar de kans toe krijgt, en verder alleen met de rechter.

U bent helemaal niet verplicht zelfs maar te reageren op de vrijwillige hulpverlening, crisisopvang, raad voor de kinderbescherming, gezinsvoogdij / bureau jeugdzorg.

U zult in alle rapportages de werkelijkheid van uw gezin en uzelf niet herkennen, het levert gegarandeerd niets goeds op voor u en uw kind, u raakt er wel overspannen van.
U gaat aan uw eigen gezond verstand twijfelen.
Doe het uzelf niet aan, speel helemaal niet mee in dit kafka-circus.

Helaas blijkt dit advies heel moeilijk te volgen voor de meeste mensen. Als u niet cynisch genoeg bent, als u nog een sprankje hoop hebt dat "de instanties" geïnteresseerd zijn in de waarheid en de werkelijkheid in wegloopgevallen, gaat u het spel wel meespelen. Als u dit beslist moet doen van uzelf, doe het dan op de onderstaande manier.

Als al gauw bij de politie bevestigd wordt dat er geen misdrijf in het spel is, maar huiselijke "taferelen" reden zijn voor het weglopen, wordt jeugd&zedenpolitie ingeschakeld. Deze probeert in gesprek te komen met de jeugdige. Afhankelijk van de verhalen vindt doorverwijzing plaats naar de vrijwillige jeugdhulpverlening. Hier buigt zich een maatschappelijk werker over de problematiek. Ter beoordeling aan de dienstdoende ambtenaar wordt u al dan niet op de hoogte gebracht van de verblijfplaats. Als ouders vormt u per definitie een groot gevaar voor uw kind. U krijgt evenwel "geruststellende" woorden te horen dat de verblijfplaats van uw kind bekend is. Zolang de jeugdige en zijn ouders meewerken wordt de problematiek in het kader van de "vrijwillige hulpverlening" aangepakt en wordt er naar een oplossing toegewerkt, wat in vaktermen heet "hereniging".

Er gaat zich een probleem voordoen als de jeugdige zich niet voegt in het vrijwillige kader (vakjargon voor: hulpverlener kan niets uitrichten want de patiënt werkt niet mee). Hiervoor zijn tal van redenen aan te dragen en er hoeft zeker niet direct gedacht te worden aan mishandeling, verwaarlozing en/of seksueel misbruik (strafbare feiten).

Een crisisopvang wordt vervolgens geregeld. De verblijfplaats wordt al dan niet aan de ouders medegedeeld.
Als criterium wordt hierbij meestal gehanteerd "of de jeugdige gevaar loopt".

Als een jeugdige het zat is om thuis te wonen en zich daar naar de regels te voegen, kan deze, al dan niet na een in scène gezette confrontatie, weglopen en dat naar derden toe motiveren met "strafbare" feiten waaraan hij thuis wordt blootgesteld. Als dit formeel onvoldoende aannemelijk gemaakt kan worden, voeren de hulpverlenende instanties als argument aan "om het kind te beschermen" dat er sprake is van "verstoorde relaties, waarbij gevreesd moet worden voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van de jeugdige." Dat is een doorslaggevende reden om kort daarna de rechter een "machtiging ots en uhp" uit te laten spreken. De onderbouwing is van ondergeschikt belang, en overgeleverd worden aan de willekeur van de instanties is uw directe toekomst.

Indien u een onschuldige ouder bent en gelooft in onze rechtsstaat waar rechtvaardigheid hoog in het vaandel staat, en ook gelooft in een deskundige aanpak van hulpverleners die als doelstelling meekrijgen relatieherstel tussen kind en ouders, zult u merken dat u volslagen bedrogen uitkomt en dat u door open en eerlijk te zijn tegen raadsmedewerkers en de kinderrechter regelrecht in de val loopt die u hiermee voor uzelf en uw kind lijkt op te zetten.



WAT IS HET GEVAL?

Zodra het vrijwillige kader het laat afweten (dan boft u nog, het kan ook gebeuren dat een kinderbeschermer in het vrijwillige kader u uit eigen beweging van alles in de schoenen schuift) wordt de RvdK ingeschakeld. Er vindt een "intake gesprek" plaats. In dit oriënterende gesprek wordt feitelijk bepaald of een justitiële maatregel gewenst is. Vervolgens wordt een raasmedewerker aangewezen die het "onderzoek" doet en het raadsrapport opstelt. Wat u als ouders niet weet is dat de opdracht die de raadsmedewerker meekrijgt, volledig anders is dan u mag verwachten als bezorgde en zorgzame ouder die "in het belang van het eigen kind" een gemeenschappelijk belang met de raadsmedewerker meent te hebben. Fout. Vele ouders hebben hier al eerder dan u leergeld moeten betalen. Een raadsrapport wordt volledig geschreven vanuit de positie van het kind, dat beschermd moet worden tegen de ouders die er de oorzaak van zijn dat het een zaak voor de RvdK is geworden. Daarom moet u als ouders niet versteld staan dat men u als criminelen behandelt, die gefaald hebben in de opvoeding van hun kind en daarbij allerlei, niet uitgesproken, strafbare methoden hebben gehanteerd. Om dat aannemelijk te maken wordt er in uw verleden gewroet.



HEERLIJKE HANDVATTEN VOOR EEN RAADSMEDEWERKER ZIJN:

· U was een kind van gescheiden ouders

· U hebt een verleden in een internaat

· U hebt als kind te weinig aandacht gehad

· U was (half)wees

· U bent opgegroeid in een groot gezin

· U bent in uw jeugd geslagen

· U bent in uw jeugd seksueel misbruikt

· Uw vader was werkloos

· U hebt in een zogenaamde achterstandswijk gewoond

· Er is sprake van een eenoudergezin

· Misschien maakt een mindervalide kind, moeder, vader, deel uit van het gezin

· U hebt psychische problemen en bent overspannen (geweest)

· Uw vrouw heeft last (gehad) van postnatale depressies

· U bent zelf pleegkind geweest

· U bent zelf een adoptiekind

· U hebt te veel huisdieren wat duidt op een asociale gezinssituatie

· Enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Met andere woorden: houd uw mond.

U denkt dat alles goed komt omdat er bij Justitie, waarvan de RvdK deel uitmaakt, aan waarheidsvinding wordt gedaan. Dat is een volgende foute gedachte! Uitgangspunt bij het raadsrapport is het woord van de jeugdige en men zoekt naar argumenten om dat te onderbouwen. Dit blijkt in de praktijk te gebeuren door ouders volledig te diskwalificeren om daarmee aan te geven dat u als ouders wel moest falen. Want gefaald hebt u, want uw kind is toch weggelopen!

Zo kunnen door de raadsmedewerkers in de jeugd van de ouders, een grabbelton van kind- en jeugdervaringen, volop gronden gevonden worden om aannemelijk te maken dat er sprake is van "verstoorde relaties" die ten grondslag liggen aan het weglopen van het kind.

U denkt dat u nog invloed hebt op het raadsrapport? Foute gedachte! Getuigen worden niet gehoord. Verder wordt door u aangedragen materiaal hoogstens voor kennisgeving aangenomen. U zult dit echter niet of nauwelijks herkennen in de definitieve versie van het raadsrapport. Logisch, het raadsrapport wordt niet voor uw gezin geschreven, nee het dient als uitgangspunt te hebben bescherming van uw kind, tegen zijn ouders. Uw kind is het slachtoffer van zijn ouders en daar wordt aan gewerkt. Het belang van uw kind staat de RvdK voor ogen, en dat is bescherming tegen de ouders.

Ach denkt u, wij leven toch in een rechtsstaat, en wij krijgen nog de gelegenheid om wijzigingen aan te laten brengen nadat wij inzage hebben gehad in het concept. Dit is een foute gedachte!

Verzending van de stukken kan op dusdanige wijze geschieden dat uw inbreng systematisch te laat aankomt.

Vervolgens denkt u: "Dan hebben we nog altijd de Kinderrechter."

Nogmaals een foute gedachte!

De kinderrechter volgt het raadsrapport. Simpel. Hij hoort uw inbreng aan, om vervolgens het verzoek van de RvdK in het raadsrapport te honoreren. Het rapport is een hamerstuk.

Voor zover u dacht dat er alleen een verzoek werd ingediend voor een ots, kijk goed uit. Soms wordt, zonder overleg met u, gelijktijdig een verzoek tot uhp gedaan en door de kinderrechter gehonoreerd. (Ach het kind is toch al niet meer thuis.) "Wat verwacht u van mij, dat ik het bij de haren pak en thuis aflever?" De ots wordt uitgesproken en met even groot gemak de uhp en uw kind komt voorlopig niet, of nooit meer, thuis.

Volledig van de kaart, uw kind kwijt, met het gevoel dat u een gediskwalificeerde burger bent, met een brandmerk ots op het voorhoofd, kruipt u in uw schulp terug.

Sociaal isolement staat u te wachten. Wat u is overkomen begrijpt u niet. Niemand begrijpt het. U durft er niet over te spreken. U bent niet meer in staat te werken en de WAO wordt uw voorland. Mogelijkheid om u te verdedigen tegen wat u is overkomen is niet aan de orde. U bent beschuldigd, maar naar het waarheidsgehalte van de beschuldiging kijkt niemand, en zonder enig onderzoek dat de naam onderzoek verdient wordt u bestempeld als iemand die zijn kind verwaarloost, mishandelt, seksueel misbruikt of die in ieder geval een gevaar vormt voor "het geestelijk en zedelijk welzijn" van uw eigen kind.

U denkt dat u nu wel het ergste achter de rug hebt? Foute gedachte.

In het vervolgtraject bent u overgeleverd aan de gvi/BJZ en een gezinsvoogd. Deze weten veel beter dan u wat er gedaan moet worden in het belang van uw kind en natuurlijk gaan zij het perfecte voorbeeld vormen voor de ouders en hun laten zien hoe het wel moet. Met deze illusie komt u van een koude kermis thuis.

U gaat nu het traject in van de "misverstanden", een stopwoord in hulpverleningsland.

Daar waar u in uw oprechte inzet voor het belang van uw kind ook uw missers hebt gehad, worden deze niet in een juist perspectief door de kinderrechter en de gezinsvoogd geïnterpreteerd.

Als zij zelf "missers" maken, vormt dit voor de instanties geen aanleiding om daaruit hun conclusies te trekken.
Erger nog, men cultiveert het en gaat gewoon door.



HET HULPVERLENINGSPLAN

Nadat de ots is uitgesproken wordt een gezinsvoogd(es) benoemd. Deze werkt volgens de Wet op de Jeugdhulpverlening binnen 6 weken een hulpverleningsplan uit. Wees op uw hoede.

Uitgangspunt voor het hulpverleningsplan is het raadsrapport. Als dit een onjuiste weergave van de jeugdige en zijn familie geeft zal dit toch de basis blijven voor het hulpverleningsplan.

Rectificatie en mogelijkheid tot waarheidsvinding, waaronder een deugdelijk feitenonderzoek met betrekking tot het raadsrapport, zijn niet aan de orde. Als u denkt dit bij de gezinsvoogd bij te stellen, komt u wederom van een koude kermis thuis. U blijft die verwaarlozende, mishandelende en seksueel misbruikende ouder en dat wordt allesbepalend bij de invulling van het hulpverleningsplan. U blijft behandeld als een crimineel. Het kind is uiteindelijk om die reden uit huis geplaatst, en daar tornen hulpverleners niet aan.

Daarnaast is opvallend dat gestelde doelen en middelen niet op elkaar zijn afgestemd, en bovendien beide zo worden opgesteld dat ze niet te toetsen zijn en een gezinsvoogd niet aan te spreken lijkt op haar verantwoordelijkheid ten opzichte van het hulpverleningsplan.



UW POSITIE TEN OPZICHTE VAN HET HULPVERLENINGSPLAN

Ook al stemt u niet in met het hulpverleningsplan, het wordt uitgevoerd. Als de doelstellingen niet gehaald worden, wordt even zo eenvoudig een bijgesteld plan opgesteld met een even zo "grote" kans van slagen. Lukt de uitvoering hiervan niet bijvoorbeeld omdat de jeugdige weigerachtig blijft om mee te werken, helaas, wij heffen de ots op en laten het kind aan het lot over … .

Wees op uw hoede. Gezinsvoogden kunnen net zo manipuleren met verzenden van stukken als sommige raadsmedewerkers. Ook komt het voor dat u stukken voor een zitting bij de kinderrechter pas ter plekke ontvangt.

Voordat het definitieve hulpverleningsplan tot stand is gekomen heeft het de instemming van de belanghebbenden nodig. Let op voor de stijgende invloed en het toenemende belang van het pleeggezin. In de praktijk blijkt dat dit belang en deze invloed vele malen groter zijn dan die van de eigen ouders.

Er zijn tijdsgrenzen gesteld aan het hulpverleningsplan, waarbinnen de gestelde doelen bereikt moeten zijn.
Verbaas u er niet over dat niets gerealiseerd wordt. De gezinsvoogd kan u uitgebreid uit de doeken doen waardoor dat komt. U zit ondertussen op een brandend kussen, er op uit dat er actie van welke orde dan ook komt omdat u het belang van uw kind geschaad ziet.

De jeugdige krijgt een belangrijke rol toebedeeld en kan deze straffeloos saboteren, ondanks dat hij ingestemd heeft met het plan.

U denkt als ouder dat de gezinsvoogd wel optreedt. Nogmaals zo’n foute gedachte, alhoewel hij vanuit uw invalshoek logisch is. U zult moeten accepteren dat u een passieve rol wordt toebedeeld.

Een ots en uhp worden voor bepaalde tijd uitgesproken, 6 maanden, 12 maanden. Voor verlenging dienen tijdig vorstellen ingediend te worden bij de kinderrechter. Indien u het er niet mee eens bent dient u dat op de zitting in te brengen. Wat tactisch handiger is en met meer kans op succes, is zelf actie richting de kinderrechter te ondernemen.
De gezinsvoogd wordt dan in een positie gemanoeuvreerd om tot de verdediging over te gaan.



MORELE CHANTAGE

Veel gebezigde uitspraken waar u mee geconfronteerd wordt zijn "Er moet rust komen voor het kind."
Vrij vertaald betekent het dat u niet lastig moet zijn en de situatie, dus ots&uhp, moet accepteren.

Als u aangeeft contact met de media te zoeken wordt u verweten "dat dit niet in het belang van het kind is" of dat dit belang geschaad wordt. Het tegendeel is echter waar.

Nadat raadsmedewerkers en gezinsvoogden ouders tot op de grond toe hebben afgebrand zeggen zij dat je "als ouders de deur tenminste op een kier moet laten voor je kind om terug te komen."



DE KLACHTENREGELINGEN

De klachtenregelingen zijn zeker niet cliëntvriendelijk. Cliënt is de term voor mensen die met de RvdK of Jeugdzorg te maken hebben. Je zou willen concluderen dat er een ontmoedigingsstrategie achter zit. Laat dit gevoel niet over u komen, ogenschijnlijk boekt u geen succes maar op den duur vormen alle kleine haarscheurtjes toch een grote scheur.



WELKE ACTIEVE ROL KUNT U IN DIT HELE PROCES SPELEN?

De politie kan (maar wil meestal niet) alleen voldoen aan uw verzoek tot O(psporing)A(anhouding)T(eruggeleiding) zolang er nog geen ots is.


Doe alles schriftelijk, verzend bij voorkeur per fax zodat u een verzendbevestiging hebt, en bevestig telefonische gesprekken schriftelijk. Houd van alles kopieën bij. Bewaar de ontvangen post met de daarbij behorende envelop. De datum poststempel kan heel belangrijk zijn.

Houd een ordentelijke administratie bij: dit kan u van pas komen. Houd een chronologische lijst bij van alle gebeurtenissen.

Neem gesprekken op de band op, ook de zitting bij de kinderrechter, het proces-verbaal van de zitting bevat te vaak onjuistheden en het is onmogelijk dit te corrigeren. U gaat een lijdensweg in. Vraag het proces-verbaal meteen op, anders wordt het helemaal niet gemaakt, liggen er alleen de aantekeningen van de griffier, die deze later ook niet meer kan lezen.

Voer klachtenprocedures, de regels hiervoor kunt u opvragen bij de Rvdk en de gvi/Bjz. Complicatie hierbij is de tijd die ermee gemoeid is om een klacht behandeld te krijgen.
U moet al gauw denken aan termijnen van maanden. Inmiddels kunnen heel andere problemen actueel zijn.

Houd wetswijzigingen in de gaten.


Neem een abonnement op Justitie Magazine (gratis) en op Perspectief, informatie- en opinieblad voor de jeugdbescherming. Aanvragen: Justitie magazine, schriftelijk bij Ministerie van Justitie, directie Voorlichting, t.a.v.secretariaat, postbus 20301, 2500 EH Den Haag; Perspectief, schriftelijk, per fax of e-mail bij GHS grafische producties bv, postbus1023, 2430 AA Noorden, fax 0172-407 015, e-mail info@ghs-bv.nl.

Leg alvast contact met de media. Over de inhoud van publicaties en uw intentie is goed te overleggen.


Houd contact met school, hoe moeilijk dat ook is.



WAT U IN IEDER GEVAL MOET WETEN

Bij de kinderrechter hebt u geen advocaat nodig; als u denkt een advocaat nodig te hebben, moet u er op letten dat deze gespecialiseerd is in het jeugd- en familierecht, anders is het middel erger dan de kwaal. Vraag van een zitting altijd een proces-verbaal op.

Vertrouw een raadsmedewerker en een gezinsvoogd pas achteraf.
Geef geen vertrouwelijke informatie (geef dus zo weinig mogelijk informatie).
U kunt namelijk niet overzien hoe de verstrekte informatie tegen u gebruikt kan worden.



HET KIND

Het is moeilijk om je als ouder voor te stellen hoe je kind deze periode doormaakt. Als je je gevoel laat spreken, weet je gewoon, ondanks dat je kwaad bent uit een gevoel van machteloosheid, dat je kind verward is (hieraan hoeven echt geen zware psychische oorzaken ten grondslag te liggen). Zeker is, dat jij als ouder nooit kunt voldoen aan het beeld van de ideale ouder, wat een kind daar dan ook onder verstaat. Als ouders ben je te streng, je mag als kind niets (in ieder geval altijd minder dan je vrienden), je krijgt altijd te weinig zakgeld, je moet altijd te vroeg thuis zijn, als je wordt opgehaald is dat een blamage en beperkt het jouw vrijheid, je ouders zien er niet uit, dragen nooit de "goede" kleding, hebben niet de juiste auto, wonen niet in het juiste huis, gaan naar het verkeerde vakantieadres en zo zijn er legio dingen te bedenken waardoor jij als kind vindt dat je het slecht met je ouders getroffen hebt. Je voelt je op een gegeven moment het kind met de boze stiefmoeder en je zult alles zoeken ter bevestiging. Een negatief beeld ontstaat waarin ouders geen goed kunnen doen ten opzichte van hun kind, maar als gevolg kinderen ook niet ten opzichte van hun ouders.

Als kind vind je al gauw dat je de hele wereld aankunt, terwijl ouders gelijktijdig vinden dat hun kind voor bepaalde zaken nog niet rijp is. Het gevolg is strijd, strijd …, waar geen eind aan lijkt te komen.

Dan loop je als kind weg als het je teveel wordt. Je zoekt je toevlucht bij vrienden of familie en in veel gevallen komt het gewoon weer goed. Er is weer een stap gezet op de weg naar volwassenheid voor jou als kind, en een bewustwording bij ouders dat ze jou iets meer ruimte moeten geven, ook al zal dat vaak zijn met een gevoel van "op hoop van zegen".

Wat gebeurt er nu als je je toevlucht hebt genomen tot een jongerencrisiscentrum, of een gezin dat er belang bij heeft om jou daar te houden. Zonder dat je je ervan bewust bent, want het is een nieuwe situatie waarvan je geen idee hebt wat de gevolgen zijn, word je in jouw idee over je ouders bevestigd. Natuurlijk werd je door je ouders "geslagen", "mishandeld", "misbruikt en uitgebuit" en "verwaarloosd" en je ouders vormen voor jou het grootste gevaar op aarde. Om nog maar niet te spreken van de familie die eraan kleeft.

Wat triest is, is dat alles wat je zegt als onomstotelijke waarheid wordt aangenomen. Mensen waar je een beroep op doet hebben daarvoor hun eigen reden en voordat je het weet lijkt er geen weg meer terug.

De politie gelooft je en je ouders zijn vanaf dat moment criminelen en worden als zodanig behandeld.

De kinderbescherming gelooft je en zal alles doen om een rapport te schrijven dat jouw beeld bevestigt en je werkt daar tegen beter weten in aan mee omdat één ding zeker is, je wilt niet meer naar huis. Alles ie beter dan dat, vooral na de verhalen die je rondgestrooid hebt.

De kinderrechter zul je zeker niet wijzer maken. Het volstaat voor hem, dat je zegt dat je niet meer naar huis wilt en vervolgens hoef je niet terug naar je ouders. Je denkt dat je nu "vrij" bent.

De gezinsvoogd gaat verder met jouw verhaal. Jouw ouders zijn de grootste boeven die hun kind naar het leven staan en waar niet mee valt te praten. Aangezien zij als uitgangspunt heeft dat je tegen de zin van een kind niets bereikt, kun je rustig doorgaan met wat je in gang gezet hebt, voor je gevoel ben je nog altijd vrij want iedereen doet wat jij wilt.

Nu wordt het zelfs comfortabel want nu gaat de royale geldkraan van justitie open. Je hebt voor elkaar gekregen, door hardnekkig te weigeren er weg te gaan, dat het adres waar je verblijft van crisisopvang officieel pleegadres is geworden. Het pleeggezin krijgt een vergoeding, en daarnaast worden o.a. kosten voor opleiding en ziektekosten vergoed en komt er een bijdrage voor kleding. Bij elkaar bijna een bijstandsuitkering, waar toch vele gezinnen van rond moeten komen, en dat alleen voor jou. Als je er nog wat bij gaat werken is het financieel gezien zeker niet slecht. Daarnaast blijft het circus van hulpverleners op volle toeren voor jou draaien; het kan echter ook zo uitpakken dat je elders wordt geplaatst, bij een vreemd pleeggezin of in een tehuis. Indien je daar al de leeftijd voor hebt, kun je naar een project begeleid wonen waar je wordt voorbereid op zelfstandigheid, maar alleen als jij dat wilt. Doordat de instanties altijd gebrek aan tijd hebben kan het in de praktijk nog wel eens anders uitpakken dan voorgespiegeld was. Je bent overgeleverd aan de willekeur en kwaliteit van Jeugdzorg en Pleegzorg. Inmiddels heb je zoveel macht gevoeld dat je weet dat je veel naar jouw hand kunt zetten.

Zeker gevolg van hetgeen je bewerkstelligd hebt is, dat je naar het lijkt een hele wereld tegen je ouders hebt opgezet. Een weg terug wil je dan zeker niet meer. Hadden ze maar niet zo lelijk tegen je moeten doen!
De scheiding lijkt definitieve vormen aan te nemen.

Omdat je ouders in de ontstane situatie tegen een machtsblok van de overheid aanbotsen, zul je merken dat zij alles doen om zich tenminste te verdedigen tegen het "onrecht" dat jij hebt aangekaart, maar waar ambtenaren niet juist mee zijn omgegaan. Het gevolg is dat advocaten worden ingeschakeld en dat er zittingen bij de kinderrechter plaats vinden, en ook dat er een scala aan klachtenprocedures volgt met als doel om de echte waarheid boven tafel te krijgen. Hierbij is hun hoop erop gevestigd, dat indien alle beschuldigingen binnen de juiste proporties worden teruggebracht, herstel mogelijk is (let op, dit is niet hetzelfde als hereniging); veelal worden deze acties door pleeggezin, gezinsvoogd en andere vertrouwenspersonen gebruikt om jouw negatieve beeld van je ouders te versterken.



ADVIES AAN HET KIND

1. Ouders blijven ouders, zij zullen alles doen wat in hun vermogen ligt in jouw belang.
Dit is zonder enig voorbehoud.

2. Houd er wel rekening mee dat ouders momenten van sterkte en zwakte hebben, geconfronteerd worden met eigen problemen, ziekte, relatie, werk, net als jij. Probeer daarvoor ook geestelijke ruimte te creëren net als jij van hen verwacht in moeilijke situaties.

3. Houd ook goed voor ogen wat jouw eigen aandeel in de gerezen problemen is.

4. Sta open voor hulp, maar pas ervoor op dat je niet wordt verleid om je te laten opzetten tegen je ouders. De bestaande problematiek is voldoende!

5. Houd vast aan het idee dat je ouders van je houden. Onder bepaalde omstandigheden zullen ze daar niet aan toegeven uit een soort zelfbescherming omdat ze vreselijk gekwetst zijn. Mogelijk herken je eenzelfde houding bij jezelf.

6. Als ouders voor jou vechten in deze situatie, vergelijk het met het vechten voor een ziek kind waarbij de artsen een foute diagnose hebben gesteld en een verkeerde behandeling hebben gegeven met grote schade.

7. Houd vast aan het idee dat alles opgelost kan worden. Als je een kans krijgt tot herstel: wacht niet.
Je bespaart jezelf en ook je ouders onnodig verdriet.

8. Ook als een actie niet direct het verwachte resultaat oplevert, wanhoop niet.

9. Zoek desnoods iemand die vertrouwen van beide kanten geniet en bereid is naar vermogen te helpen.

10. Accepteer dat vertrouwen tussen ouders en kind weer moet groeien. Er is per slot veel over-en-weer gebeurd.

11. Leer te vergeven, vergeten hoeft niet, accepteer het gebeurde desnoods als een levensles.

12. Houd contact, al is het maar dat je eenmaal per jaar een kerst- of verjaardagskaart stuurt; laat je niet van de wijs brengen als er geen reactie komt. Zet door zonder verwachting.
De tijd is er misschien nog niet rijp voor.



FAMILIE EN VRIENDENKRING

Bij de gerezen problemen rond het weggelopen kind staan familie en vrienden eerst aan de zijlijn. Ook bij hen spelen veel emoties. Velen begrijpen niet wat er is gebeurd. Ook zij gaan door de emotionele molen van "wie heeft er gelijk, het kind of de ouders". Wees eerlijk in je beoordeling en ga gerust op je gevoel af. Natuurlijk blijft het een moeilijk onderwerp om over te praten.

Natuurlijk vraag je je af of er misschien iets is gebeurd wat je niet gezien hebt. Toch zie je ook ouders die vechten om hun kind en een verbeten strijd met de instanties aangaan. Waarom houden ze niet op zul je je afvragen, ze gaan eraan onderdoor. Je begrijpt niets van de strijd die gevoerd wordt terwijl het toch om zoiets fundamenteels gaat, nl. het belang van het eigen kind, zijn leven en toekomst. Veel familieleden en vrienden haken helaas af, terwijl elk beetje ondersteuning zo van essentieel belang is. De strijd wordt veel zwaarder naarmate je als ouders alleen komt te staan.



WAT KUN JE IN ZO’N SITUATIE VOOR HEN BETEKENEN

Geef het vertrouwen maar blijf zeker reëel, ga er in ieder geval niet tussen staan

Voorkom dat ze in een isolement raken

Mogelijk kent u lotgenoten waar u ze mee in contact kunt brengen

Sta open als opvang, ook voor het weggelopen kind

Veroordeel niet: zoiets kan iedereen overkomen

Kies geen partij.



HET PLEEGGEZIN

Er zijn gezinnen die zich openstellen voor de opvang van kinderen van anderen, wat ook daarvoor de reden moge zijn. Van belang is wel te weten welke motieven eraan ten grondslag liggen om te bepalen of zij een positieve bijdrage kunnen leveren "in het belang van het kind" dat door omstandigheden bij hen geplaatst wordt. Indien er signalen komen dat het hulpverleningsplan waar alle partijen mee ingestemd hebben gefrustreerd wordt, dat schriftelijke aanwijzingen niet opgevolgd worden, dan dienen er maatregelen genomen te worden om de uitvoering van het hulpverleningsplan veilig te stellen, want dit is opgesteld met "het belang van het kind" voor ogen. Dan schort het hier nogal eens aan en loopt uw kind grote risico’s, wat niet ongemerkt aan u als ouder voorbij gaat. In de praktijk blijkt dat deze zorg noch door de gvi noch door pleegzorg wordt gedeeld. Zij beroepen zich op allerlei buiten hen liggende oorzaken waardoor een beter alternatief niet aan de orde is. Bovendien: hoe haalt u het in uw hoofd om als gediskwalificeerde ouder zich hiermee te bemoeien.

Twee waarschuwingen voor pleeggezinnen:

1) U hoeft het niet te accepteren als de gvi u bericht stuurt, dat een gedeelte van de pleegvergoeding gespaard wordt voor het pleegkind.

2) Als het pleegkind betaald werk verricht, moet u bij Bjz informeren, omdat bij een bepaalde grens het kind geacht wordt zelf de pleegvergoeding (gedeeltelijk) te betalen. Als u het inkomen van het pleegkind niet meldt en gewoon de vergoeding van pleegzorg ontvangt, bestaat de mogelijkheid dat u plotseling veel geld moet terugbetalen.

De Wet op de jeugdzorg zegt in artikel 70 lid 1: Een jeugdige aan wie jeugdzorg wordt geboden als bedoeld in artikel 69, eerste lid, is aan de zorgaanbieder een bijdrage verschuldigd in de kosten van de zorg.



DE KOSTEN, LBIO EN KINDERBIJSLAG

Naast de kosten die u maakt voor advocaten, zult u een bijdrage moeten betalen in de kosten van uw kind, zodra de kinderrechter een uithuisplaatsing heeft uitgesproken en uw kind daadwerkelijk in een pleeggezin of instelling terechtkomt. Om deze bijdrage te innen krijgt u maandelijks een acceptgiro van het LBIO. U moet dit zien als een soort incassobureau. Het bedrag dient u te betalen, maar als u geen kinderbijslag ontvangt voor dit kind, bestaat de mogelijkheid dat u gekwalificeerd wordt als "schrijnend geval", wat voorlopig nog opschorten van incassomaatregelen betekent. De Tweede Kamer moet nog beslissen, of u zonder kinderbijslag toch de LBIO-bijdrage moet betalen.

Om kinderbijslag te blijven ontvangen is het nodig dat u een bepaald minimumbedrag per maand voor uw kind uitgeeft. Misschien wilt u zelf o.a. de ziektekostenverzekering blijven betalen.

De Wet op de jeugdzorg zegt in artikel 71 lid 1 onder e: Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien: … het bij algemene maatregel van bestuur aan te geven inkomen van de jeugdige € 226,89 of meer per maand bedraagt. (Interessant is ook lid 1 onder d: "Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien aan een minderjarige jeugdige nog jeugdzorg wordt geboden als bedoeld in artikel 69 na schriftelijk aan het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen kenbaar gemaakt bezwaar door degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die tot verlening van zodanige zorg strekt of die deze noodzakelijk maakt." Als uw kind is weggelopen is het dus zaak onmiddellijk aan het LBIO te melden dat u niet akkoord gaat met hulpverlening en niet bereid bent daarvoor te betalen. Zolang er dan geen ots met uhp is uitgesproken, hoeft u tenminste niet te betalen voor iets waar u het niet mee eens bent.

Let op dat u niet teveel betaalt: U hoeft allen het LBIO te betalen. Andere kosten, waaronder schoolgeld, boekengeld, ziektekosten, verzekeringen, worden door Bjz betaald. Ook als u bijvoorbeeld een officieel bericht krijgt dat uw kind nu op een andere school zit en dat u daarom reiskosten moet betalen, is dit eenvoudig niet juist. Alleen het LBIO betalen, verder niets, behalve als u dat zelf wilt.

Denk rustig na over wat u wilt met de financiën. Vaak krijgen ouders onmiddellijk een formulier onder de neus dat zij zogenaamd verplicht zijn meteen te tekenen, en waarin staat dat zij afzien van de kinderbijslag. Doe het niet. Misschien wilt u wel liever nog een paar zaken zelf betalen, en het is dan dus mogelijk dat u recht houdt op de kinderbijslag.
(Of misschien krijgt uw kind zelfs zijn verstand terug en komt hij weer naar huis.)



KWALITEIT UITSPRAKEN KLACHTENCOMMISSIE, EEN PAAR VOORBEELDEN, EN WAT U KUNT VERWACHTEN

Een klacht, ingediend bij de klachtencommissie van de RvdK over afspraken over gespreksverslagen die niet door de raadsmedewerker werden toegestuurd, wordt afgedaan met: "Klagers hebben dit waarschijnlijk bij de uitleg niet goed begrepen." Uitspraak: "Bij gebrek aan wetenschap is het de commissie niet duidelijk geworden of het maken en toezenden van een gespreksverslag is toegezegd. Dit is geen gebruikelijke gang van zaken bij het verrichten van onderzoek. Aangetekend zij dat het te betreuren valt dat de raadsonderzoeker wegens zijn afwezigheid geen nadere helderheid hierover heeft kunnen verschaffen ter zitting. De commissie acht dit klachtpunt ongegrond."

Een klacht over het toeschrijven naar de conclusie in het rapport wordt verworpen: "De Raad komt op grond van het onderzoek tot de conclusie dat de puber zodanig opgroeit dat haar zedelijke en geestelijke belangen ernstig worden bedreigd". Op de zitting is gezegd: ‘deze zinsnede wordt door "leken" (=ouders) vaak verkeerd geïnterpreteerd. Het is juridische taal. Deze woorden staan als zodanig in de wet genoemd als voorwaarde om tot een ots te komen, dus … .’ Snapt u goed wat hier staat? Er was geen reden voor een ots, maar de RvdK wou een ots, nam dus de voorwaarden uit de wet voor een ots over als conclusie, zonder aannemelijk te maken dat in het concrete geval die voorwaarden inderdaad waren vervuld.

De klachtencommissie doet een klacht over het niet doen aan waarheidsvinding met betrekking tot geuite beschuldigingen die ten grondslag liggen aan ingrijpende maatregelen af met: "De Raad is geen politie."
Om vervolgens tot de uitspraak te komen: "Waarheidsvinding tijdens het onderzoek is volgens de klachtenregeling niet klachtwaardig. Het betreft hier echter een "grijs" gebied: feitelijke en relationele zaken zijn in het geding.
De commissie heeft echter het standpunt ingenomen dat de Raad, alhoewel feitelijke zaken niet altijd correct zijn weergegeven, zich voldoende moeite heeft getroost om met betrekking tot relationele zaken een juiste stand van zaken weer te geven. Dit klachtpunt is ongegrond."



WAT KUNT U VERWACHTEN DAT ER MET WEL GEGROND VERKLAARDE KLACHTEN GEBEURT?

Citaat uit een brief van de RvdK aan een klager: "voorts meld ik u dat binnen de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Noord-West, in iedere werkkamer een afsprakenboek (losbladig) aanwezig is. Daarin is een apart hoofdstuk gewijd aan de beklagregeling. Twee maal per jaar worden de gegrond verklaarde klachten doorgenomen en worden de medewerkers daarop geattendeerd door middel van een vermelding in het afsprakenboek en door een beleidsaanwijzing. Daarmee worden de klachten op een algemeen niveau gebracht."

Conclusie, het voeren van klachtenprocedures is zinloos als u hiermee hoopt te bereiken dat er in uw zaak bijgestuurd zal worden.

Overigens hebben wij ook meegemaakt dat de RvdK Zuid-West iedere instantie die het raadsrapport had ontvangen een brief stuurde waarin gemeld werd dat het voornaamste argument voor de conclusie van het deskundigen-onderzoek onjuist was gebleken. Hier had het raadsrapport op zijn beurt zwaar op geleund. Een enkele keer helpt een klachtprocedure (in dit geval bij NVO en NIP) dus wel degelijk, maar dan moet u er wel heel erg veel energie en tijd in stoppen.



KWALITEIT VAN SOMMIGE DESKUNDIGENBUREAUS

Een voorbeeld: ouders vragen uit zorg voor hun weggelopen dochter therapeutische begeleiding. De gezinsvoogd maakt hier therapeutische behandeling van, en het deskundigenbureau schrijft: "De gezinsvoogdes verzoekt om advies met betrekking tot de noodzaak van therapeutische plaatsing van de jeugdige."

Als ouders hebt u het beste voor met uw kinderen. Er zijn in een gezinssituatie echter omstandigheden waarbij de prioriteiten anders komen te liggen. Ziekte, overlijden, geboorte zijn zo van die factoren waardoor de dagelijkse gang van zaken verstoord kan worden. Het vraagt een aanpassing van de betrokkenen om een nieuw evenwicht te vinden. Soms is hierbij hulp nodig, waarbij in eerste instantie een beroep op familie, vrienden en kennissen gedaan zal worden. Ook kan het wenselijk zijn professionele hulp in te roepen. Maar let nu op … .

Als u professionele hulp inroept gaat het probleem soms een eigen leven leiden. Als buiten-staanders menen dat Bjz/ RvdK moet worden ingeschakeld, bent u uw kind al bijna kwijt en kunnen gezinsleden van elkaar gerukt worden "in het belang van het kind", waarbij de professionals uitblinken in willekeur. Naast de oorspronkelijke problemen komt er nu ook nog het gevecht om uw kind bij.

En als de wegloper wegloopt uit het pleeggezin? Dan trekt men niet de conclusie dat het misschien dan toch wel niet aan de ouders lag. De 15-jarige trekt nu in bij een vriendje?
Ook goed. Als ouder kunt u in een dergelijk geval wel de kinderrechter verzoeken een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor jeugdzorg, anders dan een pleeggezin te geven. Dan kan Bjz uiteraard niet voorkomen dat het kind daar (voor de derde keer dus) weer wegloopt, maar daarna staat u wel heel sterk als u opheffing ots verzoekt: de instanties blijken totaal geen greep op uw kind te hebben. Als geen instantie er zich meer mee bemoeit, is de kans groter dat uw kind weer terugkomt.



OUDER ZONDER OUDERLIJK GEZAG

Een ouder zonder ouderlijk gezag, ook een ontheven of ontzette ouder, heeft wel een plaats in het geheel van de kinderbeschermingsmaatregel, maar toch een andere dan een ouder met ouderlijk gezag. Hij zal vaker nog dan een ouder met ouderlijk gezag merken dat de RvdK, Bjz, externe deskundige enzovoort hem niet serieus nemen en zijn woorden niet geloven.

Het komt nogal eens voor, dat een gezinsvoogd de banden van een in een pleeggezin geplaatst kind met de familie poogt door te snijden. Met name grootouders zijn hier de dupe van. "Er zijn nu zoveel opa’s en oma’s …". Deze familieleden verzoeken dan soms de kinderrechter om een omgangsregeling. In dat geval heeft ook de niet met het gezag belaste ouder het recht gehoord te worden als belanghebbende, en het recht de bij het verzoekschrift behorende bescheiden en het verweerschrift toegezonden te krijgen.

Als een ouder zonder ouderlijk gezag zelf een door de rechter vastgestelde omgangsregeling met zijn kind heeft, moet Bjz zich daar aan houden. Wel kan Bjz de rechter verzoeken de regeling te wijzigen. Als de rechter dat verzoek gehonoreerd heeft, kan de ouder uiteraard in beroep, of later als dat nodig is weer vragen de wijziging te wijzigen. Als Bjz zich niets aantrekt van de uitspraak van de rechter staat u machteloos, behalve als u een dwangsom krijgt op de omgangsregeling.

Een ouder zonder ouderlijk gezag heeft recht op dezelfde informatie van derden als een ouder met gezag.
Hij kan als hij die informatie toch niet krijgt, de rechter verzoeken te bepalen dat de informatie moet worden verstrekt (art. 1:377c lid 1 en 2).

Artikel 377c gaat over informatie die moet worden verstrekt door "derden die beroepshalve beschikken over informatie die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen." Daar vallen pleegouders niet onder, maar wel medewerkers van de RvdK, gezinsvoogden, de mensen die in een (residentiële) voorziening werken, leraren op scholen, kortom iedereen die zijn brood verdient met alles waar uw kind mee te maken heeft. De ouder zonder ouderlijk gezag heeft dus in principe recht op inzage en afschrift van alle papieren over zijn kind bij alle instanties.

Ook heeft een ouder zonder gezag hetzelfde klachtrecht als een ouder met gezag: dus bij de directeur van de vestiging van de RvdK waar hij mee te maken heeft, bij de externe klachtencommissie voor de RvdK, bij de klachtencommissies van alle andere instanties over een "gedraging" van de instantie of een "gedraging" van hiervoor werkzame personen, en bij de Nationale Ombudsman.

Als een uitvoerende instantie of een Bjz geen klachtencommissie heeft, kan iedereen die het recht heeft een klacht in te dienen, een verzoek doen aan de kantonrechter waar de plaats onder valt waar uitvoerder of Bjz is gevestigd, om de betreffende instantie te verplichten een regeling te treffen voor de behandeling van klachten.

Een ouder zonder ouderlijk gezag kan de rechter de ondertoezichtstelling van zijn kind verzoeken, maar hij heeft niet het recht te verzoeken Bjz te vervangen.

Hij heeft het recht de rechter te verzoeken de ots te verlengen, maar hij heeft niet het recht te verzoeken de ots op te heffen. Wanneer Bjz de ots wil verlengen en hij daar bezwaar tegen heeft, roept de kinderrechter hem weer wel op voor de zitting.

Hij kan niet Bjz verzoeken een aanwijzing geheel of gedeeltelijk in te trekken, of een uhp te bekorten of te beëindigen.

Ook heeft hij niet het recht de kinderrechter te verzoeken een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren, of een machtiging tot uhp in te trekken of de duur ervan te bekorten.

Soms vragen pleegouders naamswijziging voor hun pleegkind. Ook de ouder zonder gezag heeft het recht dan als belanghebbende gehoord te worden.

Als uw kind uit huis geplaatst is en wegloopt naar u toe, doet u wat u hierboven hebt gelezen: het kind binnenlaten of het ophalen vanwaar het u opbelt. Het pleeggezin of het tehuis bellen om te zeggen dat het kind niet in gevaar is (als de verhouding met de andere ouder niet totaal onmogelijk is: die ouder bellen).

Weigeren om het kind terug te brengen omdat u het vertrouwen van het kind niet wilt beschamen, zeggen dat u het kind eigenlijk bij u wilt houden. Weigeren iemand binnen te laten die niet politie met een huiszoekingsbevel is. Met het kind afspreken dat het rustig meegaat met politie met een huiszoekingsbevel. Tenslotte kan het de volgende dag weer weglopen. De politie blijft niet ophalen! Maar: lees pag. 48.

Als uw kind niet uit huis geplaatst is, alleen een ots heeft, bij de andere ouder woont en wegloopt naar u toe, ligt de situatie veel moeilijker. Als een kind wegloopt van een ouder die ouderlijk gezag heeft naar de instanties toe, dus bijvoorbeeld naar een JAC, AJO of crisisopvang, staan alle instanties klaar om hem te steunen in zijn verzet tegen die ouder. Maar als een kind wegloopt naar zijn andere ouder wordt het die ouder en het kind heel moeilijk gemaakt. Als de ouder bij wie het kind eigenlijk woonde het niet goed vindt, zijn de ouders het niet eens over de verblijfplaats, en dan is het antwoord al gauw: uithuisplaatsing. Natuurlijk kan het kind dan weglopen, maar een kind moet daar allemaal maar tegen kunnen.

Een slim kind dat bij de ouder met ouderlijk gezag woont en absoluut bij de ouder zonder ouderlijk gezag wil wonen, loopt dus weg naar een of andere instantie, en probeert van daaruit officieel terecht te komen bij de ouder bij wie hij wonen wil.

Tip voor een dreigende uhp wanneer het kind bij één ouder woont:

Als de ouder bij wie het kind officieel woont het goed vindt dat het kind bij de andere ouder gaat wonen, moeten beide ouders dat gewoon uitvoeren. Bepalen waar het kind zijn verblijfplaats heeft is het recht van een ouder met gezag, zolang er geen uhp is uitgesproken door de kinderrechter (uitspraak van de Hoge Raad). En daarna kan het een merkwaardige situatie worden als de ouder bij wie het kind nu woont geen ouderlijk gezag heeft: de gezinsvoogd wil misschien dat het kind teruggaat. Maar de ouder zonder gezag hoeft geen aanwijzing van de gezinsvoogd op te volgen. Als het kind jonger is dan 12 jaar, hoeft het kind dat ook niet, en als het kind ouder is dan 12 jaar en hij doet het eenvoudig niet, heeft dat geen consequenties.



HET INDIENEN VAN KLACHTEN EN EIGEN KRACHT

Bij klachten moet u onderscheid maken tussen klachten over de RvdK en overige klachten.

RvdK: klacht bij de directeur (verdoe geen tijd aan bemiddeling), daarna klachtencommissie,
daarna Nationale Ombudsman.

Alle andere instanties behalve justitiële jeugdinrichtingen: klachtencommissie, daarna Nationale Ombudsman. Als de klachtencommissie uw klacht niet op tijd behandelt, of weigert uw klacht te behandelen als u niet eerst wilt "bemiddelen" of omdat u te laat zou zijn met uw klacht: meteen de Nationale Ombudsman. Wend u bij zeer ernstige zaken tot de betreffende Gedeputeerde in uw provincie.
Wend u tot deze Gedeputeerde als de klachtencommissie uw klacht niet op tijd behandelt, of weigert uw klacht te behandelen als u niet eerst wilt "bemiddelen" of omdat u te laat zou zijn.

Wend u ook tot deze Gedeputeerde als er een ots is uitgesproken en u liever een plan opgesteld ziet door mensen die u zelf kiest dan door professionals: kent uw provincie de "Eigen Kracht Conferentie"? Zie www.eigen-kracht.nl.

Provincie Drenthe, Postbus 122, 9400 AC Assen
Provincie Friesland, Postbus 10120, 8900 HM Leeuwarden
Provincie Gelderland, Postbus 9090, 6800 GX Arnhem
Provincie Groningen, Postbus 610, 6700 AP Groningen. Gedeputeerde Staten zijn te spreken op de eerste dinsdag van elke maand van 17 tot 18 uur, Martinikerkhof 12 in Groningen, uw komst telefonisch aan te kondigen op nummer 050- 3164132 tot 12 uur op diezelfde dag.
Stadsgewest Haaglanden, Postbus 66, 2501 CB Den Haag
Provincie Limburg, Postbus 5700, 6202 MA Maastricht
Provincie Noord-Brabant, Postbus 90151, 5200 MC ‘s-Hertogenbosch
Provincie Noord-Holland, Postbus 123, 2000 MD Haarlem
Provincie Overijssel, Postbus 10078, 8000 GB Zwolle
ROA, Weesperstraat 111, 1018, VN Amsterdam
Stadsregio Rotterdam, Postbus 21051, 3001 AB Rotterdam
Provincie Utrecht, Postbus 80300, 3508 TH Utrecht
Provincie Zeeland, Postbus 6001, 4330 LA Middelburg
Provincie Zuid-Holland, Postbus 90602, 2509 LP Den Haag
Provincie Flevoland, Postbus 55, 8200 AB Lelystad. Zie de brief hieronder.



Wettelijke regelingen

Door Nederland ondertekende verdragen gaan boven Nederlands recht

IVRK: Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind

Uit de Preambule:

… Ervan overtuigd dat aan het gezin, als de kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap volledig kan dragen,

Erkennende dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezin, in een sfeer van geluk, liefde en begrip,

Overwegende dat het kind volledig dient te worden voorbereid op het leiden van een zelfstandig leven in de samenleving, en dient te worden opgevoed in de geest van de in het Handvest der Verenigde Naties verkondigde idealen, en in het bijzonder in de geest van vrede, waardigheid, verdraagzaamheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit, Enz. …

Artikel 3

1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
2.…

Artikel 5

De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.


Artikel 9

1. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.

In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.

De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.

Indien een dergelijke scheiding voortvloeit uit een maatregel genomen door een Staat die partij is, zoals de inhechtenisneming, gevangenneming, verbanning, deportatie, of uit een maatregel het overlijden ten gevolge hebbend (met inbegrip van overlijden, door welke oorzaak ook, terwijl de betrokkene door de Staat in bewaring wordt gehouden) van een ouder of beide ouders of van het kind, verstrekt die Staat, op verzoek, aan de ouders, aan het kind of, indien van toepassing, aan een ander familielid van het kind de noodzakelijke inlichtingen over waar het afwezige lid van het gezin zich bevindt of waar de afwezige leden van het gezin zich bevinden, tenzij het verstrekken van die inlichtingen het welzijn van het kind zou schaden. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijk verzoek op zich geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene(n).

Artikel 25

De Staten die partij zijn, erkennen het recht van een kind dat door de bevoegde autoriteiten uit huis is geplaatst ter verzorging, bescherming of behandeling in verband met zijn of haar lichamelijke of geestelijke gezondheid, op een periodieke evaluatie van de behandeling die het kind krijgt en van alle andere omstandigheden die verband houden met zijn of haar plaatsing.



BURGERLIJK WETBOEK, BOEK 1.

Belangrijk zijn:

Art. 240

Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan de raad voor de kinderbescherming inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van de raad.

Art. 254

1. Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald, of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening.

2. Hij kan dit doen op verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de Raad voor de Kinderbescherming, dan wel op vordering van het openbaar ministerie.

3. Bij de toepassing van het eerste lid let de kinderrechter op de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van de minderjarige en van het gezin waartoe deze behoort.

4. Op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere. De Raad voor de Kinderbescherming is bevoegd het in de vorige volzin bedoelde verzoek in te dienen, indien de Raad van oordeel blijft dat de uithuisplaatsing niet op de voet van artikel 263, eerste lid, dient te worden beëindigd.

Art. 255

1. De kinderrechter kan hangende het onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Hij bepaalt de duur van dit voorlopige toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.

Art. 256

1. De kinderrechter bepaalt de duur van de ondertoezichtstelling op ten hoogste een jaar.

2. De kinderrechter kan de duur telkens voor ten hoogste een jaar verlengen. Hij kan dit doen op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming dan wel op vordering van het openbaar ministerie.

3. … .

4. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat. Hij kan dit doen op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder.

Art. 257

1. De gezinsvoogdij-instelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun wordt geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.

2. Deze hulp en steun zijn erop gericht de met het met gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden.

3. Indien het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten daartoe noodzaken, zijn hulp en steun, meer dan op het vergroten van de mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden, gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige.

4. De gezinsvoogdij-instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige.

Art. 258

1. De gezinsvoogdij-instelling kan ter uitvoering van haar taak schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

2. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen.

3. Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de met het gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van de gezinsvoogdij-instelling overgaat, alleen krachtens artikel 261.

Art. 259

1. Op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder kan de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.

2 …

3. De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt.

4. …

Art. 260

1. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen de gezinsvoogdij-instelling verzoeken een aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in te trekken.

2. De gezinsvoogdij-instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

3. Artikel 259 is van overeenkomstige toepassing.

4. Het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gezinsvoogdij-instelling wordt voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de gezinsvoogdij-instelling niet heeft beslist en eindigt, indien de gezinsvoogdij-instelling alsnog beslist, twee weken daarna.

Art. 261

1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Bij het verzoek wordt vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.

2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming.

3. Voor plaatsing in een gesloten inrichting is een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist. Deze machtiging wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige …

4. …

5. …

6. …

Art. 262

1. De kinderrechter bepaalt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing op ten hoogste een jaar. Op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling of van de Raad voor de Kinderbescherming kan hij de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

2. …

3. Een machtiging vervalt, indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

Art. 263

1. Een uithuisplaatsing kan worden beëindigd door de gezinsvoogdij-instelling.

2. De met het gezag belaste ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen wegens gewijzigde omstandigheden de gezinsvoogdij-instelling verzoeken:
-a. de uithuisplaatsing te beëindigen;
-b. de duur ervan te bekorten;
-c. af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige. …

3. De gezinsvoogdij-instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

4. Op verzoek van de in het tweede lid genoemde personen kan de kinderrechter de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. …

Art. 263a

1. Voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in artikel 261, kan de gezinsvoogdij-instelling voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken.

2. De beslissing van de gezinsvoogdij-instelling geldt als een aanwijzing. …

Art. 265

1. Verzoeken op grond van artikel 254, vierde lid, en de artikelen 256-264 moeten schriftelijk worden gedaan. Voor zover zij zich tot de kinderrechter richten, kunnen zij worden ingediend zonder procureur.

Art. 266

Mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Art. 267

1. Ontheffing wordt slechts uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming, of van het openbaar ministerie.

2. In het geval, bedoeld bij het tweede lid onder d, van artikel 268 van dit boek, kan, indien de kinderrechter een verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het verblijf van hun kind heeft afgewezen, de ontheffing bovendien verzocht worden door degene, die het kind op het tijdstip van het verzoek ten minste een jaar verzorgd en opgevoed heeft. …

Art. 268

1. Ontheffing kan niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet.

2. Deze regel lijdt uitzondering:
a. indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 261 van dit boek van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 254 af te wenden; …

Art. 269

1. Indien de rechtbank dit in het belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt, kan zij een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van:
a. misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer kinderen;
b. slecht levensgedrag;
c. onherroepelijke veroordeling: 1. wegens ...
d. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogij-instelling of belemmering van een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 261;
e. het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.


Art. 277

1. Indien de rechtbank overtuigd is, dat een minderjarige wederom aan zijn ontheven of ontzette ouder mag worden toevertrouwd, kan zij deze ouder op zijn verzoek in het gezag herstellen. …

Art. 278

1. Een verzoek als bedoeld in artikel 277 van dit boek kan ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming.



BESLUIT KWALITEITSREGELS JEUGDHULPVERLENING

Art. 5

1. Een hulpverleningsplan is afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdige en bevat in ieder geval een beschrijving van het voorgenomen hulpverleningsproces.
2. Indien de hulpverlening langer dan zes weken zal duren bevat het hulpverleningsplan in ieder geval:
a. een beschrijving, op basis van een diagnose, van het voorgenomen hulpverleningsproces, in relatie tot de korte en lange termijn doelen, met vermelding van de bij de hulpverlening in te schakelen deskundigen en van evaluatiemomenten; b. een vermelding van de voornemens ten aanzien van overleg gedurende de hulpverlening met de in het derde lid en vierde lid bedoelde personen of instanties;
c. jeugdige afkomstig is, zullen worden betrokken bij de hulpverlening, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren;
d. een vermelding van de hulpverlener die namens de voorziening de contactpersoon is voor het gehele proces van de hulpverlening;
e. een omschrijving van de rol van de pleegouders in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding van de pleegouders wordt vorm gegeven, indien sprake is van pleegzorg.
3. Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg gepleegd is met:
a. de betrokken jeugdige, indien hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en indien hij jonger is dan twaalf jaren, overeenkomstig zijn beoordelingsvermogen,
b. de ouders en de wettelijke vertegenwoordigers van de jeugdige, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie en het overleg schade zal toebrengen aan de jeugdige, met dien verstande dat binnen zes weken na het eerste contact in het kader van de hulpverlening, tussen de uitvoerder van de voorziening en de jeugdige overleg dient te hebben plaatsgevonden.



TOELICHTING OP ARTIKEL 5

Een hulpverleningsplan dient te worden opgesteld door de uitvoerder van de voorziening die de hulp verleent. Voor voorzieningen die slechts hulp kunnen verlenen na een plaatsingsbeslissing door een plaatsende instantie (voorzieningen voor residentiële en semi-residentiële hulpverlening en voorzieningen voor pleegzorg) dient het hulpverleningsplan aan te sluiten op het rapport van de plaatsende instantie. In dit rapport staat welke vorm van hulpverlening voor de jeugdige de meest aangewezene is te achten, gegeven de bij het onderzoek gebleken problemen en stoornissen van de jeugdige, en staat een hulpverleningstermijn en een datum van voorgenomen evaluatie en eventuele resultaten van voorgaande evaluatie door de plaatsende instantie vermeld.


WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING

Art. 36

Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Art. 37

1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
4. Een volgend verzoek tot wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5. Aanstonds na een verzoek tot wraking wordt de behandeling geschorst.

Art. 38

Een rechter van wie wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.

Art. 39

1. Het verzoek tot wraking wordt zo spoedig mogelijk ter terechtzitting behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter van wie de wraking is verzocht, geen zitting heeft.
2. De verzoeker en de rechter van wie de wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De meervoudige kamer kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of de rechter van wie wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord.
3. De meervoudige kamer beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld in het openbaar uitgesproken en aan de verzoeker, de andere partijen en de rechter van wie wraking was verzocht, medegedeeld.
enzovoort





HET CONTACTJOURNAAL

Stichting Vedivo, de Vereniging van Directeuren van Gezinsvoogdij-instellingen (inmiddels opgeheven), heeft op 11 april 2000 een brief geschreven aan de directeuren van de gezinsvoogdij-instellingen. Deze brief is te vinden op internet: www.sdnl.nlkinderen.htm onder het kopje: Vedivo bepaalt in Nederland wat de rechter wel of niet mag lezen.

Daarin staat o.a.: "Het contactjournaal is bij uitstek het document voor de maatschappelijk werker en voor de instelling om gedachten te formuleren en toezicht uit te oefenen op de uitvoering en voortgang van het hulpverleningsproces. Voor de kwaliteitsbewaking van het werk is het essentieel dat het management van de organisatie een subjectief beeld kan krijgen van een zaak. Het is daarom van belang dat de maatschappelijk werker zonder enig voorbehoud zijn eigen gedachten, interpretaties en mening over de zaak op papier kan zetten. Deze subjectieve gegevens vormen het materiaal op basis waarvan de maatschappelijk werker - in samenwerking met gedragsdeskundige en leidinggevende - een weloverwogen en meer objectief rapport opgesteld wordt. Dit rapport vormt zowel de basis voor de communicatie met de cliënt als in procedures die rondom de zaak spelen.

Het contactjournaal is dus nadrukkelijk niet bedoeld om met cliënten te bespreken dan wel in een procedure te gebruiken. Het is dan ook niet de bedoeling dat een (interne) klachten-commissie, Rechtbank of Hof een contactjournaal onder ogen krijgt. De (gezins)voogdij-instelling dient afgerekend te worden op officiële documenten."

Het Platform SCJF heeft in mei 2000 in een brief aan het bestuur van Vedivo gereageerd:

Geacht Bestuur,

Op Internet hebben wij uw brief van 11 april 2000 aan de directeur van de (gezins)voogdij-instellingen gevonden, kenmerk 600-000411. Deze brief heeft ons geschokt.

Wij begrijpen uit de brief dat u het contactjournaal beschouwt als interne rapportage, die noodzakelijk zou zijn om "toezicht uit te oefenen op de uitvoering en voortgang van het hulpverleningsproces". Voorts staat in de brief dat het "voor de kwaliteitsbewaking van het werk essentieel" is juist "een subjectief beeld" van een zaak te kunnen krijgen. Dit subjectieve beeld wordt gevormd door de "eigen gedachten, interpretaties en mening over de zaak" van de maatschappelijk werker.

U schrijft dat het "niet de bedoeling" is dat bijvoorbeeld een Rechtbank een contactjournaal onder ogen krijgt. Wij zouden graag van u vernemen
-waarom u niet wilt dat een rechter kennis neemt van de visie van de maatschappelijk werker op een zaak;
-waarom u niet wilt dat een rechter kennis neemt van wat u niet alleen belangrijk, maar zelfs essentieel acht voor de kwaliteitsbewaking van het werk;
-hoe het mogelijk is dat u van mening bent dat een rechter tot de meest verantwoorde beslissingen komt op basis van een rapport, opgesteld door maatschappelijk werker in samenwerking met gedragsdeskundige en leidinggevende ("een weloverwogen en meer objectief rapport"), terwijl voor de kwaliteitsbewaking van het werk het voorstadium hiervan (?) essentieel zou zijn;
-waarom u het noodzakelijk acht dat naast officiële documenten er niet-officiële documenten bestaan;
-waarom u het ongewenst vindt dat ouders kennis nemen van "eigen gedachten, interpretaties en mening" van de gezinsvoogd over hun gezin.

Wij stellen het zeer op prijs als u deze vragen ruim voor 17 mei beantwoordt, zodat wij onze positie kunnen bepalen.

Vedivo heeft beloofd dat de brief van mei in september beantwoord zou worden, maar dat is niet gebeurd. Het Platform wilde pas weer overleggen na beantwoording van de brief. De brief is nooit beantwoord, maar het contactjournaal werd onderdeel van het dossier, al blijft het nuttig er speciaal om te vragen. Nu zien wij weer dat contactjournaals soms die naam niet verdienen: er worden data van contacten vermeld, de gesprekspartner, maar niet de inhoud van het contact, laat staan de afspraken. Dan is er dus nog een schaduw-contactjournaal! Vraag er om.



De Raad voor de Kinderbescherming was verontwaardigd over het eerste deel in de serie Kinderbescherming en valkuilen, dit deel dus. We kregen een brief dat ze niet meer met ons wilden praten. Dat boek schijnt de Raad werkelijk heel erg verkeerd gevallen te zijn, want zelfs in het jaarbericht 1999 wordt het vermeld. De Raad schrijft zelf: "In het jaarbericht staan alleen de belangrijkste onderwerpen uit de jaarverantwoording."

De Raad reageerde boos, Vedivo reageerde heel anders. Het overleg op 17 mei 2000 met het Platform SCJF (waar KOG toen bij aangesloten was met Truus Barendse als vice-voorzitter van het Platform SCJF) ging niet door omdat het Platform pas wou overleggen als er een antwoord op de brief van mei was gekomen. Voor dit overleg had Vedivo het onderstaande stuk opgesteld:

Kinderbescherming en valkuilen
Een overzicht van knelpunten met betrekking tot de (gezins)voogdij

Een ad-hoc werkgroep bestaande uit … hebben de publicatie ‘Kinderbescherming en Valkuilen’ van het Platform SCJF gelezen op knelpunten die betrekking hebben op de uitvoering van de (gezins)voogdij, en deze in een viertal categorieën ondergebracht. De knelpunten zijn vervolgens van een korte reactie voorzien. Tevens is gekeken naar vragen die het ministerie van Justitie de sector stelt naar aanleiding van de publicatie. Ook op deze vragen is een antwoord geformuleerd. Ieder besproken knelpunt wordt afgesloten met de te ondernemen actie(s).

Knelpunten Platform

1. Hulp in het kader van een ots zou er vooral op gericht moeten zijn de ouders hun verantwoordelijkheid te doen behouden. Dat wil zeggen: een intensivering van de hulp in thuissituaties en, bij een uithuisplaatsing, een grotere betrokkenheid van de ouders.

De maatregel van de ots is ontworpen om de opvoedingsvaardigheden van de ouders te verbeteren, zodat een dreigend gevaar voor de ontwikkeling van het kind kan worden afgewend.dat de maatregel in een groot aantal gevallen leidt tot opvoeding en verzorging van de pupillen buiten het ouderlijk milieu, doet niets af aan dit uitgangspunt. Vedivo heeft al langer erkend dat er andere inspanningen nodig zijn om aan de doelstelling van de ots tegemoet te komen; zie de nota ‘Leiding geven aan verandering’ van Prof. Dr. J. Hermanns.

Een meer bewuste vormgeving aan de ouderverantwoordelijkheid in het geval van een uithuisplaatsing ligt in het verlengde van het primaire agogische doel van de ots: de verbetering van de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Vedivo erkent dat dit in de methodiek voor het gezinsvoogdijwerk beter uit de verf moet komen. Het zo intensief mogelijk betrekken van ouders bij hun uithuisgeplaatste kind moet een grondhouding zijn van de uitvoerende werkers. Een belangrijke voorwaarde die hiervoor tevens vervuld moet worden is: voldoende capaciteit in de regio voor uithuisplaatsing van pupillen. Van ouders kan eerder een grotere betrokkenheid op hun kinderen worden gevraagd als de fysieke afstand niet te groot is. Zijn deze voorwaarden vervuld dan kan een beleid worden ontwikkeld met als doel: het treffen van de juiste maatregel voor de bescherming van het kind. Zijn de ouders niet in staat op een voor de jeugdige aanvaardbare termijn zelfstandig de opvoedingsverantwoordelijkheid te dragen of is een terugkeer naar de ouders niet (meer) in het belang van het kind, verdient het wellicht de voorkeur aan te sturen op een verderstrekkende (maatregel).
Actie:
a) implementatie ‘Leiding geven aan verandering’
b) Vedivo-inbreng in wetgevingstrajecten (Wet op de Jeugdzorg en wetswijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de wetswijziging ots)

2 De doelen van het hulpverleningsplan moeten helder en toetsbaar zijn; van een overschrijding van in het hulpverleningsplan opgenomen termijnen moet verantwoording worden afgelegd.

Vedivo heeft al meerdere initiatieven genomen om dit terecht gesignaleerde knelpunt weg te nemen. Genoemd worden: de sectorbrede introductie van instrumenten voor basisdiagnostiek en het ontwikkelen van een model-hulpverleningsplan. Bij de uitvoering van dit beleid doemen nieuwe, deels onverwachte knelpunten op die om een oplossing vragen. Een daarvan is de vereiste deskundigheid – bij de uivoerende werker of in de organisatie (voldoende informatie gedragsdeskundigen) om de uitkomsten van de basisdiagnostiek te vertalen in doelen voor het hulpverleningsplan.

Een ander knelpunt is – het wordt saai – voldoende tijd om het plan te laten werken als planning van de hulpverlenende activiteiten met de doelen als agenda voor de ontmoetingen met het cliëntsysteem. Alleen dan worden overschrijdingen van termijnen tijdig gesignaleerd en verantwoord.
Actie:
a) bewaking van wettelijke termijnen via PPS
b) implementatie ‘Leiding geven aan verandering’
c) ontwikkeling ‘Pedagogisch Handvest’
d) deelname WODC-onderzoek naar effectiviteit uitvoering kinderbeschermingsmaatregelen
e) invoering instrumenten voor basisdiagnostiek VSPS en RED

3 De onafhankelijkheid van de (gezins)voogdij-instelling ten opzichte van Raad en Kinderrechter laat te wensen over.

Het Platform lijkt de kinderbescherming neer te zetten als een gesloten front, daar waar de sector (gezins)-voogdij meer in termen van een beschermingsketen denkt. Binnen de keten worden ter bevordering van de continuïteit in de hulpverlening de overgangsmomenten in kaart gebracht. Dit met het doel de last die cliënten van die momenten kunnen hebben (iedere keer weer opnieuw je verhaal moeten vertellen bijvoorbeeld) tot een minimum te beperken.

Het signaal van het Platform moet een stimulans zijn voor de jeugdbescherming om garanties te scheppen voor het behoud van verschillen in verantwoordelijkheden binnen de ketenbenadering. In de wijze waarop functionele relaties worden vormgegeven moet het respect blijken voor ieders onafhankelijke positie in de keten. Ook het overleg tussen jeugdbeschermingspartners moet deze transparantie hebben.
Actie:
a) signaal dat voor de zitting kennismakingsgesprekken met de gezinsvoogd plaatsvinden onderzoeken en toetsen aan het Vedivo-beleid.
b) signaal dat de gezinsvoogd anders dan als toehoorder aanwezig is bij de uitspraak van de ots onderzoeken en toetsen aan het Vedivo-beleid
c) Voorlichting over de plannen inzake de afstemming tussen onderzoeks- en uitvoeringsfase naar resp. vn kinderbeschermingsmaatregelen.

4 Er zijn twijfels over de integriteit van de (gezins)voogd bij het inschakelen van deskundigenbureau’s.

Ook dit geluid wordt herkend. Het komt niet zelden voor dat deskundigenonderzoeken worden gebruikt om de verantwoordelijkheid voor ingrijpende beslissingen in problematische situaties niet zelf te hoeven nemen. Aanwijzingen daarvoor zijn: aanwezigheid van voldoende informatie in de dossiers om een verantwoord besluit te kunnen nemen, onvoldoende toegespitste onderzoeksvragen en grote verschillen in uitgaven die instellingen doen ten behoeve van diagnostisch onderzoek.
Actie:
a) binnen Vedivo een vergelijkend onderzoek doen naar de uitgaven voor diagnostisch onderzoek
b) het probleem van een niet adequate vraagstelling meegeven bij de uitvoering van de projecten Forensische Diagnostiek.



Vragen van het ministerie van Justitie

1 Klopt het dat het contact tussen ouders en uithuisgeplaatst kind is beperkt tot 1x per 2 of 3 maanden?
Zie hierboven, vraag 1.

2 Is de sector bereid te denken over de vraag of het opnemen van gesprekken tot de mogelijkheden kan behoren?
De werkgroep heeft deze vraag niet ui deze publicatie kunnen halen, wel is deze vraag eerder in het overleg tussen Vedivo en het Platform aan de orde geweest. Daarbij is gesteld dat de sector geen voorstander is van een dergelijke werkwijze. Communicatie omvat altijd meer dan het gesproken woord; als er verschillen van mening zijn over de afspraken kan dit probleem beter opgelost worden door standaard de afspraken achteraf schriftelijk te bevestigen. Deze vraag van het Platform ligt wat Vedivo betreft in het verlengde van de opmerkingen over het ontbreken van waarheidsvinding. Hulpverlening is iets anders dan een politieverhoor.
Actie: geen

3 als het hulpverleningsplan niet is uitgevoerd, klopt het dan dat daarvoor veelal een beroep wordt gedaan op buiten de gvi liggende oorzaken, en is dat terecht? Komt het vaak voor dat het hulpverleningsplan niet (geheel) wordt uitgevoerd?
Kenmerkend voor de uitvoering van (gezins)voogdij is dat de omstandigheden snel kunnen wisselen. Dit leidt tot een frequente bijstelling van de hulpverleningsplannen.
Voor het overige: zie vraag 2 bij het Platform.

Utrecht, mei 2000











Ministerie van Justitie



Raad voor de Kinderbescherming
Landelijk Bureau

25 november 1999

Onderwerp feitelijke onjuistheden in ‘rose boekje’



Geachte mevrouw Barendse,

Hierbij gaat volgens afspraak met mw Vogel een opsomming van feitelijke onjuistheden, aangetroffen in het boekje ‘Kinderbescherming en valkuilen deel 1: de maatregelen". Deze opsomming staat los van mijn verontwaardiging over de inhoud van het boekje, zoals verwoord in mijn brief van 6 oktober jl. aan het Platform.

Hoogachtend,



Drs E.J.H.M. Hooymans,

Algemeen directeur



Feitelijke onjuistheden in ‘Kinderbescherming en valkuilen
Deel 1: de maatregelen (Platform SCJF, 1999)

blz. 8, 2e alinea

‘Belangrijker dan de verandering van de organisatie is de verandering van de naam geweest: Raad voor de Kinderbescherming!’

De naam is nu juist niet veranderd (sinds de reorganisatie van 1956 ongewijzigd gebleven).



blz. 9, onder de opsomming

‘Door zo’n kinderbeschermingsmaatregel, uitgesproken door de kinderrechter, …‘

Moet zijn: ‘door de (kinder)rechter’ (ontheffing en ontzetting komen bij de ‘gewone’rechter)



blz. 9, laatste alinea

‘De Raad voor de Kinderbescherming heeft, net als de politie, een opsoringstaak’

De Raad heeft geen opsporingstaak, heeft ook geen opsporingsbevoegdheden.



blz. 10, onder GEZINSVOOGDIJ-INSTELLING (GVI)

‘Het verzoek tot ondertoezichtstelling of een andere kinderbeschermingsmaatregel ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming bij de kinderrechter’ (moet zijn: ‘(kinder)rechter’).

‘Wordt dat verzoek toegewezen, dan wordt een gezinsvoogdij-instelling (GVI) …’ (moet zijn: ‘(gezins)voogdij-instelling (G)VI; ontheffingen en ontzettingen gaan naar voogdij-instelling).

‘De GVI …’ (moet zijn: (G)VI’)

‘Heeft de kinderrechter’ (moet zijn: ‘(kinder)rechter’) ‘eenmaal uitspraak gedaan dan heeft de Raad geen bemoeienis meer met de zaak’ moet zijn: ‘ … heeft de Raad vaak geen bemoeienis meer met de zaak’ (de Raad moet bijv. wel het voornemen van de GVI om de (uithuisplaatsing krachtens) OTS te beeindigen, toetsen).



blz. 10, onder SPOEDMAATREGELEN

‘Normaal duurt een onderzoeksfase vele maanden of jaren’ moet zijn: ‘Normaal duurt een onderzoeksfase ca. 3 maanden’.



Blz. 11, onder AANLEIDING

‘Een OTS wordt in werking gezet doordat iemand aangifte tegen u doet bij de Raad voor de Kinderbescherming …’ moet zijn: ‘… doordat iemand een melding bij de RvdK doet …’ (aangifte doen gebeurt bij de politie). ‘De aangifte wordt gedaan door bijvoorbeeld …’ moet zijn: ‘De melding wordt gedaan door bijv. …’

‘Uw inhoudelijke bezwaren worden genoteerd doch worden buiten het verband van het rapport gehouden’ moet zijn: ‘Uw inhoudelijke bezwaren worden als bijlage aan het rapport toegevoegd’.

‘Indien de raadsonderzoeker vindt dat daar voldoende grond toe is vordert de Raad middels een verzoekschrift bij de kinderrechter een ondertoezichtstelling’ moet zijn: ‘Indien de raadsonderzoeker en diens praktijkleider en eventueel de interne gedragsdeskundige vinden dat daar voldoende grond toe is, verzoekt de Raad de kinderrechter een ots uit te spreken’ (‘vorderen’ doet de Officier van Justitie).



blz. 11, onder BETEKENIS VAN DE OTS

‘De vordering van de Raad tot ots betekent dat de Raad vordert dat …’ moet zijn: ‘Het verzoekschrift van de Raad tot ots betekent, dat de Raad verzoekt dat …’.



blz. 12, onder ONDERZOEK

‘De ots-wet voorziet niet …’ moet zijn: ‘De wet voorziet niet …’ (er bestaat geen ‘ots-wet’).



blz. 13, onder DE ZITTING EN DE UITSPRAAK

‘… gezinsvoogdij-instelling (Bureau voor Jeugdzorg, Jeugd en Gezin, Humanitas, Leger des Heils e.d.): Bureau voor Jeugdzorg en Humanitas horen in dit rijtje niet thuis (Humanitas is in grotere GVI’s opgegaan).

‘Dat rapport bevat niet meer dan de persoonlijke mening van de maatschappelijk werker’ moet zijn: ‘… dan de mening van de raadsonderzoeker, getoetst en geobjectiveerd door de praktijkleider en eventueel de interne gedragsdeskundige’.



Blz. 22, voorbeeldbrief

‘Aan de Edelachtbare Heer L. Kantonrechter te X’ moet zijn:

‘Aan de Arrondissementsrechtbank te X,

d.t.v. de Griffier van het Kantongerecht te Y’

(het verzoek tot wraking is nu gericht aan de te wraken Kantonrechter)



blz. 25, 1e alinea

In deze zin wordt telkens ‘die’ gebruikt, waardoor de verkeerde suggestie gewekt kan worden, dat de Raad alle genoemde handelingen verricht.



blz. 25, laatste regel

‘d.w.z. dat hij de ontertozichtstelling uitspreekt, verleng en opheft’ moet zijn: ‘d.w.z. dat hij de ots en eventuele uithuisplaatsing uitspreekt, verlengt en opheft’.



blz. 30, voorbeeldbrief

‘Locatie Amsterdam (of wat het dan ook moet zijn)’ moet zijn ‘Directie Noord-West’.

‘…wil het volledige dossier ontvangen, inclusief werkaantekeningen en telefoonnotities’ moet zijn" ‘Wil het volledige dossier ontvangen’ (werkaantekeningen en telefoonnotities horen niet in het dossier; zij worden na verwerking in het rapport vernietigd).



blz. 30, onder 4

‘…, want het is niet mogelijk anoniem te melden bij de Raad’ moet zijn: ‘… want het is in beginsel niet mogelijk anoniem te melden bij de Raad’ (in gevallen van ‘leven of dood’ kan gemotiveerd een uitzondering op het beginsel worden gemaakt).



Blz. 31, 2e alinea

‘Als de melding van een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling komt, is het moeilijker, want bij AMK’s kan men anoniem melden.’ Deze zin klopt niet, omdat bij de AMK’s in beginsel evenmin anoniem gemeld kan worden.



blz. 32, onder 7

‘In het eerste gesprek geeft de raadsonderzoeker u een folder over de gang van zaken en een folder over de klachtenregeling’ moet zijn: ‘In het eerste gesprek geeft de raadsonderzoeker u een algemene folder over de taken en werkwijze van de Raad en van de rechten van de client en een folder toegespitst op het soort zaak waarvoor u bemoeienis hebt met de Raad’ (de folder over de klachtenregeling wordt niet standaard uitgedeeld, maar op verzoek van de client of als de client een klacht bij de directeur heeft ingediend. Wel staat in de beide folders, die standaard in het eerste gesprek worden uitgedeeld of van tevoren toegestuurd, de kern van de klachtenregeling, zoals de termijn waarbinnen de klacht moet worden ingediend).



blz. 40, onder 21

‘Dat moet u eerst schriftelijk doen bij de directeur’ moet zijn: ‘Dat moet u eerst schriftelijk of mondeling doen bij de directeur’.



blz. 40, onder 23

‘Na ontvangst van uw schriftelijke klacht …’ moet zijn: ‘Na ontvangst van uw klacht …’.

‘Van het gesprek met u ontvangt u een verslag’ moet zijn: ‘Van het gesprek met u ontvangt u soms een verslag’ (de meeste directies doen dit niet structureel).



blz. 40, onder 25 en blz. 48, 2e alinea

‘Als de politie toch weigert uw aangifte op te nemen kunt u aangifte doen bij de burgemeester’ en ‘Als de politie blijft weigeren, kunt u aangifte doen bij de burgemeester’:

Volgens de juridische afdeling van de politie Utrecht is de politie verplicht van een aangifte p-v op te maken, ook al vindt zij het verhaal nog zo onwaarschijnlijk (de beoordeling is aan de Officier van Justitie). Het moet natuurlijk wel om een aangifte van een strafbaar feit gaan! ‘Aangifte doen bij de burgemeester’ slaat nergens op.



blz. 57, onder CONTRA-EXPERTISE, SECOND OPINION, AANVULLEND ONDERZOEK

‘… (zie BPR …)’ moet zijn ‘… (zie RV) …)’ (=Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)



blz. 60, 4e alinea

‘machtiging ots en uhp’ moet zijn: "ots en machtiging uithuisplaatsing



blz. 63, 1e zin

‘De Kinderrechter volgt het raadsrapport’ moet zijn: ‘De Kinderrechter volgt meestal het raadsrapport’



blz. 67, onder 9

‘Zo kan de politie niet ingrijpen …’ moet zijn: ‘Zo kan de politie niet zelfstandig ingrijpen …’



25-11-99/aldo h.